ECLI:NL:TGZRSHE:2026:87 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg 's-Hertogenbosch H2025/8167

ECLI: ECLI:NL:TGZRSHE:2026:87
Datum uitspraak: 13-05-2026
Datum publicatie: 13-05-2026
Zaaknummer(s): H2025/8167
Onderwerp: Geen of onvoldoende zorg
Beslissingen: Niet-ontvankelijk
Inhoudsindicatie: Verweerder is als geneesheer-directeur verbonden aan het psychotherapeutische centrum waar patiënt werd behandeld. Patiënt is op 8 maart 2021 overleden door suïcide. Klaagster is nabestaande en maakt verweerder verschillende verwijten over de behandeling van patiënt en de gang van zaken na de suïcide. Het college komt tot het oordeel dat de klacht gedeeltelijk kennelijk niet-ontvankelijk en gedeeltelijk kennelijk ongegrond is.

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG
TE ’s-HERTOGENBOSCH

Beslissing in raadkamer van 13 mei 2026 op de klacht van:

[A],
wonende in [B],
klaagster,

tegen:

[C],
psychiater,
destijds werkzaam in [D], verweerder,
gemachtigde: mr. M.J.J. de Ridder, werkzaam in Utrecht.

1. Waar gaat de zaak over?
1.1   Verweerder is als geneesheer-directeur verbonden aan het psychotherapeutische centrum waar 
klaagsters echtgenoot (hierna: patiënt) werd behandeld. Patiënt is op 8 maart 2021 overleden door 
suïcide. Klaagster maakt verweerder verschillende verwijten over de behandeling van patiënt en de 
gang van zaken na de suïcide.

1.2   Het college komt tot het oordeel dat de klacht gedeeltelijk kennelijk niet-ontvankelijk en 
gedeeltelijk kennelijk ongegrond is. ‘Kennelijk’ betekent dat het niet nodig is om nog vragen aan 
de partijen te stellen en dat duidelijk is dat de klacht niet gegrond kan worden verklaard. Hierna 
licht het college toe hoe het tot deze beslissing is gekomen.

2. De procedure
2.1  De procedure blijkt uit:
- het klaagschrift, ontvangen op 17 februari 2025;
- de brief van 10 april 2025 van klaagster, ontvangen op 15 april 2025;
- de USB-stick en de transscriptie, ontvangen op 15 april 2025;
- de brief van 17 april 2025 van de secretaris aan klaagster;
- het verweerschrift, ontvangen op 27 juni 2025;
- de stukken van klaagster, ontvangen op 29 oktober 2025;
- de e-mail van 4 november 2025 van de secretaris aan de gemachtigde van verweerder;
- de stukken van klaagster, ontvangen op 4 november 2025;
- het proces-verbaal van het mondeling vooronderzoek, gehouden op 11 november 2025.

2.2   Het college heeft de klacht in raadkamer behandeld. Dit betekent dat het college de zaak 
beoordeeld heeft op basis van de stukken, zonder dat de partijen daarbij aanwezig waren.

3. Wat is er gebeurd?
3.1   Op 5 december 2019 werd patiënt, die sinds 2007 met klaagster in [B] woonde, door zijn 
huisarts verwezen naar het psychotherapeutische centrum waarvan verweerder geneesheer-directeur is. 
De zorg vond plaats in een vrijwillig kader.

3.2   Patiënt is op 8 maart 2021 overleden door suïcide. Verweerder is daarvan op diezelfde dag op 
de hoogte gebracht.

3.3   Verweerder heeft (in zijn rol van geneesheer-directeur) aan de klinisch 
psycholoog/psychotherapeut/zorgmanager en aan de regiebehandelaar van patiënt opdracht gegeven een 
eerste bespreking in te plannen voor de leden van de commissie die de gebeurtenissen ging 
onderzoeken en evalueren. Op 23 maart 2021 kwamen de leden van deze commissie voor het eerst bij 
elkaar. Ook verweerder was lid van deze commissie. Afgesproken werd dat er door middel van meerdere 
onderzoeksinterviews een analyse zou worden gedaan van de feitelijke gang van zaken. Aan de hand 
daarvan zouden eventuele verbeterpunten voor de werkwijze van het centrum zichtbaar worden.

3.4  Nadat op 18 mei 2021 met klaagster was gesproken, had de commissie op
25 mei 2021 een vervolgoverleg. Tijdens dat overleg werd duidelijk dat aan patiënt was verzocht een 
crisisplan op te stellen, maar dat dit niet was geëffectueerd. Ook kwam de vraag op of er voldoende 
werkafspraken waren gemaakt voor de mogelijke situatie dat betrokkene tijdens de behandelfase 
instabiel zou worden in [B] met zijn behandelaren op afstand in Nederland. De commissie overwoog of 
er mogelijk sprake was van een calamiteit. Verweerder heeft de Raad van Bestuur van het 
psychotherapeutische centrum geadviseerd zekerheidshalve een melding te doen bij de Inspectie 
Gezondheidszorg en Jeugd. Die melding is gedaan op 4 juni 2021. De Raad van Bestuur heeft daarna 
een calamiteitenonderzoekscommissie opdracht gegeven een calamiteitenrapport op te stellen. 
Verweerder was voorzitter van die calamiteitencommissie. De calamiteitencommissie heeft gesproken 
met klaagster; verweerder was daarbij aanwezig. Op 22 september 2021 is het calamiteitenrapport 
afgerond en is het door de Raad van Bestuur verzonden aan de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd.

4. De klacht en de reactie van de psychiater
4.1  Klaagster verwijt verweerder dat hij:
a) op 4 maart 2021, toen er sprake was van een crisis (hoog suïcidaal gedrag) van patiënt klaagster 
en/of de huisarts van patiënt niet heeft geïnformeerd over het verhoogde risico op suïcidaliteit;

b) nadat hij op de hoogte was gebracht van dreiging van suïcide bij de patiënt op 4 maart 2021, 
geen of onvoldoende onderzoek heeft gedaan (dan wel laten doen) en niet heeft ingegrepen (dan wel 
acties heeft uitgezet tot ingrijpen) na duidelijke suïcide signalen;
c) geen transparantie en openheid heeft geboden, door geen uitleg te geven over wat er is gebeurd 
in de periode rondom de suïcide van patiënt en hoe dit heeft kunnen gebeuren;
d) klaagster niet heeft geïnformeerd over de aard en toedracht van het incident en de 
calamiteitenmelding;
e) de suïcide van de patiënt niet in het gesprek met klaagster heeft gereconstrueerd, waardoor 
klaagster zich geen beeld heeft kunnen vormen van de achtergronden van de suïcide van de patiënt en 
klaagster de mogelijkheid om met het gebeurde in het reine te komen, niet heeft benut;
f) niet tijdig melding heeft gedaan van de calamiteit bij de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd;
g) de calamiteitenrapportage:
- niet tijdig heeft opgesteld;
- onvoldoende zorgvuldig heeft opgesteld;
- heeft voorzien van foutieve data, aannames, tegenstrijdigheden, feitelijke onjuistheden en 
onjuist conclusies;
h) onvoldoende invulling heeft gegeven aan zijn taak om veiligheidsrisico's te signaleren en tijdig 
zorg te dragen voor en/of bij te dragen aan gepaste verbetermaatregelen ter voorkoming van 
(onnodige) incidenten en/of calamiteiten;
i) klaagster geen volledige inzage heeft verstrekt in de voor handen zijnde logging-gegevens 
(aangeleverd door Nedap ICT-leverancier) van 6 april 2023 en loggings heeft verwijderd;
j) de uitspraken van klaagster uit hun verband heeft getrokken en de gedachten van klaagster heeft 
bestempeld tot feiten;
k) medische dossiers, zorgplannen, medische documenten en loggings heeft gemanipuleerd;
l) rapportages (inclusief de meest essentiële rapportage van 4 maart 2021 van 15:30 uur) uit het 
medisch dossier heeft verwijderd, een rapportage verkeerd heeft weergegeven, rapportages heeft 
aangepast en bijgevoegd;
m) klaagster als nabestaande geen nazorg heeft aangeboden;
n) in de communicatie richting klaagster als nabestaande tekort is geschoten, geen enkele empathie 
heeft getoond en klaagster onheus heeft bejegend.

4.2   Verweerder heeft het college verzocht klaagster niet-ontvankelijk te verklaren en de klacht 
dus niet inhoudelijk te behandelen. Voor het geval het college de klacht wel inhoudelijk 
beoordeelt, heeft verweerder het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren.

4.3  Het college gaat hieronder verder in op de standpunten van partijen.

5. De overwegingen van het college
5.1   Het college merkt als eerste op dat het zich realiseert dat het overlijden van patiënt een 
zeer verdrietige en ingrijpende gebeurtenis is voor klaagster, die een grote invloed heeft gehad en 
nog altijd heeft op haar leven. Het college heeft daar oog voor. Dat neemt niet weg, zoals 
klaagster met haar klaagschrift in feite ook voor ogen heeft, dat het college de klacht van 
klaagster op een zakelijke manier moeten beoordelen. Het college bespreekt hierna eerst de 
ontvankelijkheid van de klacht.

Ontvankelijkheid
5.2   Verweerder heeft naar voren gebracht dat klaagster niet-ontvankelijk is in de klacht. In de 
eerste plaats omdat hij niet betrokken is geweest bij de behandeling van patiënt. In de tweede 
plaats omdat verweerders betrokkenheid bij de evaluatiecommissie en/of de calamiteitencommissie 
niet valt te beschouwen als een handeling op het gebied van de geneeskunst.

5.3   Het college komt tot het oordeel dat klaagster kennelijk niet-ontvankelijk is in 
klachtonderdelen c) tot en met n). Deze klachtonderdelen zien in de kern op de betrokkenheid van 
verweerder bij en zijn handelen in de evaluatiecommissie en/of de calamiteitencommissie. Het 
college volgt verweerder in zijn standpunt en overweegt dat verweerders handelen niet onder de 
eerste tuchtnorm valt. Tussen patiënt en verweerder bestond immers geen behandelrelatie. 
Verweerders handelen en betrokkenheid vallen naar het oordeel van het college ook niet onder de 
tweede tuchtnorm, omdat deze betrokkenheid en dit handelen onvoldoende weerslag hebben op de 
individuele gezondheidszorg. Een onderzoek door een evaluatiecommissie en/of calamiteitencommissie 
is bedoeld om de algemene kwaliteit van de zorg binnen de zorginstelling te verbeteren en te leren 
van een calamiteit of incident. Betrokkenheid bij en handelen binnen zulke commissies kan daarom 
niet worden beoordeeld binnen een tuchtrechtelijk kader. Het college verwijst in dit kader naar de 
uitspraak van het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg van 3 november 2025, 
ECLI:NL:TGZCTG:2025:181. Het college zal klachtonderdelen c) tot en met n) gelet op het voorgaande 
dus niet inhoudelijk bespreken en beslissen dat klaagster in zoverre niet-ontvankelijk is.

5.4   Het voorgaande geldt niet voor klachtonderdelen a) en b). Deze klachtonderdelen zien immers 
niet op de betrokkenheid van verweerder bij of diens handelen in de evaluatiecommissie en/of de 
calamiteitencommissie, maar op het door klaagster gestelde handelen of nalaten van verweerder in 
ander verband.

Welke criteria gelden bij de beoordeling?
5.5   De vraag is of verweerder de zorg heeft verleend die van hem verwacht mocht worden. De norm 
daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende psychiater. Bij de beoordeling wordt 
rekening gehouden met de voor verweerder geldende beroepsnormen en andere professionele 
standaarden. Verder geldt het uitgangspunt dat zorgverleners alleen tuchtrechtelijk verantwoordelijk zijn voor hun eigen handelen.

5.6   Vanwege de samenhang zal het college de klachtonderdelen a) en b) gezamenlijk bespreken. Het 
college komt tot het oordeel dat deze klachtonderdelen ongegrond zijn. Verweerder heeft namelijk 
niet persoonlijk tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld, omdat uit het dossier volgt dat hij niet 
betrokken was bij de behandeling van patiënt of de verslaglegging daarvan. Daarmee strookt dat 
verweerder eerst op 8 maart 2021, na de suïcide van patiënt, over patiënt (en diens overlijden) 
heeft vernomen. De klachtonderdelen
zijn ongegrond.

Slotsom
5.7   Uit de overwegingen hiervoor volgt dat klaagster niet-ontvankelijk is in klachtonderdelen c) 
tot en met n). De klacht is voor het overige kennelijk ongegrond.

6. De beslissing
Het college:
-  verklaart klaagster kennelijk niet-ontvankelijk in klachtonderdelen c) tot en met n);
-  verklaart de klacht voor het overige kennelijk ongegrond.

Deze beslissing is gegeven door R.A. Steenbergen, voorzitter, K.P. Grootens en
L.A.J. Stouthamer-Verschuren, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door G.J. Stoepker, secretaris, en 
op 13 mei 2026 uitgesproken door, K.A.J.C.M. van den Berg Jeths-
van Meerwijk.