ECLI:NL:TGZRZWO:2026:10 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle Z2025/8496
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRZWO:2026:10 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 16-01-2026 |
| Datum publicatie: | 22-01-2026 |
| Zaaknummer(s): | Z2025/8496 |
| Onderwerp: | Grensoverschrijdend gedrag |
| Beslissingen: | Gegrond, berisping |
| Inhoudsindicatie: | Klacht tegen een fysiotherapeut gedeeltelijk gegrond. Klaagster kwam wegens nek-, schouder- en rugklachten bij de fysiotherapeut. Zij verwijt de fysiotherapeut grensoverschrijdend gedrag, door haar tijdens de twee behandelingen te betasten en ongepaste vragen te stellen. De fysiotherapeut ontkent dat hij klaagster tijdens de behandelrelatie op een niet professionele manier heeft aangeraakt. Hij erkent wel dat de gesprekken tijdens de behandelingen te intiem waren. Het college oordeelt dat de fysiotherapeut geen onprofessionele gesprekken had mogen hebben met klaagster. Dat de fysiotherapeut zich met zijn handelingen ook seksueel grensoverschrijdend naar klaagster toe heeft gedragen, kan het college niet vaststellen. Als maatregel legt het college een berisping op. |
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG
ZWOLLE
Beslissing van 16 januari 2026 op de klacht van:
A,
wonende in B,
klaagster,
gemachtigde (moeder van klaagster): C,
tegen
D,
fysiotherapeut,
werkzaam in B,
verweerder, hierna ook: de fysiotherapeut,
gemachtigde: mr. D. Schut-Wolfs, werkzaam in Amsterdam.
1. De zaak in het kort
1.1 Klaagster kwam wegens nek-, schouder- en rugklachten op 20 en 27 januari 2025
op consult bij de fysiotherapeut. Zij verwijt de fysiotherapeut grensoverschrijdend
gedrag, door haar tijdens de behandelingen te betasten en ongepaste vragen te stellen.
De fysiotherapeut ontkent dat hij klaagster tijdens de behandelrelatie op een niet
professionele manier heeft aangeraakt. Hij erkent wel dat de gesprekken tijdens de
behandelingen onprofessioneel zijn geweest.
1.2 Het college komt tot het oordeel dat de klacht gedeeltelijk gegrond is. De
fysiotherapeut had geen onprofessionele gesprekken mogen hebben met klaagster. Dat
de fysiotherapeut zich met zijn handelingen ook seksueel grensoverschrijdend naar
klaagster toe heeft gedragen, kan het college niet vaststellen. Als maatregel legt
het college een berisping op. Hierna vermeldt het college eerst hoe de procedure is
verlopen. Daarna licht het college de beslissing toe.
2. De procedure
2.1 Het college heeft de volgende stukken ontvangen:
- het klaagschrift, ontvangen op 13 mei 2025;
- het verweerschrift met bijlagen, ontvangen op 23 juli 2025;
- de repliek en een handgeschreven brief van klaagster, ontvangen op 18 augustus 2025;
- de dupliek, ontvangen op 1 oktober 2025;
- de rapportbrief van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd, ontvangen op 10 november
2025.
2.2 De partijen hebben de gelegenheid gekregen om onder leiding van een secretaris
van het college met elkaar in gesprek te gaan (mondeling vooronderzoek). Daarvan hebben
zij geen gebruik gemaakt.
2.3 De zaak is behandeld op de openbare zitting van 9 december 2025. De partijen
zijn verschenen. Zij werden bijgestaan door hun gemachtigden. De partijen en hun gemachtigden
hebben hun standpunten mondeling toegelicht. Klaagster en de gemachtigde van de fysiotherapeut
hebben beiden pleitnotities voorgelezen en aan het college en de andere partij overhandigd.
3. Wat is er gebeurd?
3.1 Klaagster kwam op 20 januari 2025 bij de fysiotherapeut onder behandeling
wegens nek-, schouder- en rugklachten. Zij was toen 16 jaar oud. De fysiotherapeut
was 24 jaar oud. Hij werkte sinds begin januari 2025 in de fysiotherapiepraktijk.
Klaagster werd op 20 januari en 27 januari 2025 behandeld door de fysiotherapeut.
Zij vertelde daarna aan haar moeder dat haar billen gemasseerd waren en dat er ook
andere dingen waren gebeurd die zij als onprettig had ervaren. Later (op 6 april 2025)
vertelde zij haar moeder dat de fysiotherapeut haar ook tussen de benen had aangeraakt.
3.2 Via de e-mail van 3 februari 2025 aan de fysiotherapiepraktijk uitte de moeder
van klaagster haar zorgen over de behandelingen van haar dochter door de fysiotherapeut.
Ook vroeg zij om de behandeling over te dragen naar een andere (vrouwelijke) fysiotherapeut.
Op diezelfde dag deed de fysiotherapeut zijn verhaal bij de praktijkeigenaren.
3.3 Hierna werd op 7 februari 2025 een gesprek tussen klaagster, haar ouders en de praktijkeigenaren georganiseerd. Er vond een tweede gesprek plaats op 10 februari 2025 tussen klaagster, de ouders van klaagster, de praktijkeigenaren en de fysiotherapeut. Tijdens dit laatste gesprek erkende de fysiotherapeut dat hij onprofessioneel heeft gehandeld door tijdens de behandeling in het gesprek met klaagster mee te gaan in persoonlijke en intieme onderwerpen.
3.4 Op 26 februari 2025 ontving de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (hierna: IGJ) een melding ‘geweld in de zorgrelatie’ van de werkgever van de fysiotherapeut. De moeder van klaagster deed namens haar op 26 maart 2025 een melding bij de IGJ over de fysiotherapeut. De werkgever van de fysiotherapeut stelde een intern onderzoek in waarvan de uitkomsten in de rapportage van 15 april 2025 zijn genoteerd. De IGJ onderzocht de meldingen en kwam tot het oordeel dat zij op grond van haar onderzoek niet kon vaststellen of de fysiotherapeut seksueel grensoverschrijdend heeft gehandeld tegenover klaagster gedurende de behandelrelatie. Hierna sloot de IGJ het onderzoek en stuurde zij het rapport naar partijen.
4. De klacht en de reactie van de fysiotherapeut
4.1 Klaagster verwijt de fysiotherapeut dat hij:
- haar op een onprofessionele en onzedelijke wijze heeft bejegend en fysiek heeft betast door klaagster tijdens de behandeling aan te raken bij haar vagina en haar billen te masseren zonder dat daar aanleiding toe was;
- ongepaste, suggestieve en niet-relevante (privé)vragen tijdens de behandeling heeft gesteld.
4.2 De fysiotherapeut refereert zich aan het oordeel van het college, omdat hij inziet dat hij fouten heeft gemaakt. Hij ontkent dat hij klaagster op een onprofessionele wijze heeft aangeraakt. Wel erkent de fysiotherapeut dat het onderwerp van gesprek tijdens de behandeling te intiem en persoonlijk was. Hij realiseert zich nu dat hij de behandelrelatie had moeten beëindigen en heeft excuses gemaakt aan klaagster.
4.3 Het college gaat hieronder verder in op de standpunten van partijen.
5. De overwegingen van het college
De criteria voor de beoordeling
5.1 Het college stelt voorop dat de zaak veel impact heeft gehad en nog steeds
heeft op partijen. Het is duidelijk dat de gebeurtenissen veel met klaagster hebben
gedaan. Desondanks moet het college de ingediende klacht beoordelen aan de hand van
zakelijke criteria. Daarbij gaat het erom of de fysiotherapeut de zorg heeft verleend
die van hem verwacht mocht worden. De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk
handelende fysiotherapeut. Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor
de zorgverlener geldende beroepsnormen en andere professionele standaarden.
Klachtonderdeel a) seksueel grensoverschrijdend gedrag door te betasten zonder noodzaak
5.2 Partijen zijn het oneens over wat er tijdens de twee behandelingen op 20
en
27 januari 2025 precies is gebeurd. Klaagster en de fysiotherapeut hebben duidelijk
verschillende perspectieven op deze behandelcontacten. Volgens klaagster heeft de
fysiotherapeut onder meer gezegd dat hij haar een lekkere massage zou geven, heeft
hij daarbij haar billen gestreeld en heeft hij haar bij de tweede behandeling ook
tussen de benen betast. De fysiotherapeut heeft dat tegengesproken. Volgens hem heeft
hij klaagster alleen op professionele wijze aangeraakt en behandeld op een wijze die
passend was bij haar klachten. Daarbij heeft hij onder meer een massage aan de onderrug
en de bovenkant van de billen toegepast. Hij ontkent met klem dat hij haar tussen
de benen heeft aangeraakt. Er was geen derde bij de behandelingen aanwezig die één
van de lezingen kan bevestigen. Het college overweegt dat in gevallen waarin de lezingen
van partijen over de aan de klacht ten grondslag liggende feiten uiteenlopen en niet
kan worden vastgesteld welke van beide lezingen het meest aannemelijk is, die klacht
dan wel dat klachtonderdeel niet gegrond kan worden verklaard. Dit betekent niet dat
aan het woord van klaagster minder geloof wordt gehecht dan aan het woord van de fysiotherapeut.
Echter, voor het oordeel dat bepaalde gedragingen van een zorgverlener hem tuchtrechtelijk
kunnen worden verweten, moet eerst worden vastgesteld dat er sprake is van zodanige
gedragingen. Dat is in deze zaak niet met voldoende zekerheid vast te stellen. Dat
betekent dat dit klachtonderdeel ongegrond zal worden verklaard.
Klachtonderdeel b) onprofessioneel gedrag door ongepaste vragen
5.3 Het tweede klachtonderdeel ziet op de gesprekken die zijn gevoerd tijdens
de behandelingen. Klaagster verwijt de fysiotherapeut dat hij persoonlijke en seksueel
getinte vragen tijdens de behandeling heeft gesteld. Zo vroeg hij haar met hoeveel
jongens zij naar bed is geweest, of zij daar ook complimentjes voor kreeg en of zij
aan de pil is of condooms gebruikt. De fysiotherapeut zegt dat klaagster begon over
uitgaan, vriendjes en meer persoonlijke zaken en dat hij daarin uit naïviteit is meegegaan.
De fysiotherapeut heeft erkend dat de gesprekken niet gepast en te privé waren. Het
college is van oordeel dat hij hiermee hoe dan ook onvoldoende professionele distantie
jegens klaagster heeft gehouden. Wie precies welke vragen heeft gesteld, is daarbij
niet van belang. De fysiotherapeut heeft zich hiermee niet gehouden aan het bepaalde
in artikel 2.1 van de KNFG Beroepscode voor de Fysiotherapeut, dat de fysiotherapeut
niet verder doordringt in de persoonlijke levenssfeer van de patiënt dan noodzakelijk
is voor de beantwoording van de hulpvraag en de behandeling en dat hij zich van verbale
en fysieke intimiteiten onthoudt. Het college merkt daarbij nog op dat de context
waarin de gesprekken plaatsvonden de situatie van klaagster extra kwetsbaar maakte.
De behandelafspraken waren in de avond, de praktijk ligt in een stille omgeving en
naast de fysiotherapeut was er niemand in het gebouw. Tijdens de gesprekken lag klaagster
als 16-jarig meisje grotendeels ontkleed op de behandeltafel, waarbij zij tot aan
haar billen werd behandeld. De fysiotherapeut had zich van deze situatie bewust moeten
zijn; reden te meer waarom hij zich verre had moeten houden van gesprekken met een
intiem karakter en seksuele lading. Dat hij zich hierin heeft begeven is dan ook een
serieuze fout. Klachtonderdeel b is dus gegrond.
Slotsom
5.4 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat klachtonderdeel a ongegrond en b
gegrond is. Maatregel
5.5 Nu de klacht gedeeltelijk gegrond is, moet het college bepalen of aan de fysiotherapeut
een maatregel dient te worden opgelegd en zo ja, welke maatregel. Het college overweegt
dat de fysiotherapeut tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld door onvoldoende
professionele distantie te betrachten in zijn gesprekken tijdens de twee behandelingen
met klaagster. Het gaat om een ernstig verwijt. Tijdens een behandeling staat namelijk
de veiligheid van een patiënt voorop. Voor de veiligheid en het welzijn van patiënten
is het noodzakelijk dat een zorgverlener de professionele grenzen van de beroepsgroep
respecteert en in acht neemt. Dit geldt temeer voor een fysiotherapeut vanwege de
kwetsbaarheid van de aan zijn zorg toevertrouwde (vaak ontklede) patiënten en in dit
geval een minderjarig meisje. Daar komt bij dat de fysiotherapeut tijdens twee opeenvolgende
behandelingen intieme gesprekken heeft gevoerd. Er waren dus verschillende momenten
waarop de fysiotherapeut zich had kunnen en moeten realiseren dat de gesprekken (te)
persoonlijk/intiem werden. Aan de andere kant weegt het college ook mee dat de fysiotherapeut
zich tijdens de procedure en de behandeling ter zitting toetsbaar heeft opgesteld
en lering heeft getrokken uit hetgeen is gebeurd. Zo heeft hij uitgelegd dat hij nu
meer bewust is van zijn handelingen, zijn grenzen duidelijker aangeeft en de dingen
nu anders doet. Daarnaast heeft de fysiotherapeut meerdere malen zijn excuses aangeboden
aan klaagster, al was dat wel pas na bekendwording van de melding/klacht bij de fysiotherapiepraktijk.
Alles afwegend oordeelt het college dat een berisping in dit geval passend en geboden
is.
Publicatie
5.6 In het algemeen belang zal deze beslissing worden gepubliceerd. Dit algemeen belang is erin gelegen dat andere zorgverleners en zorginstellingen mogelijk iets van deze zaak kunnen leren wat betreft het thema grensoverschrijdend gedrag. De publicatie zal plaatsvinden zonder vermelding van namen of andere tot personen of instanties herleidbare gegevens.
6. De beslissing
Het college:
- verklaart klachtonderdeel b gegrond;
- legt de fysiotherapeut de maatregel op van een berisping;
- verklaart de klacht voor het overige ongegrond;
- bepaalt dat deze beslissing, nadat die onherroepelijk is geworden, zonder vermelding van namen of andere herleidbare gegevens in de Nederlandse Staatscourant zal worden bekendgemaakt en ter publicatie zal worden aangeboden aan het Tijdschrift voor Gezondheidsrecht, Gezondheidszorg Jurisprudentie, Medisch Contact en FysioPraxis.
Deze beslissing is gegeven door H.L. Wattel, voorzitter, W.R. Kastelein, lid-jurist, S.E. Dekker, K.C. van Beek en J.L. Keijzer, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door M.C. Sijtsema, secretaris, en in het openbaar uitgesproken op 16 januari 2026.
secretaris
voorzitter
Tegen deze beslissing kan in de volgende gevallen schriftelijk beroep worden ingesteld bij het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:
- Heeft u de klacht ingediend? Dan kunt u in beroep als
- het college u of uw klacht geheel of gedeeltelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard, of
- als de klacht geheel of gedeeltelijk ongegrond is verklaard,
- het college kennelijk onbevoegd is, of
- voor zover de klacht kennelijk van onvoldoende gewicht is.
Bij een gedeeltelijke niet-ontvankelijkverklaring of een gedeeltelijke ongegrondverklaring kan uw beroep alleen betrekking hebben op dat deel van de beslissing.
- Is de klacht tegen u gericht? Dan kunt u altijd in beroep.
- Ook de inspecteur van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd kan beroep instellen.
U moet het beroepschrift richten aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg,
maar opsturen naar de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg
te Zwolle. Daar moet het zijn ontvangen binnen zes weken nadat de beslissing aan u
is verstuurd.
Als u beroep instelt, moet u € 50,- griffierecht betalen aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg. U ontvangt hierover bericht. Als u geheel of gedeeltelijk in het gelijk wordt gesteld, wordt het griffierecht aan u terugbetaald.