ECLI:NL:TGZRZWO:2026:15 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle Z2025/8903
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRZWO:2026:15 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 26-01-2026 |
| Datum publicatie: | 29-01-2026 |
| Zaaknummer(s): | Z2025/8903 |
| Onderwerp: | Geen of onvoldoende zorg |
| Beslissingen: | Ongegrond, kennelijk ongegrond |
| Inhoudsindicatie: | Klacht tegen een orthopedisch chirurg kennelijk ongegrond. Klaagster kwam bij de orthopedisch chirurg vanwege pijnklachten aan haar heupen. De orthopedisch chirurg heeft klaagster geopereerd. Klaagster verwijt de orthopedisch chirurg, samengevat, dat hij geweigerd heeft haar te helpen nadat zij een afgekneld gevoel had aan haar linkerbeen na de operatie en dat hij onvoldoende zorg heeft verleend. Het college oordeelt dat de orthopedisch chirurg niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. |
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG
ZWOLLE
Beslissing in raadkamer van 26 januari 2026 op de klacht van:
A,
wonende in B,
klaagster,
tegen
C,
orthopedisch chirurg,
werkzaam in D,
verweerder, hierna ook: de orthopedisch chirurg,
gemachtigde: mr. M.F. Mooibroek, werkzaam in Utrecht.
1. De zaak in het kort
1.1 Klaagster kwam bij de orthopedisch chirurg vanwege pijnklachten aan haar heupen.
De orthopedisch chirurg heeft klaagster geopereerd. Klaagster verwijt de orthopedisch
chirurg, samengevat, dat hij geweigerd heeft haar te helpen nadat zij een afgekneld
gevoel had aan haar linkerbeen na de operatie aan de linkerheup en dat hij onvoldoende
zorg heeft verleend.
1.2 Het college komt tot het oordeel dat de klacht kennelijk ongegrond is. ‘Kennelijk’
betekent dat het niet nodig is om nog vragen aan de partijen te stellen en dat duidelijk
is dat de klacht niet gegrond kan worden verklaard. Hierna licht het college toe hoe
het tot deze beslissing is gekomen.
2. De procedure
2.1 Het college heeft de volgende stukken ontvangen:
- het klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 12 juni 2025;
- de brief van de secretaris van 1 augustus 2025, met het verzoek de klacht aan te vullen;
- het aanvullende klaagschrift;
- het verweerschrift met de bijlagen, ontvangen op 22 oktober 2025.
2.2 De partijen hebben de gelegenheid gekregen om onder leiding van een secretaris
van het college in gesprek te gaan (mondeling vooronderzoek). Daarvan hebben zij geen
gebruik gemaakt.
2.3 Klaagster heeft gelijktijdig met deze klacht een klacht ingediend tegen een
andere zorgverlener. Deze zaak is geregistreerd onder Z2025/8659. In beide zaken wordt
afzonderlijk uitspraak gedaan.
2.4 Het college heeft de klacht in raadkamer behandeld. Dit betekent dat het college
de zaak beoordeeld heeft op basis van de stukken, zonder dat de partijen daarbij aanwezig
waren.
3. De feiten
3.1 Op grond van het medisch dossier, gaat het college uit van de volgende feiten
en omstandigheden.
3.2 Klaagster kwam op 14 februari 2020 voor het eerst op consult bij verweerder.
Zij had jarenlang last van (pijn)klachten aan de buitenkant van haar heupen als gevolg
van een chronisch pijnsyndroom (Grote Trochanter Pijnsyndroom, oftewel GTPS) beiderzijds.
Klaagster had elders al behandelingen ondergaan, bestaande uit injecties met corticosteroïden.
De pijn hield echter aan. Klaagster had voornamelijk pijn tijdens het zitten, staan
en lopen. Verweerder onderzocht klaagster lichamelijk en besprak met klaagster het
behandelplan, bestaande uit een fenestratie(operatie), eerst rechts en later links.
Eerst werd besloten een MRI-scan te (laten) verrichten. De MRI-scan toonde een oedeem
onder de tractus iliotibialis beiderzijds. Verweerder besloot dat er een indicatie
was voor een fenestratie en besprak dat op 6 maart 2020 telefonisch met klaagster.
Aangezien klaagster op dat moment herstellende was van een galblaas operatie werd
gekozen voor expectatief beleid.
3.3 Klaagster nam op 8 april 2020 contact op met een collega van verweerder, in verband met veel pijn als gevolg van GTPS aan beide heupen. Zij wilde graag een injectie. In overleg met verweerder werd besloten dat klaagster op 10 april 2020 een injectie met corticosteroïden (aan beide heupen) zou krijgen. Na deze injectie nam klaagster op 22 april 2020 weer telefonisch contact op met verweerder. De pijn aan de rechterkant was onvoldoende verlicht. Met klaagster werd afgesproken dat aan deze kant een ingreep (fenestratie) zou plaatsvinden. Ook werden de mogelijke complicaties en de prognose met klaagster besproken.
3.4 De fenestratie aan de rechterzijde verrichtte verweerder op 30 april 2020. De ingreep verliep ongecompliceerd en ook de slijmbeurs werd bij bij de ingreep verwijderd. Op 25 mei 2020 werd klaagster voor een fysiek consult gezien door verweerder. Klaagster vertelde veel pijnklachten te hebben en tramadol te gebruiken, dit gaf echter geen verlichting. Verweerder noteerde in het dossier (alle citaten letterlijk weergegeven): “LO Rustig. Gerustgesteld. Benoemd dat ze wat mij betreft een wat lage pijntolerantie heeft. Is het daar natuurlijk absoluut niet mee eens, want denkt zelf een een hoge pijngrens te hebben. Dit ook even goed besproken omdat het m.i. wel een rol speelt.”
3.5 Met klaagster werd op 2 juni 2020 besproken om ook een fenestratie aan de linkerheup te verrichten, omdat de indicatie hiervoor onverminderd gold. Voorafgaand aan deze ingreep nam klaagster op 15 juni 2020 nog contact op met de kliniek om zeker te weten of ze tramadol zou krijgen na de operatie.
3.6 Op 18 juni 2020 opereerde verweerder klaagster nogmaals, dit keer aan haar linkerheup
(een fenestratie en bursectomie). Ook deze ingreep verliep ongecompliceerd.
3.7 Klaagster belde op of omstreeks 26 juni 2020 de kliniek en vertelde dat ze
meerdere keren per dag het gevoel had dat haar linkerbeen afgeklemd was. Op het moment
dat ze belde gebruikte klaagster qua medicatie oxocodon, tramadol en paracetamol.
Verweerder nam vervolgens telefonisch contact op met klaagster en hoorde geen alarmsignalen.
Voor de zekerheid werd klaagster uitgenodigd om langs te komen op de polikliniek.
3.8 Op 3 juli 2020 kwam klaagster langs bij de polikliniek en werd zij eerst gezien
door de betrokken physician assistant. In het dossier werd, voor zover relevant, genoteerd:
“Pt. komt kwaad binnen. Erg ontevreden en boos over de behandeling. Heeft direct na
operatie veel pijn en gevoel van afknelling in het been ervaren. Anders dan bij vorige
operatie rechts. Op verkoever door E onderzocht, geen aanwijzingen voor afwijkingen
in het been.
(..)
Pt. laat mij niet uitpraten en spreekt, wat bij mij overkomt op, een erg verwijtende
manier. Komt intimiderend over en dreigt de kamer niet te verlaten zonder een recept
tramadol 50 mg en Oxycontin 20 mg.
(..)
Lichamelijk onderzoek:
E weer erbij gehaald voor Lichamelijk onderzoek.
Been is volledig rustig, hematoom dorsaal proximaal van wond, bovenbeen soepel,
palpatiepijn rondom tractus. Kuit soepel. Aanwezige en regelmatige pulsaties. Motorisch
en sensibel intact.
Beleid: Getracht gesprek te voeren met pt. over boosheid echter onmogelijk vanwege
de vele interrupties. Aangegeven geen 20 mg. oxycontin uit te schrijven, dit is een
te hoge dosering in relatie met de pijn. Pt. accepteerde dit niet en wilde kamer niet
verlaten.
Gevraagd of zij wilde vertrekken. Tramadol 50 mg en oxycontin 10 mg meegegeven voor
1 week. E heeft contact gehad met HA.”
3.9 Verweerder had op 3 juli 2020 overleg met de huisarts over de pijnstilling die
klaagster eiste. Klaagster stuurde op 7 juli 2020 een klacht over het handelen van
verweerder en over de verstrekte pijnmedicatie naar de kliniek. De klachtenfunctionaris
liet klaagster op 8 juli 2020 weten dat klaagster op 27 juli 2020 een controleafspraak
met verweerder had staan en als klaagster wilde dat de afspraak eerder zou plaatsvinden,
zij contact kon opnemen. Verder schreef de klachtenfunctionaris dat verweerder geen
oxycodon 20 mg wilde voorschrijven, omdat de medicatie volgens de regelgeving centraal
werd voorgeschreven omdat deze erg verslavingsgevoelig is. Voor verdere pijnstilling
kon klaagster bij de huisarts terecht, schreef de klachtenfunctionaris. Verweerder
schreef op 14 juli 2020 aan de klachtenfunctionaris dat klaagster een afspraak moest
krijgen, maar dat hij op dat moment met vakantie was. Verweerder beschreef in zijn
e-mail het belang bij klaagster te benadrukken dat ze altijd welkom was. Klaagster
bleef hierna e-mails sturen met de mededeling dat ze net zo lang bleef e-mailen totdat
het opgelost zou worden.
3.10 Klaagster is na 3 juli 2020 nog enkele keren door collega’s van verweerder
gezien. Ook werd er een MRI-scan gemaakt van haar heup. De MRI van de linkerheup liet
zien dat er sprake was van een vochtophoping in de buurt van de grote trochanter.
Dit vocht kon worden verwijderd onder geleide van een echo. Omdat deze echo niet kon
worden verricht binnen de kliniek, werd klaagster doorverwezen naar een ander ziekenhuis
waar deze behandeling wel kon plaatsvinden. Uiteindelijk diende klaagster onderhavige
tuchtklacht in tegen verweerder en een collega-orthopedisch chirurg die haar later
behandelde.
4. De klacht en de reactie van de orthopedisch chirurg
4.1 Klaagster verwijt de orthopedisch chirurg dat hij:
- heeft geweigerd klaagster te helpen nadat zij een afgekneld gevoel had in haar linkerbeen na de operatie die zij op 18 juni 2020 bij verweerder had ondergaan;
- nadien geen gehoor meer heeft gegeven aan haar klachten en niet de zorg heeft gegeven
die zij nodig had.
4.2 De orthopedisch chirurg heeft het college verzocht de klacht ongegrond te
verklaren.
4.3 Het college gaat hieronder verder in op de standpunten van partijen.
5. De overwegingen van het college
De criteria voor de beoordeling
5.1 De vraag is of de orthopedisch chirurg de zorg heeft verleend die van hem verwacht mocht worden. De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende orthopedisch chirurg. Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de orthopedisch chirurg geldende beroepsnormen en andere professionele standaarden.
5.2 Het college oordeelt dat de orthopedisch chirurg niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld en zal dat hieronder nader uitleggen. Klachtonderdelen a) en b) weigering te helpen bij afgekneld gevoel in klaagsters been en verlenen van onvoldoende zorg
5.3 Vanwege de samenhang zal het college de klachtonderdelen gezamenlijk behandelen. Het college stelt vast dat verweerder, nadat klaagster telefonisch contact opnam met de kliniek vanwege een afgekneld gevoel in haar been na de tweede ingreep, direct zelf telefonisch contact met klaagster opnam. Hij heeft haar vervolgens een fysiek consult op de polikliniek aangeboden. Het college kan niet vaststellen wat verweerder exact telefonisch met klaagster heeft besproken aangezien hiervan geen notitie in het dossier is gemaakt. Echter voor het standpunt van klaagster dat verweerder zou hebben gezegd dat klaagster “niet moest zeiken, want na vier weken was het weg”, vindt het college in het dossier geen aanknopingspunten. Uit het dossier blijkt van een normaal postoperatief verloop na de ingreep en dat sprake was van een bloeduitstorting (hematoom) op het been van klaagster. Dat valt eveneens onder gebruikelijk postoperatief verloop na een fenestratie aan de heup. Hoewel verweerder klaagster niet meer zelf heeft gezien na 3 juli 2020, blijkt uit de overgelegde e-mails wel dat hij bereid was klaagster nog te beoordelen of laten beoordelen door een collega, wat ook is gebeurd. Van een weigering om te helpen is het college dan ook niet gebleken, evenmin van het verlenen van onvoldoende zorg. Voor zover de klacht van klaagster ook de weigering van verweerder omvat om haar extra pijnstilling voor te schrijven, acht het college dit evenmin tuchtrechtelijk verwijtbaar. Het getuigt van zorgvuldig medisch handelen door de coördinatie van pijnstilling bij de huisarts neer te leggen en met hem de situatie te bespreken. Het college is samengevat van oordeel dat verweerder niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Slotsom
5.4 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat alle onderdelen van de klacht kennelijk ongegrond zijn.
6. De beslissing
De klacht is in al haar onderdelen kennelijk ongegrond.
Deze beslissing is gegeven op 26 januari 2026 door J. Sap, voorzitter, P.C. Rijk en
H.W.J. Koot, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door M.H. van Ham, secretaris.
secretaris
voorzitter
Tegen deze beslissing kan in de volgende gevallen schriftelijk beroep worden ingesteld
bij het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:
- Heeft u de klacht ingediend? Dan kunt u in beroep als
- het college u of uw klacht geheel of gedeeltelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard, of
- als de klacht geheel of gedeeltelijk ongegrond is verklaard,
- het college kennelijk onbevoegd is, of
- voor zover de klacht kennelijk van onvoldoende gewicht is.
Bij een gedeeltelijke niet-ontvankelijkverklaring of een gedeeltelijke ongegrondverklaring kan uw beroep alleen betrekking hebben op dat deel van de beslissing.
- Is de klacht tegen u gericht? Dan kunt u altijd in beroep.
- Ook de inspecteur van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd kan beroep instellen.
U moet het beroepschrift richten aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg,
maar opsturen naar de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg
te Zwolle. Daar moet het zijn ontvangen binnen zes weken nadat de beslissing aan u
is verstuurd.
Als u beroep instelt, moet u € 50,- griffierecht betalen aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg. U ontvangt hierover bericht. Als u geheel of gedeeltelijk in het gelijk wordt gesteld, wordt het griffierecht aan u terugbetaald.