ECLI:NL:TGZRZWO:2026:14 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle Z2025/8660
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRZWO:2026:14 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 16-01-2026 |
| Datum publicatie: | 22-01-2026 |
| Zaaknummer(s): | Z2025/8660 |
| Onderwerp: | Onjuiste verklaring of rapport |
| Beslissingen: | Gegrond, waarschuwing |
| Inhoudsindicatie: | Klacht tegen een arts. Klaagster is in verband met een beoordeling op grond van de Ziektewet door de arts op het spreekuur gezien. Klaagster verwijt de arts, samengevat, een onbehoorlijke/onheuse bejegening en onprofessioneel handelen tijdens deze beoordeling. Het college oordeelt dat de arts tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft opgetreden bij de wijze waarop hij verslag deed van zijn onderzoek. De klacht is deels gegrond en het college legt de maatregel van een waarschuwing op. |
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG
ZWOLLE
Beslissing van 16 januari 2026 op de klacht van:
A,
wonende in B,
klaagster,
gemachtigde: mr. R.M. van der Horn, werkzaam in Groningen,
tegen
C,
arts,
(destijds) werkzaam in B,
verweerder, hierna ook: de arts,
gemachtigde: mr. C. van der Kolk-Heinsbroek, werkzaam in Utrecht.
1. De zaak in het kort
1.1 Klaagster is in verband met een beoordeling op grond van de Ziektewet (ZW)
door verweerder op het spreekuur gezien. Klaagster verwijt verweerder, samengevat,
een onbehoorlijke/onheuse bejegening en onprofessioneel handelen tijdens deze beoordeling.
1.2 Het college komt tot het oordeel dat de klacht deels gegrond is en legt de
maatregel van een waarschuwing op. Hierna licht het college dat toe.
2. De procedure
2.1 Het college heeft de volgende stukken ontvangen:
- het klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 25 juni 2025;
- het aanvullende klaagschrift, ontvangen op 5 augustus 2025;
- het verweerschrift met de bijlagen.
2.2 De partijen hebben de gelegenheid gekregen om onder leiding van een secretaris
van het college met elkaar in gesprek te gaan (mondeling vooronderzoek). Daarvan hebben
zij geen gebruik gemaakt.
2.3 De zaak is behandeld op de openbare zitting van 12 december 2025. Partijen zijn verschenen. Zij werden bijgestaan door hun gemachtigden. De partijen en hun gemachtigden hebben hun standpunten mondeling toegelicht.
3. De feiten
3.1 Verweerder is werkzaam als arts bij het UWV. Hij zag klaagster op 17 september
2024 op het spreekuur en besprak met haar de ziekmelding van 26 juli 2024. Klaagster
meldde zich ziek vanuit de Werkloosheidswet (WW). Ook had klaagster eerder een aanvraag
voor een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA)
ingediend. Deze aanvraag was afgewezen, waartegen klaagster bezwaar had gemaakt. De
vraag die nu voor lag was of er op en vanaf de geclaimde eerste ziektedag (te weten
26 juli 2024) sprake was van ongeschiktheid voor de arbeid, door beperkingen als direct
en objectiveerbaar gevolg van ziekte of gebrek.
3.2 In het medisch onderzoeksverslag van 26 september 2024 noteerde verweerder
onder ‘anamnese’ achtereenvolgens (alle citaten letterlijk weergegeven):
“Situatiebeschrijving/anamese:
Cliënt zegt dat zij zich op voorspraak van (waarschijnlijk) een medewerker van het
D weer heeft ziekgemeld. Bij herhaling zegt cliënt dat het niet haar idee was om zich
ziek te melden. Zij wilde enkel weten hoe zij vrijstelling kon aanvragen voor de sollicitatieplicht.
En heeft vervolgens waarschijnlijk verteld over haar nog steeds ervaren klachten.
Daarop kwam het advies om zich ziek te melden. Cliënt heeft vervolgens gekozen voor
een datum waarop zij keelontsteking had, te weten 26-07-2024
Cliënt is in bezwaar gegaan tegen een heel recente WIA-beoordeling.
Desgevraagd claimt cliënt onverminderd arbeidsongeschiktheid. Er is geen sprake
van bijgekomen klachten/belemmeringen. Noch is er sprake van toegenomen beperkingen.
Cliënt claimt wat dit alles betreft een eerste ziektedag, conform die van wachttijd
WIA-beoordeling.
Observatie:
Ik signaleer nadrukkelijk een cluster-B-persoonlijkheidsdynamiek. Met onder andere
geregeld laatdunkende op de persoon gerichte toespelingen.
Overwegingen:
Cliënt zegt bij herhaling dat het niet haar intentie is geweest om zich (opnieuw)
ziek te melden. Het verzoek aan cliënt om dan de ziekmelding in te trekken strand.
De persoonlijkheidsdynamiek speelt hier mee.
Een ziekmelding wegens een keelontsteking van een paar dagen, terwijl er een WW-uitkering
loopt, is m.i. geldige reden voor een ZW-aanvraag.”
3.3 De conclusie van verweerder was dat er op en vanaf de geclaimde eerste
ziektedag geen sprake was van ongeschiktheid voor de arbeid, door beperkingen als
direct en objectiveerbaar gevolg van ziekte of gebrek.
3.4 Tegen de weigering om aan klaagster een ZW-uitkering toe te kennen maakte
klaagster bezwaar. In de gronden van bezwaar werd tevens het handelen van verweerder
aan de orde gesteld. Bij besluit van 16 januari 2025 is het bezwaar ongegrond verklaard.
Bij brief van 24 februari 2025 kondigde de gemachtigde van klaagster aan een tuchtklacht
te zullen indienen.
4. De klacht en de reactie van de arts
4.1 Klaagster verwijt de arts dat hij:
- haar onheus heeft bejegend tijdens het spreekuur en signalen van klaagster heeft genegeerd;
- onprofessioneel heeft gehandeld door klaagster vooringenomen tegemoet te treden en onvoldoende onderzoek naar de ziekmelding te doen. De arts noteerde, zonder dat daarvoor enige medische grond of noodzaak bestond, dat hij tijdens het spreekuur bij klaagster een cluster B persoonlijkheidsdynamiek signaleerde.
4.2 De arts heeft het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren. De lading van de woorden die klaagster uitte hadden een subtiel denigrerend karakter. Verder heeft verweerder geen diagnose gesteld in de zin van een persoonlijkheidsstoornis, maar wel een persoonlijkheidsdynamiek herkend. Deze observatie heeft hij terecht vastgelegd in het dossier.
4.3 Het college gaat hieronder verder in op de standpunten van partijen.
5. De overwegingen van het college
De criteria voor de beoordeling
5.1 De vraag is of de arts zijn rol ingevuld heeft zoals van hem verwacht mocht worden. De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende arts. Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de zorgverlener geldende beroepsnormen en andere professionele standaarden.
5.2 Daarnaast zijn er eisen die aan een rapportage worden gesteld:
o het rapport vermeldt de feiten, omstandigheden en bevindingen waarop het berust;
o het rapport geeft blijk van een geschikte methode van onderzoek om de voorgelegde
vraagstelling te beantwoorden;
o in het rapport wordt op inzichtelijke en consistente wijze uiteengezet op welke
gronden de conclusies van het rapport steunen;
o het rapport vermeldt de bronnen waarop het berust, daaronder begrepen de gebruikte
literatuur en de geconsulteerde personen;
o de rapporteur blijft bij het rapporteren binnen de grenzen van zijn deskundigheid.
5.3 Het college toetst ten volle of het onderzoek door verweerder uit het oogpunt van vakkundigheid en zorgvuldigheid de tuchtrechtelijke toets kan doorstaan. Ten aanzien van de conclusie van de rapportages wordt beoordeeld of verweerder in redelijkheid tot zijn conclusie heeft kunnen komen.
Klachtonderdeel a) onheuse bejegening
5.4 Het college overweegt dat klachten over bejegening in het algemeen moeilijk
te
beoordelen zijn. Het college kan niet vaststellen wat tijdens het spreekuur precies
is gebeurd of is gezegd door verweerder. Het college benadrukt dat het woord van klaagster
niet minder geloof verdient dan dat van de arts. Echter, om vast te stellen dat bepaalde
gedragingen tuchtrechtelijk verwijtbaar zijn, moet eerst worden vastgesteld welke
feiten hieraan ten grondslag kunnen worden gelegd. De door klaagster gestelde feiten,
zoals dat verweerder haar tijdens het gesprek onder druk zette of niets deed met signalen
die klaagster tijdens het gesprek gaf, kan het college niet vaststellen. Daarom kan
het college ook niet oordelen of de arts tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.
Dit klachtonderdeel is daarom ongegrond.
Klachtonderdelen b) onprofessioneel handelen
5.5 Het college overweegt dat uit de stukken en het verhandelde ter zitting niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de conclusie rechtvaardigen dat de arts zich vooringenomen opgesteld heeft. Dat klaagster dit zo heeft ervaren, maakt dit niet anders. Nu objectieve aanwijzingen ontbreken, kan niet worden vastgesteld dat sprake is van vooringenomenheid.
5.6 Wel kan het college toetsen of (het verslag van) het onderzoek de tuchtrechtelijke toets der kritiek kan doorstaan. Klachtonderdeel b) ziet in het bijzonder op de notitie door verweerder van een nadrukkelijke signalering van een cluster B persoonlijkheidsdynamiek, onder ‘observatie’. Het college beseft dat deze notitie niet gelijk staat aan het stellen van een diagnose. Toch moet (een bij het UWV werkzame) arts niet te lichtzinnig overgaan tot het noteren van dit soort kwalificaties in diens verslag. Een dergelijke notitie vergt afdoende onderbouwing, gezien de impact die het aanmerken van gedrag als een uiting van cluster B persoonlijkheidsdynamiek kan hebben op de cliënt of diens (verdere) beoordeling. Hierbij betrekt het college dat verweerder heeft verklaard dat hij deze observatie had beschreven voor toekomstige contacten met klaagster. De constatering dat sprake is van cluster B persoonlijkheidsdynamiek baseert verweerder blijkens zijn verslag op ‘onder andere laatdunkende op de persoon gerichte toespelingen’. Deze notitie volstaat niet als onderbouwing van de vermeende cluster B persoonlijkheidsdynamiek of de rol die deze dynamiek speelde in het gesprek. Dat meer of ander onderzoek is gedaan, is niet gebleken.
5.7 Daarnaast verzocht klaagster om contact op te nemen met de huisarts en had zij de brief van de huisarts van 23 juli 2024 meegenomen voor verweerder. Verweerder heeft deze huisartsbrief niet aan het dossier toegevoegd. Volgens klaagster heeft hij die teruggeschoven. Ter zitting verklaarde verweerder dat hij bewust geen kennis nam van de inhoud van de huisartsbrief, gezien het lopende bezwaar in de WIA-procedure. Verweerder deed in zijn verslag geen melding van zijn overwegingen om geen kennis te nemen van de inhoud van de huisartsbrief of de redenen om geen contact op te nemen met de huisarts. Ook in dit opzicht is verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar opgetreden bij de wijze waarop hij verslag deed van zijn onderzoek.
Slotsom
5.8 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat klachtonderdeel b) deels gegrond is en klachtonderdeel a) ongegrond.
Maatregel
5.9 Het college acht een waarschuwing passend gelet op de aard en de ernst van
het
verwijt. Verweerder heeft in zijn verslag zonder voldoende feitelijke onderbouwing
melding gemaakt van een cluster B persoonlijkheidsdynamiek, terwijl die kwalificatie
voor klaagster en haar (verdere) beoordeling wel degelijk gevolgen kon hebben. Daarnaast
heeft verweerder nagelaten zijn bewuste keuze om geen kennis te nemen van de door
klaagster overhandigde huisartsbrief en geen contact op te nemen met de huisarts in
het dossier vast te leggen, waardoor zijn handelen onvoldoende transparant en toetsbaar
was.
Publicatie
5.10 In het algemeen belang zal deze beslissing worden gepubliceerd. Dit algemeen
belang is erin gelegen dat andere (verzekerings)artsen mogelijk iets van deze zaak
kunnen leren. De publicatie zal plaatsvinden zonder vermelding van namen of andere
tot personen of instanties herleidbare gegevens.
Kostenveroordeling
5.11 Klaagster heeft verzocht de arts te veroordelen in de kosten die zij heeft
gemaakt in deze procedure. Een kostenveroordeling is mogelijk als het college de klacht
(gedeeltelijk) gegrond verklaart en aan de zorgverlener een maatregel oplegt.
Het college ziet voldoende aanleiding om de gevraagde kostenveroordeling toe te wijzen.
Klaagster vraagt een bedrag aan kosten van rechtsbijstand (voor het klaagschrift en
de zitting; in totaal 2 punten) en vergoeding van haar reiskosten. Het college hanteert
oriëntatiepunten met forfaitaire bedragen voor een kostenvergoeding. Op basis daarvan
komt klaagster in aanmerking voor een vergoeding voor rechtsbijstand van € 1.332,-
(2 punten; waarde per punt € 666,- met wegingsfactor 1) en een reiskostenvergoeding
van € 50,-. Dit houdt in dat de kostenveroordeling in totaal € 1.382,- zal bedragen.
6. De beslissing
Het college:
- verklaartklachtonderdeel b) deels gegrond;
- legt verweerder de maatregel op van een waarschuwing;
- verklaart de klacht voor het overige ongegrond;
- veroordeelt verweerder in de hierboven vastgestelde kosten van klaagster van in totaal
€ 1.382,-; - veroordeelt verweerder dit bedrag – nadat deze uitspraak onherroepelijk is geworden – te voldoen op de bankrekening van klaagster, binnen vier weken nadat deze haar gemachtigde schriftelijk het bankrekeningnummer en de tenaamstelling van de bankrekening waarop het bedrag kan worden gestort heeft laten weten;
- bepaalt dat deze beslissing, nadat die onherroepelijk is geworden, zonder vermelding van namen of andere herleidbare gegevens in de Nederlandse Staatscourant zal worden bekendgemaakt en ter publicatie zal worden aangeboden aan het Tijdschrift voor Bedrijfs- en Verzekeringsgeneeskunde.
Deze beslissing is gegeven door J. Sap, voorzitter, M. Mostert, lid-jurist, M.L.A. Kleinjan-Lüschen, M. Prenger en J.M. Hoevers, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door M.H. van Ham, secretaris, en in het openbaar uitgesproken op 16 januari 2026.
secretaris
voorzitter
Tegen deze beslissing kan in de volgende gevallen schriftelijk beroep worden ingesteld bij het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:
- Heeft u de klacht ingediend? Dan kunt u in beroep als
- het college u of uw klacht geheel of gedeeltelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard, of
- als de klacht geheel of gedeeltelijk ongegrond is verklaard,
- het college kennelijk onbevoegd is, of
- voor zover de klacht kennelijk van onvoldoende gewicht is.
Bij een gedeeltelijke niet-ontvankelijkverklaring of een gedeeltelijke ongegrondverklaring kan uw beroep alleen betrekking hebben op dat deel van de beslissing.
- Is de klacht tegen u gericht? Dan kunt u altijd in beroep.
- Ook de inspecteur van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd kan beroep instellen.
U moet het beroepschrift richten aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg,
maar opsturen naar de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg
te Zwolle. Daar moet het zijn ontvangen binnen zes weken nadat de beslissing aan u
is verstuurd.
Als u beroep instelt, moet u € 50,- griffierecht betalen aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg. U ontvangt hierover bericht. Als u geheel of gedeeltelijk in het gelijk wordt gesteld, wordt het griffierecht aan u terugbetaald.