ECLI:NL:TGZRSHE:2026:81 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg 's-Hertogenbosch H2025/8279
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRSHE:2026:81 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 29-04-2026 |
| Datum publicatie: | 29-04-2026 |
| Zaaknummer(s): | H2025/8279 |
| Onderwerp: | Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose |
| Beslissingen: | Ongegrond, kennelijk ongegrond |
| Inhoudsindicatie: | Kennelijk ongegronde klacht tegen psychiater. Klager verwijt de psychiater met het voorschrijven van CBD-olie als pijnbestrijding te zijn gestopt. Het college oordeelt dat de psychiater tot dit besluit heeft kunnen komen, omdat de werking van deze medicatie naar zijn mening niet de meest aangewezen was, hij klager alternatieven heeft geboden en meerdere urine controles onverklaarbaar waren waardoor het vermoeden ontstond dat klager het gebruik van CBD-olie gebruikte om zijn heimelijk gebruik van cannabis te verhullen. |
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG
TE ’s-HERTOGENBOSCH
Beslissing in raadkamer van 29 april 2026 op de klacht van:
[A],
verblijvende te [B],
klager,
tegen
[C],
psychiater,
destijds werkzaam in [B], verweerder, hierna ook: psychiater,
gemachtigde: mr. S.F. Tiems, werkzaam in Leiden.
1. De zaak in het kort
1.1 Klager verbleef in de instelling waar verweerder als psychiater aan was verbonden.
Op verzoek
van klager heeft verweerder hem enige tijd CBD-olie voorgeschreven. Na enige tijd
is verweerder
gestopt met voorschrijven. Klager verwijt hem dit.
1.2 Het college komt tot het oordeel dat de klacht kennelijk ongegrond is. ‘Kennelijk’
betekent
dat het niet nodig is om nog vragen aan de partijen te stellen en dat duidelijk
is dat de klacht
niet gegrond kan worden verklaard. Hierna licht het college toe hoe het tot deze
beslissing is gekomen.
2. De procedure
2.1 De procedure blijkt uit:
- het klaagschrift, ontvangen op 18 maart 2025;
- het verweerschrift, per e-mail ontvangen op 6 juni 2025 en per post ontvangen
op 10 juni 2025;
- het proces-verbaal van het op 26 augustus 2025 gehouden mondelinge
vooronderzoek.
2.2 Het college heeft de klacht in raadkamer behandeld. Dit betekent dat het college
de zaak
beoordeeld heeft op basis van de stukken, zonder dat de partijen daarbij aanwezig
waren.
3. Wat is er gebeurd?
3.1 Klager verblijft al geruime tijd in de instelling waar verweerder als psychiater
aan
verbonden is. De instelling is een tbs-instelling. Voordat klager in deze instelling
werd geplaatst
was hij onder behandeling in een andere tbs-instelling, waar de behandeling van
klager vastliep.
Dit was de reden voor overplaatsing.
3.2 Door de voorganger van verweerder was aan klager voor pijnklachten CBD-olie
voorgeschreven.
De psychiater heeft tijdens de kennismaking met klager gesproken over zijn gebruik
van CBD-olie en
hem toen uitgelegd dat er geen bewijs bestaat van het pijnstillend effect van CBD-olie
voor de
klachten van klager.
3.3 De psychiater heeft klager over alternatieve pijnstilling geadviseerd. Klager
had bezwaren
tegen het eerste alternatief (amitriptyline), wat hij als chemische medicatie beschouwde,
waarna de
psychiater hem een ander alternatief, gabapentine, heeft aangeboden.
3.4 Tijdens een gesprek dat de psychiater met klager voerde op 1 maart 2024 bleek
dat klager de
CDB-druppels al sinds 5 januari 2024 niet meer gebruikte uit angst voor een positieve
uitslag bij
de verrichte urinecontrole.
3.5 De psychiater heeft klager voorgesteld de hoeveelheid druppels te halveren, maar
daar stond
klager niet voor open.
3.6 Op 21 juni 2024 heeft de psychiater klager wederom gesproken, ditmaal in het
bijzijn van een
collega. Aanleiding voor het gesprek was de uitslag van een urinecontrole. De uitslagen
waren
namelijk wisselend: soms was de uitslag een aantal weken onder 25 ug/L, maar daarna
bleek de
uitslag weer een paar weken tussen 50 ug/l en 100 ug/L te liggen. Ook bleek dat
klager diverse
malen verdunde urine had ingeleverd. Vanwege het vermoeden dat klager het gebruik
van de CBD-olie
voornamelijk gebruikte als rookgordijn voor zijn heimelijk (en niet toegestane)
cannabisgebruik,
kondigde de psychiater aan de CBD-olie te zullen stoppen.
3.7 Nadat het voorschrijven van de CBD-olie was gestaakt, heeft klager een urinecontrole
gemanipuleerd door een chloortablet aan de ingeleverde urine toe te voegen.
3.8 De psychiater heeft, voordat hij overging tot het staken van het voorschrijven
van CBD-olie,
hierover overleg gevoerd met de geneesheer-directeur van de instelling.
4. De klacht en de reactie van de psychiater
4.1 Klager verwijt de psychiater dat hij:
a) het voorschrijven van de CBD-olie heeft gestopt nadat klager jarenlang CBD-olie
voorgeschreven
had gekregen van de voorganger van verweerder op indicatie van de pijnpolikliniek;
b) niet gelooft in de werking van CBD-olie.
4.2 De psychiater heeft het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren.
4.3 Het college gaat hieronder verder in op de standpunten van partijen.
5. De overwegingen van het college
Welke criteria gelden bij de beoordeling?
5.1 De vraag is of de psychiater de zorg heeft verleend die van hem verwacht mocht
worden. De
norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende psychiater. Bij de
beoordeling wordt
rekening gehouden met de voor de psychiater geldende beroepsnormen en andere professionele
standaarden ten tijde van het klachtwaardig geachte handelen.
Klachtonderdeel a: het staken van het voorschrijven van CBD-olie
5.2 Verweerder verwijst naar de NHG-standaard waarin het gebruik van cannabis
wordt ontraden bij
neuropathische pijn, het type pijn waar klager aan lijdt, en waarvoor medicatie
is aangewezen.
Omdat echter het medicijn CBD-olie al was voorgeschreven door de voorganger van
verweerder, heeft
de psychiater het voorschrijven van de CBD-olie in eerste instantie voortgezet.
Het is niet
ongebruikelijk dat medicatie die door een andere arts is voorgeschreven, wordt gehandhaafd,
ook al
zou een psychiater zelf dit middel niet of niet bij voorkeur hebben voorgeschreven.
5.3 Wel heeft de psychiater met klager alternatieve medicatie besproken, maar klager
stond daar
(nog) niet voor open en heeft daar geen gebruik van gemaakt.
5.4 Het handhaven van het gebruik van CBD-olie door klager kwam na verloop van tijd
ter discussie
te staan. Deze ontwikkeling ontstond door het volgende. CBD en THC zijn beide bestanddelen
van
cannabis. THC is het belangrijkste element voor het psychoactieve effect, het stoned
zijn. CBD
heeft zelf geen psychoactief effect, maar beïnvloedt de werking van THC wel. CBD-olie
bevat geen of
weinig THC, maar de samenstelling van door apotheken geleverde CBD-olie kan variëren
en daardoor is
niet met zekerheid te stellen dat na gebruik van CDB-olie er geen enkele THC in
de urine
waargenomen kan worden.
5.5 Ter handhaving van onder meer het verbod op gebruik van cannabis vinden in de
instelling met
regelmaat urinecontroles plaats. Voor CBD en THC zijn maximumwaardes bepaald. In
verband met het
gebruik van de CBD-olie door klager en de (overigens geringe) mogelijkheid dat vanwege
het gebruik
van CBD-olie THC bij de urinecontrole waargenomen zou kunnen worden, is de maximumwaarde
van THC
verhoogd van 50 ug/L naar 100 ug/L.
5.6 De uitslagen van de controles van klager waren echter onverklaarbaar wisselend.
Soms bleven
de waarden wekenlang onder 25 ug/L en soms wekenlang tussen 50 ug/L en 100 ug/L,
terwijl bij
gelijkblijvend gebruik van de druppels een stabiele uitslag meer voor de
hand lag.
5.7 Aansluitend aan deze uitslagen werd geconstateerd dat klager verdunde urinestalen
inleverde
en uiteindelijk ook dat hij met een chloortablet de uitslag van de controle wilde
manipuleren.
Hierdoor ontstond de verdenking dat klager, die een verleden kent van cannabisverslaving,
CBD-olie
wenste te gebruiken in een poging cannabisgebruik te
verbloemen.
5.8 Het college is van oordeel dat de psychiater geen verwijt wordt gemaakt dat
hij het
voorschrift uit de vorige kliniek aanvankelijk heeft overgenomen. Dat de psychiater
niettemin met
klager heeft gesproken over alternatieve medicatie kan de psychiater niet worden
verweten. In het
licht van de geschetste feiten en omstandigheden is naar het oordeel van het college
navolgbaar dat
de psychiater uiteindelijk vanwege de onverklaarbaar wisselende metingen, waarbij
het sterke
vermoeden bestond dat klager de CBD-olie gebruikte als rookgordijn om zijn heimelijke
cannabisgebruik te verhullen, het voorschrijven van de CBD-olie heeft gestaakt.
Dat dit besluit
werd genomen juist in het belang van klager, zoals verweerder betoogt, acht het
college navolgbaar.
Dit geldt te meer omdat een dwingende medisch-inhoudelijke indicatie voor het gebruik
van CBD-olie
ontbrak, en er door het behandelteam was waargenomen dat de pijnklachten van klager
niet leken te
verergeren ondanks dat hij de CBD-olie op zijn eigen initiatief reeds enkele maanden
had gestaakt.
Het college oordeelt dat klachtonderdeel a (kennelijk) ongegrond is.
Klachtonderdeel b: het niet geloven in de werking van CBD-olie
5.9 Terecht heeft de psychiater aangevoerd dat het gebruik van CBD-olie als pijnbestrijder
voor
de klachten van klager niet als evidence based kan worden gekwalificeerd. Dat hij
het middel enige
tijd heeft voorgeschreven als voortgezet beleid als voortgezet beleid van zijn voorganger,
maakt
dit niet anders. Het college oordeelt dat de psychiater ter zake geen tuchtrechtelijk
verwijt kan
worden gemaakt. Ook klachtonderdeel b is (kennelijk) ongegrond.
6. De beslissing
Het college verklaart de klacht in beide onderdelen kennelijk ongegrond.
Deze beslissing is gegeven op 29 april 2026 door K.A.J.C.M. van den Berg Jeths-van
Meerwijk,
voorzitter, R.J.M. Lardinois en T.A. Wouters, leden-beroepsgenoten,
bijgestaan door I.F. Schouwink, secretaris.