We werken hard aan het herstel van de stabiliteit van tuchtrecht.overheid.nl. Excuus voor het ongemak.

ECLI:NL:TGZRSHE:2026:95 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg 's-Hertogenbosch H2025/8528

ECLI: ECLI:NL:TGZRSHE:2026:95
Datum uitspraak: 20-05-2026
Datum publicatie: 20-05-2026
Zaaknummer(s): H2025/8528
Onderwerp: Onjuiste verklaring of rapport
Beslissingen: Ongegrond, kennelijk ongegrond
Inhoudsindicatie: Kennelijk ongegronde klacht tegen klinisch psycholoog. Klager verblijft in een tbs-kliniek. Hij wenst te worden overgeplaatst naar een kliniek voor langdurige forensische psychiatrische zorg. Verweerder heeft een psychologisch onderzoek verricht en een rapport uitgebracht. Klager stelt dat verweerder in zijn rapport ten onrechte heeft opgenomen dat sprake is geweest van meerdere ontvluchtingsplannen en dat verweerder deze onjuistheid heeft gebruikt ter onderbouwing van het door hem geadviseerde beveiligingsniveau. Het college is van oordeel dat de klacht kennelijk ongegrond is. De klinisch psycholoog baseerde zich op documenten van anderen en heeft geen gebruik gemaakte van zijn inzage- en correctierecht. Uit het rapport volgt verder dat verweerder het bestaan van een of meerdere ontvluchtingsplannen juist niet heeft gebruikt ter onderbouwing van het door hem geadviseerde beveiligingsniveau.

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG
TE ’s-HERTOGENBOSCH

Beslissing in raadkamer van 20 mei 2026 op de klacht van:
[A],
verblijvende te [B],
klager,

tegen

[C],
klinisch psycholoog,
(in deze kwestie) werkzaam in [D],
verweerder,
gemachtigde: mr. A.W. Hielkema, werkzaam in Utrecht.

1. Waar gaat de zaak over?
1.1   Klager verblijft in een kliniek op basis van een door de strafrechter aan hem opgelegde 
tbs-maatregel. Klager wenst te worden overgeplaatst naar een kliniek voor langdurige forensische 
psychiatrische zorg. Verweerder heeft op verzoek van de Minister voor Rechtsbescherming een 
psychologisch onderzoek verricht ter advisering naar de wenselijkheid van de Langdurige Forensisch 
Psychiatrische Zorg status en hij heeft in dat kader een rapport uitgebracht. Klager stelt dat 
verweerder in zijn rapport ten onrechte heeft opgenomen dat sprake is geweest van meerdere 
ontvluchtingsplannen en dat verweerder deze onjuistheid heeft gebruikt ter onderbouwing van het 
door hem geadviseerde beveiligingsniveau.

1.2   Het college is van oordeel dat de klacht kennelijk ongegrond is. ‘Kennelijk’ betekent dat het 
niet nodig is om nog vragen aan de partijen te stellen en dat duidelijk is dat de klacht niet 
gegrond kan worden verklaard. Hierna licht het college toe hoe het tot deze beslissing is
gekomen.

2. De procedure
2.1  De procedure blijkt uit:
- het klaagschrift, door het tuchtcollege te Amsterdam ontvangen op 21 juni 2025 en vervolgens 
doorgestuurd naar het tuchtcollege te ‘s-Hertogenbosch waar het is ontvangen
op 30 juni 2025;
- het verweerschrift, ontvangen op 21 oktober 2025;
- de repliek, ontvangen op 11 november 2025; 

- de dupliek, ontvangen op 18 december 2025.


2.2   De partijen hebben de gelegenheid gekregen om onder leiding van een secretaris van het 
college in gesprek te gaan (mondeling vooronderzoek). Daarvan hebben zij geen gebruik gemaakt.

2.3   Het college heeft de klacht in raadkamer behandeld. Dit betekent dat het college de zaak 
beoordeeld heeft op basis van de stukken, zonder dat de partijen daarbij aanwezig waren.

3. Wat is er gebeurd?
3.1   Klager verblijft sinds 26 april 2022 in een kliniek op basis van een tbs-maatregel . Klager 
wenst te worden overgeplaatst naar de langdurige forensische psychiatrische zorg.

3.2   Verweerder heeft een psychologisch onderzoek verricht ter advisering over de wenselijkheid 
van de Langdurige Forensisch Psychiatrische Zorg status en hij heeft in dat kader een rapport 
uitgebracht. In het rapport heeft verweerder geschreven (alle citaten voor zover van belang en 
letterlijk weergegeven):
“3c. Wat is uw advies ten aanzien van het individuele beveiligingsniveau in termen van hoog, matig 
en laag? In geval van plaatsing binnen de LFPZ, wordt ingeschat dat aanvankelijk een matig 
individueel beveiligingsniveau geïndiceerd is. In de stukken valt te lezen dat binnen detentie in 
de jaren 90 meerdere malen ontvluchtingsplannen speelden. Binnen de tbs zijn hier evenwel geen 
aanwijzingen meer voor geweest. Gelet op de aard en omvang van de problematiek (waaronder 
schijnaanpassing) en de delictgevaarlijkheid wordt thans geen laag individueel beveiligingsniveau – 
wat begeleid verlof mogelijk zou maken- geadviseerd.”

3.3   Op 2 december 2022 heeft verweerder het rapport in conceptvorm aan klager uitgereikt. In het 
rapport is vermeld dat verweerder klager heeft geïnformeerd over zijn inzage- en correctierecht en 
dat klager daarvan geen gebruik heeft gemaakt. Daarnaast is in het rapport vermeld dat verweerder 
het rapport niet met klager heeft doorgenomen, omdat klager dat niet wilde.

3.4  Verweerder heeft zijn definitieve rapport uitgebracht op 12 december 2022.

4. De klacht en de reactie van verweerder
4.1  Klager verwijt verweerder dat:
a) verweerder ten onrechte heeft gesteld dat sprake is geweest van meerdere ontvluchtingsplannen;
b) verweerder deze onjuistheid heeft gebruikt ter onderbouwing van het beveiligingsniveau.

4.2  Verweerder heeft het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren.

4.3  Het college gaat hieronder verder in op de standpunten van partijen.

5. De overwegingen van het college
Welke criteria gelden bij de beoordeling?
5.1   De vraag is of verweerder de zorg heeft verleend die van hem verwacht mocht worden. De norm 
daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende klinisch psycholoog. Bij de beoordeling 
wordt rekening gehouden met de voor verweerder geldende beroepsnormen en andere professionele 
standaarden. Verder geldt het uitgangspunt dat zorgverleners alleen tuchtrechtelijk 
verantwoordelijk zijn voor hun eigen handelen.

5.2   De klacht heeft betrekking op de juistheid van de inhoud van de Pro Justitia rapportage van 
12 december 2022. Verweerder is in de uitoefening van zijn functie als pro Justitia-rapporteur 
gehouden aan de Gedragscode van het Nederlands Register voor Gerechtelijke Deskundigen (NRGD). 
Daarnaast zijn er eisen die volgens vaste jurisprudentie aan een rapportage worden gesteld: 1) het 
rapport vermeldt de feiten, omstandigheden en bevindingen waarop het berust; 2) het rapport geeft 
blijk van een geschikte methode van onderzoek om de voorgelegde vraagstelling te beantwoorden; 3) 
in het rapport wordt op inzichtelijke en consistente wijze uiteengezet op welke gronden de 
conclusies van het rapport steunen; 4) het rapport vermeldt de bronnen waarop het berust, daaronder 
begrepen de gebruikte literatuur en de geconsulteerde personen; 5) de rapporteur blijft binnen de 
grenzen van zijn deskundigheid.

5.3   Het college toetst ten volle of het onderzoek door verweerder uit het oogpunt van 
vakkundigheid en zorgvuldigheid (punt 1 tot en met 5) de tuchtrechtelijke toets kan doorstaan. 
Daarnaast toetst het college (marginaal) of verweerder in redelijkheid tot zijn conclusies heeft 
kunnen komen. Het college oordeelt dat verweerder niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.

Klachtonderdeel a) ten onrechte stellen dat sprake is geweest van meerdere ontvluchtingsplannen
5.4   Volgens klager heeft verweerder ten onrechte in zijn rapportage vermeld dat tijdens de 
detentie van klager in de jaren negentig meermaals ontvluchtingsplannen speelden. Verweerder 
betoogt dat deze vermelding is gebaseerd op de aan hem in het kader van het onderzoek beschikbaar 
gestelde gegevens en dat hij klager de gelegenheid heeft gegeven om feitelijke onjuistheden te 
corrigeren, maar dat klager daarvan geen gebruik heeft gemaakt. Verweerder bestrijdt daarom dat hij 
tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.

5.5   Het college stelt vast dat uit het rapport volgt dat verweerder de vermelding in zijn rapport 
dat binnen detentie in de jaren negentig meerdere malen ontvluchtingsplannen speelden, heeft 
gebaseerd op verschillende in zijn rapport genoemde brondocumenten. Deze brondocumenten zijn opgemaakt door anderen, verweerder was daarbij niet betrokken. Verweerder mag in beginsel uitgaan van de juistheid daarvan. Als op dit punt al sprake is van een onjuistheid in het rapport, dan kan verweerder daarvan om die reden geen persoonlijk verwijt worden gemaakt. Daar komt nog bij dat klager geen gebruik heeft gemaakt van zijn inzage- en correctierecht. Klager stelt weliswaar dat hem de gelegenheid hiertoe niet is geboden, maar dat strookt niet met de vermelding 
op dit punt in het rapport. Klager heeft geen feiten en omstandigheden naar voren gebracht op basis 
waarvan kan worden aangenomen dat ten onrechte in het rapport is vermeld dat hij geen gebruik wilde 
maken van zijn inzage- en correctierecht en dat hij ook niet wilde dat verweerder een toelichting 
gaf over het rapport. Integendeel, klager stelt in zijn klaagschrift juist dat hij dit soort 
documenten liever niet leest. Dit biedt steun voor de juistheid van de lezing van verweerder op dit 
punt. Dit klachtonderdeel is kennelijk ongegrond.

Klachtonderdeel b) gebruik van de onjuistheid rondom de ontvluchtingsplannen ter onderbouwing van 
het beveiligingsniveau
5.6   Klager verwijt verweerder ook dat hij de onjuiste vermelding over de ontvluchtingsplannen 
mede heeft gebruikt ter onderbouwing van het door hem geadviseerde beveiligingsniveau. Verweerder 
betwist dat.

5.7   Het college constateert dat uit het rapport volgt dat verweerder het bestaan van een of 
meerdere ontvluchtingsplannen juist niet heeft gebruikt ter onderbouwing van het door hem 
geadviseerde beveiligingsniveau. Voor ontvluchtingsplannen waren binnen de tbs geen aanwijzingen 
meer, zo noteerde verweerder immers in zijn rapport. Het geadviseerde beveiligingsniveau heeft 
verweerder blijkens het rapport gebaseerd op de eventuele mogelijkheden van begeleid verlof van 
klager, in relatie tot de aard en de omvang van diens problematiek, en de delictgevaarlijkheid. Dit 
klachtonderdeel is daarom eveneens kennelijk ongegrond.

5.8   Uit het voorgaande volgt dat het rapport op de door klager naar voren gebrachte punten 
voldoet aan de gestelde eisen. Ook voor het overige is voldaan aan de hiervoor onder
5.2 geformuleerde eisen. Ten slotte geldt dat de conclusies gedragen worden door de rapportage.

Slotsom
5.9  Uit de overwegingen hiervoor volgt dat de klacht kennelijk ongegrond is.

6. De beslissing
Het college:
-  verklaart de klacht kennelijk ongegrond.

Deze beslissing is gegeven door N.H.J. Lafghani, voorzitter, Ch. Oele en T. Koetsier, 
leden-beroepsgenoten, bijgestaan door G.J. Stoepker, secretaris, en in het openbaar uitgesproken
door K.A.J.C.M. van den Berg Jeths-van Meerwijk op 20 mei 2026.