ECLI:NL:TGZRSHE:2026:91 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg 's-Hertogenbosch H2025/8511
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRSHE:2026:91 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 20-05-2026 |
| Datum publicatie: | 20-05-2026 |
| Zaaknummer(s): | H2025/8511 |
| Onderwerp: | Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose |
| Beslissingen: | Ongegrond/afwijzing |
| Inhoudsindicatie: | Ongegronde klacht tegen specialist ouderengeneeskunde. Nabestaanden klagen over de spoedoverplaatsing van patiënt naar een andere woonzorglocatie, het niet tijdig en onvoldoende informeren van de familie en over het medicatiebeleid. Dementie in combinatie met zeer ernstig probleemgedrag. Noodsituatie en het waarborgen van veiligheid van patiënt, medebewoners en zorgverleners. Meerdere keren met familie gesproken over overplaatsing in het belang van patiënt. Familie stond daar niet voor open. Geen aanknopingspunt voor onzorgvuldig medicatiebeleid . |
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG
TE ’S-HERTOGENBOSCH
Beslissing van 20 mei 2026 op de klacht van:
[A],
klager,
en
[B],
klaagster,
beiden wonende in [C],
hierna gezamenlijk te noemen: klagers,
gemachtigde: mr. A.B. Noordhof, werkzaam in Eindhoven,
tegen:
[D],
specialist ouderengeneeskunde,
werkzaam in [C],
verweerster, hierna ook: de specialist ouderengeneeskunde,
gemachtigden: mr. L.A.P. Arends en mr. S.E.M. Sturhoofd, werkzaam in Arnhem.
1. Waar gaat de zaak over?
1.1 Vanwege dementie in combinatie met probleemgedrag was patiënt (geboren in
1942) sinds
augustus 2024 opgenomen in een beschermde woongroep van een woonzorgcentrum. De
specialist
ouderengeneeskunde was de regiebehandelaar van patiënt. Vanwege onrust, problematisch
gedrag en
diverse escalaties is patiënt na een ernstig incident eind oktober 2024 met spoed
overgeplaatst
naar een expertisecentrum in een andere plaats (hierna: expertisecentrum). De zoon
en dochter van
patiënt (klagers) waren het met deze overplaatsing niet eens. Begin november 2024
is patiënt
teruggeplaatst naar het woonzorgcentrum. Vrij snel daarna is patiënt achteruit gegaan,
waarna hij
begin december 2024 overleed. Klagers maken de specialist ouderengeneeskunde verwijten
met
betrekking tot de overplaatsing van patiënt naar het expertisecentrum, het niet
tijdig en
onvoldoende informeren van klagers en het medicatiebeleid.
1.2 Het college komt tot het oordeel dat de specialist ouderengeneeskunde niet tuchtrechtelijk
verwijtbaar heeft gehandeld. Hierna licht het college dat toe.
2. De procedure
2.1 De procedure blijkt uit:
- het klaagschrift, ontvangen op 20 mei 2025;
- het verweerschrift, ontvangen op 15 juli 2025;
- aanvullende stukken, ontvangen van klagers op 15 juli 2025;
- de repliek, ontvangen op 4 september 2025;
- de dupliek, ontvangen op 6 oktober 2025.
2.2 De partijen hebben de gelegenheid gekregen om onder leiding van een secretaris
van het
college met elkaar in gesprek te gaan (mondeling vooronderzoek). Daarvan hebben
zij geen gebruik
gemaakt.
2.3 De zaak is behandeld op de openbare zitting van 25 maart 2026. De partijen zijn
verschenen.
Zij werden bijgestaan door hun gemachtigden. De partijen en hun gemachtigden hebben
hun standpunten
mondeling toegelicht. De gemachtigden hebben een pleitnotitie voorgelezen en aan
het college en de
andere partij overhandigd.
3. Wat is er gebeurd?
3.1 Op basis van een rechterlijke machtiging werd patiënt op 20 augustus 2024
opgenomen in een
woonzorgcentrum met verschillende locaties, beschermde woongroepen en expertises.
Drie jaar eerder
was zijn echtgenote daar opgenomen. Patiënt en zijn echtgenote verbleven ieder op
een andere
locatie, maar wel dicht bij elkaar.
3.2 In het medicatieprofiel was onder meer opgenomen dat patiënt zo nodig een dosis
oxazepam van
5 mg (maximaal 3 maal daags) en quetiapine van 12,5 mg (twee maal daags) kreeg.
Dit vanwege de
sterke wil van patiënt en het gegeven dat hij verbaal en fysiek agressief kon worden
als hij
tegenwerking ervaarde.
3.3 In de eerste twee dagen van de opname van patiënt rapporteerde de verpleging
en verzorging
(hierna VV-rapportage) dat patiënt erg onrustig was. Hij eiste veel aandacht van
de zorgverleners.
Hij greep elke kans aan om te ontsnappen met als doel zijn echtgenote in de andere
locatie te
kunnen bezoeken. Hij was steeds op zoek naar een uitgang, trok aan deuren of maakte
gebruik van
deurcodes, welke hij onthield, waardoor hij naar buiten kon. Soms ging hij via een
balkon naar
beneden of klom over een hek en liep dan hard weg als zorgverleners hem terug naar
de afdeling
wilden brengen. Om het wegloopgedrag te doen afnemen, werd tijdens het multidisciplinair
overleg
(MDO) van 22 augustus 2024 besloten patiënt over te plaatsen naar een afdeling op
dezelfde locatie
als waar zijn echtgenote verbleef. Hoewel patiënt daardoor minder vaak wegliep,
ging hij vaker met
zijn echtgenote op pad.
3.4 Op 1 september 2024 startte verweerster als regiebehandelaar van patiënt. Diezelfde
dag
startte een arts in opleiding tot specialist ouderengeneeskunde (hierna: AIOS),
van wie verweerster
de supervisor was.
3.5 Door zijn ziektebeeld was de gemoedstoestand van patiënt erg wisselend. Op het
ene moment was
hij vrolijk en vriendelijk aanwezig op de afdeling en op het andere moment kon hij
agressief
reageren, zowel verbaal als fysiek.
Zowel in de decursus als in de VV-rapportages wordt in september 2024 melding gemaakt
van
verschillende incidenten. Zo liep patiënt regelmatig weg en nam dan soms zijn echtgenote
aan de arm
mee, waarbij de echtgenote viel en gewond raakte. Ook wordt genoteerd dat patiënt
luidruchtig en
boos was, veel vloekte en schreeuwde tegen zijn echtgenote, de medebewoners en de
zorgverleners. Of
dat hij met een zwaar voorwerp een medebewoner wilde slaan. Het kwam voor dat patiënt
de
schuifdeuren met de hand openschoof, naar buiten liep en zonder te kijken de straat
overstak. Ook
wordt beschreven dat patiënt zijn echtgenote in haar rolstoel had klem gezet tussen
de deur, zodat
hij kon ontsnappen. Op het moment dat de zorgverleners de echtgenote daar wilden
weghalen, werden
de zorgverleners door patiënt gestompt, getrapt, geschopt en geslagen. Eveneens
wordt vermeld dat
patiënt tegen ramen en deuren sloeg en de brandblusser leegspoot.
3.6 Op 1 oktober 2024 vond overleg met klagers plaats over de vervolgstappen naar
aanleiding van
de onhoudbare situatie. Verweerster, de AIOS en nog een derde arts waren bij dit
gesprek aanwezig.
Er werden twee opties besproken: 1) overplaatsing van patiënt naar een kleinschalige
gesloten
afdeling elders en hem daar instellen, stabiliseren en vervolgens terugplaatsen;
2) patiënt op
huidige locatie laten en meer sederen. In de decursus staat hierbij vermeld (alle
citaten voor
zover van belang en ongecorrigeerd weergegeven): “Besproken dat wij ook niet weten
wat de beste
optie is, familie heeft de voorkeur Dhr hier te houden.(…) Accepteren en overzien
de gevolgen als
Dhr hier blijft en wordt ingezet op hogere dosering medicatie met sufheid als gevolg.”
3.7 De medicatie van patiënt (zoals vermeld in alinea 3.2) werd opgehoogd. De quetiapine
werd
vervangen door haloperidol. Gestart werd met trazodon. Daarnaast werd ook zopiclon
en dormicum
voorgeschreven. Het effect van de medicatie werd gemonitord, vastgelegd en geëvalueerd.
Zo nodig
vonden aanpassingen plaats.
3.8 Patiënt bleef onrustig en vertoonde nog steeds problematisch en agressief gedrag
jegens
zorgverleners en medebewoners. Er vonden regelmatig escalaties plaats waarbij patiënt
zijn
echtgenote betrok, door de rolstoel waarin zij zat tegen personen of meubilair te
duwen. Met de
familie vond overleg plaats over vermindering van sederende medicatie.
3.9 Omdat de ZZP5 indicatie van patiënt niet meer toereikend was voor het gedrag
dat hij
vertoonde, vroeg de specialist ouderengeneeskunde op 14 oktober 2024 een ZZP VV7
indicatie aan.
Daarnaast consulteerde zij op 15 oktober 2024 het Expertisecentrum voor Dementie
met Zeer Ernstig
Probleemgedrag (D-ZEP).
3.10 In overleg met klaagster werd besloten om te minderen met de sederende middelen,
vanwege het
geringe effect. Ook werd besloten om voor patiënt zowel een beveiliger overdag als
‘s nachts in te zetten, om de risico’s op weglopen te verkleinen.
3.11 Op 25 oktober 2024 vond een escalatie plaats waarbij patiënt in gevecht raakte
met de bewaker
en zich agressief gedroeg ten opzichte van zorgverleners en medebewoners. Zorgverleners
moesten
tussen patiënt en andere medebewoners in gaan staan om te voorkomen dat hij hen
aanviel. Patiënt
dreigde tevens dat hij hen dood zou slaan. In de VV-rapportages staat beschreven
dat de
medebewoners van de huiskamer naar een andere afdeling werden verplaatst, het Ambulant
Verpleegtechnisch Team (AVT) werd gebeld en via een 112 melding, ook de politie.
3.12 De AIOS noteerde daarover in de decursus: “Wanneer ik V&V terug bel voor beleid
is de
situatie volledig geëscaleerd. Dhr is in continu gevecht met de bewaker (geschreeuw
hoorbaar op de
achtergrond). Slaat medebewoners/bewaker met placemats en zijn erg bang. Situatie
absoluut niet
hanteerbaar. Lijkt niet mogelijk om contact te krijgen met Dhr. Verdekt medicatie
is geen optie.”
3.13 Bij afwezigheid van verweerster overlegde de AIOS met een dienstdoende specialist
ouderengeneeskunde. Daarna volgde overleg met onder meer de AVT/oproepdienst voor
een
spoedoverplaatsing van patiënt naar een andere afdeling, en met de crisisdienst
GGZ. Op dat moment
kon een overplaatsing echter niet geregeld worden. De AIOS belde die avond de familie
van patiënt,
waarover in het dossier staat vermeld: “1e CP gebeld; helaas niet te bereiken. Derhalve
2e CP; zoon
gebeld. Ingelicht over wat er is voorgevallen. Had al een vermoeden aan het begin
van de avond, had
al wel gelezen in het dossier. Maar was niet gebeld dus dacht dat het hanteerbaar
was. (…) Tevens
gesproken over het feit dat we vanavond/vannacht een overplaatsing hebben geprobeerd
te regelen,
dat het nu gaat met de medicijnen die we i.m. hebben gespoten hun vader rustig is,
maar dat we
morgen wel verder gaan kijken en die kans zeer groot is dat alsnog de overplaatsing
gaat
plaatsvinden. (…) daar zijn wel meer faciliteiten om het veilig te houden. Weet
dit uit eerdere
gesprekken waar ook al kort is gesproken overplaatsing. Vindt het fijn dat we alsnog
hebben
gebeld.”
3.14 De volgende ochtend, op 26 oktober 2024, besloot de dienstdoende specialist
ouderengeneeskunde alsnog tot onmiddellijke overplaatsing van patiënt en regelde
een ambulance voor
het vervoer. In de VV-rapportage staat hierover: “Dhr. is met ambulance overgeplaatst
naar
[expertisecentrum], onder begeleiding van collega. Dhr. ging op eigen initiatief
mee Familie gebeld
maar die konden niets betekenen (…) Eerste cp is op de hoogte.”
3.15 Op 28 oktober 2024 werd genoteerd dat het met patiënt best redelijk ging na
de overplaatsing.
Diezelfde dag had de AIOS een gesprek met beide klagers. Hierover noteerde zij in
het dossier: “(…)
Daarnaast geven zij aan dat hij nu niet op de juiste plek zit. (…) Aangegeven dat
de plek waar hij
nu zit, inderdaad niet de beste plek is. Echter hebben we dit weekend gekozen voor
overplaatsing
naar [expertisecentrum] gezien daar meer ruimte is voor 1 op 1 zorg en zo nodig
een
interventieteam, maar dat het geen PG afdeling is. Zoon had van mij telefonisch
begrepen dat ik had beloofd dat hun vader weer naar [beschermde woongroep] zou komen.
Deze belofte heb ik niet gaan. Dit is de insteek wel en wij als behandel en zorgteam zien
dit ook het liefste dat hij samen kan zijn met zijn vrouw. Echter moet dit wel veilig
zijn en
moet hij ook goed ingesteld zijn op medicijnen. Kinderen hopen dat dit zo snel mogelijk
is.”
3.16 Over het telefoongesprek dat verweerster op 31 oktober 2024 met klaagster had,
noteerde zij:
“(…) Is ook geschrokken van sedatie. Ik heb uitgelegd dat ik ook hier ga proberen
medicatie af te
bouwen. Uitgelegd dat doel idd op termijn terug naar [beschermde woongroep] is,
maar dat we eerst
stabiliteit willen in gedrag, minimaal 6 weken-2 maanden. (…) 4/11 komt d-zep [plaatsnaam]
icc,
wellicht is overplaatsing d-zep noodzakelijk bij
hernieuwde agressie?”
3.17 In het familiegesprek van 1 november 2024 sprak verweerster uitgebreid met
klagers over hun
onvrede ten aanzien van de overplaatsing. Verweerster gaf daarnaast uitleg aan klagers
over haar
doel om patiënt over te plaatsen naar een Psychogeriatrie Plus groep (PG+) waar
intensieve zorg
voor mensen met dementie en ernstig onbegrepen gedrag wordt geboden. Op 4 november
2024 vond de
D-ZEP consultatie plaats. Besproken werd dat patiënt de beste kans zou hebben bij
een opname op
D-ZEP en dat overplaatsing binnen
1 tot 2 weken zou kunnen plaatsvinden. Na deze consultatie vond opnieuw een familiegesprek
plaats
waarover verweerster noteerde: “(…) D-zep [plaatsnaam] zou hem willen opnemen, daar
heeft hij beste
kans op genezing en afbouw medicatie, maar dat is relatief: 6-8 mnd verblijf in
[plaatsnaam], bij
een gemiddelde levensverwachting van 1,5 jaar. Andere keuze is terug naar [beschermde
woongroep],
maar kans dat hij daar gaat overlijden tgv sedatie is erg groot. Kans dat medicatie
kan worden
afgebouwd is klein (…). fam wil pertinent dat hij terugkomt naar [beschermde woongroep],
ondanks
risico op korte levensverwachting, en blijft hopen dat we toch medicatie kunnen
afbouwen.”
3.18 Na de weigering van klagers om patiënt op D-ZEP te laten opnemen, besloot verweerster
op 7
november 2024 dat patiënt de volgende dag zou worden teruggeplaatst naar de beschermde
woongroep.
Ze noteerde in het dossier:”(…) familie kiest bewust níet voor d-zep / pg+ (…),
maar voor evt meer
sedatie als dat nodig is op locatie beschermde woongroep] om de rust te bewaren,
met evt overlijden
tot gevolg zelfs.”
3.19 In eerste instantie leek de terugplaatsing voor patiënt goed te gaan en noteerde
verweerster
op 11 november 2024 in het dossier: “gaat best goed: goed gestemd wel in loop vd
avond meer onrust
ook s’nachts soms onrust, omdat hij gedesorienteerd kan zijn door de slaapmedicatie
(…). PLAN: (…)
afbouw quetiapine in ochtend: nog 1dd 12,5mg an dit kan effect geven va woe”. De
quetiapine werd
afgebouwd.
3.20 Enkele dagen later ging patiënt hard achteruit. Op 14 november 2024 kreeg hij
hoge koorts bij
een urineweginfectie. Met de familie werd afgesproken patiënt niet in het ziekenhuis
op te laten
nemen. Patiënt ging steeds verder achteruit. Vanaf 21 november 2024 wilde hij zijn
medicatie niet meer. De medicatie werd daarom vanaf 22 november 2024 afgebouwd en/of verminderd.
In verband met pijn schreef verweerster een fentanylpleister voor. Verweerster schreef midazolam
voor vanwege de heftige onrust van patiënt.
3.21 In de nacht van 3 op 4 december 2024 overleed patiënt. De forensisch arts die
de schouw
verrichtte, constateerde een natuurlijk overlijden.
4. De klacht en de reactie van de specialist ouderengeneeskunde
4.1 Klagers maken – zoals tijdens de mondelinge behandeling desgevraagd is bevestigd
- de
specialist ouderengeneeskunde verwijten over:
a) de overplaatsing van patiënt naar een andere zorglocatie;
b) het medicatiebeleid;
c) de betrokkenheid en informatie aan klagers, zijnde de contactpersonen van patiënt.
4.2 De specialist ouderengeneeskunde heeft het college verzocht de klacht ongegrond
te verklaren.
4.3 Het college gaat hieronder verder in op de standpunten van partijen.
5. De overwegingen van het college
De criteria voor de beoordeling
5.1 De vraag is of de specialist ouderengeneeskunde de zorg heeft verleend die
van haar verwacht
mocht worden. De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende specialist
ouderengeneeskunde. Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de zorgverlener
geldende
beroepsnormen en andere professionele standaarden. Verder geldt het uitgangspunt
dat zorgverleners
alleen tuchtrechtelijk verantwoordelijk zijn voor hun eigen handelen.
Klachtonderdelen a) overplaatsing en c) betrokkenheid en informatie aan klagers
5.2 Het college zal deze klachtonderdelen, gelet op hun samenhang, gezamenlijk
bespreken.
5.3 Klagers stellen dat de beslissing om patiënt op 26 oktober 2024 met spoed over
te plaatsen,
zonder (voldoende) overleg en zonder toestemming van klagers is genomen. Zij zijn
pas achteraf
geïnformeerd over deze ingrijpende keuze die grote gevolgen heeft gehad voor het
welbevinden en de
gezondheid van patiënt. Het expertisecentrum was niet de meest geschikte plek voor
patiënt en dat
heeft verweerster ook toegegeven. Het is klagers nog steeds niet duidelijk waarom
tot een
spoedoverplaatsing besloten is. Klagers hebben meteen aangegeven het met de overplaatsing
niet eens
te zijn. De overplaatsing was niet geïndiceerd en heeft patiënt meer kwaad dan goed
gedaan. De
onvrede van klagers is uitvoerig met verweerster besproken. Op uitdrukkelijk verzoek
van klagers
heeft verweerster patiënt vervolgens teruggeplaatst naar de beschermde woongroep.
5.4 Verweerster betwist dat klagers niet betrokken zijn geweest bij het besluit
tot
overplaatsing, dan wel dat ze niet tijdig en goed over de overplaatsing zouden zijn
geïnformeerd.
In de periode dat patiënt bij de zorginstelling in zorg was, is verweerster meerdere
keren met
klagers in gesprek gegaan over andere opties in plaats van de beschermde woongroep.
Uit die
gesprekken was gebleken dat klagers daarvoor niet openstonden, zelfs als dat zou
betekenen dat
patiënt meer sedatie zou moeten krijgen. Klagers wilden dat patiënt hoe dan ook
op dezelfde locatie
als zijn echtgenote bleef. Op de avond van 25 oktober 2024, toen de situatie met
patiënt dermate
escaleerde dat besloten werd 112 te bellen, heeft de AIOS eerst – tevergeefs - geprobeerd
klaagster
(eerste contactpersoon) telefonisch te bereiken. Vervolgens heeft zij telefonisch
contact met
klager (tweede contactpersoon) opgenomen. Klager is ingelicht over de overplaatsing
en gaf aan dat
hij dit al vermoedde omdat hij het dossier gelezen had. Op het moment van de daadwerkelijke
overplaatsing, in de ochtend van 26 oktober 2024, is klaagster telefonisch op de
hoogte gesteld.
5.5 Het college stelt voorop dat sprake is van een duidelijk en zorgvuldig bijgehouden
dossier,
waardoor het beloop van de behandeling van patiënt goed te volgen is. Duidelijk
is welke stappen
zijn gezet vanaf het moment van de opname van patiënt tot aan zijn overlijden. Het
college stelt
vast dat verweerster en het behandelteam zich continu hebben ingespannen om patiënt
de juiste zorg
te bieden. Patiënt vertoonde ernstig probleemgedrag en had complexe zorg nodig.
Verschillende malen
is het beleid evenals het medicatiebeleid voor patiënt aangepast in de hoop dat
dit een gunstige
invloed zou hebben op zijn welzijn en zijn gedrag zou verbeteren. Verweerster heeft
daarbij steeds
geprobeerd het doel van de familie, om de ouders bij elkaar te houden, niet uit
het oog te
verliezen.
5.6 Niet alleen had het gedrag van patiënt zijn weerslag op de medebewoners, maar
ook zijn
echtgenote kwam in onveilige situaties terecht als patiënt met haar op stap ging.
Gelet op ernstige
escalatie in de avond van 25 oktober 2024, waarbij patiënt niet te handhaven was
en de veiligheid
van cliënten en zorgverleners in het gedrang kwam, was er sprake van een noodsituatie.
De
veiligheid van de patiënt zelf, de overige cliënten op de afdeling en die van de
zorgverleners
moest worden gewaarborgd. De juiste zorg voor patiënt kon niet meer in de beschermde
woongroep
worden geboden. Een spoedoverplaatsing was geïndiceerd.
5.7 De AIOS heeft in overleg met de op dat moment dienstdoende specialist ouderengeneeskunde
(niet verweerster) - tevergeefs - geprobeerd om patiënt diezelfde avond nog over
te plaatsen. De
AIOS heeft daarna klager telefonisch geïnformeerd over de escalatie, over de poging
tot
overplaatsing en over het voornemen patiënt de volgende dag over te plaatsen (zie
alinea 3.13).
Klager was derhalve op de hoogte van de noodzaak om patiënt over te plaatsen en
klaagster is de
volgende ochtend gebeld toen de ambulance klaar stond om patiënt over te plaatsen.
Klaagster heeft
toen laten weten, hetgeen zij tijdens de zitting nogmaals bevestigde, dat zij niet
met de ambulance
wenste mee te gaan.
Dat klagers niet eerder op die avond zijn geïnformeerd, is inherent aan het gegeven
dat sprake was
van een noodsituatie, waarbij de veiligheid voor patiënt en anderen voorop stond.
5.8 Het college overweegt dat verweerster geen dienst had op 25 en 26 oktober 2024
en derhalve
niet bij het besluit tot overplaatsing betrokken was. In dat opzicht kan verweerster
geen
tuchtrechtelijk verwijt worden gemaakt. Voor zover klagers ook hebben bedoeld erover
te klagen dat
zij in de aanloop naar de overplaatsing onvoldoende door verweerster zouden zijn
betrokken of
geïnformeerd, wijst het college erop dat verweerster in een eerder stadium meerdere
keren, en in
elk geval op 1 oktober 2024, in het belang van patiënt met klagers over de optie
van een
overplaatsing heeft gesproken. Klagers stonden daar echter niet voor open en hielden
vast aan hun
eis dat patiënt en zijn echtgenote op dezelfde locatie zouden verblijven. Deze klachtonderdelen
zijn ongegrond.
Klachtonderdeel b) het medicatiebeleid
5.9 Klagers stellen dat sprake is van nalatigheid in het medicatiebeheer. De aan
patiënt
voorgeschreven medicatie was al aanzienlijk en na het incident van 25 oktober 2024
heeft
verweerster de sederende medicatie van patiënt nog eens verhoogd. Het was duidelijk
dat deze
verhoging geen (merkbaar) effect op patiënt had. Desondanks is hiermee doorgegaan
waardoor patiënt
op 22 november 2024 totaal versuft was en hard achteruit ging. Het was onzorgvuldig
om het
ingezette medicatiebeleid door te zetten, waarbij zeer hoge doseringen zijn toegepast.
Omdat
klagers de indruk hadden dat patiënt was platgespoten, hebben zij bij verweerster
aangedrongen op
afbouw van de medicatie.
5.10 Verweerster betwist nalatig te zijn geweest in het medicatiebeheer. Gezien de
combinatie van
dementie en gedragsproblemen was het weliswaar lastig om een passend medicatiebeleid
voor patiënt
op te stellen, te meer daar hij aspecifiek op medicatie leek te reageren. Verweerster
heeft om die
reden farmacogenetisch onderzoek laten doen bij patiënt. Gedurende het hele traject
heeft
verweerster samen met het behandelteam zorgvuldige afwegingen gemaakt over het medicatiebeleid.
Deze afwegingen zijn multidisciplinair en in overleg met de familie gemaakt. Er
is steeds gezocht
naar een goed evenwicht tussen enerzijds het voorkomen van escalatie en het risico
op vallen en
sedatie anderzijds. Het beleid werd mede bepaald door de opstelling van de familie.
Als patiënt
naar een specialistische afdeling had kunnen gaan, zoals D-ZEP of PG+, was het medicatiebeleid
anders geweest. De familie stemde echter niet in met een overplaatsing naar een
gespecialiseerde
afdeling.
5.11 Ook dit klachtonderdeel is ongegrond. Het college kan niet vaststellen dat het
medicatiebeleid onzorgvuldig was. Het dossier biedt daarvoor geen enkel aanknopingspunt.
Uit het
dossier volgt dat verweerster de medicatie stap voor stap gaf en dat het effect
ervan werd
gemonitord, vastgelegd en geëvalueerd. Zo nodig paste verweerster de medicatie aan.
Na de
overplaatsing van patiënt op 26 oktober 2024 is olanzapine gegeven en leek patiënt
rustiger te
worden. Mede gelet op de grote hoeveelheid medicatie van patiënt vond op
4 november 2024 een D-ZEP consultatie plaats. De consultatie leidde tot het advies
aan verweerster
om patiënt over te plaatsen naar een gespecialiseerde D-ZEP afdeling. Ondanks dit
advies, weigerden klagers een dergelijke opname en eisten zij dat patiënt werd teruggeplaatst naar
de beschermde woongroep. Verweerster heeft klagers uitdrukkelijk voorgehouden dat
in het geval van terugplaatsing, patiënt fors zou worden gesedeerd. Klagers stemden
daarmee in. Verweerster heeft vervolgens gehoor gegeven aan het verzoek van klagers
om de medicatie af te bouwen. In het licht van de gestelde feiten en omstandigheden
is het college van oordeel dat verweerster geen
tuchtrechtelijk verwijt te maken valt. Dat de situatie van patiënt vervolgens ernstig
verslechterde
en hij overleed, leidt niet tot een ander oordeel.
Slotsom
5.12 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat alle onderdelen van de klacht ongegrond
zijn.
6. De beslissing
Het college:
- verklaart de klacht ongegrond.
Deze beslissing is gegeven door Y.M. Vanwersch, voorzitter, W.G.H. Corté, lid-jurist,
S.B. Bokdam-Jansen, J.W.M. van Ameijde en A.J.J.M. Keijzer-van Laarhoven, leden-beroepsgenoten,
bijgestaan door C.W.M. Hillenaar, secretaris, en in het openbaar
uitgesproken door K.A.J.C.M. van den Berg Jeths-van Meerwijk op 20 mei 2026.