We werken hard aan het herstel van de stabiliteit van tuchtrecht.overheid.nl. Excuus voor het ongemak.

ECLI:NL:TGZRSHE:2026:94 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg 's-Hertogenbosch H2025/8371

ECLI: ECLI:NL:TGZRSHE:2026:94
Datum uitspraak: 20-05-2026
Datum publicatie: 20-05-2026
Zaaknummer(s): H2025/8371
Onderwerp: Onjuiste verklaring of rapport
Beslissingen: Ongegrond/afwijzing
Inhoudsindicatie: Klager klaagt over een door de gz-psycholoog opgesteld Pro Justitia-rapport waarin zij vaststelt dat klager lijdt aan ASS, PTSS en een (ongespecificeerde) psychotische stoornis, en tbs met dwangverpleging en een vrijheidsbeperkende maatregel adviseert. Klager heeft contra-expertises laten uitvoeren die de diagnose en risicotaxatie bekritiseren. Het college oordeelt dat de gz-psycholoog zorgvuldig heeft gehandeld en haar conclusies voldoende heeft onderbouwd op basis van de beschikbare informatie. Er staan geen aantoonbaar feitelijke onjuistheden in het rapport en klager heeft de kans had om correcties aan te geven. De risicotaxatie is volgens de geldende richtlijnen uitgevoerd en navolgbaar. Klacht ongegrond

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG
TE ’S-HERTOGENBOSCH

Beslissing van 20 mei 2026 op de klacht van:

[A],
verblijvende te [B],
klager,
gemachtigde: [C] en [D], wonende in [E].

tegen

[F],
gz-psycholoog,
(destijds) werkzaam in [G], verweerster,
gemachtigde: mr. T.A.M. Van Oosterhout, werkzaam in Utrecht.

1. De zaak in het kort
1.1   Verweerster heeft in opdracht van de officier van justitie een Pro Justitia-onderzoek (een 
psychologisch onderzoek) ingesteld omtrent de persoon van klager, die op dat moment verdachte was 
in een strafzaak. Verweerster heeft vastgesteld dat klager lijdt aan ASS (autismespectrumstoornis), 
PTSS (posttraumatische stressstoornis) en aan een ongespecificeerde schizofreniespectrum- of andere 
psychotische stoornis. Verweerster heeft een onvoorwaardelijke tbs-maatregel 
(terbeschikkingstelling) met dwangverpleging en een gvm-maatregel (gedrag-beïnvloedende en 
vrijheidsbeperkende maatregel) geadviseerd. De rechtbank heeft dit advies overgenomen.

1.2   Klager is het niet eens met het rapport en het advies. Volgens hem bevat het rapport veel 
feitelijke onjuistheden. Hij heeft daarnaast contra-expertises laten uitvoeren, waarin onder andere 
kritiek is geuit op de door verweerster gestelde classificatie, met name op de ‘ongespecificeerde 
schizofreniespectrum- of andere psychotische stoornis’ en de (onderbouwing van de) risicotaxatie.

1.3   Het college is van oordeel dat klager ontvankelijk is, maar dat de klacht ongegrond is. 
Hierna licht het college dat toe.

2. De procedure
2.1  De procedure blijkt uit:
-  de brief van 7 mei 2025 van de secretaris aan de gemachtigden van klager;
-  het (aanvankelijk) op 11 april ingediende klaagschrift met zes bijlagen, ondertekend ontvangen op 23 mei 2025;
-  de toelichting op het klaagschrift met vier bijlagen, ontvangen op 23 mei 2025;
-  het verweerschrift, per e-mail ontvangen op 8 juli 2025 en per post ontvangen op 9 juli 2025;
-  de e-mail van 28 juli 2025 met bijlage, ontvangen van de gemachtigde van verweerster;
-  vijf bijlagen met toelichting, ontvangen van de gemachtigden van klager op 1 oktober 2025;
-  het proces-verbaal van het mondeling vooronderzoek gehouden op 15 oktober 2025;
-  de reacties op het proces-verbaal van het mondeling vooronderzoek, ontvangen van de gemachtigden 
van klager op 13 november 2025 en ontvangen van de gemachtigde van verweerster per e-mail op 13 
november 2025 en per post op 17 november 2025;
-  twaalf bijlagen met toelichting, ontvangen van de gemachtigden van klager op 6 maart 2026.

2.2   De zaak is, gelijktijdig maar niet gevoegd met de zaak met nummer H2025/8378, waarin vandaag 
eveneens uitspraak wordt gedaan, behandeld op de openbare zitting van
27 maart 2023. Partijen zijn daarbij verschenen. Daarbij geldt dat klager heeft deelgenomen aan de 
mondelinge behandeling door middel van een video-verbinding. Partijen zijn bijgestaan door hun 
gemachtigden. De partijen en hun gemachtigden hebben hun standpunten mondeling toegelicht. De 
gemachtigden hebben pleitnotities voorgelezen en aan het college en de andere partij overhandigd.

3. Wat is er gebeurd?
3.1  De officier van justitie in het Arrondissementsparket ..... heeft verweerster gevraagd
een Pro Justitia onderzoek te verrichten naar de persoon van klager, die op dat moment verdachte 
was in een strafzaak. In het kader van het onderzoek heeft verweerster klager gesproken op 18 april 
2023 en 2 mei 2023. Op 11 juli 2023 heeft zij haar rapport met klager besproken.

3.2   Op 11 juli 2023 heeft verweerster haar rapport uitgebracht. Zij heeft daarin antwoord gegeven 
op door de officier van justitie gestelde vragen. Daarnaast heeft zij geadviseerd aan klager de 
maatregel van terbeschikkingstelling (tbs) met dwangverpleging en een gedragsbeïnvloedende en 
vrijheidsbeperkende maatregel (gvm) op te leggen. Verweerster heeft voorafgaand aan het uitbrengen 
van haar rapport met haar mede-rapporteur, psychiater, overleg gevoerd over de inhoud van de 
rapportage en het advies en deze kwam tot eensluidende bevindingen.

3.3  Verweerster vermeldt op pagina 22 van haar rapport [alle citaten letterlijk weergegeven]:
Uit het huidige psychologisch onderzoek komt betrokkene naar voren als een (minstens) gemiddeld 
intelligente man waarbij zijn kinderjaren worden gekleurd door onveiligheid. Betrokkene wordt al op 
jonge leeftijd gediagnosticeerd met autismespectrumstoornis (ASS) en komt daardoor al vroeg in 
aanraking met de hulpverlening. Binnen de hulpverlening maakt hij onveilige situaties mee (variërend van pesten, tot mishandeling, intimidatie en mogelijk ook seksueel misbruik). Door deze ervaringen hebben zich gevoelens van onveiligheid in zijn lijf zich meester gemaakt. Derhalve is er sprake bij betrokkene
van een posttraumatische stress-stoornis (PTSS).
en op pagina 23 vermeldt zij:
Hij staat bij de huisarts ook bekend als een verwarde man wie ook talloze overlast mailtjes 
verstuurd naar de huisartsenpraktijk. In januari 2022 wordt er door Pro Persona een 
ongespecificeerde schizofreniespectrum- of andere psychotische stoornis geclassificeerd.
Betrokkene krijgt op 3 mei 2022 Olanzapine (een atypisch antipsychoticum) van zijn huisarts 
voorgeschreven maar hij neemt dit medicijn niet in. Hij heeft geen ziekte-besef en ontkent zijn 
eigen kwetsbaarheid, met als risico dat hij zichzelf overschat. Het lijkt alsof betrokkene is 
vastgelopen in zijn woede en verongelijktheid jegens hulpverlening en dat deze gevoelens als enige 
strategie is overgebleven om bedreigend lijkende situaties (in zijn beleving) met hulpverleners te 
hanteren. Zo blijkt uit zijn verhaal dat hij ervan overtuigd is dat de politie hem wilde vermoorden 
en hij toont achterdochtige percepties. Tijdens het onderhavig onderzoek is betrokkene moeilijk op 
andere gedachten te brengen; hij hield zich
behoorlijk vast aan zijn ideeën, verzandde vaak in dit gespreksonderwerp, er was sprake van 
verwarde onnavolgbare gedachtesprongen en hij was niet gevoelig voor logische tegenwerpingen van 
onderzoeker. Concluderend kan gesteld worden dat betrokkene, wanneer de stress oploopt, de grip op 
de realiteit kan verliezen in de vorm van psychotische doorbraken. Er is dan ook bij betrokkene 
sprake van een ongespecificeerde schizofreniespectrum- of andere psychotische stoornis.

3.4  Zij beantwoordt de vragen 1 en 6a van de officier van justitie als volgt (p.28-30 rapport):
1.   Is onderzochte lijdende aan een ziekelijke stoornis en/of gebrekkige ontwikkeling van de 
geestvermogens (geestesstoornis) en zo ja, hoe is dat in diagnostische zin te omschrijven?
Bij betrokkene is sprake van een ASS, een ongespecificeerde schizofreniespectrum- of andere 
psychotische stoornis en PTSS. In hoeverre eventueel sprake is van verder gaande problematiek in de 
zin van persoonlijkheidsproblematiek is in het huidige onderzoek niet goed duidelijk geworden 
vanwege het toestandsbeeld bij betrokkene.
6.   a. Welke aanbevelingen van gedragsdeskundige en van andere aard zijn te doen voor interventies 
die het eventuele recidivegevaar kunnen beperken?
Gezien de bovenstaande gecompliceerde problematiek, het hoge recidiveniveau, de toename van 
incidenten gedurende de afgelopen jaren, het ontbreken van ziektebesef en ziekte-inzicht, het 
escalatiegevaar op een agressief incident in de toekomst, zijn neiging zich te onttrekken aan de 
invloed van anderen en zijn afwezigheid van behandelmotivatie, zal een dergelijke behandeling niet 
in een voorwaardelijk kader plaats kunnen vinden. Vanwege bovenstaande beredenering is een 
voorwaardelijke tbs-maatregel geen optie, net als de andere voorwaardelijke kaders. Al snel zal het 
wantrouwen bij betrokkene de overhand krijgen en hij zal zich aan behandeling onttrekken om zijn 
eigen gang te kunnen gaan. Het mogen duidelijk zijn dat de behandeling van betrokkenes psychiatrische toestandsbeeld ten einde de recidivekans te doen verminderen alleen in een gedwongen en voor betrokkene onontkoombaar kader 
zal moeten plaatsvinden. Slechts in die omstandigheden zal hij mogelijk kunnen profiteren van een 
langdurige behandeling. Daarom rest slechts als advies een onvoorwaardelijke tbs-maatregel. Naast 
de tbs met dwang wordt geadviseerd aan betrokkene een Gedragsbeïnvloedende en Vrijheidsbeperkende 
Maatregel (GVM) op te leggen conform artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht.

3.5  Bij vonnis van de meervoudige kamer van de rechtbank ..... van 6 februari 2024 is
klager onder andere veroordeeld voor een aantal strafbare feiten en zijn, overeenkomstig het advies 
van verweerster, aan hem een tbs-maatregel en een gvm-maatregel opgelegd.

3.6   Op verzoek van klager is, ter ondersteuning van de verdediging in het tegen het vonnis van de 
rechtbank ingestelde hoger beroep, door twee deskundigen een rapport uitgebracht. Een rapport is 
uitgebracht door een psychiater, tevens psychoanalyticus, verder te noemen: de aangezochte 
psychiater, en het andere rapport is uitgebracht door een psycholoog, verder te noemen: de 
aangezochte psycholoog.

3.7   De aangezochte psychiater merkt in zijn rapport van 3 juni 2024 over de rapportages van 
verweerster en haar mede-rapporteur het volgende op:
(p. 4) De onduidelijke mate van ernst van ASS en de gemiste diagnose CPTSS doen af aan de 
waardetoekenning van de rapportages van [naam mede-rapporteur] en [naam verweerster]. Het is 
uitermate ingewikkeld de symptomen van deze beide aandoeningen te onderscheiden.
en
(p.5) Dan komt er in de rapportages een derde diagnose bij, namelijk een stoornis in het
schizofrene spectrum. Deze “diagnose” is niet het resultaat van onderzoek door college [naam 
mede-rapporteur] noch door [naam verweerster], maar overgenomen uit een intake verslag van Pro 
Persona, bij wie klager een klacht wilde indienen. Zijn komst werd door Pro Persona echter opgevat 
als een verzoek om intake. De eventueel waargenomen symptomen zijn echter niet beschreven in het 
intakeverslag en kennelijk ook niet door de psychiater opgevraagd.
en
[naam klager] heeft geen stoornis op het schizofreniespectrum. Het opvoeren van een bij [naam 
klager] niet bestaande schizofrenie spectrum stoornis maakt het rapport in feite waardeloos.
en
(p.11) Er zijn geen tekenen van een stoornis in het spectrum van schizofrenie. De diagnose: 
stoornis in het schizofreniespectrum is niet onderbouwd.

3.8  De aangezochte psycholoog vermeldt in zijn rapport van 2 april 2025 (p.10) onder meer:
De classificatie ASS (autisme spectrum stoornis) is bij betrokkene niet omstreden. Daarop wijst de voorgeschiedenis vanaf zijn vroege jeugd. Alleen de mate van ernst ervan wordt vrijwel nergens in de diverse rapportages genoemd, terwijl dat zeer relevant is voor bijvoorbeeld de prognose en dus voor de aard en omvang van eventuele recidivekansen en Niveau 1, het minst zware niveau lijkt hier een juiste kwalificering.

3.9   In zijn brief van 27 augustus 2025 merkt de aangezochte psychiater ten aanzien van de door de 
mede-rapporteur van verweerster toegepaste recidive risico-taxatie
- kort gezegd - nog op dat:
-  de objectieve maat bij de SRP niet wordt genoemd en afzonderlijke scores niet zijn opgenomen en 
toegelicht of gespecificeerd;
-  de SAPROF niet wordt onderbouwd met een maat;
-  de HKT-R slechts eenmaal is gemeten en ook hierbij een objectieve maat ontbreekt.

4. De klacht en de reactie van verweerster:
4.1  Klager verwijt verweerster dat zij:
a) feitelijke onjuistheden in de Pro Justitia rapportage heeft opgenomen;
b) een onjuiste diagnose en wijze van classificatie heeft gehanteerd;

4.2  Verweerster heeft het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren.

4.3  Het college gaat hieronder in op de standpunten van partijen.

5. De overwegingen van het college
de ontvankelijkheid
5.1   In het medisch tuchtrecht kan op grond van artikel 65 lid 1 en sub a van de Wet op de 
beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG) worden geklaagd door een rechtstreeks 
belanghebbende. Daarbij geldt als uitgangspunt dat dit de patiënt zelf is, dat is immers degene 
over wiens behandeling en verzorging de klacht gaat. De hoofdregel is dus dat de meerderjarige 
patiënt zelf beslist of een klacht wordt ingediend over zijn of haar behandeling. In een situatie 
waarin de patiënt zelf niet (meer) in staat is een beslissing te nemen over het al of niet indienen 
van een tuchtklacht, bijvoorbeeld omdat hij niet (meer) in staat is zijn belangen op dit punt 
behoorlijk waar te nemen en hij een wettelijk vertegenwoordiger heeft, is deze klachtgerechtigd. De 
toetsing of klager klachtgerechtigd is als bedoeld in artikel 65 lid 1 van de Wet BIG vindt plaats 
op het moment dat de klacht wordt ingediend.

5.2   In dit geval betekent dit het volgende. Bij beschikking van 4 november 2024 heeft de 
kantonrechter in de rechtbank ..... de moeder van klager tot mentor benoemd, omdat klager
als gevolg van zijn geestelijke of lichamelijke toestand tijdelijk of duurzaam niet in staat is of 
bemoeilijkt wordt ten volle zijn belangen van niet-vermogensrechtelijke aard zelf waar te nemen. 
Het college heeft in het dossier evenwel geen aanknopingspunten gevonden op basis waarvan kan of 
moet worden aangenomen dat klager niet in staat is zijn belangen ter zake het al of niet indienen van deze tuchtklacht behoorlijk waar te nemen. Het college concludeert daarom dat klager klachtgerechtigd is en dat hij aldus zijn ouders heeft kunnen machtigen om het klaagschrift namens hem in te dienen en om hem bij te staan in deze procedure. Klager kan kortom worden ontvangen in zijn klacht. De moeder van klager heeft in haar hoedanigheid van mentor 
overigens ook ingestemd met de indiening van de klacht door haar zoon (patiënt) en met de inhoud 
van de verschillende klachtonderdelen.

de criteria voor de beoordeling
5.3   De vraag is of verweerster de zorg heeft verleend die van haar mocht worden verwacht. De norm 
daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende gz-psycholoog. Bij de beoordeling wordt 
rekening gehouden met de voor de gz-psycholoog geldende beroepsnormen en andere professionele 
standaarden op het moment van handelen, te weten de gedragscode NRGD (Nederlands Register 
Gerechtelijk Deskundigen), en de richtlijn van het Nederlands Instituut voor Forensische 
Psychiatrie en Psychologie (NIFP) geheten: Forensisch psychologisch onderzoek en rapportage in het 
strafrecht. Ook geldt als uitgangspunt dat een zorgverlener alleen verantwoordelijk is voor zijn 
eigen handelen. Verder is de toets niet of verweerster met de kennis en wetenschap van achteraf 
anders had moeten handelen. Het gaat erom of verweerster op basis van wat zij ten tijde van het 
handelen waarover wordt geklaagd wist of had moeten weten, heeft gehandeld zoals van een redelijk 
bekwame en redelijk handelende gz-psycholoog mag worden verwacht.

5.4   Daarnaast zijn er eisen die volgens vaste jurisprudentie van het Centraal Tuchtcollege voor 
de Gezondheidszorg aan een deskundigenrapport worden gesteld, te weten:
1)   het rapport vermeldt de feiten, omstandigheden en bevindingen waarop het berust;
2)   het rapport geeft blijk van een geschikte methode van onderzoek om de voorgelegde 
vraagstelling te beantwoorden;
3)   in het rapport wordt op inzichtelijke en consistente wijze uiteengezet op welke gronden de 
conclusies van het rapport steunen;
4)   het rapport vermeldt de bronnen waarop het berust, daaronder begrepen de gebruikte literatuur 
en de geconsulteerde personen;
5)   de rapporteur blijft binnen de grenzen van zijn deskundigheid.
Het college toetst verder ten volle of het onderzoek door verweerster uit het oogpunt van 
vakkundigheid en zorgvuldigheid de tuchtrechtelijke toets der kritiek kan doorstaan. Ten aanzien 
van de conclusie van de rapportage wordt beoordeeld of verweerster in redelijkheid tot haar 
conclusie heeft kunnen komen.

klachtonderdeel a) feitelijke onjuistheden in de pro Justitia rapportage
5.5   Klager stelt dat er heel veel feitelijke onjuistheden in de rapportage van verweerster staan 
en hij somt deze op de pagina’s een tot en met vijf van zijn aanvullend klaagschrift op. Hij stelt 
daarbij dat verweerster hem het recht op inzage en correctie heeft onthouden. Hij mocht, zo stelt 
hij, op 11 juli 2023 het rapport niet aanraken en niet inzien en hij heeft het rapport ook niet met 
zijn advocaat kunnen bespreken. Daarnaast stelt klager dat veel positieve feiten over zijn persoon zijn weggelaten uit de rapportage. Als gevolg hiervan is een eenzijdig en negatief beeld over zijn persoon geschetst, aldus klager.

5.6   Verweerster betwist dat dit klachtonderdeel gegrond is. Op 18 april 2023 heeft zij, zo voert 
zij aan, klager ervan op de hoogte gesteld dat hij een inzagerecht heeft en dat hij de mogelijkheid 
heeft om het rapport op onjuiste feitelijkheden te corrigeren. Tijdens het eindgesprek op 11 juli 
2023 is het rapport aan klager voorgelegd om daarmee zijn recht op inzage en correctie uit te 
oefenen, maar klager had geen opmerkingen over de juistheid van de in het rapport opgenomen 
informatie, maar alleen over de inhoud van het advies. Zij betoogt daarnaast dat zij wel degelijk 
ook de beschermende en positieve factoren heeft meegenomen zoals dat klager aan de rapportage heeft 
meegewerkt, hij niet aan drugs en alcohol is verslaafd en geen schulden heeft.

5.7   Het college overweegt als volgt. Deze klacht ziet op het eerste criterium waaraan een 
rapportage dient te voldoen, namelijk dat het rapport de feiten, omstandigheden en bevindingen 
waarop het berust, dient te vermelden. Allereerst geldt dat, juist om ervoor te zorgen dat 
eventuele feitelijke onjuistheden in de rapportage kunnen worden gecorrigeerd, de aan het onderzoek 
onderworpen persoon een inzage- en correctierecht heeft. Bij die gelegenheid kan de betrokkene ook 
kanttekeningen en/of nuanceringen plaatsen bij de aan de rapportage ten grondslag liggende feiten. 
Dat betekent overigens niet dat een rapporteur te allen tijde gehouden is die kanttekeningen en/of 
nuances over te nemen.

5.8   In dit geval is in de rapportage vermeld dat verweerster klager heeft gewezen op zijn 
inzagerecht en op de mogelijkheid om het rapport op onjuiste feitelijkheden te corrigeren (pagina 
5). Op pagina 30 van haar rapport heeft verweerster genoteerd dat de rapportage op 11 juli 2023 met 
klager is besproken en dat hij het niet eens is met het advies omdat hij had gehoopt op een 
ambulant behandelingskader. Klager heeft volgens verweerster niet gezegd dat hij het met de in het 
rapport opgenomen feiten niet eens is. Dat hem, zoals klager heeft gesteld, het inzage-en 
correctierecht toen niet is gegund en dat hij het rapport niet mocht aanraken of inzien, heeft 
klager niet onderbouwd. Dit lag wel op zijn weg, aangezien verweerster de juistheid van zijn 
stelling betwist en klager zich op het rechtsgevolg van zijn stelling beroept.

5.9   Het college houdt het daarom ervoor dat klager wel degelijk de kans heeft gekregen om het 
rapport in te zien en te corrigeren, maar dat hij van die gelegenheid geen gebruik heeft gemaakt. 
In het geval er feitelijke onjuistheden in het rapport staan of bepaalde kwesties onvoldoende 
genuanceerd zijn weergegeven, komt dat daarom voor zijn rekening en risico. In ieder geval kan 
verweerster hiervan geen tuchtrechtelijk verwijt worden gemaakt. In dit verband is ook van belang 
dat een rapporteur in beginsel niet hoeft te onderzoeken of de informatie van de gebruikte bronnen 
juist is. De rapporteur mag daar in beginsel van uitgaan. Wel rust op de rapporteur de plicht om 
eventuele onderlinge afwijkingen dan wel tegenstrijdigheden in van de verschillende bronnen 
ontvangen informatie te signaleren en expliciet te vermelden en te motiveren welke bron(nen) de rapporteur volgt, dan wel hoe hij de tegenstrijdigheden heeft gewogen. Dat in dit geval sprake is van dergelijke tegenstrijdigheden in uit de geraadpleegde bronnen afkomstige informatie, heeft klager echter niet gesteld en daarvan is het college ook niet gebleken. Verweerster mocht dan ook uitgaan van de juistheid van de in de door haar geraadpleegde bronnen gepresenteerde feiten. De volgens klager in de rapportage opgenomen feitelijke onjuistheden vinden bovendien in voldoende mate steun in de geraadpleegde bronnen dan wel in de verslaglegging van de gesprekken die 
verweerster met klager in het kader van het onderzoek heeft gehad.

5.10  Verder geldt dat verweerster niet gehouden is om alle feitelijke informatie over klagers 
persoon en zijn levensloop in de rapportage te vermelden. Verweerster dient enkel de informatie op 
te nemen die relevant is voor de beantwoording van de aan haar gestelde vragen. In dit geval kan 
niet worden geoordeeld dat verweerster ter beantwoording van de aan haar gestelde vragen nog meer 
of andere bronnen had moeten raadplegen en dat zij in het verlengde daarvan nog meer of andere 
informatie over de persoon van klager in het rapport had moeten vermelden. Ook kan niet worden 
volgehouden dat verweerster positieve informatie over klager niet in de rapportage heeft opgenomen. 
Uit het rapport blijkt dat verweerster ook de zogenoemde beschermende factoren daarin heeft 
opgenomen. Ten slotte kon verweerster waar het gaat om het inwinnen van informatie bij de ouders 
van klager, volstaan met het telefoongesprek dat zij met de moeder van klager heeft gevoerd. De 
inhoud van de e-mail van de vader, die zij in de rapportage heeft meegenomen, noopte er niet toe 
dat zij nog nadere informatie bij hem zou inwinnen. Dit klachtonderdeel is daarom ongegrond.

klachtonderdeel b) verweerster heeft een onjuiste diagnose en wijze van classificatie gehanteerd
5.11  Klager stelt dat de in de rapportage opgenomen diagnose en wijze van classificatie onjuist 
zijn. Hij onderbouwt die stelling door te verwijzen naar de rapporten van de twee door hem 
aangezochte deskundigen. Zo is volgens klager de mate van ASS onduidelijk in de rapportage van 
verweerster en mist zij de classificatie CPTTS. Daarbij komt dat verweerster gekomen is tot de 
classificatie ongespecificeerde schizofreniespectrum- of andere psychotische stoornis terwijl dat 
op geen enkele manier wordt onderbouwd, anders dan met een door een psychiater van Pro Persona 
gestelde diagnose op basis van alleen een intakegesprek, om welk gesprek klager ook nog eens niet 
had gevraagd. Verder verwijt klager verweerster dat zij de risicotaxatie niet goed heeft 
uitgevoerd. Zij had volgens hem niet tot de inschatting van een hoog recidive-risico mogen komen.

5.12  Verweerster betwist dit. Volgens haar voldoet haar rapportage aan de daaraan te stellen 
eisen. De classificatie CPTTS is niet in de DSM-5TR opgenomen, reden waarom verweerster de 
classificatie PTSS heeft gesteld. Zij heeft daarnaast, evenals haar mederapporteur en de 
aangezochte deskundigen, de classificatie ASS gesteld. Verweerster heeft toegelicht hoe zij tot de 
classificatie ongespecificeerde schizofreniespectrum- of andere psychotische stoornis is gekomen. 
Volgens haar zijn de classificaties en diagnose tot stand gekomen op basis van de informatie die zij op dat moment, op 11 juli 2023, tot haar beschikking had.

5.13  Het college overweegt als volgt. Deze klacht ziet met name op het tweede en derde criterium 
waaraan de rapportage dient te voldoen, te weten: Het rapport geeft blijk van een geschikte methode 
van onderzoek om de voorgelegde vraagstelling te beantwoorden en in het rapport wordt op 
inzichtelijke en consistente wijze uiteengezet op welke gronden de conclusies van het rapport 
steunen. Het college merkt allereerst op dat de rapportages van de door klager aangezochte 
deskundigen dateren van juni 2024 en april 2025, dus van respectievelijk een en twee jaar na het 
onderzoek en rapport van verweerster. Het enkele feit dat de aangezochte deskundigen tot 
(gedeeltelijk) andere bevindingen zijn gekomen, maakt op zichzelf niet dat de door verweerster 
gestelde diagnose onjuist is dan wel dat zij onjuiste classificaties heeft gesteld. Verweerster 
heeft een en ander immers gebaseerd op de informatie en het toestandsbeeld ten tijde van het 
onderzoek dat heeft geleid tot de rapportage van 11 juli 2023. De aangezochte deskundigen hebben 
klager op een later moment onderzocht. Op dat moment kan het toestandsbeeld van klager anders zijn 
geweest dan ten tijde van het onderzoek door verweerster. De vraag of verweerster al dan niet een 
onjuiste diagnose heeft gesteld dan wel onjuiste classificaties heeft gehanteerd, moet zoals 
hiervoor ook al is overwogen, echter worden beantwoord op basis van de informatie die verweerster 
ten tijde van haar onderzoek had. De ontwikkeling van het toestandsbeeld zoals die daarna heeft 
plaatsgevonden, kan hierbij niet worden betrokken.

5.14  Op basis van het toestandsbeeld van klager, zoals verweerster dat tijdens het onderzoek zelf 
waarnam en alle informatie die zij tot haar beschikking had, acht het college het navolgbaar dat 
zij ervoor heeft gekozen de drie verschillende onderdelen van het toestandsbeeld van klager 
afzonderlijk te classificeren, om het toestandsbeeld van klager goed te kunnen beschrijven. Daarmee 
heeft verweerster recht gedaan aan de complexiteit van de problematiek van klager. De problematiek 
van klager was te ernstig en te complex om deze alleen te classificeren als ASS en PTSS.

5.15  Verweerster heeft bovendien goed beschreven en onderbouwd op basis waarvan zij tot de 
classificaties ASS en PTSS is gekomen. Goed navolgbaar is ook dat zij, om de psychotische 
overschrijdingen van klager te duiden, gekozen heeft voor een derde classificatie, te weten een 
ongespecificeerde schizofreniestoornis of andere psychotische stoornis. Op bladzijde 23 van haar 
rapport heeft verweerster goed beschreven en onderbouwd hoe zij tot die classificatie is gekomen. 
Zij heeft zich daarbij niet, anders dan klager stelt, alleen gebaseerd op het intakeverslag van Pro 
Persona - welke informatie zij overigens wel mocht gebruiken in haar diagnostische afwegingen - 
maar op verschillende bronnen. Verweerster vermeldt in dit verband immers de informatie van de 
huisarts, de door de politie opgemaakte processen-verbaal die in het kader van het onderzoek aan 
haar beschikbaar zijn gesteld, alsook de informatie die zij van de moeder heeft verkregen en haar 
eigen klinische indruk tijdens het onderzoek. Op basis van die informatie is de conclusie van 
verweerster dat, als de stress bij klager oploopt, hij de grip op de realiteit kan verliezen in de vorm van psychotische doorbraken, zodat sprake is van een ongespecificeerde schizofreniestoornis of andere psychotische stoornis, navolgbaar.

5.16  Uit het voorgaande volgt dat verweerster geen onjuiste diagnose heeft gesteld en dat zij ook 
geen onjuiste wijze van classificeren heeft gehanteerd.

5.17  Ten aanzien van de kritiek van klager op de door verweerster gemaakte risicoanalyse overweegt 
het college als volgt. Het college stelt vast dat verweerster bij haar risicotaxatie de 
NIFP-richtlijn “Forensisch psychologisch onderzoek en rapportage in het strafrecht en meer in het 
bijzonder paragraaf 3.11.2 “Risicoanalyse en prognose” heeft gevolgd. In betreffende paragraaf 
staat onder meer:
“De beschrijving van alle resultaten van het risicotaxatieonderzoek vindt bij voorkeur in één 
relaas plaats. Daarbij kunnen dan de termen uit de risicotaxatie-instrumenten als leidraad gebruikt 
en ook genoemd worden, terwijl de inschattingen van de onderzoeker daarover en de samenhang tussen 
die verschillende termen concreet beschrijven onder welke omstandigheden het risico van toekomstig 
geweld hoger wordt en waardoor dit risico juist verlaagd kan worden. Zo is een uitspraak mogelijk 
over een hoog, laag of matig risico van gewelddadig gedrag van de onderzochte in de toekomst.”
Verweerster heeft de risicotaxatie in lijn hiermee opgesteld. De richtlijn schrijft niet voor dat 
specifieke maten of scores moeten worden vermeld. Ten aanzien van de risicotaxatie en de uitkomst 
hiervan treft verweerster daarom ook geen verwijt.

5.18  De conclusie van het voorgaande is dat ook dit klachtonderdeel ongegrond is.

Conclusie
5.19  Het college begrijpt dat het advies van verweerster zeer verstrekkend is en ingrijpende 
gevolgen voor klager heeft. Uit het voorgaande volgt echter dat het rapport op de door klager naar 
voren gebrachte punten voldoet aan de gestelde eisen. Ook worden de conclusies waarop verweerster 
haar advies heeft gebaseerd, gedragen door de rapportage. Ten slotte geldt dat het rapport ook voor 
het overige voldoet aan de hiervoor onder 5.4 genoemde eisen.

Slotsom
5.20  Uit de overwegingen hiervoor volgt dat beide klachtonderdelen ongegrond zijn.

6. De beslissing
Het college:
-  verklaart de klacht ongegrond.


Deze beslissing is gegeven door N.H.J. Lafghani, voorzitter, Ch. Oele en T. Koetsier, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door T.G. Nijenkamp, secretaris, en in het openbaar uitgesproken door K.A.J.C.M. van den Berg Jeths-van Meerwijk op 20 mei 2026.