ECLI:NL:TGZRSHE:2026:93 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg 's-Hertogenbosch H2025/8378
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRSHE:2026:93 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 20-05-2026 |
| Datum publicatie: | 20-05-2026 |
| Zaaknummer(s): | H2025/8378 |
| Onderwerp: | Onjuiste verklaring of rapport |
| Beslissingen: | Ongegrond/afwijzing |
| Inhoudsindicatie: | Klager klaagt over een door de psychiater opgesteld Pro Justitia-rapport waarin hij vaststelt dat klager lijdt aan ASS, PTSS en een (ongespecificeerde) psychotische stoornis, en tbs met dwangverpleging en een vrijheidsbeperkende maatregel adviseert. Volgens klager bevat het rapport veel feitelijke onjuistheden. Klager heeft bovendien contra-expertises laten uitvoeren die de diagnose en risicotaxatie bekritiseren. Daarnaast klaagt hij over de bejegening door klager. Het college oordeelt dat klager geen gebruik heeft gemaakt van zijn inzage- en correctierecht, zodat eventuele feitelijke onjuistheden in beginsel voor zijn rekening en risico komen. Daarnaast oordeelt het college dat de psychiater zorgvuldig heeft gehandeld en dat zijn bevindingen steun vinden in de aan hem n het kader van het onderzoek beschikbaar gestelde informatie. De risicotaxatie is volgens de geldende richtlijnen uitgevoerd en navolgbaar. Dat verweerder klager onheus heeft bejegend, heeft het college niet kunnen vaststellen. Klacht ongegrond. |
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG
TE ’S-HERTOGENBOSCH
Beslissing van 20 mei 2026 op de klacht van:
[A],
verblijvende te [B],
klager,
gemachtigden: [C] en [D], wonende in [E].
tegen
[F],
psychiater, werkzaam in [G], verweerder,
gemachtigde: mr. D. Schut-Wolfs, werkzaam in Amsterdam.
1. De zaak in het kort
1.1 Verweerder heeft in opdracht van de officier van justitie een Pro Justitia-onderzoek
(een
psychiatrisch onderzoek) ingesteld omtrent de persoon van klager, die op dat moment
verdachte was
in een strafzaak. Verweerder heeft vastgesteld dat klager lijdt aan ASS (autismespectrumstoornis),
PTSS (posttraumatische stressstoornis) en aan een ongespecificeerde schizofreniespectrum-
of andere
psychotische stoornis. Verweerder heeft een onvoorwaardelijke tbs-maatregel
(terbeschikkingstelling) met dwangverpleging en een gvm-maatregel (gedrag-beïnvloedende
en
vrijheidsbeperkende maatregel) geadviseerd. De rechtbank heeft dit advies overgenomen.
1.2 Klager is het niet eens met het rapport en het advies. Volgens hem bevat het
rapport veel
feitelijke onjuistheden. Hij heeft daarnaast contra-expertises laten uitvoeren,
waarin onder andere
kritiek is geuit op de door verweerder gestelde classificaties, met name op de
‘ongespecificeerde schizofreniespectrum- of andere psychotische stoornis’ en op
de (onderbouwing
van de) risicotaxatie. Voorts klaagt hij over de bejegening door verweerder.
1.3 Het college is van oordeel dat klager ontvankelijk is, maar dat de klacht ongegrond
is. Hierna
licht het college dat toe.
2. De procedure
2.1 De procedure blijkt uit:
- de brief van 7 mei 2025 van de secretaris aan de gemachtigden van klagers;
- het (aanvankelijk) op 11 april ingediende klaagschrift met zes bijlagen, ondertekend ontvangen
op 23 mei 2025;
- de toelichting op het klaagschrift, ontvangen op 23 mei 2025;
- het verweerschrift met bijlagen, ontvangen op 13 augustus 2025;
- nadere stukken, ontvangen op 4 september 2025 van de gemachtigden van klager;
- het proces-verbaal van het op 16 september 2025 gehouden mondelinge vooronderzoek;
- achttien bijlagen met toelichting, ontvangen van de gemachtigden van klager op
6 maart 2026.
2.2 De zaak is, gelijktijdig maar niet gevoegd met de zaak met nummer H2025/8371,
waarin vandaag
eveneens uitspraak wordt gedaan, behandeld op de openbare zitting van
27 maart 2023. Partijen zijn daarbij verschenen. Daarbij geldt dat klager heeft
deelgenomen aan de
mondelinge behandeling door middel van een video-verbinding. Partijen zijn bijgestaan
door hun
gemachtigden. De partijen en hun gemachtigden hebben hun standpunten mondeling toegelicht.
De
gemachtigden van klager hebben pleitnotities voorgelezen en aan het college en de
andere partij
overhandigd.
3. Wat is er gebeurd?
3.1 De officier van justitie in het Arrondissementsparket ….. heeft verweerder
gevraagd een Pro
Justitia onderzoek te verrichten naar de persoon van klager, die op dat moment verdachte
was in een
strafzaak. In het kader van het onderzoek heeft verweerder klager gesproken op 2
en 12 juni 2023.
Op 11 juli 2023 heeft hij zijn rapport met klager besproken.
3.2 Op 11 juli 2023 heeft verweerder zijn Pro Justitia rapport uitgebracht. Hij
heeft daarin
antwoord gegeven op door de officier van justitie gestelde vragen. Daarnaast heeft
hij geadviseerd
aan klager de maatregel van terbeschikkingstelling (tbs) met dwangverpleging en
een
gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel (gvm) op te leggen. Verweerder
heeft
voorafgaand aan het uitbrengen van zijn rapport met zijn mede-rapporteur, gz-psycholoog,
overleg
gevoerd over de inhoud van de rapportage en het advies en deze kwam tot eensluidende
bevindingen.
3.3 Verweerder vermeldt op de pagina’s 31 en 32 van zijn rapport [alle citaten letterlijk
weergegeven]:
Onderzochte werd eerder psychologisch en psychiatrisch onderzocht. Hij werd gediagnosticeerd
met
een autismespectrumstoornis en pathologisch gokken. Er was sprake van antisociaal
gedrag maar er
werd geen persoonlijkheidsstoornis gediagnosticeerd omdat gesteld werd dat het antisociale
voortkwam uit de autismespectrumstoornis. Ook de gokverslaving diende in het licht
te worden gezien
van een preoccupatie behorende bij de autismespectrumstoornis. De laatste paar jaar
was er meer oog
voor de trauma’s en de daarbij behorende symptomen zoals nachtmerries. Naast de
autismespectrumstoornis werd een ongespecificeerde schizofreniespectrum- of andere
psychotische
stoornis, vastgesteld en een ongespecificeerde persoonlijkheidsstoornis (externaliserend,
weinig
zelfreflectie en beperkte draagkracht) en een gokstoornis. Mogelijk was er sprake
van PTSS.
Op basis van de beschikbare stukken, het huidige onderzoek, op basis van raadpleging
van referenten
en op basis van overleg met de mederapporteur komt onderzoeker tot de volgende conclusie.
Onderzochte is een gemiddeld intelligente man met hechtingsproblemen. Op basis van
diverse
traumatische ervaringen heeft hij in de loop der jaren een posttraumatische stress-stoornis
(PTSS)
ontwikkeld tot uiting komend in vecht- en vluchtreacties, hypervigilantie, wantrouwen
naar de
omgeving en herbelevingen met betrekking tot de trauma's. Daarnaast is er sprake
van een
autismespectrumstoornis (ASS). Deze komt tot uiting in zijn tekorten in de sociale
interactie en
wederkerigheid, zijn beperkte mentaliserend vermogen (hoe kom ik over op de ander,
wat denkt en
voelt de ander) en de rigiditeit zoals het blijven hangen in zijn ideeën over onrecht.
Er zijn
problemen met betrekking tot de centrale coherentie waarbij hij zich verliest in
details en daarbij
het overzicht uit het oog verliest.
Vanwege de PTSS (veel prikkels) en ASS (prikkelgevoeligheid) ontstaan er bij onderzochte
voortdurend spanningen die hij niet adequaat kan laten wegvloeien. Hij maakt gebruik
van vermijden
of vluchtgedrag, destructief aanvallen naar zichzelf of naar een ander, gokken,
suïcidaal gedrag,
somberheid, zichzelf uithongeren. De overprikkeling kan dusdanige vormen aannemen
dat de
realiteitstoetsing tijdelijk tekortschiet en daardoor wantrouwende gedachten de
kleuring krijgen
van tijdelijke paranoïde waanvorming. Hij wordt ook beschreven af en toe als in
de war. Onderzoeker
schat in dat hij dan (micro)psychotische grensoverschrijdingen heeft. Onderzoeker
classificeert een
ongespecificeerde schizofreniespectrum- of andere psychotische stoornis. De gokverslaving
bracht
hem in het verleden meerdere malen in contact met justitie. Daarvan is geen sprake
meer.
3.4 Verweerder beantwoordt de vragen 1 en 6a en 6b als volgt (p.38-42 rapport):
1. Is onderzochte lijdende aan een psychische stoornis, verstandelijke handicap
en/of
psychogeriatrische aandoening en zo ja, hoe is dat in diagnostische zin te omschrijven?
Er is bij onderzochte sprake van een autismespectrumstoornis en een posttraumatische
stressstoornis. Onderzochte is vanwege de autismespectrumstoornis prikkelgevoelig.
Vanwege de posttraumatische stressstoornis is zijn systeem voortdurend
overprikkeld. Deze overprikkeling komt tot uiting in enerzijds vluchten en zich
terugtrekken en
anderzijds aanvallen en de strijd opzoeken. Deze overprikkeling kan
dusdanige vormen aannemen dat de realiteitstoetsing tijdelijk tekortschiet en daardoor
wantrouwende
gedachten de kleuring krijgen van tijdelijke paranoïde waanvorming.
6. a. Welke aanbevelingen van gedragsdeskundige en van andere aard zijn te doen
voor interventies
die het eventuele recidivegevaar kunnen beperken,
b. Binnen welk(e) juridisch(e) kader(s) zouden deze gerealiseerd kunnen worden?
Zonder behandeling
en langdurige begeleiding blijven de risicofactoren die van belang zijn in de hem
ten laste gelegde
feiten, indien bewezen, onveranderd. Een behandeling en begeleiding is noodzakelijk
om de kans op
herhaling zoals het hem tenlastegelegde duurzaam te verlagen. Onderzochte heeft
steun, structuur,
afleiding en (vooral) een professionele niet-autoritaire en individuele benadering
op maat met
kennis van autisme nodig. Daarnaast moet er aandacht gegeven worden aan zijn (seksueel)
traumatische ervaringen. (Onderzochte wordt er boos van dat onderzoeker dit telkens
benoemt). Het verwerken van
de trauma's kan ten goede komen aan zijn gestoorde emotieregulatie.
Er is sprake van complexe psychopathologie. Het risico is hoog. Ambulante interventies
hebben
onvoldoende resultaten opgeleverd. Er is meer druk nodig om de problematiek te bereiken
en te
bewerken. Onderzoeker acht het noodzakelijk dat onderzochte klinisch wordt behandeld.
Onderzoeker
adviseert een klinisch traject. Onderzoeker adviseert onderzochte te laten plaatsen
in een kliniek
waar expertise is op het gebied van autisme gecombineerd met trauma. Onderzoeker
adviseert gezien
de voornoemde psychopathologie en een als hoog ingeschat risico op gedrag zoals
de hem ten laste
gelegde feiten, indien bewezen, aan onderzochte een verplichte behandeling op te
leggen, teneinde
het risico op gedrag, zoals de hem ten laste gelegde feiten, indien bewezen, duurzaam
te verlagen.
Onderzoeker geeft de rechtbank ter overweging om hem een gedwongen klinische behandeling
op te
leggen in een gespecialiseerde, gesloten forensische setting met een beveiligingsniveau.
Onderzoeker adviseert om aan onderzochte de maatregel van terbeschikkingstelling
op te leggen.
Alleen deze vergaande juridische maatregel geeft voldoende garantie om het gevaar
terug te dringen
en behandeling en resocialisatie te realiseren. Onderzoeker heeft overwogen of behandeling
in een
minder stringent kader mogelijk is (klinisch traject in kader van voorwaarden) teneinde
het
recidivegevaar op geweldsdelicten tot een aanvaardbaar niveau terug te brengen,
maar het risico is
dan dat hij bij overtreden van voorwaarden onbehandeld op straat komt. Onderzochte
heeft aangetoond
zich niet voorwaarden te kunnen houden.
Onderzoeker acht daarom dat ook het kader van een tbs met voorwaarden onvoldoende
garanties biedt
om de behandeling vorm te geven. Onderzoeker adviseert dan ook om onderzochte de
maatregel tbs met
dwangverpleging op te leggen. Naast de tbs-maatregel wordt geadviseerd aan onderzochte
een
Gedragsbeïnvloedende en Vrijheidsbeperkende Maatregel (GVM) op te leggen conform
artikel 38z van
het Wetboek van Strafrecht.
(…)
3.5 Bij vonnis van de meervoudige kamer van de rechtbank ….. van
6 februari 2024 is klager onder andere veroordeeld voor een aantal strafbare feiten
en zijn,
overeenkomstig het advies van verweerder, aan hem een tbs-maatregel met dwangverpleging
en een
gvm-maatregel opgelegd.
3.6 Op verzoek van klager is, ter ondersteuning van de verdediging in het tegen
het vonnis van de
rechtbank ingestelde hoger beroep, door twee deskundigen een rapport uitgebracht.
Een rapport is
uitgebracht door een psychiater, tevens psychoanalyticus, verder te noemen: de aangezochte
psychiater, en het andere rapport is uitgebracht door een psycholoog, verder te
noemen: de
aangezochte psycholoog.
3.7 De aangezochte psychiater merkt in zijn rapport van 3 juni 2024 over de rapportages
van
verweerder en zijn mede-rapporteur als volgt op:
(p. 4) De onduidelijke mate van ernst van ASS en de gemiste diagnose CPTSS doen
af aan de
waardetoekenning van de rapportages van [naam verweerder] en [naam mede-rapporteur].
Het is
uitermate ingewikkeld de symptomen van deze beide aandoeningen te onderscheiden.
en
(p.5) Dan komt er in de rapportages een derde diagnose bij, namelijk een stoornis
in het
schizofrene spectrum. Deze “diagnose” is niet het resultaat van onderzoek door collega
[naam
verweerder], noch door [naam mede-rapporteur], maar overgenomen uit een intake verslag
van [H], bij
wie klager een klacht wilde indienen. Zijn komst werd door [H] echter opgevat als
een verzoek om
intake. De eventueel waargenomen symptomen zijn echter niet beschreven in het intakeverslag
en
kennelijk ook niet door de psychiater opgevraagd.
en [naam klager] heeft geen stoornis op het schizofreniespectrum. Het opvoeren van
een bij [naam
klager] niet bestaande schizofrenie spectrum stoornis maakt het rapport in feite
waardeloos.
en (p.7) Zowel de onduidelijke ernst van de ASS als het ontbreken van de diagnose
CPTSS als het erbij
slepen van een schizofrenie spectrumstoornis maakt het rapport van [naam verweerder]
in mijn ogen
ongeschikt om te gebruiken voor de indicatie van dwangverpleging. Daarnaast zijn
er praktische
bezwaren tegen een tbs-behandeling, en wordt de motivatie van cliënt voor begeleiding
en
behandeling miskend.
en (p.11) Er zijn geen tekenen van een stoornis in het spectrum van schizofrenie.
De diagnose:
stoornis in het schizofreniespectrum is niet onderbouwd.
Het onderzoek geeft een scheef beeld van cliënt. Positief op te vatten feiten en
mededelingen van
cliënt wat betreft zijn gedrag, prestaties en motivatie worden niet vermeld of met
enig cynisme
afgedaan, en de geslaagde behandeling van gokverslaving is niet genoemd.
Het rapport van [naam verweerder] is niet bruikbaar.
3.8 De aangezochte psycholoog vermeldt in zijn rapport van 2 april 2025 (p.10) onder
meer:
De classificatie ASS (autisme spectrum stoornis) is bij betrokkene niet omstreden.
Daarop wijst de
voorgeschiedenis vanaf zijn vroege jeugd. Alleen de mate van ernst ervan wordt vrijwel
nergens in
de diverse rapportages genoemd, terwijl dat zeer relevant is voor bijvoorbeeld de
prognose en dus
voor de aard en omvang van eventuele recidivekansen en
Niveau 1, het minst zware niveau lijkt hier een juiste kwalificering.
3.9 In zijn brief van 27 augustus 2025 merkt de aangezochte psychiater ten aanzien
van de door de
verweerder toegepaste recidive risico-taxatie - kort gezegd - nog op dat:
- de objectieve maat bij de SRP niet wordt genoemd en afzonderlijke scores niet
zijn opgenomen
en toegelicht of gespecificeerd;
- de SAPROF niet wordt onderbouwd met een maat;
- de HKT-R slechts eenmaal is gemeten en ook hierbij een objectieve maat ontbreekt.
4. De klacht en de reactie van verweerder
4.1 Klager verwijt verweerder dat hij:
a) feitelijke onjuistheden in de Pro Justitia rapportage heeft opgenomen;
b) een onjuiste diagnose en wijze van classificatie heeft gehanteerd;
c) klager onjuist heeft bejegend tijdens het onderzoek.
4.2 Verweerder heeft het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren.
4.3 Het college gaat hieronder in op de standpunten van partijen.
5. De overwegingen van het college
de ontvankelijkheid
5.1 In het medisch tuchtrecht kan op grond van artikel 65 lid 1 en sub a van de
Wet op de
beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG) worden geklaagd door een rechtstreeks
belanghebbende. Daarbij geldt als uitgangspunt dat dit de patiënt zelf is, dat is
immers degene
over wiens behandeling en verzorging de klacht gaat. De hoofdregel is dus dat de
meerderjarige
patiënt zelf beslist of een klacht wordt ingediend over zijn of haar behandeling.
In een situatie
waarin de patiënt zelf niet (meer) in staat is een beslissing te nemen over het
al of niet indienen
van een tuchtklacht, bijvoorbeeld omdat hij niet (meer) in staat is zijn belangen
op dit punt
behoorlijk waar te nemen en hij een wettelijk vertegenwoordiger heeft, is deze klachtgerechtigd.
De
toetsing of klager klachtgerechtigd is als bedoeld in artikel 65 lid 1 van de Wet
BIG vindt plaats
op het moment dat de klacht wordt ingediend.
5.2 In dit geval betekent dit het volgende. Bij beschikking van 4 november 2024
heeft de
kantonrechter in de rechtbank ..... de moeder van klager als mentor benoemd, omdat
klager
als gevolg van zijn geestelijke of lichamelijke toestand tijdelijk of duurzaam niet
in staat is of
bemoeilijkt wordt ten volle zijn belangen van niet-vermogensrechtelijke aard zelf
waar te nemen.
Het college heeft in het dossier evenwel geen aanknopingspunten gevonden op basis
waarvan kan of
moet worden aangenomen dat klager niet in staat is zijn belangen ter zake het al
of niet indienen
van deze tuchtklacht behoorlijk waar te nemen. Het college concludeert daarom dat
klager
klachtgerechtigd is en dat hij aldus zijn ouders heeft kunnen machtigen om het klaagschrift
namens
hem in te dienen en om hem bij de staan in deze procedure. Klager kan kortom worden
ontvangen in
zijn klacht. De moeder van klager heeft in haar hoedanigheid van mentor overigens
ook ingestemd met
de indiening van de klacht door haar zoon (patiënt) en met de inhoud van de verschillende
klachtonderdelen.
de criteria voor de beoordeling
5.3 De vraag is of verweerder de zorg heeft verleend die van hem mocht worden
verwacht. De norm
daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende psychiater. Bij de beoordeling
wordt
rekening gehouden met de voor de psychiater geldende beroepsnormen en andere professionele
standaarden op het moment van handelen, te weten de gedragscode NRGD (Nederlands
Register
Gerechtelijk Deskundigen) en de richtlijn van het Nederlands Instituut voor Forensische
Psychiatrie en Psychologie (NIFP) geheten: Forensisch psychologisch onderzoek en rapportage
in het strafrecht. Ook geldt het uitgangspunt dat een zorgverlener alleen verantwoordelijk
is voor zijn eigen handelen. Verder is de toets niet of
verweerder met de kennis en wetenschap van achteraf anders had moeten handelen.
Het gaat erom of
verweerder op basis van wat hij ten tijde van het handelen waarover wordt geklaagd
wist of had
moeten weten, heeft gehandeld zoals van een redelijk bekwame en redelijk handelende
psychiater mag
worden verwacht.
5.4 Daarnaast zijn er eisen die volgens vaste jurisprudentie van het Centraal Tuchtcollege
voor
de Gezondheidszorg aan een deskundigenrapport worden gesteld, te weten:
1) het rapport vermeldt de feiten, omstandigheden en bevindingen waarop het berust;
2) het rapport geeft blijk van een geschikte methode van onderzoek om de voorgelegde
vraagstelling te beantwoorden;
3) in het rapport wordt op inzichtelijke en consistente wijze uiteengezet op welke
gronden de
conclusies van het rapport steunen;
4) het rapport vermeldt de bronnen waarop het berust, daaronder begrepen de gebruikte
literatuur
en de geconsulteerde personen;
5) de rapporteur blijft binnen de grenzen van zijn deskundigheid.
Het college toetst verder ten volle of het onderzoek door verweerder uit het oogpunt
van
vakkundigheid en zorgvuldigheid de tuchtrechtelijke toets der kritiek kan doorstaan.
Ten aanzien
van de conclusie van de rapportage wordt beoordeeld of verweerder in redelijkheid
tot zijn
conclusie heeft kunnen komen.
Klachtonderdeel a) feitelijke onjuistheden in de Pro Justitia rapportage
5.5 Klager stelt dat er heel veel feitelijke onjuistheden in de rapportage van
verweerder staan
en hij somt deze op de pagina’s een tot en met vijftien van zijn aanvullend klaagschrift
op. Hij
stelt daarbij dat verweerder hem het recht op inzage en correctie heeft onthouden.
Hij mocht, zo
stelt hij, op 11 juli 2023 het rapport niet inzien. Daarnaast stelt hij dat veel
positieve feiten
over zijn persoon zijn weggelaten uit de rapportage. Als gevolg hiervan is een eenzijdig
en
negatief beeld over zijn persoon geschetst, aldus klager.
5.6 Verweerder betwist dat dit klachtonderdeel gegrond is. Volgens hem is klager
de mogelijkheid
geboden om onjuistheden zelf te benoemen en te laten corrigeren. Hij is hierop gewezen
op 2 juni
2023 en op 11 juli 2023. Klager heeft echter geen gebruik gemaakt van zijn inzage-
en
correctierecht. Ook bij de bespreking van het rapport op 11 juli 2023 zag hij hiervan
af. Ook ging
hij op dat moment niet in op een aanbod om het concept mee te nemen naar zijn cel
en om nog een
gesprek te hebben met verweerder, aldus verweerder.
5.7 Het college overweegt als volgt. Dit klachtonderdeel ziet op het eerste criterium
waaraan een
rapportage dient te voldoen namelijk dat het rapport de feiten, omstandigheden en
bevindingen
waarop het berust, dient te vermelden. Allereerst geldt dat, juist om ervoor te
zorgen dat
eventuele feitelijke onjuistheden in de rapportage kunnen worden gecorrigeerd, de
aan het onderzoek onderworpen persoon een inzage- en correctierecht heeft.
Bij die gelegenheid kan de betrokkene ook kanttekeningen en/of nuanceringen plaatsen
bij de aan de
rapportage ten grondslag liggende feiten. Dat betekent overigens niet dat een rapporteur
te allen
tijde gehouden is die kanttekeningen en/of nuances over te nemen.
5.8 In de rapportage (pagina 7) is vermeld dat verweerder klager op 2 juni 2023
heeft gewezen op
zijn inzage- en correctierecht en dat klager in het gesprek op 11 juli 2023 hiervan
heeft afgezien.
Op pagina 42 van zijn rapport vermeldt verweerder:
Het conceptrapport werd op hoofdlijnen met onderzochte besproken (…). Onderzochte
hoefde het
rapport niet te lezen. Onderzochte werd aangeboden om het concept ter inzage en
correctie mee te
nemen naar zijn cel en dat onderzoeker nog een gesprek zou plannen. Onderzochte
zag ervan af. “Je
schrijft tocht wat je wilt”. (…)
Klager heeft de juistheid van de geschetste gang van zaken niet, althans onvoldoende,
weersproken.
Dat hem, zoals klager stelt, het inzage-en correctierecht niet is gegund, heeft
klager in het licht
van de door verweerder geschetste gang van zaken in ieder geval niet nader onderbouwd.
Dit lag wel
op zijn weg, aangezien verweerder de juistheid van zijn stelling betwist en klager
zich op het
rechtsgevolg van zijn stelling beroept.
5.9 Het college houdt het daarom ervoor dat klager wel degelijk de kans heeft gekregen
om het
rapport in te zien en te corrigeren, maar dat hij van die gelegenheid geen gebruik
heeft gemaakt.
In het geval er feitelijke onjuistheden in het rapport staan of bepaalde kwesties
onvoldoende
genuanceerd zijn weergegeven, komt dat daarom voor zijn rekening en risico. In ieder
geval kan
verweerder hiervan geen tuchtrechtelijk verwijt worden gemaakt. In dit verband is
ook van belang
dat een rapporteur in beginsel niet hoeft te onderzoeken of de informatie van de
gebruikte bronnen
juist is. De rapporteur mag daar in beginsel van uitgaan. Wel rust op de rapporteur
de plicht om
eventuele onderlinge afwijkingen dan wel tegenstrijdigheden in van de verschillende
bronnen
ontvangen informatie te signaleren en expliciet te vermelden en te motiveren welke
bron(nen) de
rapporteur volgt dan wel hoe hij de tegenstrijdigheden heeft gewogen. Dat in dit
geval sprake is
van dergelijke tegenstrijdigheden in uit de geraadpleegde bronnen afkomstige informatie,
heeft
klager echter niet gesteld en daarvan is het college ook niet gebleken. Verweerder
mocht dan ook
uitgaan van de juistheid van de in de door hem geraadpleegde bronnen gepresenteerde
feiten. De
volgens klager in de rapportage opgenomen feitelijke onjuistheden vinden bovendien
in voldoende
mate steun in de geraadpleegde bronnen dan wel in de verslaglegging van de gesprekken
die
verweerder met klager in het kader van het onderzoek heeft gehad.
5.10 Verder geldt dat verweerder niet gehouden is om alle feitelijke informatie over
klagers
persoon en zijn levensloop in de rapportage te vermelden. Verweerder dient enkel
de informatie op
te nemen die relevant is voor de beantwoording van de aan hem gestelde vragen. In
dit geval kan
niet worden geoordeeld dat verweerder ter beantwoording van de aan hem gestelde
vragen nog meer of
andere bronnen had moeten raadplegen en dat hij in het verlengde daarvan nog meer
of andere informatie over de persoon van klager in het rapport had moeten vermelden.
Ten slotte kan niet worden volgehouden dat verweerder positieve informatie over klager
niet in de rapportage heeft opgenomen. Verweerder heeft bijvoorbeeld vermeld dat geen
sprake meer is van een gokverslaving. Dit klachtonderdeel is daarom ongegrond.
klachtonderdeel b) verweerder heeft een onjuiste diagnose en wijze van classificatie
gehanteerd
5.11 Klager stelt dat de in de rapportage opgenomen diagnose en wijze van classificatie
onjuist
zijn. Hij onderbouwt die stelling door te verwijzen naar de rapporten van de twee
door hem
aangezochte deskundigen. Zo is volgens klager de mate van ASS onduidelijk in de
rapportage van
verweerder en mist hij de classificatie CPTTS. Daarbij komt dat verweerder gekomen
is tot de
classificatie ongespecificeerde schizofreniespectrum- of andere psychotische stoornis
terwijl dat
op geen enkele manier wordt onderbouwd, anders dan met een door een psychiater van
[H] gestelde
diagnose op basis van alleen een intakegesprek, om welk gesprek klager ook nog eens
niet had
gevraagd. Verder verwijt klager verweerder dat hij de risicotaxatie niet goed heeft
uitgevoerd. Hij
had volgens hem niet tot de inschatting van een hoog recidive-risico mogen komen.
5.12 Verweerder betwist dit. Volgens hem voldoet zijn rapportage aan de daaraan te
stellen eisen.
Met betrekking tot het verwijt dat hij de mate van ASS niet in zijn rapport heeft
opgenomen,
betoogt hij dat het niet zozeer gaat om de classificatie maar om de beschrijving
van wat de
classificatie inhoudt. Dat is voor de rechtbank van belang. Het gaat erom hoe klager
zich gedraagt
en dat is wat verweerder heeft beschreven. Met betrekking tot de volgens klager
gemiste diagnose
CPTSS voert verweerder aan dat de classificatie CPTSS niet in de DSM-5TR is opgenomen.
Verweerder
heeft wel onderkend dat de PTSS complex is en hij heeft die complexiteit beschreven.
Juist vanwege
die complexe psychopathologie heeft verweerder voldoende reden gezien om naast de
PTSS de eerdere
classificatie ongespecificeerde schizofreniespectrum- of andere psychotische stoornis
over te nemen
in zijn rapportage. De diagnose heeft verweerder op alle beschikbare informatie
gebaseerd, aldus
verweerder.
5.13 Het college overweegt als volgt. Deze klacht ziet met name op het tweede en
derde criterium
waaraan de rapportage dient te voldoen, te weten: Het rapport geeft blijk van een
geschikte methode
van onderzoek om de voorgelegde vraagstelling te beantwoorden en in het rapport
wordt op
inzichtelijke en consistente wijze uiteengezet op welke gronden de conclusies van
het rapport
steunen. Het college merkt allereerst op dat de rapportages van de door klager aangezochte
deskundigen dateren van juni 2024 en april 2025, dus van respectievelijk een en
twee jaar na het
onderzoek en rapport van verweerder. Het enkele feit dat de aangezochte deskundigen
tot
(gedeeltelijk) andere bevindingen zijn gekomen, maakt op zichzelf niet dat de door
verweerder
gestelde diagnose onjuist is dan wel dat hij onjuiste classificaties heeft gesteld.
Verweerder
heeft een en ander immers gebaseerd op de informatie en het toestandsbeeld ten tijde
van het
onderzoek dat heeft geleid tot de rapportage van 11 juli 2023. De aangezochte deskundigen
hebben klager op een later moment onderzocht. Op dat moment kan het toestandsbeeld
van klager anders zijn geweest dan ten tijde van
het onderzoek door verweerder. De vraag of verweerder al dan niet een onjuiste diagnose
heeft
gesteld dan wel onjuiste classificaties heeft gehanteerd, moet zoals hiervoor ook
al is overwogen,
echter worden beantwoord op basis van de informatie die verweerder ten tijde van
zijn onderzoek
had. De ontwikkeling van het toestandsbeeld zoals die daarna heeft plaatsgevonden,
kan hierbij niet
worden betrokken.
5.14 Op basis van het toestandsbeeld van klager zoals verweerder dat tijdens het
onderzoek zelf
waarnam en alle informatie die hij tot zijn beschikking had, acht het college het
navolgbaar dat
hij ervoor heeft gekozen de drie verschillende onderdelen van het toestandsbeeld
van klager
afzonderlijk te classificeren, om het toestandsbeeld van klager goed te kunnen beschrijven.
Daarmee
heeft verweerder recht gedaan aan de complexiteit van de problematiek van klager.
De problematiek
van klager was te ernstig en te complex om deze alleen te classificeren als ASS
en PTSS.
5.15 Verweerder heeft bovendien goed beschreven en onderbouwd op basis waarvan hij
tot de
classificaties ASS en PTSS is gekomen. Goed navolgbaar is ook dat hij, om de psychotische
overschrijdingen van klager te duiden, gekozen heeft voor het aanhouden van de eerdere
gehanteerde
classificatie, te weten een ongespecificeerde schizofreniespectrumstoornis of andere
psychotische
stoornis. Op bladzijde 32 van zijn rapport heeft verweerder goed beschreven en onderbouwd
hoe hij
tot die classificatie is gekomen. Hij heeft zich daarbij niet, anders dan klager
stelt, alleen
gebaseerd op het intakeverslag van [H] - welke informatie hij overigens wel mocht
gebruiken in zijn
diagnostische afwegingen - maar op verschillende bronnen. Verweerder vermeldt in
dit verband immers
de informatie van de huisarts, de door de politie opgemaakte processen-verbaal die
in het kader van
het onderzoek aan hem beschikbaar zijn gesteld, alsook de informatie die hij via
de
mede-onderzoeker van de moeder heeft verkregen en zijn eigen klinische indruk tijdens
het
onderzoek. Op basis van die informatie is de conclusie dat sprake is van een ongespecificeerde
schizofreniespectrum- of andere psychotische stoornis, navolgbaar.
5.16 Uit het voorgaande volgt dat verweerder geen onjuiste diagnose heeft gesteld
en dat hij ook
geen onjuiste wijze van classificeren heeft gehanteerd.
5.17 Ten aanzien van de kritiek van klager op de door verweerder gemaakte risicoanalyse
overweegt
het college als volgt. Het college stelt vast dat verweerder bij zijn risicotaxatie
de
NIFP-richtlijn “Forensisch psychologisch onderzoek en rapportage in het strafrecht
en meer in het
bijzonder paragraaf 3.11.2 “Risicoanalyse en prognose” heeft gevolgd. In betreffende
paragraaf
staat onder meer:
“De beschrijving van alle resultaten van het risicotaxatieonderzoek vindt bij voorkeur
in één
relaas plaats. Daarbij kunnen dan de termen uit de risicotaxatie-instrumenten als
leidraad gebruikt
en ook genoemd worden, terwijl de inschattingen van de onderzoeker daarover en de
samenhang tussen die verschillende termen concreet beschrijven onder welke omstandigheden
het
risico van toekomstig geweld hoger wordt en waardoor dit risico juist verlaagd kan
worden. Zo is
een uitspraak mogelijk over een hoog, laag of matig risico van gewelddadig gedrag
van de
onderzochte in de toekomst.”
Verweerder heeft de risicotaxatie in lijn hiermee opgesteld. De richtlijn schrijft
niet voor dat
specifieke maten of scores moeten worden vermeld. Ten aanzien van de risicotaxatie
en de uitkomst
hiervan treft verweerder daarom ook geen verwijt.
5.18 De slotsom van het voorgaande is dat ook dit klachtonderdeel ongegrond is.
klachtonderdeel c) verweerder heeft klager onheus bejegend
5.19 Klager verwijt verweerder dat hij vooringenomen was, afspraken niet serieus
heeft genomen en
toezeggingen niet na is gekomen, geen inzage in de rapportage heeft gekregen, en
ongeïnteresseerd
op klachten reageerde.
5.20 Verweerder betwist dat.
5.21 Het college overweegt als volgt. Wat betreft de mogelijkheid tot inzage in de
rapportage
verwijst het college naar hetgeen het hierover onder 5.8 heeft overwogen.
Ten aanzien van het verwijt dat verweerder vooringenomen was, afspraken niet serieus
nam of
ongeïnteresseerd op de klachten van klager reageerde, geldt het volgende. In gevallen
waarin de
lezingen van partijen over de feitelijke gang van zaken uiteenlopen en niet kan
worden vastgesteld
welke van beide lezingen het meest aannemelijk is, zoals hier het geval is, kan
een verwijt dat is
gebaseerd op de lezing van de klagende partij niet gegrond worden bevonden. Dat
brengt mee dat niet
kan worden vastgesteld of verweerder klachtwaardig heeft gehandeld. Dit oordeel
berust niet op het
uitgangspunt dat het woord van de klager minder geloof verdient dan dat van de verweerder,
maar op
de omstandigheid dat voor het oordeel of een bepaalde verweten gedraging tuchtrechtelijk
verwijtbaar is, eerst moet worden vastgesteld welke feiten daaraan ten grondslag
gelegd kunnen
worden. Dat verweerder vooringenomen was, afspraken niet serieus nam of ongeïnteresseerd
op
klachten reageerde, kan het college dus, ook als aan het woord van klager en van
verweerder
evenveel geloof wordt gehecht, niet vaststellen.
5.22 Ten aanzien van het verwijt dat verweerder toezeggingen niet is nagekomen, overweegt
het
college het volgende. Klager doelt hier op de toezegging van verweerder dat hij
met zijn ouders
contact op zou nemen. Verweerder heeft niet weersproken dat hij dit heeft toegezegd,
zodat het
college van de juistheid daarvan uitgaat. Naar het oordeel van het college was het
beter geweest
als verweerder tegen klager zou hebben gezegd dat hij de ouders niet (meer) zelf
hoefde te spreken
omdat de informatie die hij hierover van de mede-rapporteur, die wel met zijn moeder
had gesproken
en via e-mail contact had gehad met zijn vader, had ontvangen, volstond. Dat verweerder
dat niet
heeft gedaan, acht het college echter niet tuchtrechtelijk verwijtbaar. Dat gebruik
wordt gemaakt
van de informatie van de mede-rapporteur is overigens gebruikelijk en verweerder
kon daarmee
volstaan. Dit klachtonderdeel is daarom eveneens ongegrond.
Conclusie
5.23 Het college begrijpt dat het advies van verweerder zeer verstrekkend is en
ingrijpende
gevolgen voor klager heeft. Uit het voorgaande volgt echter dat het rapport op de
door klager naar
voren gebrachte punten voldoet aan de gestelde eisen. Ook worden de conclusies waarop
verweerder
zijn advies heeft gebaseerd, gedragen door de rapportage. Ten slotte geldt dat het
rapport ook voor
het overige voldoet aan de hiervoor onder 5.4
genoemde eisen.
Slotsom
5.24 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat alle onderdelen van de klacht ongegrond
zijn.
6. De beslissing
Het college:
- verklaart de klacht ongegrond.
Deze beslissing is gegeven door N.H.J. Lafghani, voorzitter, L.A.J. Stouthamer-Verschuren
en
H.J. Kolthof, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door T.G. Nijenkamp, secretaris,
en in het
openbaar uitgesproken door K.A.J.C.M. van den Berg Jeths-van Meerwijk op 20 mei
2026.