ECLI:NL:TGZRSHE:2026:98 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg 's-Hertogenbosch H2024/7644
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRSHE:2026:98 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 03-06-2026 |
| Datum publicatie: | 03-06-2026 |
| Zaaknummer(s): | H2024/7644 |
| Onderwerp: | Geen of onvoldoende zorg |
| Beslissingen: | Ongegrond, kennelijk ongegrond |
| Inhoudsindicatie: | Klacht ingediend door de kleinzoon van een gedurende deze procedure overleden patiënte. Klager is ontvankelijk door combinatie van een medische en een algemene volmacht voor overige aangelegenheden gericht aan klagers vader en aan klager, de akkoordverklaring van de vader en instemming van de vader met voortzetting van de klacht na overlijden van patiënte. De klacht is kennelijk ongegrond. Geklaagd wordt over de kwaliteit van de geleverde zorg en de communicatie onder andere over de hoedanigheid van verweerster. De omstandigheden waarop de klacht is gebaseerd en de verweten handelingen worden niet vastgesteld door het college. |
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG TE ’s-HERTOGENBOSCH
Beslissing in raadkamer van 3 juni 2026 op de klacht van:
[A],
wonende te [B],
klager,
tegen
[C],
Verpleegkundige/verpleegkundig specialist algemene gezondheidszorg,
werkzaam in [D],
verweerster, hierna ook: verpleegkundig specialist,
gemachtigde: mr. C.M.P. Peersman, werkzaam in Zeist.
1. De zaak in het kort
1.1 Het klaagschrift is door klager, destijds nog als gemachtigde, ingediend namens
zijn
grootmoeder (hierna patiënte). Patiënte is inmiddels overleden. Klager heeft meegedeeld
de klacht
als nabestaande te willen voortzetten.
1.2 Verweerster is werkzaam bij de instelling waar de patiënte destijds verbleef
en was bij de
zorg van patiënte betrokken.
1.3 De klacht ziet op de kwaliteit van en de communicatie over de zorg van de patiënte.
Verweerster is het niet eens met de klacht, samengevat omdat zij deels niet verantwoordelijk
was
voor de zorg, er wel in voldoende mate is gecommuniceerd en zij haar beroepsgeheim
niet heeft
geschonden.
1.4 Het college komt tot het oordeel dat de klacht kennelijk ongegrond is. ‘Kennelijk’
betekent
dat het niet nodig is om nog vragen aan de partijen te stellen en dat duidelijk
is dat de klacht
niet gegrond kan worden verklaard. Hierna licht het college toe hoe het tot deze
beslissing is
gekomen.
2. De procedure
2.1 De procedure blijkt uit:
1. het klaagschrift, ontvangen op 20 september 2024;
2. de brief van 9 oktober 2024 van de secretaris aan klager;
3. de e-mail van 11 oktober 2024, ontvangen van klager;
4. de producties, ontvangen van klager op 2 oktober 2024;
5. de brief van 15 oktober 2024 van de secretaris aan klager;
6. de volmacht conform artikel 7:465 lid 3 BW, ontvangen op 29 oktober 2024;
7. de volmacht, ontvangen op 29 oktober 2024;
8. de bekrachtiging van de volmacht, ontvangen op 7 november 2024;
9. het verweerschrift, ontvangen per e-mail op 21 januari 2025 en per post op 31
januari 2025;
10. de brief van 24 februari 2025 van de secretaris aan klager;
11. het proces-verbaal van het eerste mondeling vooronderzoek, gehouden op 22 juli
2025;
12. de klachtuitbreiding, ontvangen op 1 november 2024;
13. de reactie op de aanvullende klacht, ontvangen op 19 augustus 2025 van de gemachtigde
van
verweerster;
14. het proces-verbaal van het tweede mondeling vooronderzoek, gehouden op 21 januari
2026;
15. de e-mail van 18 februari 2026, ontvangen van klager;
16. de e-mail van 3 maart 2026, ontvangen van de gemachtigde van verweerster.
2.2 Het college heeft de klacht in raadkamer behandeld. Dit betekent dat het college
de zaak
beoordeeld heeft op basis van de stukken, zonder dat de partijen daarbij aanwezig
waren.
3. Wat is er gebeurd?
3.1 Patiënte was opgenomen in de instelling waar verweerster als verpleegkundig
specialist
werkzaam is. In augustus/september 2022 was verweerster regiebehandelaar van patiënte.
Ook was een
Specialist Oudergeneeskunde (SO) betrokken bij de behandeling van patiënte. De SO
heeft de arm en
schouder van patiënte op 12 september 2022 onderzocht. Tijdens het onderzoek bleek
sprake te zijn
van wisselende pijnsignalen. Bij afleiding uitte patiënte geen pijn. Op 13 september
2022 heeft de
SO patiënte wederom onderzocht en kwam zij tot dezelfde beoordeling. Er is pijnstilling
ingezet.
Patiënte verbleef op dat moment op de somatische afdeling, maar een overplaatsing
naar de
psychogeriatrische afdeling was reeds in gang gezet in verband met de diagnose dementie.
Deze
overplaatsing vond in december 2022 plaats.
3.2 Op 14 september 2022 is verweerster telefonisch betrokken bij de behandeling
van deze
pijnklachten van patiënte. Haar werd verteld dat patiënte nog steeds pijn had en
net de door de SO
voorgeschreven pijnmedicatie had gekregen. Verweerster heeft geadviseerd het effect
van de gegeven
pijnmedicatie af te wachten.
3.3 Op 19 of 20 september 2022 is bij patiënte in het ziekenhuis een schouderbreuk vastgesteld.
3.4 In december 2022 is patiënte naar de psychogeriatrische afdeling overgeplaatst
en vanaf dat
moment werd verweerster hoofdbehandelaar. Het eerste fysieke contact tussen verweerster
en de
familie van de patiënte vond plaats op 23 maart 2023, tijdens de halfjaarlijkse
zorgplanbespreking.
Met de familie onderhield verweerster twee maal per jaar contact in de halfjaarlijkse
zorgplanbespreking. Op 23 maart 2023 ontmoette zij voor het eerst vertegenwoordigers
van de familie
van patiënte. Vanaf mei 2023 stuurde klager veelvuldig e-mails naar de instelling/naar
verweerster.
3.5 Op 30 mei 2024 heeft verweerster per e-mail aan klager verslag gedaan van verschijnselen
van
gordelroos van patiënte. Klager antwoordt hierop met de vraag welke arts supervisie
houdt op de
werkzaamheden van verweerster. Verweerster heeft hierop geantwoord op 31 mei 2024
dat gewerkt wordt
conform het beroepsprofiel, wat eerder met de familie is besproken. Klager heeft
zijn vraag
herhaald welke arts supervisie houdt.
Op 3 juni 2024 heeft klager geïnformeerd naar het BIG-nummer van verweerster.
Op 5 juni 2025 heeft verweerster aan klager verslag gedaan van de ontwikkeling rond
de gordelroos
van patiënte, haar BIG-nummer verstrekt en verwezen naar een eerdere e-mail van
het bestuur over de
bevoegdheid van een verpleegkundig specialist. Ook heeft zij een link verstuurd
naar de Regeling
zelfstandige bevoegdheid verpleegkundig specialisten. Klager heeft hierop op 5 juni
2024 geantwoord
met een e-mail die uitsluitend de woorden: “welke arts” bevatte. Bij e-mail van
7 juni 2024 heeft
klager verweerster een tuchtklacht in het vooruitzicht gesteld.
3.6 Op 11 juni 2024 heeft klager geschreven aan de instelling (alle citaten inclusief
eventuele
taal- en spelfouten): “Sinds 5 juni krijgen wij geen informatie (meer) van [C],
terwijl oma ziek
is….Is zij afwezig? Zo ja, wie neemt haar waar? Is zij niet afwezig, dan gaat er
morgen een klacht
naar het Tuchtcollege… ik stel voor dat oma onder geen beding alleen is met de betrokkene
omdat oma
nogal kwetsbaar is en niet weerbaar is. We weten niet hoe sommige mensen reageren
(woede, boosheid
etc) op een tuchtklacht..”
3.7 Op 14 juni 2024 heeft klager een e-mail gestuurd aan een niet nader gespecificeerde
R.
waarin de opmerking wordt gemaakt: “Helaas leidt de huidige situatie ertoe – mede
daar gebrek aan
medewerking van zuster [C] – dat wij eerst een deskundig oordeel van een arts willen
zien of
horen, alvorens een beslissing wordt genomen. De beoordelingen van de nep-dokter,
hebben een hoog
hocus-pocus gehalte.”
3.8 Op 16 augustus 2024 heeft de bestuurder van de instelling aan de vader van
klager geschreven
“… Nu door [klager] herhaaldelijk is aangegeven dat een tuchtklacht ingediend zal
worden zal
[verweerster] niet aanwezig zijn bij de geplande zorgplanbespreking van donderdag
22 augustus.
Uiteraard zal zij persoonlijk contact met u houden op het moment dat overleg over
de behandeling in
haar ogen wenselijk is en is zij ook voor u benaderbaar voor overleg.”
3.9 Op 14 september 2024 is patiënte onderzocht in het ziekenhuis en is daar een
elektrocardiogram (ECG) gemaakt. Daarover heeft verweerster een terugkoppeling van
het ziekenhuis
ontvangen.
3.10 Op 8 november 2024 heeft verweerster aan de zoon van patiënte (zijnde de vader
van klager)
geschreven het hoofdbehandelaarschap over te dragen aan een collega.
4. De klacht en de reactie van de verpleegkundig specialist
4.1 Klager verwijt de verpleegkundig specialist dat zij:
a) een verkeerde diagnose heeft gesteld;
b) patiënte ten onrechte niet heeft doorverwezen naar een andere beroepsbeoefenaar/arts;
c) onvoldoende informatie over de behandeling van patiënte heeft gegeven aan klager;
d) een onjuiste verklaring of een onjuist rapport heeft afgegeven;
e) haar beroepsgeheim heeft geschonden;
f) zich in het dossier van patiënte is blijven mengen, terwijl klager door de directie
was
meegedeeld dat zij haar taken had neergelegd vanwege de tuchtklacht;
g) zich voordoet als arts en de ouders van klager blijft lastigvallen over medische
zaken.
4.2 Verweerster heeft het college verzocht klager niet-ontvankelijk te verklaren
en de klacht dus
niet inhoudelijk te behandelen. Voor het geval het college de klacht wel inhoudelijk
gaat
beoordelen, heeft de verpleegkundig specialist het college verzocht de klacht ongegrond
te
verklaren.
4.3 Het college gaat hieronder verder in op de standpunten van partijen.
5. De overwegingen van het college
Ontvankelijkheid
5.1 In 2019 heeft patiënte haar zoon gemachtigd voor alle medische zaken en haar
kleinzoon,
klager, voor de resterende aangelegenheden. Klager heeft op 20 september 2024 zijn
klacht bij het
college ingediend. Op vragen van het college heeft de vader de machtiging voor deze
procedure aan
klager bekrachtigd. Verweerster meent dat de volmachten, die zijn verleend vijf
jaar voordat de
klacht is ingediend, onvoldoende zijn om vast te stellen dat patiënte haar zoon
en kleinzoon
machtigt om deze klacht in te dienen.
5.2 Het college oordeelt dat de volmachten wel afdoende zijn om namens patiënte
de onderhavige
klacht in te dienen bij het college. De volmacht is niet tijdelijk van aard. Het
is niet
ongebruikelijk dat patiënten afnemende capaciteiten voorzien die vaak samengaan
met hun laatste
levensfase en daarom voorzieningen treffen onder andere door het verstrekken van
machtigingen.
Dergelijke machtigingen zijn niet tijdelijk van aard.
5.3 De communicatie tussen klager en verweerster en collega’s van verweerster vormen
voor het
college geen reden de door patiënte getroffen voorziening niet te respecteren, wat
er ook zij van
de tegengestelde signalen die de medewerkers van de instelling van klager en van
zijn vader
ontvingen. Het college oordeelt dus dat klager bevoegd was om de klacht namens patiënte
in te
dienen.
5.4 In ….. 2025 is patiënte overleden. Als een klager gedurende de behandeling van
de procedure
overlijdt kan de procedure worden voortgezet door de naasten van een klager. Klager
heeft te kennen
gegeven de klacht te willen voortzetten en de vader van klager heeft hiermee schriftelijk
ingestemd. De in het verweerschrift van verweerster opgesomde bezwaren tegen de
positie van klager
vormen geen aanleiding voor het college de mededeling van klager én zijn vader onvoldoende
te
achten om de zaak voort te zetten. De beslissing wordt daarom op naam van klager
gesteld.
5.5 Het college zal de klacht hierna inhoudelijk bespreken.
De criteria voor de beoordeling
5.6 De vraag is of verweerster de zorg heeft verleend die van haar verwacht mocht
worden. De norm
daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende verpleegkundig specialist.
Bij de
beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de verpleegkundig specialist geldende
beroepsnormen
en andere professionele standaarden. Dat een zorgverlener beter anders had kunnen
handelen is niet
altijd genoeg voor een tuchtrechtelijk verwijt. Verder geldt het uitgangspunt dat
zorgverleners
alleen tuchtrechtelijk verantwoordelijk zijn voor hun eigen handelen.
Klachtonderdelen a) en b) verkeerde diagnose en niet doorverwijzen
5.7 Vast staat dat de SO patiënte op 12 september 2022 heeft onderzocht en dat
zij geen diagnose
schouderbreuk heeft gesteld en patiënte vervolgens pijnmedicatie heeft verstrekt.
De SO heeft
patiënte op 13 september 2022 opnieuw bezocht en beoordeeld en zij kwam tot dezelfde
conclusie. Op
14 september 2022 is verweerster bij de situatie betrokken doordat zij telefonisch
werd
geconsulteerd. Omdat er vlak daarvoor pijnmedicatie aan patiënte was verstrekt,
heeft zij
geadviseerd het effect van deze medicatie af te wachten. Dat is een als adequate
zorg te
kwalificeren beleid, vooral omdat patiënte daags ervoor door de SO is onderzocht.
Dat achteraf
bleek dat sprake was van een schouderbreuk maakt dit niet anders. Dezelfde omstandigheden
maken ook
dat er voor verweerster geen aanleiding was voor een doorverwijzing naar een andere
beroepsbeoefenaar/arts. Deze klachtonderdelen zijn kennelijk ongegrond.
Klachtonderdeel c) onvoldoende informatie verstrekt aan klager
5.8 Aan klager is door verweerster en door de instelling informatie verstrekt
over haar
bevoegdheden en de taakverdeling binnen de instelling. Die informatie acht het college
afdoende.
Ook acht het college de wijze waarop verweerster heeft gecommuniceerd over de twee
afspraken over het zorgplan van patiënte afdoende. De afmelding voor het tweede gesprek
is tijdig gedaan door de directeur, waarmee er geen taak op dat vlak voor verweerster
overbleef. Ook dit klachtonderdeel is kennelijk ongegrond.
Klachtonderdeel d) onjuiste verklaring/rapport
5.9 Verweerster heeft geen onjuiste verklaring gegeven over haar afwezigheid bij
de bijeenkomst
van 22 augustus 2024 over het zorgplan van patiënte. Evenmin heeft zij een onjuiste
verklaring over
een in het ziekenhuis gemaakt ECG gegeven. Dat het ziekenhuis aan klager heeft meegedeeld
dat er
geen ECG had plaatsgevonden, is weersproken door de terugkoppeling die verweerster
van het
ziekenhuis had ontvangen. Dit klachtonderdeel is kennelijk ongegrond.
Klachtonderdeel e) schending beroepsgeheim
5.10 Klager maakt bezwaar tegen kennisneming door de zorgmanager van zorg- en medische
gegevens
van patiënte. Klager miskent daarmee dat een zorgmanager naar de aard van zijn functie
en taken bij
de zorg van patiënten is betrokken. Die zorg omvat mede de medische zorg van patiënten.
Dat
verweerster informatie heeft gedeeld met de zorgmanager, levert geen schending van
het
beroepsgeheim op, omdat beiden bij de zorgverlening aan patiënte betrokken waren.
Van schending van
een beroepsgeheim door mededelingen van verweerster aan anderen dan de zorgmanager
is overigens
geen sprake. Uit het e-mailbericht van de directeur blijkt in ieder geval niet dat
informatie die
onder het beroepsgeheim valt met anderen is gedeeld. Ook dit klachtonderdeel is
kennelijk
ongegrond.
Klachtonderdeel f) voortdurende bemoeienis met patiënte
5.11 Op 8 november 2024 heeft verweerster haar hoofdbehandelaarschap neergelegd.
Tot die datum was
zij dus als hoofdbehandelaar betrokken. Daarna was zij nog steeds als lid van het
behandelteam van
patiënte betrokken bij de zorg. Van een mededeling van de directie, inhoudende dat
verweerster zich
(helemaal) niet meer met patiënte zou bemoeien, was geen sprake. Enkel het hoofdbehandelaarschap
is
neergelegd. Er is dus ook geen sprake geweest van onrechtmatige voortdurende bemoeienis
door
verweerster.
Klachtonderdeel g) het zich voordoen als arts en lastigvallen van de ouders van klager
5.12 Niet is gebleken dat verweerster zich van de beroepstitel arts bedient. Of
klager dit
verkeerd heeft begrepen van anderen in de organisatie, die haar zoals klager stelt
met de functie
“arts” hebben aangeduid, kan verweerster niet worden aangerekend. Haar valt hierover
geen
persoonlijk verwijt te maken.
5.13 De vader van klager was eerste contactpersoon voor de instelling. Klager heeft
meermaals
gevraagd ook in de communicatie meegenomen te worden. Door het bestuur van de instelling
is
hierover met klager en met zijn vader gecommuniceerd. Verweerster valt hierover
geen verwijt te
maken. Omdat klagers vader eerste contactpersoon was, geldt het voorgaande ook voor
het feit dat
verweerster klagers vader heeft aangeschreven, tegen de door klager geuite wens.
Ook dit klachtonderdeel
is kennelijk ongegrond.
Slotsom
5.14 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat alle onderdelen van de klacht kennelijk
ongegrond
zijn.
6. De beslissing
Het college verklaart de klacht in al haar onderdelen kennelijk ongegrond.
Deze beslissing is gegeven door T. Dohmen, voorzitter, A. Petiet, en M. IJzerman,
leden-beroepsgenoten, bijgestaan door I.F. Schouwink, secretaris, en in het openbaar
uitgesproken
door K.A.J.C.M. van den Berg Jeths-van Meerwijk op 3 juni 2026.