ECLI:NL:TGZRSHE:2026:97 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg 's-Hertogenbosch H2024/7390
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRSHE:2026:97 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 20-05-2026 |
| Datum publicatie: | 20-05-2026 |
| Zaaknummer(s): | H2024/7390 |
| Onderwerp: | Geen of onvoldoende zorg |
| Beslissingen: | Gegrond, waarschuwing |
| Inhoudsindicatie: | Gedeeltelijk gegronde klacht tegen specialist ouderengeneeskunde. Nabestaanden van patiënt klagen onder meer over de weigering mee te werken aan een second opinion, het onterecht opleggen van een maatregel aan klager, onvoldoende toezicht en onvoldoende correctieve actie, onvoldoende bekend zijn met de patiënt en het niet waarborgen van complexe zorg. Klacht over second opinion en onvoldoende bekendheid met patiënt zijn gegrond. Verschillende rollen van verweerder: mediator, medebehandelaar, supervisor. In zijn rol van medebehandelaar had verweerder moeten verifiëren of een second opinion nog wel gewenst was. Verweerder heeft zich onvoldoende in het patiëntendossier verdiept. Voor het overige ongegrond. Waarschuwing. |
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG
TE ’S-HERTOGENBOSCH
Beslissing van 20 mei 2026 op de klacht van:
[A],
klaagster,
en
[B],
klager,
beiden wonende in [C],
hierna gezamenlijk te noemen: klagers,
tegen:
[D],
specialist ouderengeneeskunde
werkzaam in [C],
verweerder, hierna ook: de specialist ouderengeneeskunde gemachtigde: mr. C.W.M.
Verberne, werkzaam
in Eindhoven.
1. Waar gaat de zaak over?
1.1 Klagers zijn de echtgenote en zoon van de patiënt (geboren in 1932) die sinds
augustus 2019
in een woonzorgcentrum verbleef. Hij is daar in … 2021 overleden. Een collega van
verweerder was de
hoofdbehandelaar van patiënt. Verweerder is op twee momenten bij de zorg aan patiënt
betrokken
geweest. Naar aanleiding van zijn betrokkenheid verwijten klagers verweerder het
weigeren mee te
werken aan een second opinion, het onterecht en onder dwang opleggen van een maatregel
aan klager,
onvoldoende toezicht en onvoldoende correctieve actie, onvoldoende bekend zijn met
de patiënt,
onjuiste dossiervoering, onzorgvuldig handelen, het niet waarborgen van complexe
zorg,
ontoereikende zorg en een patroon van ontoereikend optreden en gebrek aan inzicht.
1.2 Het college komt tot het oordeel dat de klacht gedeeltelijk gegrond is en legt
verweerder de
maatregel van waarschuwing op. Hierna licht het college dat toe.
2. De procedure
2.1 De procedure blijkt uit:
- het klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 8 juli 2024;
- de usb-stick behorend bij het klaagschrift;
- het verweerschrift met de bijlagen, ontvangen op 24 september 2024;
- de brief van 24 oktober 2024 met bijlagen, ontvangen van klagers op 25 oktober
2024;
- het proces-verbaal van het op 18 december 2024 gehouden mondelinge vooronderzoek;
- de aanvullende bewijsstukken, ontvangen van klagers op 24 februari 2026;
- de aanvullende documentatie, ontvangen van de gemachtigde van verweerder op 12
maart 2026.
2.2 De zaak is op 10 november 2025 in raadkamer behandeld waarbij het college heeft
besloten de
zaak naar een openbare zitting te verwijzen. De klacht is vervolgens behandeld op
de openbare
zitting van 25 maart 2026. De partijen zijn verschenen. Verweerder werd bijgestaan
door zijn
gemachtigde. De partijen en de gemachtigde hebben hun standpunten mondeling toegelicht.
Klagers
hebben een pleitnotitie voorgelezen en aan het college en de andere partij overhandigd.
3. Wat is er gebeurd?
3.1 Patiënt verbleef sinds 8 augustus 2019 tot aan zijn overlijden op … 2021 in
een
woonzorgcentrum. Verweerder is daar werkzaam als specialist ouderengeneeskunde tevens
voorzitter
van de vakgroep. Tot 1 maart 2021 was hij ook Hoofd Medische Dienst (HMD). Een collega
van
verweerder was de hoofdbehandelaar van patiënt (hierna: de hoofdbehandelaar).
3.2 Op 21 maart 2021 werden problemen met de slikfunctie van patiënt vastgesteld.
In het dossier
staat hierover vermeld (alle citaten voor zover van belang en letterlijk weergegeven):
“Medicatie-inname lukt niet meer bij slechte slikfunctie en algehele zwakte. Verpleging
geeft aan
dat het hen niet lukt en dat ze de verantwoordelijkheid niet kunnen nemen om de
medicatie te geven
(i.v.m. verslikkingsgevaar). Vraag om stop op orale medicatie.”
3.3 De zorgcoördinator sprak hierop met klaagster en haar dochter, waarna de hoofdbehandelaar
in
het dossier noteerde: “ Zoco heeft met echtgenote (1e CP) en dochter uitgebreid
gesproken waarbij
er aan is gegeven dat in belang van patiënt er over moet gaan op comfortbeleid.
Dit houdt oa in dat
er geaccepteerd moet worden dat hij achteruit gaat en geen drinken/eten te geven
als het
verslikkingsgevaar te groot is. Daarnaast behandelen met als doel symptoombestrijding.
Zowel
echtgenote en dochter waren het hier mee eens.”
3.4 Vervolgens sprak de hoofdbehandelaar met klager: “Bij de mededeling tot stoppen
medicatie laat zoon gelijk weten het hier niet mee eens te zijn. Ook niet naar mijn
uitleg (…).
Daarbij ook aangegeven dat dhr. geen medicatie heeft waarbij bij stoppen dhr. niet
acuut in
levensgevaar is of zal overlijden. Hij wil een second opinion, wil van een ander
arts horen dat de
medicatie gestopt moeten worden. Aangegeven dat dit op zondag niet te realiseren
is.
Aangeboden om collega erbij te roepen, hier voelde hij niets voor. Daarna aanbod
gedaan voor
(opnieuw) overleg met de geriater, hierbij zegt hij dat die toch naar mijn hand
spreekt. Aangegeven
dat ik dan geen verdere opties heb. Duidelijk aangegeven dat het medisch gezien
onverantwoord is om
de medicatie nu te geven en dat ik daarom de medicatie zal stoppen. Hierop liep
zoon boos de kamer uit en zegt dat hij rond gaat bellen.”
3.5 De hoofdbehandelaar verzocht verweerder, vanuit diens rol als (voormalig) HMD,
vervolgens om
hulp en noteerde daarover in het dossier: ”Gezien de discussie met zoon en vraag/eis
om een second
opinion, waarbij ik ook het gevoel had vast te lopen en niet veilig voelde bij zoon,
heb ik [naam
verweerder] (hoofd medische dienst) om hulp gevraagd. Hij is naar de afdeling gekomen
en heeft
uitgebreid met zoon besproken. Het volgende is ook in overleg met dhr. zelf nu afgesproken;
-Alleen de noodzakelijke medicatie blijft op de medicijnlijst staan
-Ander medicatie worden gestopt (…)
-Medicatie wordt aangeboden maar als verpleging/verzorging ziet dat het slikken
niet gaat wordt het
niet gegeven.
-Als dhr. verzorgd wordt dan zal familie van de kamer afgaan.”
3.6 Verweerder noteerde na zijn gesprek met klager in het dossier als evaluatie:
“ zondagmiddag gesproken met zorgteam, (dd) arts, zoon [voorletter], echtgenote
en dhr [naam
patiënt]. Voor team en arts is er onwerkbare situatie ontstaan doordat zoon bepaalde
eisen blijft
stellen aan de behandeling en second opinion eist. Mijn inzet was er om collega
bij te staan en
oplossing te zoeken. In gesprek met zoon blijkt dat hij veel moeite heeft met het
loslaten van zijn
vader. Daarnaast in het verleden slechter ervaringen op eerdere zorgplek waardoor
hij het niet als
vanzelfsprekend aanneemt dat het beste voor zijn vader wordt gedaan. Uiteindelijk
afgesproken dat
hij bij zorg en behandelmomenten uit de kamer gaat. Daarnaast over het geven van
medicijnen, min of
meer zinvolle medicatie wordt na 1x niet lukken niet meteen gestaakt maar volgende
keer weer
aangeboden. Echtgenote gebeld, heeft ook moeite met het loslaten maar staat wel
achter het beleid.
Dhr gesproken en uitgelegd dat team blijft proberen hem eten en drinken en medicatie
te geven maar
als het niet (meer) lukt dat het dan ophoudt. Knikt dat hij het snapt en het er
ook mee eens is.”
3.7 Daaronder noteerde verweerder: “Opgemerkt moet worden dat bovenstaande geen
second opinion is
maar rol van mediator om zorg voor dhr mogelijk te maken/ te houden.”
3.8 Diezelfde dag rapporteerde een senior verpleegkundige: “Rapportage namens [voornaam
teammanager]:Vanmiddag op verzoek van zorg team en dienstdoende arts is hoofd medische
dienst
geweest om een gesprek te voeren met zoon. Situatie omtrent communicatie zoon, zorgteam,
arts
verliep moeizaam. Zelfs zodanig dat het beangstigend werd. (…). Als volgt afgesproken:
Als zorg
dhr. moet verzorgen zal zoon het appartement verlaten, na zorg moment zoon laten
weten als hij in
de buurt is dat hij weer binnen kan komen. Houd de zoon zich niet aan deze afspraak,
kun je
aangeven dat er vervolgstappen genomen zullen worden. Als de situatie er zich toe
leent, mag je
benoemen dat er dan een verbod op bezoek komt (…).”
3.9 Bij brief van 23 maart 2021 bevestigde de teammanager de gemaakte afspraken
aan klager: “(…)
Met betrekking tot zorg- en behandelmomenten aan uw vader [naam patiënt] is afgesproken
dat u tijdens dat moment het appartement van uw vader verlaat. Wanneer u op dat moment wilt
wachten tot de medewerkers klaar zijn met hun zorg, zullen zij u hierover na afloop informeren.”
3.10 Op 2 mei 2021 schreef de zorgcoördinator in het dossier dat het niet goed gaat
met patiënt:
“(…) controles zijn gedaan (…), deze zijn afwijkend. Ik heb contact opgenomen met
het MZT, dhr gaat
acuut achteruit. MZT neemt contact met de arts op en komen naar de
afdeling. Familie is gebeld en komen naar de afdeling toe.”
3.11 Uit notities van de verpleging van 3 en 4 mei 2021 volgt dat de gezondheid van
patiënt
achteruitgaat, dat hij niet alert is en dat er zorgen zijn. De verpleging vroeg
beide dagen de
dienstdoende arts om patiënt te beoordelen.
3.12 Op 4 mei 2021 noteerde een waarnemend basisarts in het dossier: “(…) Verpleging
vraagt of er
een mogelijkheid is dat er vandaag met familie een gesprek aangegaan wordt. Dit
besproken met [naam
verweerder] (hoofd medische dienst). Deze ziet nu geen reden voor een gesprek met
familie gezien er
geen sprake is van acute achteruitgang en geen verandering is t.o.v. dit weekend
(…)”
3.13 De volgende keer dat verweerder bij de zorgverlening aan patiënt betrokken was,
was op …
2021. Als supervisor van de waarnemend basisarts noteerde hij om 13.53 uur in het
dossier: “ (…)
Familie vraag zeer veel inzet van arts terwijl dat medisch gezien niet echt nodig
is. Basisarts
ondersteunt in het begrenzen van beschikbaarheid. Vandaag dreigt fam dhr mee naar
huis te nemen
zonder dat we weten of dhr dat wil en waarbij we wel weten dat de intensieve benodigde
zorg thuis
niet geregeld is. Opnieuw supervisie basisarts, dhr moet met huidige indicatie afgestemde
veilige
zorg en behandeling krijgen. Dat kan nu thuis niet bovendien is het niet de wens
van dhr, althans
hij geeft dat niet meer aan. Wilde voorheen alleen naar huis als hij daar beter
zou kunnen worden.
(zie ook eerdere rap van mij) Daarna ook discussie over morfine bij lage saturatie,
fam wil dat
niet. De morfine hoort in dit geval bij goede palliatieve zorg (benauwdheid) en
kan gewoon volgens
afspraak gegeven worden. Plan: senior gesproken, morfine is gegeven Voor bijzonderheden
kan ik
gebeld worden ipv basisarts”
3.14 Later in de middag is patiënt overleden.
3.15 Op 2 september 2021 vond een gesprek plaats tussen klagers en verweerder over
de ervaringen
van klagers tijdens de periode van zorgverlening aan patiënt. Naar aanleiding van
dat gesprek heeft
verweerder overleg gehad met twee collega’s en met de medische dienst. Bij brief
van 18 februari
2022 stelde verweerder klaagster op de hoogte van de aandachtspunten die uit de
besprekingen naar
voren waren gekomen:
“ - Zorg, voor zover we dat al niet doen, dat waarnemende artsen snel op de hoogte
kunnen zijn van
het medisch beleid en benoem de wensen van de familie.
- Overweeg een consult van een geriater.
- Beoordeel klachten van familie op inhoud, niet op de vorm.
- Als wens van de cliënt niet geheel overeenkomt met wensen van familie, zorg dan
dat
hierover duidelijkheid komt.”
4. De klacht en de reactie van de specialist ouderengeneeskunde
4.1 Klagers verwijten verweerder:
1) het zonder zwaarwegende redenen weigeren mee te werken aan een second opinion;
2) het onterecht en onder dwang opleggen van de maatregel;
3) onvoldoende toezicht en onvoldoende correctieve actie;
4) onvoldoende bekend met patiënt, onjuiste dossiervoering, onzorgvuldig handelen;
5) complexe zorg niet gewaarborgd en ontoereikende zorg;
6) een patroon van ontoereikend optreden en gebrek aan inzicht.
4.2 Verweerder heeft het college verzocht klagers niet-ontvankelijk te verklaren
in de
klachtonderdelen 1) en 5) en de klacht voor het overige ongegrond te verklaren.
4.3 Het college gaat hieronder verder in op de standpunten van partijen.
5. De overwegingen van het college
Ontvankelijkheid
5.1 Verweerder stelt zich op het standpunt dat klagers niet-ontvankelijk zijn
in de
klachtonderdelen 1) en 5). Wat klachtonderdeel 1) betreft, voert hij aan dat het
regelen van een
second opinion niet aan hem was, maar aan de hoofdbehandelaar. Hetgeen de hoofdbehandelaar
aangaat,
valt buiten deze procedure. Ten aanzien van klachtonderdeel 5) stelt verweerder
dat klagers niet
onderbouwen wat zij hem persoonlijk verwijten. Als voorzitter van de vakgroep draagt
hij geen
tuchtrechtelijke verantwoordelijkheid voor zaken die in de zorgverlening zijn misgegaan.
5.2 Het college oordeelt dat klagers in de klachtonderdelen 1) en 5) ontvankelijk
zijn. Ten
aanzien van klachtonderdeel 1) is daarvoor van belang dat verweerder bij de zorgverlening
aan
patiënt betrokken raakte op het moment de hoofdbehandelaar zich op
21 maart 2021 terugtrok. Wat tussen klager en verweerder die dag vervolgens besproken
is, valt
daarom binnen deze procedure. Ten aanzien van klachtonderdeel 5) ziet het college
op voorhand geen
reden klagers niet-ontvankelijk te verklaren, omdat klagers het recht hebben te
klagen en zij de
klacht bij de juiste instantie hebben ingediend. Het college zal deze klachtonderdelen
daarom
inhoudelijk bespreken.
De criteria voor de beoordeling
5.3 De tuchtnormen zoals neergelegd in artikel 47, eerste lid, onder a en b Wet
BIG betreffen
niet alleen handelen of nalaten in strijd met de zorg die een beroepsbeoefenaar
behoort te
betrachten ten opzichte van de patiënt en diens naaste betrekkingen (de eerste tuchtnorm),
maar ook
ander handelen of nalaten in strijd met hetgeen een behoorlijk beroepsbeoefenaar
betaamt (de tweede tuchtnorm). De eerste tuchtnorm gaat over goede zorgverlening binnen
een behandelrelatie. In dat geval wordt getoetst of de specialist ouderengeneeskunde
de zorg heeft verleend die van hem verwacht mocht worden. De norm daarvoor is een
redelijk bekwame en redelijk handelende specialist ouderengeneeskunde. Bij de beoordeling
wordt rekening gehouden met
de voor de zorgverlener geldende beroepsnormen en andere professionele standaarden.
Voor
gedragingen die niet onder de eerste tuchtnorm vallen, geldt de tweede tuchtnorm
waarbij het
college toetst of de gedragingen in strijd zijn met wat een behoorlijk beroepsbeoefenaar
betaamt.
Verder geldt het uitgangspunt dat zorgverleners alleen tuchtrechtelijk verantwoordelijk
zijn voor
hun eigen handelen.
5.4 Het college dient de vraag te beantwoorden of hetgeen klagers verweerder verwijten
onder de
eerste of tweede tuchtnorm valt. Vervolgens moet worden beoordeeld of verweerder
in strijd met die
norm heeft gehandeld. Hiervoor is van belang vast te stellen in welke hoedanigheid
verweerder bij
de zorgverlening aan patiënt betrokken was.
De rol van verweerder
5.5 Verweerder is tweemaal bij de zorgverlening aan patiënt betrokken geweest:
op
21 maart 2021 en op … 2021. Over de hoedanigheid waarin hij beide keren betrokken
was, bestaat geen
duidelijkheid. Verweerder wordt door andere zorgverleners ‘hoofd medische dienst’
genoemd.
Verweerder stelt echter dat hij die functie sinds 1 maart 2021 niet meer had. Ook
stelt hij dat hij
nimmer de behandelaar van patiënt is geweest, maar slechts een bemiddelende rol
(als mediator)
heeft vervuld. Uit de rapportages in het medisch dossier volgt echter dat verweerder
bij beide
contactmomenten bemoeienis had met de (medicamenteuze) behandeling van patiënt.
De eerste keer toen
hij een bemiddelende rol vervulde nadat de hoofdbehandelaar zich had teruggetrokken
en hij een deel
van de medicatie van patiënt hervatte. De tweede keer in zijn hoedanigheid van supervisor
van de
dienstdoende basisarts waarbij hij zich als medebehandelaar opwierp. Op vragen van
het college
tijdens de zitting heeft verweerder erkend dat hij twee petten heeft opgehad: die
van mediator én
van specialist ouderengeneeskunde. Desgevraagd verklaarde verweerder dat hij niet
formeel als een
onafhankelijke mediator heeft gehandeld. Zijn rol was eerder die van een bemiddelende
collega van
de hoofdbehandelaar, die een moeizame relatie onderhield met klager. Vast staat
dat verweerder
tevens de beslissing nam om de medicatie van patiënt te hervatten. Hiermee werd
verweerder
feitelijk een (mede)behandelaar. Dat betekent dat het handelen van verweerder wordt
getoetst aan de
eerste tuchtnorm.
Klachtonderdeel 1) het weigeren mee te werken aan een second opinion
5.6 Als toelichting stelt klager dat hij op 21 maart 2021 de hoofdbehandelaar
heeft verzocht een
verwijzing voor een second opinion af te geven vanwege haar besluit tot stopzetting
van de
medicatie aan patiënt. Omdat de hoofdbehandelaar zich daardoor persoonlijk aangevallen
voelde,
heeft zij verweerder om hulp gevraagd. In het gesprek dat vervolgens tussen klager
en verweerder
plaatsvond, is gesproken over de medicatie en over het verzoek om een second opinion.
Er zijn weliswaar afspraken gemaakt over een gedeeltelijke hervatting van de medicatie,
maar met het verzoek om een second opinion heeft verweerder niets gedaan. Dat had
hij wel moeten doen.
5.7 Verweerder stelt zich op het standpunt dat hem om hulp was gevraagd bij de vastgelopen
communicatie tussen de hoofdbehandelaar en klager. Verweerder heeft op dat moment
niet de
behandeling van de patiënt overgenomen. Hij heeft zich gefocust op het weer mogelijk
maken van de
zorgverlening en behandeling van de patiënt. De afspraken die hij met klager heeft
gemaakt, zijn in
het dossier genoteerd. Verweerder is niet gevraagd een second opinion te regelen.
Dat verzoek heeft
klager aan de hoofdbehandelaar gedaan; verweerder had hierin geen rol. Omdat een
second opinion op
zondag niet mogelijk was, bood de hoofdbehandelaar aan klager aan hierover met de
geriater te
bellen. Dat wilde klager niet.
5.8 Dit klachtonderdeel is gegrond. Vast staat dat de hoofdbehandelaar besloot de
medicatie aan
patiënt stop te zetten vanwege verslikkingsgevaar. Naar aanleiding van het verzoek
van klager om
een second opinion over dit medicatiebesluit, stelde de hoofdbehandelaar aan klager
voor om
telefonisch te overleggen met de geriater van het ziekenhuis. Klager wees dat voorstel
af. De
hoofdbehandelaar verzocht verweerder vervolgens om hulp met het oog op vastgelopen
communicatie
tussen haar en klager. Zoals in alinea 5.5 al is overwogen, heeft verweerder na
zijn gesprek met
klager het besluit van de hoofdbehandelaar gewijzigd en een deel van de medicatie
hervat.
Verweerder noteerde in het dossier dat het bij de met klager gemaakte afspraken,
niet om een second
opinion ging.
5.9 Eveneens staat vast dat verweerder op de hoogte was van het verzoek van klager
aan de
hoofdbehandelaar om een second opinion. Hij was er ook van op de hoogte dat aan
dit verzoek door de
hoofdbehandelaar (nog) niet was voldaan. Dat verweerder het op dat moment niet als
zijn taak zag
alsnog zelf een second opinion te regelen, kan het college nog wel billijken. Niet
alleen omdat
verweerder ervan uitging dat dit verzoek bij de hoofdbehandelaar lag, maar ook omdat
hij klager
tegemoetgekomen was door een ander medicatiebesluit te nemen. Gelet echter op zijn
besluit tot
gedeeltelijke hervatting van de medicatie, had het op de weg van verweerder als
medebehandelaar
gelegen bij klager te verifiëren of een second opinion nog wel gewenst was. Dat
verweerder dat niet
heeft gedaan, kan hem tuchtrechtelijk worden aangerekend.
Klachtonderdeel 2) het onder dwang opleggen van een maatregel
5.10 Klagers doelen op de maatregel dat klager tijdens de zorg- en behandelmomenten
niet meer bij
zijn vader op de kamer aanwezig mocht zijn. Klagers stellen dat deze maatregel onterecht
en niet
proportioneel was. Er werd gedreigd met een algeheel bezoekverbod en andere maatregelen
als klager
zich niet zou onderwerpen.
5.11 Verweerder stelt dat er geen sprake was van een maatregel onder dwang. Verweerder
heeft met
klager afspraken gemaakt om niet meer aanwezig te zijn tijdens de zorgmomenten.
Klager heeft met deze afspraken ingestemd.
5.12 Dit klachtonderdeel is ongegrond omdat het college niet kan vaststellen dat
verweerder de
betreffende maatregel heeft genomen. Uit de dossieraantekeningen volgt dat de aanleiding
voor het
nemen van de maatregel, de dwingende opstelling en bemoeienis van klager met de
zorgverlening aan
patiënt betrof. Er was een onwerkbare situatie voor het zorgteam ontstaan, waardoor
de
zorgverlening aan patiënt onder druk kwam te staan. Het gehele zorgteam wenste een
maatregel tegen
klager. Tijdens het gesprek met verweerder is deze maatregel besproken. Klager stemde
ermee in om
tijdens de zorgmomenten van zijn vader zich even terug te trekken. De maatregel
is vervolgens door
de teammanager aan klager bevestigd.
Klachtonderdeel 3) onvoldoende toezicht en onvoldoende correctieve actie
5.13 Klagers voeren aan dat het onvoldoende toezicht blijkt uit de vele incidenten
die
plaatsvonden met betrekking tot de medicatieverstrekking aan patiënt in de periode
2019 – 2021.
Omdat de problemen met de medicatie al jaren duidelijk waren, stellen klagers dat
daarmee tevens
sprake is van onvoldoende correctieve stappen van verweerder. Klagers wijzen onder
meer op de
conclusies van een apotheekaudit. Ook na het overlijden van patiënt is volgens klagers
sprake van
onvoldoende correctieve actie. Op 2 september 2021 vond een gesprek plaats tussen
verweerder en
klagers over de ervaringen tijdens het verblijf van patiënt. Naar aanleiding van
dit gesprek heeft
verweerder een aantal aandachtspunten genoteerd waaruit volgens klagers volgt dat
het verweerder
aan voldoende inzicht ontbreekt in zijn eigen handelen en dat van zijn collega’s.
5.14 Verweerder stelt zich allereerst op het standpunt dat niet duidelijk is wat
klagers met
correctieve actie bedoelen en dat het handelen van zijn collega’s in deze procedure
niet aan de
orde is. Daarnaast stelt verweerder dat het niet zijn taak was om toe te zien op
de
medicatieverschaffing aan patiënt. Naar aanleiding van het evaluatiegesprek op 2
september 2021
heeft verweerder conclusies getrokken en deze in een brief genoteerd. Die conclusies
stemmen
overeen met de jurisprudentie over de zorgverlening in het algemeen. Daarnaast betwist
verweerder
dat bij de gebeurtenissen met de medicatie van patiënt sprake was van een structurele
tekortkoming.
Hetgeen klagers als onderbouwing daarvoor stellen, is onvoldoende.
5.15 Ook dit klachtonderdeel is naar het oordeel van het college ongegrond. Klagers
hebben
onvoldoende onderbouwd in hoeverre verweerder hiervan een persoonlijk verwijt kan
worden gemaakt.
Kennelijk menen klagers dat verweerder vanuit zijn voormalige functie van HMD verantwoordelijk
zou
zijn voor (toezicht op) de medicatieverschaffing aan patiënt vanaf 2019. Als HMD
was verweerder tot
1 maart 2021 verantwoordelijk voor de inrichting van het medicatieverstrekkingsbeleid.
Klager heeft
evenwel niet gesteld dat dit beleid op dat moment onjuist was, zodat verweerder
niet
verantwoordelijk was voor eventuele onjuiste medicatieverstrekking aan patiënt.
Verweerder had als
HMD niet de taak om toezicht te houden op de medicatieverstrekking aan patiënt.
Wat het
medicatiebeleid van patiënt betreft, was verweerder uitsluitend betrokken bij de
herstart van de medicatie op 21 maart 2021.
Voor zover de klacht ziet op de periode vanaf 1 maart 2021 tot aan het overlijden
van patiënt, kan
het college niet vaststellen dat sprake zou zijn van onvoldoende toezicht of onvoldoende
correctieve actie van verweerder met het oog op de medicatieverstrekking aan patiënt.
Evenmin kan
onvoldoende toezicht of onvoldoende correctieve actie van verweerder worden vastgesteld
in de
periode na het overlijden tot aan het evaluatiegesprek op 2 september 2021. Klagers
hebben daartoe onvoldoende aangevoerd.
Ten overvloede herhaalt het college (zie alinea 5.3) dat verweerder alleen tuchtrechtelijk
verantwoordelijk is voor zijn eigen handelen. Al hetgeen klagers aanvoeren over
het handelen van
andere betrokken zorgverleners, kan verweerder niet worden verweten en is niet ter
beoordeling in
deze procedure.
Klachtonderdeel 4) onvoldoende bekend met patiënt, onjuiste dossiervoering, onzorgvuldig
handelen
5.16 Klagers voeren aan dat de verpleging op 4 mei 2021 om een gesprek met de familie
had
gevraagd. De dienstdoende arts heeft dit met verweerder besproken. Verweerder heeft
daarop gezegd
dat er geen sprake was van een acute achteruitgang die aanleiding kon zijn voor
een gesprek.
Daarnaast was verweerder niet op de hoogte van de wens van patiënt om thuis te sterven.
Ook heeft
verweerder ten onrechte in het dossier vermeld dat er sprake was van ‘intensieve
benodigde zorg’.
5.17 Verweerder erkent dat de situatie van patiënt achteruitging maar stelt dat er
geen aanleiding
was voor een gesprek met de familie. Verweerder gaf supervisie (op afstand) aan
de dienstdoende
basisarts. Er was al diverse malen gesproken over het medicatiebeleid; er was volgens
hem geen
reden om dat nog een keer te doen. Daarnaast stelt verweerder dat niet vaststond
wat de wens van
patiënt was met betrekking tot zijn levenseinde. Als de familie patiënt mee naar
huis zou willen
nemen, kon geen intensieve zorg worden geleverd. Dat had de huisarts van patiënt
al eerder
geconcludeerd.
5.18 Dit klachtonderdeel is gegrond. Naar het oordeel van het college heeft verweerder
zich
onvoldoende in het dossier verdiept. Als supervisor van de basisarts was verweerder
(opnieuw) bij
de zorgverlening aan patiënt betrokken. Zonder kennis te nemen van het dossier oordeelde
verweerder
dat een gesprek met de familie niet nodig was omdat er volgens hem geen sprake was
van acute
achteruitgang. Gelet op de dossiernotities van de verpleging waarin de zorgen over
de achteruitgang
van patiënt staan vermeld én het daaraan gekoppelde verzoek van de verpleging om
een gesprek met de
familie, is dit oordeel van verweerder onnavolgbaar. In zijn rol van supervisor,
tevens
medebehandelaar, had verweerder actie moeten ondernemen en een gesprek met de familie
moeten
arrangeren.
5.19 Daarnaast was verweerder er niet van op de hoogte dat patiënt in een eerder
stadium had
aangegeven thuis te willen sterven; verweerder negeerde de signalen van de familie
dat dit wel het
geval was. Patiënt zelf kon het echter op dat moment niet (meer)
aangeven. De beslissing om patiënt niet naar huis te laten gaan, baseerde verweerder
op een eerder
oordeel van de huisarts van patiënt. Deze had aangegeven dat thuis geen intensieve
zorg geleverd
kon worden. Verweerder heeft hiermee miskend dat het levenseinde van patiënt naderde
en patiënt
medisch gezien geen intensieve zorg meer nodig had. Het lag dan ook op de weg van
verweerder, die
zich in het dossier van patiënt expliciet opwierp als behandelaar door te vermelden
dat hij gebeld
moest worden in het geval van bijzonderheden, om een gesprek met de familie aan
te gaan. Hierin kon
in overleg met de familie onderzocht worden op welke wijze patiënt de laatste fase
van zijn leven
zou kunnen doorbrengen. Verweerder heeft klagers onthouden van hun visie hierop
door een gesprek te
weigeren.
Klachtonderdelen 5) complexe zorg niet gewaarborgd en ontoereikende zorg en 6) een
patroon van
ontoereikend optreden en gebrek aan inzicht
5.20 Deze klachtonderdelen zullen gezamenlijk worden behandeld, aangezien ze de
zorgverlening aan
patiënt in het algemeen betreffen.
5.21 Klagers verwijten verweerder dat hij de benodigde zorg voor patiënt in diens
laatste dagen
niet heeft gewaarborgd. Ook verwijten zij verweerder dat de verschafte zorg ontoereikend
was.
Klagers verwijzen naar diverse rapportages van zorgverleners in de periode september
2020 tot mei
2021 en stellen dat verweerder op deze punten onvoldoende toezicht heeft gehouden
en geen adequate
correctieve actie heeft ondernomen (klachtonderdeel 6).
5.22 Verweerder voert ten aanzien van klachtonderdeel 5) aan dat patiënt in een levensfase
was
waarin hij niet naar huis kon zonder intensieve zorg. Die was thuis niet te regelen.
Wat de
zorgverlening in het algemeen betreft onderbouwen klagers niet welk verwijt ze verweerder
persoonlijk maken. Verweerder heeft als voormalig HMD en voorzitter van de vakgroep
geen
tuchtrechtelijke verantwoordelijkheid. Volgens verweerder bevat klachtonderdeel
6) een herhaling
van de eerdere klachtonderdelen.
5.23 Het college heeft bij klachtonderdeel 4) reeds geoordeeld over de aan patiënt
te verlenen
zorg in zijn laatste levensfase zodat dit deel van klachtonderdeel 5) niet opnieuw
hoeft te worden
beoordeeld. Het college verwijst naar de overwegingen in de alinea’s 5.18 en
5.19. Het tweede deel van klachtonderdeel 5) en klachtonderdeel 6) is door klagers
te algemeen
geformuleerd om daarover een oordeel te kunnen geven. Bovendien ziet het college
in klachtonderdeel
6) niet meer dan een herhaling van de standpunten die reeds aan de orde zijn gekomen
bij de andere
klachtonderdelen. Nog afgezien van het feit dat klagers niet duidelijk maken op
welke punten
verweerder een persoonlijk verwijt te maken valt en deze klachtonderdelen bovendien
onvoldoende
onderbouwd zijn, zijn deze klachtonderdelen ongegrond.
Slotsom
5.24 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat de klachtonderdelen 1) en 4) gegrond
zijn en de andere klachtonderdelen ongegrond.
Maatregel
5.25 Nu de klacht deels gegrond is, moet het college oordelen welke maatregel in
deze
omstandigheden passend is. Verweerder is, vanwege zijn ruime werkervaring, op verzoek
van de
hoofdbehandelaar bij de zorgverlening aan patiënt betrokken geraakt. Hoewel verweerder
de intentie
had om tijdens het gesprek van 21 maart 2021 slechts een bemiddelende rol te vervullen,
is hij door
het nemen van een medicatiebesluit medebehandelaar van patiënt geworden. Als zodanig
was hij begin
mei 2021 ook betrokken toen hij als supervisor van de dienstdoende basisarts optrad.
Door de
verschillende rollen die verweerder innam én de evident aanwezige onduidelijkheid
onder de
betrokken collega’s en zorgmedewerkers betreffende zijn functie, is bij klagers
onduidelijkheid
ontstaan. Verweerder heeft tijdens de zitting erkend dat sprake was van rolvermenging
maar heeft
verder weinig reflecterend vermogen vertoond. Om deze reden is het college van oordeel
dat een
waarschuwing geïndiceerd is. Een waarschuwing is een zakelijke terechtwijzing die
de onjuistheid
van een handelwijze naar voren brengt zonder daarop een stempel van laakbaarheid
te drukken.
Publicatie
5.26 In het algemeen belang zal deze beslissing worden gepubliceerd. Dit algemeen
belang is erin
gelegen dat andere zorgverleners mogelijk iets van deze zaak kunnen leren. De publicatie
zal
plaatsvinden zonder vermelding van namen of andere tot personen of instanties herleidbare
gegevens.
6. De beslissing
Het college:
- verklaart de klachtonderdelen 1) en 4) gegrond;
- legt de specialist ouderengeneeskunde de maatregel op van waarschuwing;
- verklaart de klacht voor het overige ongegrond;
- bepaalt dat deze beslissing, nadat die onherroepelijk is geworden, zonder vermelding
van namen
of andere herleidbare gegevens in de Nederlandse Staatscourant zal worden bekendgemaakt
en ter
publicatie zal worden aangeboden aan de tijdschriften Medisch Contact en Tijdschrift
voor
Ouderengeneeskunde.
Deze beslissing is gegeven door Y.M. Vanwersch, voorzitter, W.G.H. Corté, lid-jurist,
S.B. Bokdam-Jansen, J.W.M. van Ameijde en A.J.J.M. Keijzer-van Laarhoven, leden-beroepsgenoten,
bijgestaan door C.W.M. Hillenaar, secretaris, en in het openbaar
uitgesproken door K.A.J.C.M. van den Berg Jeths-van Meerwijk op 20 mei 2026.