ECLI:NL:TGZRZWO:2026:1 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle Z2025/8531

ECLI: ECLI:NL:TGZRZWO:2026:1
Datum uitspraak: 06-01-2026
Datum publicatie: 12-01-2026
Zaaknummer(s): Z2025/8531
Onderwerp: Overige klachten
Beslissingen: Gegrond, berisping
Inhoudsindicatie: Klacht tegen een gz-psycholoog. Klaagster was in behandeling bij een therapeut. Verweerster was op dat moment de supervisor van deze therapeut. Nadat de therapeut vanwege ziekte uitviel, kwam klaagster in behandeling bij verweerster. In augustus 2024 werd de behandelrelatie tussen verweerster en klaagster beëindigd. Klaagster startte later opnieuw een behandeltraject bij de therapeut en informeerde verweerster hierover. Verweerster nam vervolgens contact op met de therapeut, waarop de therapeut de behandeling kort daarna beëindigde. Klaagster verwijt verweerster, samengevat, dat zij ten onrechte vertrouwelijke informatie heeft gedeeld, onvoldoende transparant was bij het begin van haar behandeling en onprofessioneel heeft gehandeld bij de klachtafhandeling.  Het college oordeelt dat de meeste klachtonderdelen voortvloeien uit de rolvermenging die verweerster heeft laten ontstaan, verklaart de klacht grotendeels gegrond en legt de waarschuwing van een berisping op. 


REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG

ZWOLLE

Beslissing van 6 januari 2026 op de klacht van:

A,

wonende in B,

klaagster,

tegen

C,

gezondheidszorgpsycholoog,

destijds werkzaam in D en E,

verweerster, hierna ook: de gz-psycholoog,

gemachtigde: mr. H.B.M. Vrieling.

1. De zaak in het kort
 

1.1     Klaagster was in behandeling bij een therapeut. De gz-psycholoog was op dat moment de supervisor van deze therapeut. Nadat de therapeut vanwege ziekte uitviel, kwam klaagster in behandeling bij de gz-psycholoog. In augustus 2024 werd de behandelrelatie tussen de gz-psycholoog en klaagster beëindigd. Klaagster startte in december 2024 opnieuw een behandeltraject bij de therapeut en informeerde de gz-psycholoog hierover. De gz-psycholoog nam vervolgens contact op met de therapeut, waarop de therapeut de behandeling kort daarna beëindigde.
 

1.2     Klaagster verwijt de gz-psycholoog, samengevat, dat zij ten onrechte vertrouwelijke informatie heeft gedeeld, onvoldoende transparant was bij het begin van haar behandeling in mei 2023 en onprofessioneel heeft gehandeld bij de klachtafhandeling.  
 

1.3     Het college komt tot het oordeel dat de klacht deels gegrond is en legt de maatregel van een berisping op. Hierna licht het college dat toe.

2. De procedure
 

2.1     Het college heeft de volgende stukken ontvangen:

  • het klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 20 mei 2025;
  • het verweerschrift met de bijlagen, ontvangen op 31 juli 2025;
  • aanvullende bewijsstukken van klaagster, ontvangen op 30 september 2025;
  • het proces-verbaal van het op 24 oktober 2025 gehouden mondelinge vooronderzoek;
  • aanvullende bewijsstukken van klaagster, ontvangen op 7 november 2025.

2.2     De zaak is behandeld op de openbare zitting van 25 november 2025. De partijen zijn verschenen. Verweerster werd daarbij bijgestaan door haar gemachtigde. De partijen en hun gemachtigden hebben hun standpunten mondeling toegelicht. Klaagster heeft een pleitnotitie voorgelezen en aan het college en de andere partij overhandigd.
 

3. Wat is er gebeurd?
 

3.1      Verweerster is, samen met o.a. haar echtgenoot die werkzaam is als psychiater,

praktijkhouder van een (groeps)praktijk voor integratieve therapie en werkzaam als gz-psycholoog bij deze praktijk.

3.2      Klaagster was vanaf november 2021 in behandeling bij een therapeut. Verweerster was supervisor van deze therapeut en in die hoedanigheid in 2021 en 2022 enkele keren door de therapeut benaderd voor anoniem advies over de behandeling van klaagster.

3.3      De partner van klaagster overleed op 9 oktober 2022 onverwachts tijdens het hardlopen. Per april 2023 werd de behandeling van klaagster beëindigd vanwege ziekte van de therapeut. De therapeut nam contact op met haar supervisor (zijnde verweerster), of deze plaats zou hebben de behandeling van klaagster over te nemen, zonder daarbij de identiteit van klaagster te noemen. Klaagster meldde zich op 28 mei 2023 definitief aan bij verweerster voor therapie. De behandeling begon in juli 2023. De hulpvraag van klaagster betrof onder meer het leren (h)erkennen en toelaten van emoties, waaronder het kunnen voelen en huilen, en het verwerken van het verlies van haar partner.

3.4      Op 9 november 2023 e-mailde klaagster het volgende aan verweerster (alle citaten letterlijk weergeven en bij weergave van namen degene die het betreft):
Na lang wikken en wegen heb ik definitief besloten om te stoppen met de behandeling. Ik wil je bedanken voor alles. Ik heb veel geleerd waar ik verder mee kan. Ik ontvang graag nog de eindafrekening.”

3.5      Verweerster reageerde hier op 14 november 2023 als volgt op:
Je verrast me, ik zag dit niet aankomen. Nu kostte het mij zelfs nachtrust! Na onze laatste zitting dacht ik dat we samen een goed bouwsteentje hadden gelegd om op door te bouwen zeker toen je [RTG: naam overleden partner klaagster] erbij kon halen.
Maar ik heb alle begrip voor je beslissing. We hebben het geprobeerd en het was natuurlijk ook in alle opzichten lastig om bij mij een doorstart te maken, je had van meet af aan niet echt zin weer te investeren in een psychotherapie traject bij iemand anders.
Mijns inziens zouden we goed met elkaar kunnen werken, maar jij voelt en denkt daar duidelijk anders over.
Mocht je alsnog wel voelen te willen komen, dan ben je van harte welkom
Voor nu sluiten we het af.
Ik wens je heel veel goeds voor de toekomst
.”

3.6      Na nog een e-mailwisseling, vroeg klaagster om een kopie van haar dossier en kondigde aan een klacht te gaan indienen. Verweerster besprak de inhoud van deze e-mails vervolgens (anoniem) met de psychiater om te overleggen hoe hiermee om te gaan. Klaagster overlegde met de klachtenfunctionaris en besloot vervolgens in te gaan op het voorstel van verweerster om één-op-één een gesprek te voeren. Op 11 december 2023 spraken verweerster en klaagster met elkaar, waarna besloten werd de behandelrelatie voort te zetten.

3.7      In augustus 2024 vertelde klaagster dat zij de therapie bij verweerster alsnog wilde beëindigen, omdat ze geen goede match ervoer. In wederzijds overleg werd de therapie afgerond.

3.8      Klaagster e-mailde op 2 december 2024 onder meer aan verweerster:
Ik wilde je graag persoonlijk laten weten dat ik heb besloten mijn therapie weer bij [RTG: de therapeut] op te starten. We hebben onlangs een gesprek gehad dat heel vertrouwd en fijn voelde. Daarna hebben we besloten om de samenwerking weer op te pakken.
Ik vind het belangrijk om dit zelf aan jou te laten weten, omdat ik het vervelend zou vinden als je dit via een andere weg zou horen.
Daarnaast geef ik hierbij toestemming om gegevens over mijn traject bij jou te delen met [RTG: de therapeut], als dit haar kan helpen
.”

Verweerster reageerde op deze e-mail met de mededeling dat zij met toestemming van klaagster contact opnam met de therapeut.

3.9      Uit de overgelegde e-mails blijkt dat verweerster op dat moment de behandelaar was van de therapeut, en verweerster achtte het onder deze omstandigheden niet mogelijk dat er sprake kon zijn van voldoende objectiviteit en professionele distantie in de behandelrelatie tussen klaagster en de therapeut. Verweerster besprak dit (anoniem) in haar intervisiegroep, die unaniem van mening was dat deze beoogde behandelrelatie tussen klaagster en de therapeut niet wenselijk was. Deze uitkomst deelde verweerster met de therapeut, en ze adviseerde de therapeut de casus in haar eigen intervisiegroep te bespreken.

3.10     De therapeut e-mailde klaagster op 12 december 2024 onder meer:
Dankjewel voor je mail van afgelopen week. Ik heb tijd genomen voordat ik je nu mail, omdat er voor mij veel voelbaar werd waarvan ik mij eerst niet goed bewust was. Wat jij niet wist is dat ik al langere tijd bij [RTG: naam verweerster] in therapie ben, naast dat zij ook mijn supervisor was. Zeker sinds de crisis waar ik in april 2022 in belande is haar begeleiding bij mijn proces heel belangrijk voor mij.
Naast dit overleg heb ik ook twee intervisiegroepen geconsulteerd. En het werd voor mij helder dat ik in deze situatie niet de noodzakelijke emotionele ruimte heb om jou op een goede manier te kunnen begeleiden, en dat dit misschien wel tot schade zou kunnen leiden voor jou of voor mij of voor ons beiden. Ik vind het erg dat ik dit niet eerder heb kunnen voelen want dan had ik je meteen kunnen zeggen dat ik je niet opnieuw in therapie kan nemen.

Ik begrijp dat dit voor jou een teleurstelling is en dat het vermoedelijk pijnlijke plekken bij je raakt. Dat spijt mij zeer. Als dat voor jou goed voelt kunnen we op afspraak op 23 december (of op een later moment) door laten gaan om hier samen nog naar te kijken en afscheid te nemen
.”

3.11     Klaagster stuurde op 14 december 2024 een e-mail dat zij al het contact met de therapeut en verweerster beëindigde. Op 20 december 2024 e-mailde klaagster aan verweerster met de vraag of zij open stond voor een gesprek, waarop verweerster bevestigend antwoordde. Op 23 december 2024 liet klaagster weten dat zij met de therapeut had gesproken en geen gesprek meer hoefde met verweerster. Na nog een e-mailwisseling schreef klaagster op 23 januari 2025 dat zij een klacht had ingediend.

Hierop volgde een e-mailwisseling waarbij verweerster op de klacht reageerde en de vragen van klaagster beantwoordde. Zo liet verweerster klaagster op 15 februari 2025 onder meer weten: “Nadat ik op de hoogte was van jullie voornemen om samen jouw therapieproces weer voort te zetten vond ik het mijn plicht [RTG: de therapeut] te laten weten dat ik hier grote zorgen over had. Het is namelijk belangrijk dat er volkomen vrijheid is voor de cliënt om te zeggen wat er gezegd moet worden en je van je therapeut mag je verwachten dat deze daar objectief naar kan luisteren. Dit zou in jullie geval onder spanning staan.” En ter beantwoording van de vragen van klaagster: “het voelde mijn plicht haar te wijzen op mogelijke risico’s van het aangaan van deze therapie voor jou en voor haar” en: “Mijn behandelrelatie met [RTG: de therapeut] bestaat. Dat vormt een obstakel in zichzelf.” Klaagster reageerde hierop per brief van 28 februari 2025 en schreef onder meer dat verweerster zonder haar expliciete toestemming contact had opgenomen met de therapeut en haar hiermee had beïnvloed om de behandelrelatie te beëindigen. Verweerster reageerde op de door klaagster gestelde aanvullende vragen. Klaagster en verweerster correspondeerden verder per e-mail. Een gesprek, al dan niet in aanwezigheid van de klachtenfunctionaris, vond niet meer plaats. Op verzoek van klaagster verzond verweerster het dossier van klaagster per post.

4. De klacht en de reactie van de gz-psycholoog
 

4.1     Klaagster verwijt de gz-psycholoog dat zij:

  1. onvoldoende transparant was bij aanvang van de behandeling (mei 2023) over haar professionele relatie met de therapeut;
  2. in december 2024 handelde zonder informed consent;
  3. onzorgvuldig vertrouwelijke informatie heeft gedeeld met de therapeut;
  4. de klacht onprofessioneel heeft afgehandeld, eenzijdig het contact heeft verbroken en zonder hoor en wederhoor structureel geen signalen heeft opgepakt, het dossier achteraf heeft gewijzigd voor twee verslagen en een gespreksverslag heeft verstuurd per onbeveiligde e-mail.
  5. de vertrouwelijkheid heeft geschonden en onvoldoende professionele afstand heeft gehouden bij het collegiaal overleg op 15 november 2023.

4.2      De gz-psycholoog heeft het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren. Verweerster kon op grond van haar beroepsgeheim niets zeggen over de behandelrelatie met de therapeut, dus mocht zij klaagster daarover niet informeren. Verder heeft verweerster geen inhoudelijke informatie over klaagster gedeeld met de therapeut, zij heeft enkel haar zorgen kenbaar gemaakt. Hiervoor was geen inhoudelijke kennis van de behandeling van klaagster vereist. Voor zover verweerster al inhoudelijke informatie over klaagster heeft gedeeld, heeft klaagster hiervoor haar nadrukkelijke toestemming verleend in haar e-mail van 2 december 2024. Het was een eigen keuze van de therapeut om de behandeling niet te herstarten. Ten aanzien van het ontbreken van verslaglegging over het contact met de therapeut en de intervisiebijeenkomst, bestond op dat moment geen behandelingsovereenkomst meer met klaagster, zodat verweerster niet gehouden was dit vast te leggen in het dossier.
Verweerster is verder van mening dat zij telkens op adequate wijze heeft gereageerd tijdens de klachtenprocedure. Uiteindelijk zag verweerster geen mogelijkheden meer voor bemiddeling en heeft zij besloten het e-mailcontact te beëindigen. Hiertoe heeft zij in redelijkheid kunnen besluiten. Tot slot heeft verweerster alleen de e-mails van 14 tot en met 16 november 2023 met de psychiater besproken, geanonimiseerd. Van doorbreken van het beroepsgeheim is geen sprake. Verder zijn verweerster en de praktijkhouder (psychiater) gezamenlijk belast met afhandeling van klachten tegen de praktijk, zodat zij de e-mails met hem mocht bespreken.

4.3     Het college gaat hieronder verder in op de standpunten van partijen.

5. De overwegingen van het college
 

De criteria voor de beoordeling

5.1     De vraag is of de gz-psycholoog de zorg heeft verleend die van haar verwacht mocht worden. De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende gz-psycholoog. Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de zorgverlener geldende beroepsnormen en andere professionele standaarden. Dat een zorgverlener beter anders had kunnen handelen is niet altijd genoeg voor een tuchtrechtelijk verwijt. Verder geldt het uitgangspunt dat zorgverleners alleen tuchtrechtelijk verantwoordelijk zijn voor hun eigen handelen.

Klachtonderdeel a) transparantie bij de start van de behandeling

5.2     Klaagster heeft ter zitting nogmaals benadrukt dat zij van mening is dat verweerster in mei 2023 al aan klaagster had moeten vertellen dat de therapeut bij verweerster onder behandeling was, dan wel dat verweerster de behandeling met haar, klaagster, niet had aan moeten gaan. Zij stelt zich op het standpunt dat, als zij op de hoogte was geweest van de rolvermenging van verweerster, bestaande uit dat zij niet alleen de supervisor maar ook een (leer)therapeutische behandelrelatie had met de therapeut, alsmede een behandelrelatie met klaagster, zij een andere keuze had gemaakt in haar behandeltraject. Ter zitting heeft verweerster in reactie hierop aangegeven dat de therapeut niet bij haar onder behandeling was toen zij de behandeling van klaagster overnam. Verweerster bevestigt weliswaar dat er voorafgaand aan het in behandeling nemen van klaagster én ten tijde van die behandelrelatie óók een (leer)therapeutische relatie tussen haar en de therapeut bestond, maar benadrukt dat deze in het kader van haar opleiding was; zijnde leertherapie. Klaagster heeft verweerster ter zitting tegengeworpen dat de therapeut zelf heeft aangegeven in 2022 in crisis te zijn geraakt en dat zij daarbij erg veel waarde hechtte aan de begeleiding van verweerster. Verweerster bevestigt dat er op enig moment een behandelrelatie is ontstaan met de therapeut die verder strekte dan een leertherapeutische behandelrelatie, maar stelt daarover niet in detail te kunnen treden in het kader van haar beroepsgeheim.

5.3     Het college onderkent dat de situatie voor klaagster tot veel verwarring heeft geleid en heeft oog voor haar twijfel over de aard van de behandelrelatie tussen verweerster en de therapeut op de verschillende momenten in die tijd die voorafgingen aan, overlapten met en aansloten op de behandeling van klaagster. Het college hecht er dan ook aan te benadrukken dat het op de weg van verweerster had gelegen om alert te zijn om deze rolvermenging te voorkomen. Het college verwijst daarbij naar de artikelen 49, 50 en 51 van de (destijds) van toepassing zijnde NIP Beroepscode 2015 waaruit volgt dat psychologen onverenigbare belangen moeten onderkennen, geen onverenigbare opdrachten mogen aanvaarden en het vermengen van professionele rollen moeten vermijden. Verweerster had de ontstane situatie dus moeten voorkomen. Het klachtonderdeel is in zoverre gegrond.

5.4     Het college volgt verweerster echter wel in haar verweer dat zij gezien haar beroepsgeheim geen uitlatingen mocht doen over het feit dat zij op enig moment ook de behandelaar van de therapeut werd en de door klaagster gevraagde transparantie dus ook niet kon tonen. Op dit punt is het klachtonderdeel dan ook ongegrond.

Klachtonderdelen b) en c) contact met de therapeut in december 2024
5.5     De klachtonderdelen b) en c) lenen zich voor gezamenlijke bespreking. Klaagster verwijt verweerster dat zij in december 2024 zonder toestemming en onzorgvuldig vertrouwelijke informatie heeft gedeeld met de therapeut. Ter zitting heeft verweerster aangegeven dat zij inderdaad contact heeft opgenomen met de therapeut en dat zij dat deed in haar rol als behandelaar van de therapeut. Van het verstrekken van informatie over de behandeling van klaagster in het kader van een overdracht van de zorg aan de therapeut was dan ook geen sprake. De toestemming die klaagster verweerster had gegeven voor contact met de therapeut was echter enkel daarop gericht. Als het verweerster niet duidelijk was waarop de toestemming zag, had zij hierover contact met klaagster kunnen opnemen. Het college is dan ook van oordeel dat verweerster zonder toestemming van klaagster in contact is getreden met de therapeut over klaagster. Het college acht dit tuchtrechtelijk verwijtbaar en verklaart de klachtonderdelen b) en c) dan ook gegrond.

Klachtonderdeel d) klachtafhandeling en het achteraf wijzigen van gespreksverslagen alsmede het onbeveiligd versturen daarvan
5.6     Ten aanzien van klachtonderdeel d) verwijt klaagster verweerster primair dat zij haar klacht niet professioneel heeft behandeld. Het college overweegt ter zake dat verweerster wel degelijk inspanning heeft getoond om de klacht op correcte wijze af te handelen. Op dit punt kan verweerster dan ook geen verwijt gemaakt worden. Niet te miskennen is echter dat de klacht van klaagster door verweerster wordt weggezet als onderdeel van de problematiek van klaagster. Verweerster heeft tijdens de afhandeling van de klacht bijvoorbeeld naar klaagster geuit dat haar gedrag voort zou komen uit haar jeugd, uit ‘traumaperceptie’, dat zij niet te goeder trouw zou zijn en dat zij haar (verweerster) zou willen ‘pakken en vastpinnen op details’. Dergelijke uitlatingen ziet het college niet als een passende houding in het kader van klachtafhandeling. De klacht is in zoverre gegrond.

5.7     Klaagster heeft haar klacht op 5 november 2025 aangevuld met het verwijt dat verweerster gespreksverslagen achteraf heeft gewijzigd en een gespreksverslag via onbeveiligde e-mail heeft toegestuurd. Zij heeft ter zitting desgevraagd aangegeven dat het niet haar intentie is om een klachtonderdeel toe te voegen, maar dat het een uitbreiding van klachtonderdeel d) betreft. Het college bespreekt de aanvullende klachtelementen dan ook onder die noemer. Ten aanzien van de gespreksverslagen is het college van oordeel dat het mogelijk beter was geweest als er vooraf duidelijke afspraken waren gemaakt over op welke wijze deze verslagen in het dossier van klaagster werden opgenomen. Ter zitting erkende verweerster ook dat het transparanter was geweest om klaagster vooraf te informeren over de te volgen procedure en in welke vorm de verslagen zouden worden opgenomen. Het college heeft niet vast kunnen stellen dat de verslagen achteraf
zijn aangepast. Dit aspect van de klacht is dan ook ongegrond.

5.8     Klaagster verwijt verweerster voorts dat zij één van de gespreksverslagen per onbeveiligde e-mail naar haar toe heeft gestuurd. Verweerster heeft ter zitting erkend dat het versturen van het verslag per onbeveiligde e-mail naar klaagster berustte op een misverstand en bevestigde dat zij dit niet zo had moeten doen. Ook niet in geval klaagster haar wél toestemming had gegeven voor het toesturen van het verslag per onbeveiligde
e-mail. Het college onderschrijft dit en de klacht is op dit punt dan ook gegrond.

Klachtonderdeel e) schending vertrouwelijkheid bij collegiaal overleg

5.9        Ten aanzien van het schenden van de vertrouwelijkheid en het houden van onvoldoende professionele distantie bij het collegiaal overleg op 15 november 2023 overweegt het college het volgende. Verweerster erkent dat zij een e-mail van klaagster aan de psychiater (praktijkhouder), tevens haar echtgenoot, heeft laten lezen. De betreffende

e-mail is naar haar zeggen echter geanonimiseerd voorgelegd met het doel feedback te krijgen op de door haar te nemen vervolgstap in (het herstel van) de behandelrelatie met klaagster. Nu de e-mail van klaagster anoniem en niet herleidbaar tot klaagster is voorgelegd, komt verweerster in beginsel geen tuchtrechtelijk verwijt toe. Het college hecht er echter aan te benadrukken dat het in een setting van een kleine praktijk van belang is om te waarborgen dat de anonimiteit ook feitelijk gewaarborgd is. Dat betekent ook dat het enkel doorstrepen van de naam van een cliënt niet altijd voldoende is om tot volledige anonimisering te komen. Het college kan echter niet beoordelen of dat hier het geval was en verklaart het klachtonderdeel dan ook ongegrond.


Slotsom

5.10     Uit de overwegingen hiervoor volgt dat klachtonderdelen b) en c) gegrond zijn, de klachtonderdelen a) en d) deels gegrond zijn en de andere klachtonderdelen ongegrond.

Maatregel

5.11    De vraag ligt nu voor welke maatregel dient te worden opgelegd. Verweerster heeft

op meerdere vlakken tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld. Opmerking behoeft in dat kader dat het gros van de klachtonderdelen voortvloeit uit de rolvermenging die verweerster heeft laten ontstaan. Het college is van oordeel dat verweerster onvoldoende reflectie heeft getoond op de ontstane rolvermenging en haar verantwoordelijkheid daarin om die te voorkomen. Deze rolvermenging heeft onmiskenbaar negatieve gevolgen gehad op de behandeling van klaagster. Alles afwegende kan met een waarschuwing niet worden volstaan en is dan ook de maatregel van berisping passend en geboden.
 

Publicatie

5.12     In het algemeen belang zal deze beslissing worden gepubliceerd. Dit algemeen belang is erin gelegen dat andere zorgverleners mogelijk iets van deze zaak en het risico van rolvermenging kunnen leren. De publicatie zal plaatsvinden zonder vermelding van namen of andere tot personen of instanties herleidbare gegevens.
 

6.    De beslissing
 

Het college:

  • verklaart deklachtonderdelen b en c gegrond en de klachtonderdelen a en d deels gegrond;
  • legt verweerster de maatregel op van een berisping;
  • verklaart de klacht voor het overige ongegrond;
  • bepaalt dat deze beslissing, nadat die onherroepelijk is geworden, zonder vermelding van namen of andere herleidbare gegevens in de Nederlandse Staatscourant zal worden bekendgemaakt en ter publicatie zal worden aangeboden aan de tijdschriften Tijdschrift voor Gezondheidsrecht, Gezondheidszorg Jurisprudentie, Medisch Contact en De psycholoog.

Deze beslissing is gegeven door W.P. Claus, voorzitter, C.A. Bol, lid-jurist,
T. Koetsier, L. Wittkampf en R. van der Ree, bijgestaan door M.H. van Ham, secretaris,
en in het openbaar uitgesproken op 6 januari 2026.

secretaris                                                                                           voorzitter



 

Tegen deze beslissing kan in de volgende gevallen schriftelijk beroep worden ingesteld bij het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:

  1. Heeft u de klacht ingediend? Dan kunt u in beroep als
  • het college u of uw klacht geheel of gedeeltelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard, of
  • als de klacht geheel of gedeeltelijk ongegrond is verklaard,
  • het college kennelijk onbevoegd is, of
  • voor zover de klacht kennelijk van onvoldoende gewicht is.
     

Bij een gedeeltelijke niet-ontvankelijkverklaring of een gedeeltelijke ongegrondverklaring kan uw beroep alleen betrekking hebben op dat deel van de beslissing.

  1. Is de klacht tegen u gericht? Dan kunt u altijd in beroep.
  1. Ook de inspecteur van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd kan beroep instellen.


U moet het beroepschrift richten aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg, maar opsturen naar de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Zwolle. Daar moet het zijn ontvangen binnen zes weken nadat de beslissing aan u is verstuurd.
 

Als u beroep instelt, moet u € 50,- griffierecht betalen aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg. U ontvangt hierover bericht. Als u geheel of gedeeltelijk in het gelijk wordt gesteld, wordt het griffierecht aan u terugbetaald.