We werken hard aan het herstel van de stabiliteit van tuchtrecht.overheid.nl. Excuus voor het ongemak.

ECLI:NL:TGZRSHE:2026:96 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg 's-Hertogenbosch H2025/8620

ECLI: ECLI:NL:TGZRSHE:2026:96
Datum uitspraak: 20-05-2026
Datum publicatie: 20-05-2026
Zaaknummer(s): H2025/8620
Onderwerp: Schending beroepsgeheim
Beslissingen: Ongegrond, kennelijk ongegrond
Inhoudsindicatie: Kennelijk ongegronde klacht gezondheidspsycholoog. Klager was bij de gezondheidspsycholoog onder behandeling in verband met trauma-gerelateerde klachten. Die behandeling is door verweerster beëindigd in verband met gevoelens van verliefdheid van klager jegens verweerster. Klager stelt dat verweerster de behandeling eerder had moeten stopzetten en dat verweerster haar beroepsgeheim heeft geschonden door e-mails van klager door te sturen naar de politie. Het college is van oordeel dat klager in zijn klacht kan worden ontvangen. Er staat geen rechtsregel in de weg aan de klacht van klager bij zowel het college als het Nederlands Instituut van Psychologen (NIP). Verweerster wordt ook niet gevolgd in haar standpunt dat klager misbruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid door een klacht bij het college in te dienen. De omstandigheid dat klager is veroordeeld voor het stalken van verweerster en het feit dat hij over hetzelfde feitencomplex als in deze zaak een klacht bij het NIP heeft ingediend, zijn zowel op zichzelf als in onderlinge samenhang bezien, hiervoor onvoldoende. Het college is verder van oordeel dat de klacht kennelijk ongegrond is. Verweerster heeft, toen bleek dat klager gevoelens van verliefdheid voor haar had, de zorg heeft verleend die van haar mocht worden verwacht. Zij heeft haar beroepsgeheim niet geschonden.

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG
TE ’s-HERTOGENBOSCH

Beslissing in raadkamer van 20 mei 2026 op de klacht van:

[A],
wonende in [B],
klager,

tegen

[C],
gezondheidszorgpsycholoog, destijds werkzaam in [D],
verweerster,
gemachtigde: mr. S. Spee, werkzaam in Zoetermeer.

1. Waar gaat de zaak over?
1.1   Klager was bij verweerster onder behandeling in verband met trauma-gerelateerde klachten. Die 
behandeling is door verweerster beëindigd in verband met gevoelens van verliefdheid van klager 
jegens verweerster. Klager stelt dat verweerster de behandeling eerder had moeten stopzetten en dat 
verweerster haar beroepsgeheim heeft geschonden door e-mails van klager door te sturen naar de 
politie.

1.2   Het college is van oordeel dat klager in zijn klacht kan worden ontvangen en dat de klacht 
kennelijk ongegrond is. ‘Kennelijk’ betekent dat het niet nodig is om nog vragen aan de partijen te 
stellen en dat duidelijk is dat de klacht niet gegrond kan worden verklaard. Hierna licht het 
college toe hoe het tot deze beslissing is gekomen.

2. De procedure
2.1  De procedure blijkt uit:
- het klaagschrift, ontvangen op 18 juni 2025;
- de brief van 14 augustus 2025, ontvangen van verweerster;
- de brief van 28 augustus 2025 van de secretaris aan de gemachtigde van verweerster;
- het verweerschrift, ontvangen per e-mail op 22 september 2026 en per post op 24 september 2025;

2.2  De partijen hebben de gelegenheid gekregen om onder leiding van een secretaris van
het college in gesprek te gaan (mondeling vooronderzoek). Daarvan hebben zij geen gebruik gemaakt.

2.3   Het college heeft de klacht in raadkamer behandeld. Dit betekent dat het college de zaak 
beoordeeld heeft op basis van de stukken, zonder dat de partijen daarbij aanwezig waren.

3. Wat is er gebeurd?
3.1   Klager was vanaf 28 maart 2024 bij verweerster onder behandeling in verband met 
trauma-gerelateerde klachten. De behandeling bestond uit het afnemen van een biografische anamnese, 
inzicht gevende psychotherapie en EMDR. Ook werd een schemavragenlijst ingevuld om zicht te krijgen 
op onderliggende disfunctionele patronen en is daarmee via therapeutische gesprekken aan de slag 
gegaan.

3.2   Tijdens een behandelsessie op 6 juni 2024 heeft klager aan verweerster kenbaar gemaakt 
gevoelens van verliefdheid jegens haar te ervaren. In het medisch dossier heeft verweerster 
hierover het volgende genoteerd (alle citaten voor zover van belang en letterlijk weergegeven):
“Tenslotte nog stilgestaan bij de gevoelens van verliefdheid die dhr zegt te ervaren naar mij toe. 
Dit is niet geheel onverwacht, gezien dit hem vaker gebeurt. Lijkt voorzichtig te peilen of er een 
kans is dat dit wederzijds zou kunnen zijn, beseft zich tegelijkertijd dat dit niet kan en mag. Hem 
duidelijk teruggegeven dat dit inderdaad niet het geval is en ook niet zal gebeuren. Ook besproken 
dat, wanneer het een belemmering zou worden voor de therapie, we die zullen moeten stoppen.”

3.3   Tijdens de behandelsessie op 13 juni 2024 gaf klager aan dat hij het gesprek over zijn 
gevoelens van een week eerder prettig vond verlopen. Dat klager zijn gevoelens heeft durven 
uitspreken noemde hij een overwinning.

3.4   Tijdens de behandelsessie op 11 juli 2024 kwamen de gevoelens van klager opnieuw ter sprake. 
In het medisch dossier heeft verweerster hierover het volgende genoteerd:
“N.a.v. een eerdere vraag over mijn burgerlijke staat geeft hij aan dat dit voor hem een rode lijn 
is. Suggereert dan direct ook dat dit anders ligt in het geval ik niet gelukkig gehuwd zou zijn. 
Waarop ik heel duidelijk aangeef dat ik zijn gevoelens niet kan en ook niet wil beantwoorden. 
Hierop reageert dhr met de opmerking dat hij deze afwijzing zal moeten aanvaarden. Hier verder op 
ingegaan. Hem teruggegeven dat er een onderscheid is in een situatie waarin iemand zijn gevoelens 
niet beantwoordt versus een daadwerkelijke afwijzing van hem als persoon. (…) Met andere woorden: 
zijn verliefdheid wordt niet beantwoord, maar ik wijs hem als persoon niet af. Dit maakt hem 
duidelijk emotioneel en benoemt het als een nieuw inzicht.”

3.5   Op 5 augustus 2024 hebben klager en verweerster per e-mail contact over de gevoelens van 
klager. Klager vraagt om informatie en tips, waarna verweerster een link naar een internetpagina 
doorstuurt en mededeelt dat ze het er tijdens een volgende behandelsessie over zullen hebben. In 
reactie stuurt klager een e-mail aan verweerster, waarin hij haar vraagt of het puur professioneel 
is vanuit haar kant, of dat zij ook een diepere band voelt.

3.6   Op 8 augustus 2024 vindt een volgende behandelsessie plaats tussen klager en verweerster. 
Verweerster heeft daaraan voorafgaand over de gevoelens van klager jegens haar overlegd met collega 
[psychiater/regiebehandelaar]. Tijdens het behandelcontact met klager heeft verweerster opnieuw 
gezegd dat zij een bepaalde verbondenheid ervaart, maar dat die voortkomt uit de interesse in het 
leven van klager en dat van een ‘diepere band’ geen sprake is. De behandeling is vervolgens met 
wederzijds goedvinden voortgezet.

3.7  Op 3 september 2024 noteerde verweerster in het medisch dossier dat vanaf
30 augustus 2024 sprake is geweest van een toestroom van e-mails van klager. Verweerster heeft 
genoteerd:
“De afgelopen zo’n 12 mails van dhr ontvangen van uiteenlopende strekking. O.a. een vrij zakelijke 
mail waarin hij aangeeft toch de behandeling te willen stoppen, mail waarin hij mij verwijt over 
zijn grenzen te zijn gegaan door toch door te gaan met therapie terwijl dat voor hem traumatiserend 
zou zijn, mail waarin hij aangeeft dat het stoppen van de professionele behandelrelatie ruimte 
biedt voor privécontact en ook een mail met een voorstel om samen naar Parijs te gaan, vervolgens 
een mail met daarin voorwaarden voor zowel hem als mij waarmee hij de gesprekken toch zou willen 
verderzetten, en een mail met bewijs dat zijn visioen over de terugkomst van Hitler op realiteit 
berust.”

3.8   Verweerster heeft vervolgens opnieuw overleg gevoerd met collega 
[psychiater/regiebehandelaar] over de behandeling van klager. Daarop heeft verweerster besloten dat 
het niet verstandig was de behandeling voort te zetten. Zij heeft klager over haar besluit 
geïnformeerd en hem doorverwezen naar [psychiater/regiebehandelaar].

3.9   Nadat klager heeft verzocht om een laatste gesprek met verweerster, vond op 10 september 2024 
tussen hen een telefoongesprek plaats. Vervolgens zijn tijdens een laatste gesprek op 20 september 
2024 de resterende vragen van klager rondom de
behandeling besproken en werd deze definitief afgerond. Verweerster heeft klager in reactie op zijn 
e-mail van 14 september 2024 laten weten dat verder vriendschappelijk contact na beëindiging van de 
behandeling niet mogelijk is.

3.10  Na het laatste behandelcontact is klager verweerster e-mails blijven sturen. Op 4 oktober 
2024 heeft verweerster opnieuw medegedeeld dat het voortzetten van het behandeltraject niet 
verstandig was en heeft zij klager opnieuw naar de collega doorverwezen. Nadat klager niet stopte met het sturen van e-mails heeft verweerster op 17 oktober 2024 laten weten dat e-mails van klager niet langer gelezen zouden worden. Dat weerhield klager niet van het zoeken van contact met verweerster, door te e-mailen, bellen, brieven te sturen 
en haar zowel thuis als op haar werk op te zoeken. Op 7 februari 2025 heeft verweerster aangifte 
gedaan van stalking door klager. Klager is nadat een strafrechtelijk onderzoek heeft 
plaatsgevonden, door de strafrechter hiervoor veroordeeld. Naast een (voorwaardelijke) 
gevangenisstraf is aan hem een contact- en gebiedsverbod opgelegd voor de duur van drie jaar.

4. De klacht en de reactie van verweerster
4.1  Klager verwijt verweerster dat zij:
a) de behandeling eerder had moeten stopzetten omdat klager verliefd op haar was geworden;
b) haar beroepsgeheim heeft geschonden door e-mails van klager door te sturen naar de politie.

4.2   Verweerster heeft het college verzocht de klager niet-ontvankelijk te verklaren en de klacht 
dus niet inhoudelijk te behandelen. Voor het geval het college de klacht wel inhoudelijk gaat 
beoordelen, heeft verweerster het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren.

4.3  Het college gaat hieronder verder in op de standpunten van partijen.

5. De overwegingen van het college
Ontvankelijkheid
5.1   Het college ziet zich allereerst voor de vraag geplaatst of klager in zijn klacht kan worden 
ontvangen. Verweerster betoogt dat klager niet-ontvankelijk is in de klacht. Daartoe stelt zij dat 
klager op basis van dezelfde stukken en hetzelfde feitencomplex een klacht van gelijke strekking 
heeft voorgelegd bij het Nederlands Instituut van Psychologen (NIP). De klacht bij het college is 
er enkel op gericht verweerster te schaden. Klager maakt daarom volgens verweerster misbruik van 
zijn bevoegdheid door een klacht bij het college in te dienen.

5.2   Het college is van oordeel dat klager ontvankelijk is in zijn klacht. Op grond van artikel 51 
van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG) kan niemand nogmaals worden 
berecht ter zake van enig in artikel 47 lid 1 van die wet bedoeld handelen of nalaten waarover een 
onherroepelijk geworden tuchtrechtelijke eindbeslissing is genomen. Dit is het zogenoemde “ne bis 
in idem” beginsel. Die situatie is hier niet aan de orde. Klager heeft niet eerder (op basis van 
dezelfde stukken en hetzelfde feitencomplex) een klacht jegens verweerster ingediend bij de 
tuchtrechter. Hoewel het college begrijpt dat de gelijktijdige indiening van klachten bij zowel het 
college als het NIP verweerster zwaar valt, staat dit klager vrij. Daaraan staat geen rechtsregel 
in de weg. De procedure bij het NIP heeft immers een ander oogmerk dan de procedure bij het college, namelijk de beantwoording van de vraag of verweerster heeft gehandeld volgens de Beroepscode van het NIP, tegenover de beantwoording van de vraag of verweerster de zorg heeft verleend die van haar verwacht mocht worden. Verweerster 
wordt ook niet gevolgd in haar standpunt dat klager misbruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid 
door een klacht bij het college in te dienen. Misbruik van het tuchtrechtelijk klachtrecht is aan 
de orde als sprake is van een situatie waarin het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid 
onaanvaardbaar is dat klager vraagt om een oordeel over zijn klacht. De omstandigheid dat klager is 
veroordeeld voor het stalken van verweerster en het feit dat hij over hetzelfde feitencomplex als 
in deze zaak aan de orde een klacht bij het NIP heeft ingediend, zijn zowel op zichzelf als in 
onderlinge samenhang bezien, hiervoor onvoldoende. Klager wordt dus in zijn klacht ontvangen.

Welke criteria gelden bij de beoordeling?
5.3   De vraag is of verweerster de zorg heeft verleend die van haar verwacht mocht worden. De norm 
daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende gezondheidszorgpsycholoog. Bij de 
beoordeling wordt rekening gehouden met de voor verweerster geldende beroepsnormen en andere 
professionele standaarden, zoals de Beroepscode voor Psychologen van het Nederlands Instituut voor 
Psychologen uit 2024.

5.4   Het college oordeelt dat verweerster niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. De 
klacht is kennelijk ongegrond. Voor dit oordeel is het volgende redengevend.

Klachtonderdeel a) niet eerder stopzetten van de behandeling
5.5   Klager verwijt verweerster dat zij de behandeling niet eerder heeft stopgezet toen bleek dat 
klager verliefd op haar werd. Verweerster betwist dat zij de behandeling eerder had moeten 
stopzetten.

5.6   Het college is van oordeel dat verweerster, toen bleek dat klager gevoelens van verliefdheid 
voor haar had, de zorg heeft verleend die van haar mocht worden verwacht. Zij heeft blijkens het 
medisch dossier, toen bleek dat klager gevoelens voor haar had ontwikkeld, samen met klager 
besproken of de behandeling kon worden voortgezet of dat deze moest worden beëindigd. Zij zijn op 
dat moment gezamenlijk tot de conclusie gekomen dat de behandeling kon worden voortgezet. Klager 
heeft tijdens de daaropvolgende behandelsessie gezegd dat hij de manier waarop een en ander tijdens 
de vorige behandelsessie was besproken, prettig vond. Dat hij achteraf zelf vindt dat het beter was 
geweest als de behandeling eerder was gestaakt, maakt niet dat verweerster een tuchtrechtelijk 
verwijt kan worden gemaakt van het feit dat zij de behandeling naar aanleiding van de mededeling 
van klager niet meteen heeft gestaakt. Het handelen van verweerster moet worden beoordeeld op basis 
van de kennis en wetenschap die zij destijds had. Op basis van het verslag van de behandelsessie 
van 6 juni 2024 en de daarop volgende sessie kan niet worden gezegd dat verweerster de behandeling 
toen al had moeten staken.

Tijdens de volgende behandelsessies zijn klagers gevoelens meerdere keren ter sprake gekomen. Ook 
heeft hierover per e-mail contact plaatsgevonden. Ook in die (overigens eveneens zorgvuldig 
beschreven) behandelcontacten heeft verweerster zich telkens correct opgesteld. Zij was steeds 
transparant, congruent en begrenzend jegens klager. De gevoelens van klager zijn op therapeutische 
wijze besproken. Ook heeft verweerster een en ander met collega’s besproken ter toetsing van haar 
zienswijze, hetgeen eveneens getuigt van een professionele beroepshouding. Gelet op de manier 
waarop een en ander blijkens het medisch dossier is verlopen, bestond er ook op dat moment geen 
aanleiding voor verweerster de behandeling te beëindigen. Dat veranderde pas met de toestroom van 
e-mails van klager vanaf 30 augustus 2024. Verweerster beschrijft dat zij naar aanleiding hiervan, 
na opnieuw overleg met een collega te hebben gevoerd, op 3 september 2024 een e-mail naar klager 
heeft gestuurd waarin zij de volgende behandelsessie annuleert en waarin zij klager adviseert met 
zijn behandelend psychiater te bespreken wat hij nodig heeft.
Op 10 september 2024 vindt vervolgens op verzoek van klager telefonisch contact plaats tussen 
klager en verweerster. Zij besluiten nog een afspraak te plannen om stil te staan bij de 
EMDR-gerelateerde vragen van klager. Verweerster kan ook hiervan geen tuchtrechtelijk verwijt 
worden gemaakt. Integendeel. Gelet op de mededeling van klager dat hij niet meer verliefd was en op 
het feit dat verweerster geen e-mails meer had ontvangen, is de afweging om gehoor te geven aan het 
verzoek van klager om nog een afspraak te plannen goed navolgbaar. Tijdens die behandelsessie op 20 
september 2024, heeft verweerster de behandeling op zorgvuldige wijze beëindigd. Dit 
klachtonderdeel is kennelijk ongegrond.

Klachtonderdeel b) schending beroepsgeheim
5.7   Het tweede klachtonderdeel houdt in dat verweerster haar beroepsgeheim heeft geschonden, door 
e-mails van klager naar de politie te sturen. Verweerster betwist dat zij haar beroepsgeheim heeft 
geschonden.

5.8   Het college stelt voorop dat verweerster het recht heeft om bij de politie aangifte te doen 
van strafbare feiten die een patiënt jegens haar pleegt. Uit het procesdossier volgt dat 
verweerster door de politie is geadviseerd een logboek bij te houden van de e-mails die zijn 
ontving van klager. Verweerster heeft dit advies opgevolgd. Dit logboek heeft verweerster met de 
politie gedeeld. Het college stelt vast dat het logboek drie e-mails bevat die dateren van vóór de 
beëindiging van de behandeling op 20 september 2024. Dit zijn de e-mails van 31 augustus 2024 en 
(tweemaal van) 14 september 2024. Deze e-mails vallen niet onder de informatie die verweerster in 
de uitoefening van haar beroep te weten is gekomen. De e-mails maken geen deel uit van het medisch 
dossier, omdat deze e-mails door klager aan verweerster zijn gestuurd buiten het kader van de 
behandeling. De e-mails bevatten bovendien geen medische informatie over klager, ze gaan niet over 
de gezondheid van klager, zijn diagnose of zijn behandeling. De overige e-mails die verweerster in 
het logboek heeft opgenomen, dateren van ná de beëindiging van de behandeling. Ook hier gaat het 
dus niet om informatie die verweerster in de uitoefening van haar beroep te weten is gekomen. Deze 
e-mails maken evenmin onderdeel uit van het medisch dossier van klager en bevatten geen medische of anderszins vertrouwelijke informatie. Verweerster heeft gelet op het voorgaande naar het oordeel van het college zorgvuldig en in overeenstemming met de Richtlijn omgaan met medische gegevens van de KNMG en de handreiking Beroepsgeheim en politie/justitie van de KNMG gehandeld. Dit klachtonderdeel is eveneens kennelijk ongegrond.

Slotsom
5.9  Uit de overwegingen hiervoor volgt dat de klacht kennelijk ongegrond is.

6. De beslissing
Het college:
-  verklaart de klacht kennelijk ongegrond.

Deze beslissing is gegeven door N.H.J. Lafghani, voorzitter, Ch. Oele en T. Koetsier, 
leden-beroepsgenoten, bijgestaan door G.J. Stoepker, secretaris, en in het openbaar uitgesproken
door K.A.J.C.M. van den Berg Jeths-van Meerwijk op 20 mei 2026.