ECLI:NL:TGZRZWO:2026:23 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle Z2024/7873

ECLI: ECLI:NL:TGZRZWO:2026:23
Datum uitspraak: 27-01-2026
Datum publicatie: 29-01-2026
Zaaknummer(s): Z2024/7873
Onderwerp: Onvoldoende informatie
Beslissingen: Ongegrond/Afwijzing
Inhoudsindicatie: Klacht tegen arts werkzaam bij een abortuskliniek ongegrond. Verweerder heeft bij klaagster een abortus uitgevoerd bij een prille zwangerschap. Hij heeft klaagster het risico voorgehouden dat de ingreep vanwege de korte zwangerschapsduur zou mislukken en haar geadviseerd de ingreep later te laten plaatsvinden. Klaagster heeft de ingreep toch dezelfde dag laten uitvoeren en nadien bleek dat een tweede ingreep noodzakelijk. De klachten over voorlichting, voldoende tijd nemen voor klaagster zijn ongegrond.

                  REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG ZWOLLE

Beslissing van 27 januari 2026 op de klacht van:

A,

wonende in B,

klaagster,

gemachtigde: mr. T. Kaytazci, werkzaam in Almelo,

tegen

C,

arts,

destijds werkzaam in D,

hierna: de arts,

gemachtigde: mr. M.J.J. de Ridder, werkzaam in Utrecht.

1.     De zaak in het kort
 

1.1     De arts heeft een abortus provocatus middels zuigcurettage bij klaagster uitgevoerd bij een prille zwangerschap met een amenorroeduur van 4+5 weken.
 

1.2     De arts heeft bij het eerste bezoek van klaagster aan de kliniek een echo gemaakt, en daarbij vastgesteld dat sprake was van een prille zwangerschap, namelijk korter dan vijf weken. De arts heeft uitgelegd dat een zuigcurettage bij deze termijn een grotere kans heeft op mislukken. De ingreep vond op verzoek van klaagster toch op dezelfde dag plaats, ondanks het advies van de arts de ingreep later te laten plaatsvinden. Na de ingreep heeft klaagster meermaals contact opgenomen met de kliniek, maar heeft zij geen contact kunnen leggen met de arts.

1.3     Het college komt tot het oordeel dat de arts niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Hierna licht het college dat toe.
 

2.     De procedure
 

2.1     Het college heeft de volgende stukken ontvangen:

  • het klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 22 november 2024;
  • het aanvullende klaagschrift met de bijlage, ontvangen op 6 januari 2025;
  • het verweerschrift met de bijlagen, ontvangen op 7 februari 2025;
  • de e-mail van de gemachtigde van klaagster d.d. 5 maart 2025;
  • het proces-verbaal van het op 10 juni 2025 gehouden mondelinge vooronderzoek.
     

2.2     De zaak is behandeld op de openbare zitting van 16 december 2025. De partijen zijn verschenen. Zij werden bijgestaan door hun gemachtigden. De gemachtigde van de arts heeft pleitnotities voorgelezen en aan het college en de andere partij overhandigd.
 

3.     De feiten
 

3.1     De arts is als arts verbonden aan een kliniek gespecialiseerd in abortushulpverlening, hierna te noemen: de kliniek. Klaagster heeft zich gewend tot de kliniek. Op 30 september 2024 had zij een afspraak bij de arts. Daarbij bestond de optie om eventueel meteen een afbreking te laten plaatsvinden.

3.2     Er is door de arts een echoscopie gemaakt, waaruit bleek dat sprake was van een prille zwangerschap, namelijk korter dan vijf weken. Omdat bij een dergelijk korte zwangerschapsduur er een hogere kans bestaat dat de ingreep niet succesvol zou zijn, heeft de arts klaagster geadviseerd de ingreep in een later stadium te ondergaan. Klaagter heeft desondanks besloten de ingreep op 30 september 2024 te laten plaatsvinden.
 

3.3     Om te kunnen beoordelen of de ingreep succesvol was geweest, is na de procedure voor klaagster een controle afspraak gemaakt op 21 oktober 2024. Twee dagen na de ingreep, op 30 september 2024, heeft klaagster contact opgenomen met de kliniek, omdat zij zich nog zwanger voelde en ze ook meermaals een positieve zwangerschapstest had vastgesteld. Niet vastgesteld kan worden dat die pogingen tot contact de arts hebben bereikt. Er is geen contact geweest tussen klaagster en de arts.

3.4     Op 21 oktober 2024 heeft de arts klaagster opnieuw gezien en haar door middel van een uitwendige echo beoordeeld. Uit de echo bleek dat er nog steeds sprake was van een vitale zwangerschap met hartactie en daarom nog een zuigcurettage moest plaatsvinden. Klaagster koos ervoor de behandeling niet op diezelfde dag (21 oktober 2024), maar op een later tijdstip te laten plaatsvinden.

3.5     Op 28 oktober 2024 is klaagster gezien door een collega van de arts. Bij een uitwendige echo stelde deze vast dat zich in de baarmoeder van klaagster een embryo met een CRL (kruin-romplengte) van 15 mm bevond en dat geen hartslag kon worden vastgesteld. De arts heeft klaagster medegedeeld dat hij geen hartslag zag en dat zij in plaats van een currettage ook het natuurlijk beloop, namelijk een spontane miskraam, kon afwachten. Klaagster wenstte dat natuurlijk proces af te wachten en aan het eind van het consult werd een vervolgafspraak voor over twee weken (11 november 2024) gemaakt.

3.6     Klaagster heeft, omdat zij de uitslag niet vertrouwde (wel/geen hartactie), contact gezocht met haar verloskundige, die op 30 oktober 2024 een echo gemaakt heeft. Daarbij werd wel een kloppend hartje van het embryo gezien. Klaagster heeft vervolgens besloten een tweede ingreep niet te ondergaan.

3.7     Vanuit de kliniek is door een collega-arts contact opgenomen met de verloskundigenpraktijk, omdat de collega zorgen had dat de foetus mogelijk letsel had opgelopen bij de eerste ingreep op 30 september 2024.

3.8     Klaagster heeft contact gezocht met een abortuskliniek elders, maar zij heeft uiteindelijk besloten de zwangerschap uit te dragen. In het voorjaar van 2025 is klaagster bevallen van een gezonde dochter.

4.     De klacht en de reactie van de arts
 

4.1     klaagster verwijt de arts:

a)         klaagster niet serieus te nemen, niet eerlijk te zijn en onvoldoende tijd te nemen tijdens de (controle)afspraken  in de kliniek;

b)         tekort te schieten in de communicatie rondom de behandeling, afspraken en daarna.

4.2     De arts heeft het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren.

4.3     Het college gaat hieronder verder in op de standpunten van partijen.

5.     De overwegingen van het college


De criteria voor de beoordeling

5.1     De vraag is of de arts de zorg heeft verleend die van hem verwacht mocht worden. De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende arts. Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de zorgverlener geldende beroepsnormen en andere professionele standaarden. Dat een zorgverlener beter anders had kunnen handelen is niet altijd genoeg voor een tuchtrechtelijk verwijt. Verder geldt het uitgangspunt dat zorgverleners alleen tuchtrechtelijk verantwoordelijk zijn voor hun eigen handelen.

5.2       Het college meent dat beide klachtonderdelen zich lenen voor een gezamenlijke bespreking. Concreet verwijt klaagster de arts dat hij onvoldoende tijd aan de consulten van klaagster zou hebben besteed en dat hij tekort is geschoten in de communicatie.
 

5.3       Het college stelt, mede aan de hand van het verhandelde ter zitting, vast dat klaagster op 30 september 2024 gedurende twee uur en 15 minuten in de kliniek is geweest. Gedurende deze tijd is haar een informatiefolder en een informed consent formulier aangereikt. Onder laatstgenoemd formulier heeft klaagster haar handtekening gezet. De arts heeft een anamnese afgenomen, een uitwendige echo verricht en de behandeling besproken en toegelicht. Na het consult heeft de arts klaagster gevraagd weer in de wachtkamer te gaan zitten en haar na ruim een uur weer binnen geroepen.
 

Naar het oordeel van het college heeft klaagster voldoende tijd en gelegenheid gehad om de benodigde informatie tot zich te nemen. Het feit dat klaagster het informed consent formulier heeft ondertekend onderschrijft dat ook. Daarbij tekent het college aan dat klaagster bekend was met het risico op een noodzakelijke tweede behandeling na uitleg daarover van de arts, gelet op de korte duur van de zwangerschap. Dit blijkt ook met zoveel woorden uit het klaagschrift, waarin klaagster aangeeft dat zij op 30 september 2024 te horen kreeg dat het mogelijk nog te vroeg was voor een succesvolle abortus provocatus door middel van een zuigcurettage, en dat zij beter nog even kon wachten. Klaagster heeft in reactie daarop aangegeven toch op die dag de curettage te willen. Deze gang van zaken is ook besproken tijdens het mondeling vooronderzoek, waarbij klaagster heeft aangegeven dat de arts tijdens het consult heeft gezegd dat de zwangerschap erg pril was en dat er een kans was dat zij nog een keer terug moest komen. Dit strookt ook met de gemaakte controleafspraak waarmee dit risico op juiste wijze kon worden afgewikkeld. De arts heeft klaagster daartoe op 21 oktober 2024 (drie weken na de zuigcurettage) gezien en vastgesteld dat nog steeds sprake was van een zwangerschap met positieve hartactie.

5.4       Dat klaagster tussen beide afspraken, zoals zij stelt, veelvuldig telefonisch contact met de kliniek zou hebben gehad kan, zoals ook ter zitting is besproken, niet worden vastgesteld, en ook niet dat de arts hiervan op de hoogte was of behoorde te zijn.

5.5       Het vorenstaande overziende is het college van oordeel dat niet gezegd kan worden dat de arts onvoldoende tijd voor de consulten heeft genomen of tekort is geschoten in de communicatie. Hem kan in dit verband geen tuchtrechtelijk verwijt worden gemaakt.


Slotsom

5.6     Uit de overwegingen hiervoor volgt dat alle onderdelen van de klacht ongegrond zijn.

6.     De beslissing

Het college:

  • verklaart de klacht ongegrond.

Deze beslissing is gegeven door W.P. Claus, voorzitter, J.R. Hurenkamp, lid-jurist, M.J.E. Mourits, A.E.P. Cantineau-Gielkens en C.H. Mom, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door I.F. Schouwink, secretaris, en in het openbaar uitgesproken op 27 januari 2026.

secretaris                                                                                           voorzitter


 

Tegen deze beslissing kan in de volgende gevallen schriftelijk beroep worden ingesteld bij het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:

  1.     Heeft u de klacht ingediend? Dan kunt u in beroep als
  • het college u of uw klacht geheel of gedeeltelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard, of
  • als de klacht geheel of gedeeltelijk ongegrond is verklaard,
  • het college kennelijk onbevoegd is, of
  • voor zover de klacht kennelijk van onvoldoende gewicht is.
     

Bij een gedeeltelijke niet-ontvankelijkverklaring of een gedeeltelijke ongegrondverklaring kan uw beroep alleen betrekking hebben op dat deel van de beslissing.

  1.     Is de klacht tegen u gericht? Dan kunt u altijd in beroep.
  1.     Ook de inspecteur van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd kan beroep instellen.


U moet het beroepschrift richten aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg, maar opsturen naar de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Zwolle. Daar moet het zijn ontvangen binnen zes weken nadat de beslissing aan u is verstuurd.
 

Als u beroep instelt, moet u € 50,- griffierecht betalen aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg. U ontvangt hierover bericht. Als u geheel of gedeeltelijk in het gelijk wordt gesteld, wordt het griffierecht aan u terugbetaald.