ECLI:NL:TGZRSHE:2026:89 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg 's-Hertogenbosch H2025/8739
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRSHE:2026:89 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 13-05-2026 |
| Datum publicatie: | 13-05-2026 |
| Zaaknummer(s): | H2025/8739 |
| Onderwerp: | Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose |
| Beslissingen: | Ongegrond, kennelijk ongegrond |
| Inhoudsindicatie: | Kennelijk ongegronde klacht tegen specialist ouderengeneeskunde over onterechte overplaatsing van patiënte naar een gespecialiseerd zorgcentrum zonder instemming of overleg met familie. Artikel 21 Wet zorg en dwang. Toename gedragsproblematiek. Verblijf in kleinschalige woonvorm niet meer passend. Voortdurend en uitgebreid met de familie besproken. Besluit raad van bestuur. Voldoende valide argumenten voor overplaatsing. |
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG
TE ’s-HERTOGENBOSCH
Beslissing in raadkamer van 13 mei 2026 op de klacht van:
[A],
wonende in [B],
klager,
tegen:
[C],
specialist ouderengeneeskunde,
werkzaam in [D],
verweerster, hierna ook: specialist ouderengeneeskunde,
gemachtigden: mr. M.M.A. Janssen en mr. S.E.M. Sturhoofd, werkzaam in Arnhem.
1. Waar gaat de zaak over?
1.1 De echtgenote van klager (hierna: patiënte) leed aan Korsakov en verbleef
in een
kleinschalige woonvorm van een zorginstelling. Op enig moment is besloten dat patiënte
werd
overgeplaatst naar een meer gespecialiseerd zorgcentrum (hierna: expertisecentrum).
Klager was het
met deze overplaatsing niet eens. Hij verwijt de specialist ouderengeneeskunde dat
patiënte, noch
de familie, is betrokken bij of geïnformeerd over het besluit tot overplaatsing.
De overplaatsing
is in strijd met de gemaakte afspraken en de familie is voor het blok gezet. Er
waren geen
argumenten die een overplaatsing zouden
rechtvaardigen.
1.2 Het college komt tot het oordeel dat klager ontvankelijk is in zijn klacht,
maar dat de
klacht kennelijk ongegrond is. ‘Kennelijk’ betekent dat het niet nodig is om nog
vragen aan de
partijen te stellen en dat duidelijk is dat de klacht niet gegrond kan worden verklaard.
Hierna
licht het college toe hoe het tot deze beslissing is gekomen.
2. De procedure
2.1 De procedure blijkt uit:
- het klaagschrift, ontvangen op 17 juli 2025;
- het verweerschrift, ontvangen op 30 september 2025.
2.2 De partijen hebben de gelegenheid gekregen om onder leiding van een secretaris
van het
college in gesprek te gaan (mondeling vooronderzoek). Daarvan hebben zij geen gebruik
gemaakt.
2.3 Het college heeft de klacht in raadkamer behandeld. Dit betekent dat het college
de zaak
beoordeeld heeft op basis van de stukken, zonder dat de partijen daarbij aanwezig
waren.
3. Wat is er gebeurd?
3.1 Vanwege alcoholproblematiek werd patiënte in 2018 opgenomen in een gespecialiseerd
zorginstituut op het gebied van alcoholgerelateerde cognitieve stoornissen. Daar
werd de diagnose
Korsakov gesteld. Omdat de behandeling in het instituut onvoldoende effect had en
patiënte
achteruit ging, verhuisde zij op 4 februari 2020 naar een kleinschalige woonvorm
bij een andere
zorginstelling. Binnen deze woonvorm worden patiënten gestimuleerd om zo veel mogelijk
zelfstandig
te doen en leven zij zoveel mogelijk zoals thuis, waarbij 24 uur per dag zorg, begeleiding
en
behandeling wordt geboden. Een collega van verweerster was de regiebehandelaar van
patiënte.
3.2 Op 4 november 2020 vond overleg met de familie van patiënte plaats over een
aanvraag tot
opname en verblijf in de zin van artikel 21 Wet zorg en dwang (WZD). Hierover noteerde
de
regiebehandelaar in het dossier (alle citaten voor zover van belang en ongecorrigeerd
weergegeven):”(…) Ook uitleg RM en art 21. Familie wil graag zekerheid dat mw wel
blijft op de
huidige plek waar passende zorg geboden wordt. Wil graag contact met psycholoog
over omgangsplan en
benadering.”
3.3 Vanaf 25 januari 2021 verbleef patiënte in de zorginstelling op basis van artikel
21 van de
WZD. In de periode daarna rapporteerde de verpleging en verzorging in het cliëntendossier
dat
patiënte veel begeleiding nodig heeft. Op 25 mei 2021 schreef de regiebehandelaar
in het dossier
dat een deel van het team patiënte niet passend vindt binnen de woonvorm.
3.4 Verweerster, die al sinds april 2021 bij betreffende zorginstelling werkzaam
was, werd vanaf
26 augustus 2021 de regiebehandelaar van patiënte. Op 1 september 2021 noteerde
zij in het dossier
dat er sprake is van veranderend gedrag dat volgens de zorg bestaat uit meer ontremd,
geagiteerd
gedrag en dat patiënte sneller in conflict met medecliënten is.
3.5 In de periode daarna werd in het cliëntendossier melding gemaakt van verschillende
incidenten. Patiënte had meerdere aanvaringen met medebewoners, waarbij patiënte
nare opmerkingen
maakte of anderen uitschold. Ze daagde zorgverleners uit door met haar handen in
haar zij voor ze
te gaan staan, steeds met ze in discussie te gaan of op andere wijze een dreigende
of denigrerende
houding tegen hen aan te nemen. Ook werd genoteerd dat het geïrriteerde en negatieve
gedrag van
patiënte toenam. Op 25 december 2022 reageerde patiënte zelfs zo fel en boos op
een medebewoonster,
die zij daarbij wilde duwen, dat de zorgverlener tussen patiënte en de medebewoonster
in ging staan
om verdere escalatie te voorkomen.
3.6 Op 11 januari 2023 vond een familiegesprek plaats, waarbij een zoon van patiënte,
verweerster, een basisarts, een psycholoog en een contactverzorgende aanwezig waren.
In de
voorbereiding op dit gesprek noteerde de psycholoog in het dossier: “1. (…) Mw.
zal niet aansluiten
bij het gesprek i.v.m. onrust die het gesprek met zich mee kan brengen. Er wordt
al langer
getwijfeld of mw. passend is in huidig leefmilieu op de locatie. Mw. is erg passief
en wordt door
grootte van de afdeling soms over het hoofd gezien, daarnaast sprake van conflicten
met
medebewoners o.a. door gebrek ziekte-inzicht. Mw. lijkt meer behoefte te hebben
aan kleinschaliger
omgeving met minder prikkels en waarbij meer meebewogen wordt. Op [naam andere locatie]
nu bedden
vrij waar mw. mogelijk beter passend is. Zoon is van de overwegingen nog niet op
de hoogte en
twijfels staan niet vermeld in bhp. 2. conflicten: regelmatig conflict met medebewoonster.
Hierdoor
veel spanningen en vervelede situaties in de hk, waar ook andere bewoners last van
hebben. Mw. zelf
reageert erg kalm op gedrag van medebewoonster. Zorgen vanuit V&V dat conflict gaat
escaleren,
echter hier weinig aanwijzingen voor. (…)”
3.7 Na afloop van het familiegesprek noteerde de psycholoog in het dossier: “(…)
Vervolgens
toekomst besproken en twijfels omtrent passende leefomgeving voor mw. toegelicht.
Verwachtingen
vanuit locatie die niet bij mw. passen of bij haar niveau van functioneren aansluiten
waardoor
vaker conflict. Daarnaast sprake van passiviteit en gebrek aan ziekte inzicht, waardoor
ze uit
zichzelf minder tot geen contact opzoekt met de medebewoners. Mogelijk zou kleinschaliger
locatie
in [plaatsnaam] beter aansluiten bij haar behoeftes. Kort de voordelen van andere
locatie
toegelicht. Benoemt dat het mogelijk is om een keer te gaan kijken bij [naam andere
locatie]. Zoon
staat open om hierover na te
denken.”
3.8 Het omgangsplan van 22 maart 2023 vermeldde dat patiënte zichzelf niet of nauwelijks
verzorgde, waardoor er risico op verwaarlozing bestond.
3.9 Op 24 maart 2023 liet de zoon van patiënte weten niet akkoord te gaan met het
overplaatsen
van patiënte naar de voorgestelde kleinschalige locatie. In het familiegesprek van
10 april 2023
herhaalde hij niet akkoord te zijn. Hij gaf daarbij aan dat de familie drie jaar
geleden, toen
patiënte in de huidige woonvorm kwam wonen, met elkaar had afgesproken dat dit de
laatste keer was
dat patiënte is verhuisd.
3.10 Op 2 juni 2023 vond opnieuw een familiegesprek plaats, waarbij klager, de zonen
van patiënte,
verweerster, een basisarts, een psycholoog en een contactverzorgende aanwezig waren.
In dit gesprek
kwam opnieuw ter sprake dat patiënte in de huidige woonvorm werd overvraagd en dat
overplaatsing
naar een kleinschaliger alternatief in het belang van patiënte was. De familie stond
er echter op
dat patiënte in de huidige woonvorm bleef.
3.11 Ook in de periode daarna vonden meerdere familiegesprekken plaats, waarin het
zorgteam van
patiënte aangaf dat overplaatsing aangewezen was. Vanwege de toegenomen gedragsproblematiek
van
patiënte, werd een andere locatie voorgesteld. De familie volhardde in haar eis
om patiënte te
laten waar zij was en wees het aanbod om die andere locatie te gaan bezoeken af.
Ook in het
familiegesprek van 28 november 2024 werd de noodzaak tot overplaatsing besproken
en werd de familie
een rondleiding in de beter passende locatie aangeboden, welk aanbod door de familie
werd
afgewezen. De GZ-psycholoog noteerde daarover in het dossier: “Hierop volgend hebben
we geconstateerd dat we het
niet eens zijn met elkaar voor wat betreft het overvragen van mevr in huidige setting
en de
overplaatsing. Familie reageerde fel in woorden en gebaren op besluit tot overplaatsing
en gaven
aan er alles aan te zullen doen om de overplaatsing te voorkomen. Wij hebben aangegeven
intern te
beraden wat de volgende stappen in dit traject zullen zijn.”
3.12 Omdat de situatie onhoudbaar werd, stuurde de raad van bestuur van de zorginstelling
(hierna:
raad van bestuur) op 15 januari 2025 een brief naar klager waarin de overplaatsing
van patiënte op
29 januari 2025 werd aangekondigd. Omdat klager het daar niet mee eens was, volgde
daarna nog
correspondentie tussen klager en de (gemachtigde van de) raad van bestuur.
3.13 Op 29 januari 2025 werd patiënte overgeplaatst.
4. De klacht en de reactie van de specialist ouderengeneeskunde
4.1 Klager verwijt verweerster dat:
a) de overplaatsing heeft plaatsgevonden zonder instemming van patiënte en zonder
instemming of
overleg van de familie;
b) er geen noodzaak was om tot onmiddellijke overplaatsing over te gaan;
c) de overplaatsing in strijd was met de gemaakte afspraken.
4.2 Verweerster heeft het college verzocht klager niet-ontvankelijk te verklaren
en de klacht dus
niet inhoudelijk te behandelen. Voor het geval het college de klacht wel inhoudelijk
gaat
beoordelen, heeft verweerster het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren.
4.3 Het college gaat hieronder verder in op de standpunten van partijen.
5. De overwegingen van het college
Ontvankelijkheid
5.1 Verweerster heeft naar voren gebracht dat klager niet-ontvankelijk is in de
klacht, omdat het
besluit tot overplaatsing geen besluit van verweerster was. Het besluit is op overkoepelend
niveau
genomen door de raad van bestuur. De verwijten kunnen verweerster niet worden aangerekend.
5.2 Het college komt tot het oordeel dat klager wel ontvankelijk is. Het college
overweegt dat
het besluit om patiënte op 29 januari 2025 over te plaatsen door de raad van bestuur
is genomen. In
zoverre kan verweerster geen tuchtrechtelijk verwijt van het besluit worden gemaakt.
Het college
begrijpt de klacht echter aldus, dat klager erover klaagt dat de onderbouwing van
het besluit tot
overplaatsing van verweerster afkomstig is. Het college stelt vast dat dit inderdaad
het geval is.
Om die reden zal de klacht inhoudelijk worden behandeld.
De criteria voor de beoordeling
5.3 De vraag is of verweerster de zorg heeft verleend die van haar verwacht mocht
worden. De norm
daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende specialist ouderengeneeskunde.
Bij de
beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de zorgverlener geldende beroepsnormen
en andere
professionele standaarden. Verder geldt het uitgangspunt dat zorgverleners alleen
tuchtrechtelijk
verantwoordelijk zijn voor hun eigen handelen.
5.4 Het college oordeelt dat verweerster niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.
Klachtonderdelen a) overplaatsing zonder instemming of overleg, b) geen noodzaak tot
overplaatsing
en c) overplaatsing is in strijd met gemaakte afspraken
5.5 Het college zal deze klachtonderdelen, gelet op hun samenhang, gezamenlijk
bespreken.
5.6 Klager stelt dat de beslissing om patiënte over te plaatsen niet met patiënte
zelf noch met
de familie is besproken, waardoor de familie niet de kans heeft gehad om haar zienswijze
toe te
lichten. De overplaatsing was bovendien in strijd met de afspraak dat patiënte tot
aan haar
overlijden in de woonvorm zou kunnen blijven. Volgens klager was er geen enkele
noodzaak om tot
onmiddellijke overplaatsing over te gaan.
5.7 Verweerster stelt zich op het standpunt dat in de aanloop naar het besluit tot
overplaatsing,
voortdurend en uitgebreid met de familie is gesproken. Klager en zijn zoons hebben
hun zienswijze
uitgebreid kunnen overbrengen. De overplaatsing was noodzakelijk en gerechtvaardigd.
Tijdens de
intake is geen toezegging gedaan dat patiënte tot aan haar overlijden in de woonvorm
zou kunnen
blijven. Een dergelijke toezegging kan bij een intake ook niet worden gedaan omdat
het onduidelijk
is hoe het ziektebeeld van patiënte zich verder zal ontwikkelen en welke zorg in
de toekomst nodig
zal zijn.
5.8 Het college stelt voorop dat sprake is van een duidelijk en zorgvuldig bijgehouden
cliëntendossier, waardoor het beloop van de behandeling van patiënte goed te volgen
is. Duidelijk
is welke stappen zijn gezet vanaf het moment van de opname van patiënte tot aan haar
overplaatsing. Het college stelt vast dat verweerster en het zorgteam zich steeds
hebben
ingespannen om patiënte de juiste zorg te bieden. Ook hebben zij steeds oog gehad
voor de wens van
de familie om patiënte niet over te plaatsen.
5.9 Vast staat dat de gedragsproblematiek van patiënte in de loop van de tijd toenam
en patiënte
zich steeds meer verzette tegen haar verzorging, waarbij ook risico op fysieke agressie
bestond.
Patiënte had intensieve zorg nodig en het werd voor het zorgteam steeds moeilijker
om patiënte de
juiste zorg te bieden. Meermaals is binnen het multidisciplinair team besproken
of patiënte nog wel
paste binnen de woonvorm. Het team kwam tot de conclusie dat betere, passende zorg
aan patiënte kon
worden geboden in de andere, kleinschalige locatie. Verweerster heeft meerdere keren
met de familie
over de optie van overplaatsing gesproken omdat dit in het belang van patiënte was.
Verweerster
heeft steeds aandacht voor het belang van de familie gehad en ook geprobeerd om
het beleid voor
patiënte op de afdeling waar zij toen nog verbleef, aan te passen aan hetgeen patiënte
nodig had,
in de hoop dat dit een gunstige invloed zou hebben op haar gedrag. Verweerster heeft
haar beleid
steeds gericht op het welzijn van patiënte. Toen er echter een onhoudbare situatie
ontstond,
waarbij de veiligheid van patiënte en haar medebewoners in het gedrang kwam, heeft
de raad van
bestuur ingegrepen in het belang van en vanwege het welzijn van de overige bewoners
en de
medewerkers. Zij heeft vervolgens de beslissing genomen om patiënte op 29 januari
2025 over te
plaatsen.
5.10 Voor zover klager erover klaagt dat de beslissing om patiënte op 29 januari
2025 over te
plaatsen niet met de familie is besproken en de familie onvoldoende kans heeft gehad
hun zienswijze
toe te lichten, wijst het college erop dat verweerster in een eerder stadium meerdere
keren met de
familie over de overplaatsing heeft gesproken. De familie stond daar echter niet
voor open en hield
vast aan haar eis dat patiënte op dezelfde locatie zou blijven.
5.11 Het college is van oordeel dat er voldoende valide argumenten waren om patiënte
over te
plaatsen. Als gevolg van haar ziekte nam het probleemgedrag van patiënte toe, waardoor
zij
onhandelbaar werd. Het beleid dat verweerster volgde, was in het belang van patiënte.
Meerdere
keren heeft zij het beleid aangepast in de hoop dat aan patiënte de zorg kon worden
geleverd die
zij nodig had met inachtneming van ieders belang. Alle acties die door het zorgteam
zijn ondernomen
om patiënte in de woonvorm te kunnen laten blijven, zijn door de raad van bestuur
in de
overplaatsingsbrief genoemd. De veiligheid van patiënte, de medebewoners en de zorgverleners
moest
echter ook worden gewaarborgd. Het college kan het volgen dat er een moment is gekomen
dat aan
patiënte in deze woonvorm niet meer de juiste zorg kon worden geboden. De aangevoerde
redenen die
tot het besluit van de raad van bestuur tot overplaatsing hebben geleid, zijn dan
ook navolgbaar.
Dat verweerster hierin een rol heeft gespeeld die niet correct was, kan het college
niet volgen.
Zowel verweerster als de andere leden van het multidisciplinaire team hebben meerdere
keren met de
familie van patiënte gesproken en de ernst van de situatie toegelicht. Zij hebben
ook terdege rekening gehouden met de wens van de familie en van klager. Dat uiteindelijk
de raad van bestuur,
op basis van al hetgeen omtrent de situatie is gerapporteerd, een besluit heeft
genomen, kan
bezwaarlijk aan verweerster worden tegen geworpen. Dat overigens patiënte zelf niet
steeds is
gekend in de ernst van de situatie, acht het college eveneens navolgbaar en komt
het college in het
licht van de gestelde feiten en het stadium van haar ziekte ook
niet onjuist voor.
5.12 Het college kan niet vaststellen dat er een toezegging zou zijn gedaan dat patiënte
tot aan
haar overlijden in de woonvorm zou kunnen blijven wonen. Nog daargelaten dat klager
deze stelling
niet of onvoldoende heeft onderbouwd, bestaat er simpelweg geen recht op een specifieke
verblijfsplek in een zorginstelling. Een verblijfsplek is afhankelijk van de zorg
die nodig is en
volgt de ontwikkeling van het ziektebeeld.
Slotsom
5.13 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat alle onderdelen van de klacht
kennelijk ongegrond zijn.
6. De beslissing
Het college:
- verklaart de klacht in al haar onderdelen kennelijk ongegrond.
Deze beslissing is gegeven op 13 mei 2026 door K.A.J.C.M. van den Berg Jeths-van Meerwijk,
voorzitter, J.W.M van Ameijde en S.B. Bokdam-Jansen, leden-
beroepsgenoten, bijgestaan door C.W.M. Hillenaar, secretaris.