ECLI:NL:TGZRSHE:2026:79 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg 's-Hertogenbosch H2025/8363
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRSHE:2026:79 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 29-04-2026 |
| Datum publicatie: | 29-04-2026 |
| Zaaknummer(s): | H2025/8363 |
| Onderwerp: | Onvoldoende informatie |
| Beslissingen: | Ongegrond/afwijzing |
| Inhoudsindicatie: | Ongegrond klacht tegen psychiater. Klager verwijt de psychiater hem onvoldoende te hebben voorgelicht over bijwerkingen van diverse medicijnen en het gebruik van medicijnen niet goed te hebben afgebouwd. Dat klager wel voldoende is voorgelicht blijkt uit het geheel van contacten en het medisch dossier. De medicatie is daarnaast voldoende afgebouwd. |
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG
TE ’S-HERTOGENBOSCH
Beslissing van 29 april 2026 op de klacht van:
[A],
verblijvende in [B],
klager,
gemachtigde: mr. J.B.G. Gelissen, werkzaam in Sittard,
tegen
[C],
psychiater,
werkzaam in [D],
verweerder, hierna ook: de psychiater,
gemachtigde: mr. P.H.N. Keuning, werkzaam in Amsterdam.
1. De zaak in het kort
1.1 Klager verwijt de psychiater dat hij hem onvoldoende heeft voorgelicht over
bijwerkingen van
diverse medicijnen die hij klager achtereenvolgens heeft voorgeschreven. Daarnaast
zou de
psychiater het gebruik van medicijnen niet goed hebben afgebouwd.
1.2 De psychiater is van mening dat hij de voorlichting steeds goed heeft gegeven.
Volgens de
psychiater is op zorgvuldige wijze afgebouwd.
1.3 Het college komt tot het oordeel dat de psychiater niet tuchtrechtelijk verwijtbaar
heeft
gehandeld en de klacht daarmee ongegrond is. Hierna licht het college dat toe.
2. De procedure
2.1 Het dossier bestaat uit:
- het klaagschrift, ontvangen op 8 april 2025;
- het verweerschrift, ontvangen op 6 juni 2025;
- het medisch dossier, ontvangen van de gemachtigde van verweerder op 6 augustus
2025;
- het proces-verbaal van het mondeling vooronderzoek, gehouden op 19 augustus 2025;
- het aanvullend proces-verbaal van het mondeling vooronderzoek, gehouden op 19
augustus 2025.
2.2 De zaak is behandeld op de openbare zitting van 4 maart 2026. Namens klager
was zijn
gemachtigde aanwezig. Verweerder was aanwezig en werd bijgestaan door zijn gemachtigde.
Verweerder
en de gemachtigden hebben hun standpunten mondeling toegelicht. De gemachtigden
hebben een
pleitnotitie voorgelezen en aan het college en de andere partij overhandigd.
3. De feiten
3.1 Klager is strafrechtelijk veroordeeld en daarbij is TBS opgelegd. De TBS-behandeling
is
aanvankelijk gestart in een andere kliniek. Klager is in april 2024 overgeplaatst
naar de
instelling waar de psychiater werkzaam is (hierna: de instelling).
3.2 Het verblijf van klager in de instelling verliep met enige regelmaat moeizaam
en kenmerkte
zich door diverse incidenten. Aan klager werd op 2 mei 2024 een crisismaatregel
in het kader van de
Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz) afgegeven.
3.3 In de instelling waar klager verbleef, voordat hij naar de instelling werd overgeplaatst,
was
hij gediagnostiseerd met een bipolaire stoornis.
3.4 Nadien is klager in de instelling gediagnostiseerd met een persoonlijkheidsstoornis.
3.5 Op 16 april 2024 heeft de psychiater klager voor het eerst gesproken. Na overleg
met klager
is hij gestart met diazepam en olanzapine. De periode hierna was sprake van een
toenemende
weigering van klager om zijn medicatie in te nemen. De dosering is verlaagd. De
gemeten dalspiegel
wees niet op een te traag metabolisme voor dit medicijn.
3.6 Vanwege de door klager aangegeven problemen met opstaan en opstarten in de ochtend
is
besloten te stoppen met olanzapine, en is vanaf 5 juni 2024 haloperidol (merknaam
Haldol)
voorgeschreven.
3.7 Op 8 juli 2024 heeft klager aan een collega van verweerder, hierna de ANIOS,
depressieve
klachten gemeld. Klager was zelf gestopt met haloperidol.
3.8 Op 19 juli 2024 heeft de psychiater een consult gehad met klager. Besloten werd
om te stoppen
met promethazine. In plaats van haloperidol werd aan klager levomepromazine (merknaam
Nozinan)
éénmaal daags 25 mg voorgeschreven. Geconcludeerd werd dat dit medicijn de slaap
beter ondersteunt.
In het medisch dossier van klager is hierover het volgende genoteerd (alle citaten
worden
overgenomen inclusief eventuele taal- en/of typefouten):
16.26 uur “Decursus Client slaapt momenteel niet goed. Hij ligt lang wakker voor
hij inslaapt en
heeft ’s ochtends het gevoel dat hij maar weinig geslapen heeft. (…) R/ Nozinan
25 mg tablet
0-0-0–1 stuks’ START 24-07-2024 00:00” en de aantekening van de GGZ-agoog die dag
om 17.39 uur:
“Betr. Komt terug van blok. Geeft aan een gesprek te hebben gehad met PSA en er
open voor te staan
om ‘in ieder geval’ de nozinan te gaan proberen die binnenkort wordt voorgeschreven.”
In het medisch dossier is geen aantekening gemaakt van voorlichting die aan klager
is gegeven over mogelijke bijwerkingen van dit medicijn.
3.9 Op 24 juli 2024 is gestart met de nieuwe medicatie.
3.10 Op 25 juli 2024 is om 08.21 uur door de sociotherapie in het dossier van klager
genoteerd:
“Betr. Is op 24-07 gestart met nozinan. Goed blijven monitoren. Sinds het stoppen
van hadol lukt
het betr. Beter op te staan in de ochtend”.
3.11 Op 26 juli 2024 is het effect van de nieuwe medicatie met klager besproken.
Door de
psychiater wordt hierover om 14.00 uur in het medisch dossier van klager genoteerd:
“Client heeft
twee nachten goed geslapen met Nozinan. Op zich is dit nog te kort voor een goede
evaluatie maar de
voortekenen zijn gunstig.”
3.12 Op 25 november 2024 heeft de psychiater met de ANIOS besproken dat onderzocht
zou worden of
de levomepromazine verlaagd zou kunnen worden naar 1 maal
12,5 mg per dag, met als doel de ochtendstart van klager te vergemakkelijken.
Op 3 december 2024 ging klager akkoord met deze aanpassing. Op 11 december 2024
nam klager de
oorspronkelijke dosis (25 mg), omdat hij te onrustig was. Klager heeft dit besproken
met de ANIOS.
De psychiater was hierbij niet aanwezig.
3.13 Op 12 december 2024 is door een collega van de psychiater de overstap naar mirtazapine
met
klager besproken. De collega heeft hierover om 12.15 uur genoteerd: ‘Optie Mirtazipine
besproken
met pt. Pt wil dit proberen maar stelt zich skeptisch op. Aangegeven dat pt wel
geduld nodig heeft
aangezien het enkele weken duurt voordat het optimale effect is bereikt. Pt geeft
aan dat hij
weinig verwachtingen heeft van het middel, maar het een kans gaat geven.” Dezelfde
dag schrijft de
psychiater om 13:42 uur: “Client heeft wel 25 mg Nozinan nodig om te slapen. Verder
serotonerg
middel voor stemmingswisselingen.
R/Nozinan 25 mg tablet (…) STOP
3.14 Op 14 december 2024 is klager gestopt met levomepromazine en overgestapt op
mirtazapine. Het
voorschrijven van mirtazapine is gebeurd met het oog op de stemmingsklachten en
omdat deze
medicatie ook de slaap ondersteunt. Vrij snel daarna is aan klager ook, in opbouwende
dosis,
quetiapine voorgeschreven. Op 23 december 2024 is de nieuwe medicatie met klager
geëvalueerd.
Klager gaf aan niet makkelijk in te slapen, maar wel goed door te slapen. Er werden
geen
bijwerkingen genoteerd.
3.15 Op 7 en 8 januari 2025 heeft de ANIOS met klager over de medicatie gesproken
en toonde klager
zich tevreden.
3.16 Op 16 januari 2025 is door een collega van de psychiater om 15.00 uur genoteerd:
“Beleid/ 16-01-2025 START quetiapine 25 mg 0-0-0-1. Maandag 20-01-2025 evaluatie.
3.17 Op 20 januari 2025 is de dosering quetiapine op verzoek van klager verhoogd tot 100 mg daags.
3.18 Op 31 januari 2025 om 17.19 uur is door de psychiater in het dossier genoteerd:
“Sinds
omstreeks 2019 heeft hij een depot gekregen van een antipsychoticum, waartegen een
klacht zou
lopen. Cliënt is nu tevreden over zijn huidige medicatie, zelfs meer nog dan destijds
over de
combinatie olanzapine en fluoxetine. Hij zou wel 50 mg quetiapine als ZN erbij willen
voor als hij
niet in slaap kan komen.”
3.19 Nadien zijn nog diverse aanpassingen in de medicatie van klager doorgevoerd.
4. De klacht en de reactie van de psychiater
4.1 Klager verwijt verweerder dat verweerder en degenen die onder zijn verantwoordelijkheid
werkten:
a) klager niet goed hebben geïnformeerd over de mogelijke bijwerkingen van het stopzetten
van
Nozinan en de overstap naar mirtazapine. Er is geen sprake van informed consent
met betrekking tot
het wisselen van de medicatie;
b) hebben nagelaten de Nozinan geleidelijk af te bouwen;
c) klager niet hebben voorgehouden wat de bijwerkingen van quetiapine, al dan niet
in combinatie
met mirtazapine, zouden kunnen zijn.
4.2 De psychiater heeft het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren.
4.3 Het college gaat hieronder verder in op de standpunten van partijen.
5. De overwegingen van het college
5.1 De criteria voor de beoordeling
De vraag is of de psychiater de zorg heeft verleend die van hem verwacht mocht worden.
De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende psychiater. Bij
de beoordeling
wordt rekening gehouden met de voor de zorgverlener geldende beroepsnormen en andere
professionele
standaarden ten tijde van het klachtwaardig geachte handelen.
Dat een zorgverlener beter anders had kunnen handelen is niet altijd genoeg voor
een
tuchtrechtelijk verwijt. Verder geldt het uitgangspunt dat zorgverleners alleen
tuchtrechtelijk
verantwoordelijk zijn voor hun eigen handelen.
Indien en voor zover klager met zijn klacht(onderdelen) tevens het oog heeft gehad
op het
verwijtbaar handelen van anderen die bij de behandeling betrokken waren, in dit
geval de ANIOS die
een eigen verantwoordelijkheid heeft, kan klager niet ontvangen worden in zijn klacht.
Klachtonderdeel a) onvoldoende informatie gegeven over bijwerkingen bij afbouw van
Nozinan en
overstap naar mirtazapine; er is geen sprake van informed consent met betrekking
tot het wisselen
van de medicatie, en
klachtonderdeel c) onvoldoende voorlichting gegeven over bijwerkingen van quetiapine,
al dan niet
in combinatie met mirtazapine.
5.2 De klachtonderdelen a) en c) lenen zich voor een gezamenlijke bespreking.
Ter onderbouwing
van deze klachtonderdelen heeft klager het volgende aangevoerd.
Klager heeft al langere tijd slaapproblemen. In dat kader heeft hij door de psychiater
het
slaapmiddel levomepromazine 25 mg daags voorgeschreven gekregen.
Klager kampte door het gebruik van dit middel echter met bijwerkingen, onder andere
dat hij ’s
ochtends niet of nauwelijks uit bed kwam. Ook ondervond klager depressieve klachten
ten gevolge van
het medicijn. De psychiater heeft de dosis gehalveerd maar daardoor kon klager weer
niet goed
slapen. Daarom kreeg klager mirtazapine voorgeschreven. Vervolgens kon klager nog
steeds niet goed
slapen en was hij snel geïrriteerd.
5.3 Pas toen klager quetiapine voorgeschreven kreeg, kon hij weer beter slapen.
Klager heeft opgezocht op internet dat het niet kunnen slapen en de irritatie het
gevolg zou kunnen
zijn van het niet afbouwen van levomepromazine en de overstap naar mirtazapine in
de eerste 4 tot 6
weken. Daarbij zouden onder meer angst, opgefokt raken, onrust en vijandigheden
naar derden en de
gebruiker zelf, als bijwerkingen kunnen optreden. Deze mogelijke bijwerkingen zijn
volgens klager
niet aan hem gemeld. Klager is van mening dat hij door de psychiater onvoldoende
geïnformeerd is
over de mogelijke bijwerkingen van het stopzetten van levomepromazine, de overstap
naar mirtazapine
en de bijwerkingen van quetiapine, al dan niet in combinatie met mirtazapine.
5.4 De psychiater is van mening dat klager lege artis en met een uitstekend resultaat
- ook medicamenteus - is behandeld. Van nadelige bijwerkingen door de voorgeschreven
medicatie is
niet gebleken. Klager is bij de start van elk medicament gewezen op eventuele bijwerkingen.
Klager
is door de psychiater gewezen op de effecten van het wegvallen van het slaapbevorderende
effect bij
het staken van levomepromazine. In overleg met klager is besloten om te starten
met mirtazapine,
enerzijds gericht op substitutie van de levomepromazine aangezien mirtazapine eveneens
slaapondersteunend werkt, en anderzijds gericht op zijn depressieve klachten. Althans,
dit was voor
klager reden om deze voorgestelde behandeling aan te vangen. Klager heeft steeds
ingestemd met de
voorgestelde behandelingen.
5.5 Dat er een verband is tussen de door klager genoemde medicatiewijzigingen en
het gedrag van
klager wordt door de psychiater weersproken. Het beschreven gedrag maakt immers
ook onderdeel uit
van de persoonlijkheidsstoornis die bij klager is vastgesteld.
Er wordt binnen de instelling gewerkt met een gepersonaliseerd signaleringsplan
met daarin
welomschreven, door de kliniek te observeren, als ook door de patiënt zelf aan te
geven, klachten
en risicogedrag. In dit signaleringsplan wordt ook genoteerd welke interventies
plaatsvinden.
Hieronder vallen tevens de eventuele bijwerkingen van medicatie.
Dit systeem is gedurende de hele opname van klager, en dus ook ten tijde van de
bekritiseerde
medicatiewisselingen, gehanteerd. Op de afdeling wordt desgevraagd ruim informatie
verstrekt over
potentiële bijwerkingen van de voorgeschreven medicatie. Dit is ook een vast thema
in de gesprekken met het sociotherapeutisch team. Bovendien heeft de ANIOS uitvoerig
stil gestaan bij de werkingen en de bijwerkingen van de aan klager voorgestelde en uiteindelijk
voorgeschreven medicatie.
5.6 Met betrekking tot het klachtonderdeel dat klager niet is voorgehouden wat de
bijwerkingen
van quetiapine, al dan niet in combinatie met mirtazapine, kunnen zijn, geeft de
psychiater aan dat
klager quetiapine reeds vanuit de gevangenis kende. Hij vroeg zelfs bij herhaling
om hogere
doseringen. De bijwerkingen van het middel zijn met klager besproken, waaronder
vooral de metabole
bijwerkingen. Deze bijwerkingen waren ook reeds op
16 januari 2025 door de ANIOS met klager besproken.
5.7 Het college overweegt als volgt. Vast staat dat de op 19 juli 2024 voorgeschreven
medicatie
door de psychiater op 3 december 2024 is gehalveerd. Het ging toen om het middel
levomepromazine.
Op 14 december 2024 is in overleg met klager gestopt met het voorschrijven van levomepromazine.
De
psychiater heeft op 14 december 2024 het middel mirtazapine aan klager voorgeschreven.
Klager heeft
met zowel het starten van de levomepromazine, het stoppen ervan als ook de overstap
naar
mirtazapine ingestemd.
5.8 Uit de vaststaande feiten en omstandigheden alsmede hetgeen in het medisch dossier
zowel door
de psychiater als door de andere medewerkers van het behandelteam is opgenomen,
kan naar het
oordeel van het college worden opgemaakt dat klager op correcte wijze is geïnformeerd
met
betrekking tot het gebruik van medicatie en over mogelijke bijwerkingen. Klager
is door het
behandelteam ook steeds op zorgvuldige wijze gemonitord en waar nodig hebben aanpassingen
in het
medicatiegebruik plaatsgevonden. Dat het niet steeds de psychiater is geweest die
klager heeft
geïnformeerd en heeft gemonitord, laat onverlet dat klager op voldoende wijze is
geïnformeerd. Met
betrekking tot de klacht dat klager niet zou zijn gewezen op de bijwerkingen van
quetiapine stelt
het college vast dat klager bekend was met het middel omdat hij het eerder al gebruikt
had.
5.9 Hoewel in het medisch dossier niet woordelijk is weergegeven wat aan klager
is meegedeeld,
doet dat niet af aan de zorgvuldige handelwijze met betrekking tot het voorschrijven
van de
medicatie zoals deze wel uit het medisch dossier blijkt. Uit het dossier maakt het
college op dat
er systematisch en frequent monitoring van de behandeling heeft plaatsgevonden.
Hoewel met
betrekking tot de farmacotherapeutische behandeling de dossiervoering door de psychiater
op punten
scherper had gekund, oordeelt het college dat het niet opnemen van een letterlijke
weergave van het
besprokene in het medisch dossier, geen tuchtrechtelijk verwijt oplevert.
5.10 Het college overweegt ten overvloede nog het volgende.
Voor zover klager met de klacht heeft bedoeld dat ook de ANIOS hem niet goed geïnformeerd
heeft
over de mogelijke bijwerkingen van het stopzetten van de levomepromazine, de overstap
naar
mirtazapine en dat klager niet is voorgehouden wat de bijwerkingen zijn van quetiapine,
al dan niet
in combinatie met mirtazapine, verwijst het college een onder 5.1 is overwogen.
Overigens heeft het college geen reden om aan te nemen dat de ANIOS onzorgvuldig gehandeld
heeft nu zowel uit het verweer als uit dossier is gebleken dat
de supervisie van de psychiater, alsmede de samenwerking tussen de psychiater en
de ANIOS goed
georganiseerd en geborgd waren.
Klachtonderdeel b) onvoldoende geleidelijke afbouw van Nozinan
5.11 Klager verwijt de psychiater dat hij niet in overweging heeft genomen om de
levomepromazine
geleidelijk af te bouwen en de gevolgen voor klager daarvan te monitoren. Hij zou
dan minder last
hebben gehad van de bijwerkingen van het stopzetten van deze medicatie en de overstap
naar
mirtazapine. Ook hadden de bijwerkingen in een eerder stadium naar voren kunnen
komen en had naar
aanleiding daarvan gericht gehandeld kunnen worden.
5.12 De psychiater heeft bevestigd dat klager sinds de opname te kennen heeft gegeven
slecht te
slapen. Hierop heeft hij op 19 juli 2024 aan klager levomepromazine 25 mg daags
voorgeschreven.
Klager sliep hierdoor beter. Het probleem was echter dat hij ’s morgens nog erg
moe was en moeilijk
uit bed kwam. Om die reden is de dosis gehalveerd naar 12,5 mg daags, maar toen
ging klager weer
slechter slapen. Omdat de beide doseringen niet het gewenste resultaat lieten zien,
is besloten
over te stappen naar mirtazapine. Enkele dagen later is daar quetiapine bijgevoegd.
De psychiater
meldt dat er geen reden was om levomepromazine bij een gebruik van 25 mg af te bouwen.
Zeker omdat
gelijktijdig met mirtazapine als alternatief werd gestart.
5.13 Het college komt tot het oordeel dat ook dit klachtonderdeel ongegrond is. Daartoe
overweegt
het college het volgende. Op 19 juli 2024 heeft de psychiater levomepromazine 25
mg aan klager
voorgeschreven omdat hij niet goed sliep. In een poging om klager
’s ochtends meer te activeren, werd op 3 december 2024 de dosis levomepromazine
gehalveerd (van 25
mg naar 12,5 mg daags). Klager ging hiermee expliciet akkoord.
Het college stelt vast dat levomepromazine ook in de oorspronkelijk voorgeschreven
dosering – 25 mg
– zonder afbouw mocht worden gestaakt. De dosering bij klager is niettemin verlaagd
tot 12,5 mg.
Dit was dus al een vorm van vertraagde afbouw. Was er bij een dosering van 25 mg
geen reden af te
bouwen, dan was dat bij een dosering van 12,5 mg zeker niet het geval. Naar het
oordeel van het
college heeft de psychiater zorgvuldig gehandeld.
Slotsom
5.14 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat de klacht ongegrond is.
6. De beslissing
Het college verklaart de klacht ongegrond.
Deze beslissing is gegeven door K.A.J.C.M. van den Berg Jeths-van Meerwijk, voorzitter,
W.G.H. Corté, lid-jurist, R.J.M. Lardinois, K.P. Grootens, en H.J. Kolthof, leden-beroepsgenoten,
bijgestaan door I.F. Schouwink, secretaris, en in het openbaar uitgesproken
op 29 april 2026.