ECLI:NL:TGZRSHE:2026:78 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg 's-Hertogenbosch H2024/7714
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRSHE:2026:78 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 29-04-2026 |
| Datum publicatie: | 29-04-2026 |
| Zaaknummer(s): | H2024/7714 |
| Onderwerp: | Geen of onvoldoende zorg |
| Beslissingen: | Ongegrond/afwijzing |
| Inhoudsindicatie: | Klagers verwijten de huisarts onder meer dat hij hen onjuist en zonder toestemming heeft doorverwezen naar de specialistische GGZ, hun integriteit heeft geschonden, onzorgvuldig heeft gehandeld en dat het medisch dossier gebreken vertoont. De klachten vinden hun oorsprong in onvrede over eerdere verwijzingen naar en afwijzingen door een psychologenpraktijk. Het college oordeelt dat de huisarts zorgvuldig heeft gehandeld en zich juist heeft ingespannen om passende hulp voor klagers te organiseren. Uit het dossier en de toelichting ter zitting blijkt dat de huisarts steeds in overleg met klager heeft gehandeld, hem voldoende heeft geïnformeerd en diens instemming heeft verkregen voor de verwijzing naar de specialistische GGZ. Van een verwijzing buiten klager om of van tegenstrijdige verklaringen is geen sprake. Ook het medisch dossier is adequaat bijgehouden en voldoet aan de wettelijke eisen. Voor zover klachten zien op handelen van andere zorgverleners binnen de praktijk, geldt dat de huisarts daarvoor niet tuchtrechtelijk verantwoordelijk is. Alle klachtonderdelen worden ongegrond verklaard. |
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG
TE ’S-HERTOGENBOSCH
Beslissing van 29 april 2026 op de klacht van:
[A],
wonende in [B],
klager,
en
[C],
wonende in [B],
klaagster,
gemachtigde: [D], wonende in [B], hierna gezamenlijk te noemen: klagers,
tegen:
[E],
huisarts, werkzaam in [B],
verweerder, hierna ook: huisarts,
gemachtigde: mr. M.J. de Groot, werkzaam in Hilversum.
1. Waar gaat de zaak over?
1.1 Klaagster is vanaf 2016 patiënt in de praktijk van de huisarts (hierna: de
huisartsenpraktijk). Klager is sinds december 2017 bekend in de huisartsenpraktijk
van de huisarts.
Wegens een escalatie tussen klagers in de huiselijke sfeer kwamen beiden in de huisartsenpraktijk
bij een collega van verweerder. Klagers werden verwezen naar de Praktijkondersteuner
Geestelijke
Gezondheidszorg (hierna: POH-GGZ) in de huisartsenpraktijk, die hen doorverwees
naar een
psychologenpraktijk, waar klagers niet in behandeling werden genomen. Bij klager
ontstond onvrede
en boosheid over de verwijzingen als zodanig en de afwijzingen van het verzoek om
hen in
behandeling te nemen. Klager was vervolgens ontevreden en boos over de verwijzing
door verweerder
naar de specialistische GGZ, alsmede over de inhoud van de verwijzing. Ondanks herhaalde
uitnodigingen door verweerder om hierover in gesprek te gaan, wilde klager daarop
niet ingaan en
diende een tuchtklacht in.
1.2 Het college komt tot het oordeel dat de huisarts niet tuchtrechtelijk verwijtbaar
heeft
gehandeld. Hierna licht het college dat toe.
2. De procedure
2.1 De procedure blijkt uit:
- het klaagschrift van 10 september 2024, ontvangen op 9 oktober 2024;
- de brief van 2 oktober 2024, ontvangen van klager op 9 oktober 2024;
- het klaagschrift van 2 oktober 2024, met bijlagen, ontvangen op 9 oktober 2024;
- de brief van 11 november 2024 van de secretaris aan klager;
- het aanvullend klaagschrift, ontvangen op 17 december 2024;
- de machtiging, ontvangen op 21 januari 2025, waarin de echtgenote van klager
hem machtigt om ook
namens haar de procedure te voeren;
- het verweerschrift, ontvangen op 24 maart 2025;
- de repliek, ontvangen op 29 april 2025;
- de aanvulling op de repliek, ontvangen op 19 mei 2025;
- de dupliek, ontvangen op 10 juni 2025;
- de aanvulling op de dupliek, ontvangen op 27 juni 2025;
- het proces-verbaal van het mondeling vooronderzoek, gehouden op 30 september
2025.
2.2 De zaak is behandeld op de openbare zitting van 6 maart 2026. Verweerder is
verschenen. Hij
werd bijgestaan door zijn gemachtigde. Klagers waren afwezig zonder bericht van
verhindering,
ofschoon zij adequaat waren opgeroepen. Verweerder en zijn gemachtigde hebben hun
standpunten
mondeling toegelicht.
3. Wat is er gebeurd?
3.1 Op 4 april 2024 zijn klager en klaagster op het spreekuur bij een collega-huisarts
van
verweerder gezien na een escalatie tussen klagers in de huiselijke sfeer. Klager
wilde graag dat
klaagster hulp zou krijgen. De collega-huisarts stelde hulp voor in de GGZ voor
klager, wat klager
niet wilde. Wel werd ingestemd met een afspraak voor klagers bij de POH-GGZ van
de
huisartsenpraktijk. Na een eerste consult op 10 april 2024 bij de POH-GGZ werd een
vervolggesprek
gepland op 17 april 2024 voor individuele therapie in verband met de afzonderlijke
problematiek van
elk van de klagers. Beide klagers stemden in met de verwijzing naar een psychologenpraktijk
voor
relatietherapie, waarna de POH-GGZ de verwijsbrieven schreef. Klagers werden bij
de
psychologenpraktijk geweigerd. Klager bracht de POH-GGZ er telefonisch van op de
hoogte dat hij
niet tevreden was over het contact dat hij had met de psychologenpraktijk.
3.2 Op 26 april 2024 zag verweerder klager op zijn spreekuur. Klager was boos op
de
psychologenpraktijk omdat hij naar zijn mening niet adequaat en snel genoeg werd
behandeld.
Verweerder heeft klager aangehoord en geprobeerd klager te begeleiden in zijn onvrede
over de
psychologenpraktijk. Klager stond niet open voor andere therapie.
3.3 Klager voelde zich gediscrimineerd door de psychologenpraktijk. Hij wilde vernemen
waarom de
psychologenpraktijk klagers niet in behandeling wilde nemen. De reden is schriftelijk
aan de
huisartsenpraktijk meegedeeld. Klagers zijn niet in behandeling genomen omdat de
hulpvragen van
klagers te complex waren voor de basis GGZ. Op 11 juni 2024 voerde verweerder een
gesprek met
klager over de reden van afwijzing. Klager voelde zich afgescheept door de psychologenpraktijk.
Hij
wilde samen met klaagster in therapie en nog niet naar een (specialistische) GGZ-instelling.
3.4 Op 19 juni 2024 kwamen klagers samen op het spreekuur van verweerder, waarbij
verweerder
verdere verwijzing naar de specialistische GGZ besprak, maar klager wilde op dat
moment nog geen
verdere verwijzing.
3.5 Op 21 augustus 2024 wachtte klager verweerder aan het einde van de dag op bij
de
huisartsenpraktijk. Het was die dag wederom misgegaan in de huiselijke sfeer. Klager
was van mening
dat dit het gevolg was van het gedrag van klaagster en dat het probleem zou zijn
opgelost als zij
hulp zou krijgen. In een lang gesprek heeft verweerder geprobeerd uit te leggen
dat het er niet om
gaat bij wie iets mis is, maar hoe de huisartsenpraktijk hem het beste kan helpen
en begeleiden.
Verweerder stelde voor om een verwijzing te schrijven naar de specialistische GGZ.
Klager wilde dat
aanvankelijk niet, maar hij liet verweerder bij het verlaten van de huisartsenpraktijk
weten toch
akkoord te gaan met de verwijzing.
3.6 Per brief van 25 augustus 2024 maakte klager aan verweerder zijn onvrede kenbaar
jegens
verweerder, maar gaf hij ook aan dat hij verwezen wilde worden naar een (alle citaten
voor zover
van belang en letterlijk weergegeven): “psycholoog die complexe zaken in behandeling
neemt” en dat
hij de verwijzing alsnog tegemoet zag.
3.7 Verweerder schreef op 29 augustus 2024 een verwijzing naar de specialistische
GGZ voor een
oriënterend gesprek met de reden voor verwijzing en de voorgeschiedenis via Zorgdomein.
De
verwijzing was besproken met klager en hij had hiervoor toestemming gegeven. Vervolgens
ontving
verweerder op 10 september 2024 een brief van klager, waarin hij, onder verwijzing
naar zijn brief
van 25 augustus 2024, aankondigde “dat ik mij genoodzaakt ziet mijn klachten en
grieven deze voor
te leggen bij het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg. (…), mede gelet
op de
onrechtmatige doorverwijzing alsmede in gebrekestelling en tegenstrijdige verklaring.”
3.8 Op 16 september 2024 belde de specialistische GGZ-instelling met de huisartsenpraktijk
dat
klager de aldaar gemaakte afspraak had afgezegd. Verweerder heeft klager verschillende
keren
uitgenodigd voor een gesprek, maar klager is daarop niet ingaan. De GGZ-instelling
belde op 27
september 2024 met verweerder, omdat klager de GGZ-instelling had benaderd met het
verzoek of zij
klager de verwijsbrief wilde toesturen. Verweerder had hiertegen geen bezwaar, maar
hij had de
brief liever persoonlijk gegeven met een begeleidend gesprek met klager. Klager
wilde daarvan niets
weten. Verweerder schreef daarom een brief aan klager om een en ander te verklaren
en op te lossen.
3.9 Op 2 oktober 2024 ontving verweerder wederom een brief van klager, waarin hij
zich erover
beklaagde dat de verwijzing naar de specialistische GGZ-instelling niet met hem
was besproken en
hij geen toestemming had gegeven en dat het verzoek van klager en klaagster voor
relatietherapie
niet van de grond was gekomen.
3.10 Verweerder heeft daarop klager opnieuw uitgenodigd om op het spreekuur te komen
om de
situatie te bespreken. Aangezien klager niet naar het spreekuur wilde komen, heeft
verweerder op 11
oktober 2024 schriftelijk aan klager laten weten dat het klager vrijstaat om een
tuchtklacht in te
dienen en dat verweerder begrip heeft voor de problemen van klager. Verder vroeg
verweerder zich in
de brief het volgende af: “(…) of het niet beter is om samen in gesprek te gaan,
om een oplossing
te vinden waarin u zich zou kunnen vinden? Desnoods kunnen we dat gesprek aangaan
met een persoon
erbij, zodat u zich misschien wat meer gehoord voelt.” Verweerder heeft klager na
het gesprek van
26 augustus 2024 zelf niet meer gesproken.
4. De klacht en de reactie van de huisarts
4.1 Klagers verwijten de huisarts het volgende:
a) dat er tegenstrijdige verklaringen zijn afgelegd;
b) dat hij de integriteit van klager richting de specialistische GGZ-instelling
heeft geschonden;
c) een onrechtmatige verwijzing, omdat de verwijzing buiten klager om is gegaan
en relevante
informatie in het dossier ontbreekt;
d) dat hij in gebreke is geweest;
e) dat het medisch dossier van klager onnodig in het geding is gebracht en dat het
medisch dossier
van klager zonder enig overleg ten onrechte tot stand is gekomen;
f) dat er door drie huisartsen, werkzaam in de huisartsenpraktijk van verweerder,
verkeerde
diagnoses zijn gesteld, hetgeen onzorgvuldig is. Verweerder is daarvoor verantwoordelijk.
4.2 De huisarts heeft het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren.
4.3 Het college gaat hieronder verder, voor zover nodig, in op de standpunten van partijen.
5. De overwegingen van het college
Welke criteria gelden bij de beoordeling?
5.1 De vraag is of de huisarts de zorg heeft verleend die van hem verwacht mocht
worden. De norm
daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende huisarts. Bij de beoordeling
wordt rekening
gehouden met de voor de zorgverlener geldende beroepsnormen en andere professionele
standaarden.
Verder geldt het uitgangspunt dat zorgverleners alleen tuchtrechtelijk verantwoordelijk
zijn voor
hun eigen handelen.
Klachtonderdeel a) dat er tegenstrijdige verklaringen zijn afgelegd.
5.2 Uit het klaagschrift en uit het proces-verbaal van het mondeling vooronderzoek
blijkt dat
klager met deze klacht bedoelt dat hij ervan uit is gegaan dat klagers voor relatietherapie
werden
verwezen, maar dat een verwijzing werd geschreven voor klager persoonlijk vanwege
het feit dat er
allerlei hulpvragen lagen. Klager had zich aanvankelijk tot de huisartsenpraktijk
gewend omdat hij
van mening was dat klaagster hulp nodig had. Het advies van de collega huisarts
van verweerder was
om klager naar de GGZ te verwijzen voor hulp bij zijn persoonlijkheidsproblematiek.
Daar wilde
klager niet van weten. Wel stemde klager in met een gesprek bij de POH-GGZ met beide
echtgenoten.
5.3 De POH-GGZ heeft na een tweetal bijeenkomsten met klagers aangegeven dat de
hulpvraag te
complex was. Hij heeft klagers daarom naar een psychologenpraktijk verwezen. De
psychologenpraktijk
was ook van mening dat de hulpvraag te complex was voor de basis GGZ. Vervolgens
verwees verweerder
klager op 29 augustus 2024 naar de specialistische GGZ, waarmee klager mondeling
en schriftelijk
had ingestemd. Klager meende dat het steeds ging om relatietherapie, maar dat de
inhoud van de
verwijzingen op klager was gericht. Hierover en over de gang van zaken rond de verwijzingen
was hij
zeer ontstemd.
5.4 Het college is van oordeel dat verweerder zich heeft ingespannen om klagers
te ondersteunen
en naar de juiste instantie te verwijzen voor hulp. Dit blijkt uit de schriftelijke
stukken en uit
wat verweerder ter zitting naar voren heeft gebracht. Het college stelt vast dat
verweerder steeds
ruim de tijd heeft genomen om klager, maar ook klaagster, te woord te staan en te
ondersteunen bij
de bestaande problematiek tussen klagers onderling en bij klagers afzonderlijk.
Ook in de onvrede
die klager ervaarde rond de afwijzing door de psychologenpraktijk om hen in behandeling
te nemen,
heeft verweerder klager ondersteund. In het gesprek op 21 augustus 2024 heeft verweerder
tegen
klager gezegd dat niet alleen de problematiek van klaagster, maar ook de persoonlijkheid
van klager
onderdeel van het probleem was en dat het verstandig was om daar ook naar te kijken.
Klager heeft
daarop gezegd dat verweerder hem dan ook maar moest verwijzen. Dit betekent dat
de verwijzing van
klagers niet alleen relatietherapie betrof, maar ook hulp van specialistische GGZ
voor ieder van
hen afzonderlijk. Verweerder heeft de zorgplicht naar klagers dan ook zeer serieus
genomen en van
tegenstrijdige verklaringen is geen sprake. Dit klachtonderdeel is ongegrond.
Klachtonderdeel b) schending van de integriteit van klager richting de specialistische
GGZ-instelling.
5.5 Klager meent dat de verwijzing naar de specialistische GGZ onrechtmatig is
en buiten hem tot
stand is gekomen. Uit het medisch dossier en uit wat verweerder ter zitting naar
voren heeft
gebracht blijkt dat verweerder klager heeft geprobeerd uit te leggen dat hij een
plan wilde maken
met klager om hulp voor hem te krijgen. Ook wilde verweerder kijken hoe de huisartsen
klager
hierbij het beste kunnen begeleiden. Aanvankelijk weigerde klager te worden verwezen,
maar aan het
einde van het gesprek op 21 augustus 2024 stemde klager met de verwijzing naar de
specialistische
GGZ in. Dit blijkt ook uit de opmerking van klager in zijn brief van 25 augustus
2024 dat klager de verwijzing van verweerder alsnog tegemoet wenst te zien. Daaruit
leidt het college af dat klager voldoende is geïnformeerd over de verwijzing, dat klager
met de verwijzing heeft ingestemd en dat verweerder niet achter de rug van klager
om hem
heeft verwezen, maar daarover steeds eerlijk en open is geweest.
5.6 Het is voor het college helder dat gebruikelijkerwijs voor een verwijzing naar
de
specialistische GGZ een reden moet worden gegeven, alsmede relevante informatie
uit de
voorgeschiedenis. Verweerder heeft uitgelegd dat de verwijzing op gebruikelijke
wijze via
Zorgdomein is verstuurd inclusief de medisch relevante informatie. Dit is naar het
oordeel van het
college op zorgvuldige wijze gedaan. Verweerder heeft naar het oordeel van het college
de
integriteit van klager niet geschonden. Dit klachtonderdeel is ongegrond.
Klachtonderdeel c) een onrechtmatige verwijzing, omdat de verwijzing buiten klager
om is gegaan en
relevantie informatie in het dossier ontbreekt.
5.7 Klager gaf tijdens het mondeling vooronderzoek aan dat klagers vanaf het begin
relatietherapie wensten en hij vroeg zich af waarom hij dan persoonlijk is verwezen.
Tevens vroeg
hij zich af waarom verweerder pas later naar de specialistische GGZ verwees, terwijl
er meerdere
hulpvragen in meerdere categorieën lagen. Het college komt op grond van de stukken
en wat in het
mondeling vooronderzoek en ter zitting naar voren is gebracht, tot de conclusie
dat vanaf 4 april
2024 door de huisartsenpraktijk al geprobeerd is om klager naar de specialistische
GGZ te
verwijzen, maar dat klager dit niet of nog niet wenste.
5.8 Nadat klagers waren afgewezen voor behandeling door de psychologenpraktijk,
heeft verweerder
hierover regelmatig met klager gesproken, zoals ook uit het medisch dossier blijkt.
Verweerder
heeft de psychologenpraktijk gebeld voor een toelichting op de afwijzing en ook
dit besproken met
klager. Verweerder heeft eveneens duidelijk met klager besproken waarom de specialistische
GGZ de
juiste behandeling zou kunnen geven aan klager. Vervolgens heeft verweerder klager
verwezen naar de
specialistische GGZ. Naar het oordeel van het college heeft verweerder steeds geprobeerd
om met
klager in contact te blijven en een oplossing te vinden voor de juiste behandeling
voor klagers.
Het college constateert dat verweerder zich bijzonder heeft ingespannen om klagers
te begeleiden en
ondersteunen.
5.9 Het college heeft ter zitting niet kunnen vragen welke informatie volgens klager
in het
medisch dossier ontbreekt. Voor zover het college kan nagaan bevat het medisch dossier
de
informatie die nodig is. De notities zijn adequaat en de verwijsbrieven zijn in
het medisch dossier
opgenomen. Het college is van oordeel dat verweerder niet tuchtrechtelijk verwijtbaar
heeft
gehandeld. Dit klachtonderdeel is ongegrond.
Klachtonderdeel d) dat hij in gebreke is geweest.
5.10 Uit het klaagschrift wordt niet duidelijk wat klager bedoelt met het verwijt
dat verweerder
in gebreke is geweest. Klager stelde tijdens het mondeling vooronderzoek dat de
hulpvraag volgens
de POH-GGZ en de psychologenpraktijk te complex was en dat zij direct tot deze conclusie
kwamen
zonder nader onderzoek. Verweerder was daar volgens klager bij betrokken. In het
tuchtrecht gaat het echter om het persoonlijk handelen van de aangeklaagde beroepsbeoefenaar.
Het college stelt vast dat verweerder niet betrokken is geweest bij het oordeel van
de POH-GGZ en de psychologenpraktijk dat de hulpvraag van klagers te complex was.
Verweerder kan daarvoor dan ook niet tuchtrechtelijk verantwoordelijk worden gehouden.
Hij heeft
nagevraagd bij de psychologenpraktijk wat de reden was voor de afwijzing en dit
met klager
besproken. Verweerder heeft vervolgens op zorgvuldige wijze gekeken op welke wijze
hij klagers
verder kon begeleiden en verwijzen. Dit klachtonderdeel is ongegrond.
Klachtonderdeel e) dat het medisch dossier van klager onnodig in het geding is gebracht
en dat het
medisch dossier van klager zonder enig overleg ten onrechte tot stand is gekomen.
5.11 Van verweerder wordt verwacht dat hij zich in een tuchtklacht toetsbaar opstelt
en
verantwoording aflegt voor zijn handelen. Daarvoor kan het nodig zijn dat hij gebruik
maakt van het
medisch dossier van klager en het relevante deel van het dossier ter kennisneming
aan het college
verstrekt, zoals in deze klacht is gebeurd. Hij moet zich immers adequaat kunnen
verweren met zo
nodig verwijzing naar relevante gegevens uit het medisch dossier van klager. Naar
het oordeel van
het college heeft verweerder dit op correcte wijze gedaan en is geen sprake van
klachtwaardig
handelen.
5.12 Zover het college kan nagaan beantwoordt het medisch dossier van klager
aan de daarvoor gestelde wettelijke eisen. Het medisch dossier is adequaat bijgehouden
met goed te
volgen notities over de contacten met klager en de genomen stappen in de behandeling
en begeleiding
van klager. Verweerder heeft voldaan aan de dossierplicht volgens de wet op de geneeskundige
behandelingsovereenkomst. Dit klachtonderdeel is ongegrond.
Klachtonderdeel f) dat er door drie huisartsen werkzaam in de huisartsenpraktijk van
verweerder
verkeerde diagnoses zijn gesteld, hetgeen onzorgvuldig is. Verweerder is daarvoor
verantwoordelijk.
5.13 Klager heeft tijdens het mondeling vooronderzoek aangegeven dat hij drie keer
bij de
huisartsenpraktijk is geweest voor schouderklachten en dat telkens verschillende
(verkeerde)
diagnoses zijn gesteld door de collega-huisartsen van verweerder. Klager acht verweerder
daarvoor
verantwoordelijk. Het college stelt vast dat verweerder weliswaar praktijkeigenaar
is, maar dat
alle artsen werkzaam in de huisartsenpraktijk verantwoordelijk zijn voor hun eigen
handelen. Het
handelen van de collega’s kan verweerder niet tuchtrechtelijk worden tegengeworpen.
Dit
klachtonderdeel is ongegrond.
Slotsom
5.14 Ter zitting is gebleken dat ondanks de onderhavige klacht verweerder nog steeds
zorgen heeft
over klager en zijn verantwoordelijkheid hierin neemt. Hij heeft de gebeurtenissen
met klagers ter
intervisie aan zijn collega’s voorgelegd en besproken of het beter of anders had
gekund. Het
college merkt op dat verweerder zich uitgebreid heeft ingespannen om goede zorg
te verlenen aan klagers en dat hij hierin meer dan zorgvuldig heeft gehandeld.
5.15 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat alle onderdelen van de klacht ongegrond zijn.
6. De beslissing
Het college:
- verklaart de klacht ongegrond.
Deze beslissing is gegeven door T.N.E. Meyboom, voorzitter, H.J.C. Smink, lid-jurist,
J.G.E. Smeets, B.C.A.M. van Casteren-van Gils en J.M. Hoevers, leden-beroepsgenoten,
bijgestaan
door G.J. Stoepker, secretaris, en in het openbaar uitgesproken door
K.A.J.C.M. van den Berg Jeths-van Meerwijk op 29 april 2026.