ECLI:NL:TGZRSHE:2026:77 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg 's-Hertogenbosch H2025-8238

ECLI: ECLI:NL:TGZRSHE:2026:77
Datum uitspraak: 29-04-2026
Datum publicatie: 29-04-2026
Zaaknummer(s): H2025-8238
Onderwerp: Onjuiste verklaring of rapport
Beslissingen: Ongegrond/afwijzing
Inhoudsindicatie: Klaagster had een geschil met het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen over de toekenning van een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen. Verweerder is verzekeringsarts bezwaar en beroep bij het UWV. Hij heeft een herbeoordeling verricht in bezwaar, beroep en hoger beroep. In hoger beroep heeft verweerder uiteindelijk zijn standpunt herzien, hetgeen leidde tot de toekenning van een uitkering. Klaagster maakt verweerder uiteenlopende verwijten, onder meer over het ten onrechte volharden in zijn eerder ingenomen standpunt met betrekking tot de diagnose ME/CVS in 2019 en de weigering om direct daarna de behandelaren van klaagster te raadplegen. Het college komt tot het oordeel dat de klacht ongegrond is.

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG
TE ’S-HERTOGENBOSCH

Beslissing van 29 april 2026 op de klacht van:
[A],
wonende in [B],
klaagster,
gemachtigden: mr. Y. van der Linden, werkzaam in Helmond, en [C],
tegen

[D],
arts arbeid en gezondheid - verzekeringsgeneeskunde,
werkzaam in Eindhoven,
verweerder, hierna ook: de verzekeringsarts, gemachtigde: mr. I. Veldhuizen, werkzaam in Amsterdam.

1.   De zaak in het kort
1.1   Klaagster had een geschil met het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) over de 
toekenning van een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). 
Volgens het UWV is klaagster minder dan 35% arbeidsongeschikt. Klaagster heeft vruchteloos bezwaar 
gemaakt en beroep ingesteld. Daarna heeft zij hoger beroep ingesteld. Verweerder is 
verzekeringsarts bezwaar en beroep bij het UWV. Hij heeft de herbeoordeling verricht in bezwaar, 
beroep en hoger beroep. In hoger beroep heeft verweerder uiteindelijk zijn standpunt herzien, 
hetgeen leidde tot de toekenning van een uitkering. Klaagster maakt verweerder in de onderhavige 
procedure uiteenlopende verwijten, onder meer over het ten onrechte volharden in zijn eerder 
ingenomen standpunt met betrekking tot de diagnose ME/CVS in 2019 en de weigering om direct daarna 
de behandelaren van klaagster te raadplegen.

1.2   Het college komt tot het oordeel dat alle klachtonderdelen ongegrond zijn. Hierna licht het 
college toe hoe het tot deze beslissing is gekomen.

2.  De procedure
2.1  De procedure blijkt uit:
-  het klaagschrift, ontvangen op 7 maart 2025;
-  het verweerschrift, ontvangen op 14 mei 2025;
-  de repliek, ontvangen op 6 juni 2025;
-  de dupliek, ontvangen op 26 juni 2025;
-  bewijsstukken, ontvangen van de gemachtigde van klaagster op 8 september 2025;

-  het proces-verbaal van het mondeling vooronderzoek, gehouden op 28 oktober 2025.

2.2   De zaak is behandeld op de openbare zitting van 6 maart 2026. Klaagster heeft zich laten 
vertegenwoordigen door haar gemachtigden. Verweerder is verschenen en werd bijgestaan door zijn 
gemachtigde. De partijen en hun gemachtigden hebben hun standpunten mondeling toegelicht. 
Verweerder heeft een pleitnotitie voorgelezen en aan het college en de andere partij overhandigd.

3.   Wat is er gebeurd?
3.1   Klaagster is in 2009 uitgevallen op haar werk wegens knieklachten na een ski-ongeval. Het UWV 
heeft klaagster na de Wet WIA einde wachttijd beoordeling niet in aanmerking gebracht voor een 
uitkering op grond van de Wet WIA, omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was. Klaagster heeft 
zich vanuit een werkloosheidssituatie per 25 april 2016 ziekgemeld. Het UWV heeft klaagster daarna 
opnieuw niet in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van de Wet WIA, omdat zij minder 
dan 35% arbeidsongeschikt was.

3.2 Bij besluit van 27 maart 2018 heeft het UWV, na verzekeringsgeneeskundig en arbeidsdeskundig 
onderzoek, vastgesteld dat klaagster om diezelfde reden ook per
23 april 2018 (datum in geding) geen recht heeft op een uitkering op grond van de Wet WIA.

3.3   Klaagster heeft tegen het besluit van 27 maart 2018 bezwaar gemaakt. In dat kader heeft 
verweerder een heroverweging verricht. Hij heeft het dossier bestudeerd. Daarin zaten onder meer de 
beoordeling van de primaire verzekeringsarts en een door deze verzekeringsarts opgemaakt 
functionele mogelijkhedenlijst (FML). Verweerder heeft verder een bezwaarhoorzitting gehouden en 
informatie van de behandelaren van klaagster, ingediend door klaagster, in zijn heroverweging 
betrokken. In zijn rapport van 21 augustus 2018 heeft verweerder zich geschaard achter het 
standpunt van de Gezondheidsraad dat de op dat moment beschikbare informatie geen 
medisch-wetenschappelijke onderbouwing bood voor het bestaan van ‘multiple chemical sensitivity’ 
als syndroom of ziekte. Dit betekende volgens verweerder dat er geen rechtvaardiging bestond voor 
het aannemen van meer/uitgebreidere beperkingen ten aanzien van blootstelling aan agentia.

3.4   Verweerder heeft in zijn rapport van 10 september 2018, naar aanleiding van de opmerkingen 
van klaagster op het rapport van 21 augustus 2018, geconcludeerd dat (behalve voor de FML-rubriek 
knielen/hurken) geen reden bestaat om de eerdere conclusie over de belastbaarheid van klaagster bij 
te stellen. De aanvullend aangenomen beperking voor knielen/hurken had volgens de arbeidsdeskundige 
echter geen gevolgen voor de geschiktheid van de eerder geselecteerde functies, zodat de mate van 
arbeidsongeschiktheid van klaagster niet is gewijzigd.

3.5  Bij besluit van 11 september 2018 heeft het UWV het bezwaar ongegrond verklaard.

3.6   Klaagster heeft tegen het besluit van 11 september 2018 beroep ingesteld bij de rechtbank. In 
dat kader heeft zij onder meer een brief van haar huisarts van 20 juni 2019, brieven van een 
internist/immunoloog van 23 mei 2019 en 14 augustus 2019 en een rapport en aanvullende reactie van 
een door haarzelf ingeschakelde verzekeringsarts van
25 juni 2019 en 22 oktober 2019 overgelegd. Deze verzekeringsarts was onder meer tot de conclusie 
gekomen dat bij klaagster sprake was van myalgische encefalomyelitis/chronisch 
vermoeidheidssyndroom (ME/CVS). Volgens hem moesten aanvullende beperkingen worden aangenomen op de 
duurbelastbaarheid. Ook de huisarts en de internist/immunoloog waren tot de conclusie gekomen dat 
sprake was van CVS.

3.7   Verweerder heeft kennis genomen van de brieven, het rapport en de aanvullende reactie van de 
door klaagster ingeschakelde verzekeringsarts. In zijn rapporten van
29 juli 2019 en 16 december 2019 concludeerde verweerder dat de diagnose CVS medisch gezien niet is 
geobjectiveerd, omdat bij CVS sprake moet zijn van een ernstige vermoeidheid die voorheen niet 
aanwezig was, die niet het gevolg is van inspanning en die niet aanzienlijk afneemt door rust. De 
door klaagster gepresenteerde klachten voldeden volgens verweerder niet aan deze symptomen. 
Verweerder heeft daarbij verwezen naar de brieven van de internist/immunoloog, waarin deze 
weliswaar vaststelde dat sprake is van CVS, maar zonder aantoonbaar substraat voor de klachten en 
waarbij evenmin de diagnose schildersziekte kon worden vastgesteld. De rechtbank heeft de 
conclusies van verweerder onderschreven, omdat ze logisch, inzichtelijk en consistent waren. Bij 
uitspraak van 3 juli 2020 heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard.

3.8   Klaagster heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij de Centrale 
Raad van Beroep. Klaagster heeft daarbij rapporten overgelegd van een (andere) door haarzelf 
ingeschakelde verzekeringsarts. Verweerder heeft van die rapporten kennis genomen en in zijn 
rapporten van 11 januari 2021, 10 december 2021, 21 februari 2022 en 10 mei 2022 geconcludeerd dat 
geen aanleiding bestond af te wijken van het eerder ingenomen standpunt over de belastbaarheid van 
klaagster op 23 april 2018 (datum in geding). De Centrale Raad van Beroep heeft vervolgens een 
onafhankelijke verzekeringsarts benoemd, die op 20 juli 2023 een rapport heeft uitgebracht. In dat 
rapport concludeerde deze onafhankelijke verzekeringsarts dat sprake was van de diagnose myalgische 
encefalomyelitis/chronisch vermoeidheidssyndroom (ME/CVS) en dat aanvullende beperkingen aangenomen 
moeten worden. Verweerder heeft in zijn rapport van 18 maart 2024, naar aanleiding van het rapport 
van de onafhankelijke verzekeringsarts, zijn standpunt herzien en de visie van de onafhankelijke 
verzekeringsarts overgenomen. Hij heeft de FML dienovereenkomstig aangepast.

3.9  Het UWV heeft klaagster bij besluit van 24 april 2024 op grond van de Wet WIA per
23 april 2018 in aanmerking gebracht voor een IVA-uitkering. Klaagster heeft vervolgens het hoger 
beroep ingetrokken.

4.   De klacht en de reactie van de verweerder
4.1  Klaagster verwijt verweerder dat hij:
1) een volstrekt onaanvaardbare houding en mentaliteit heeft aangenomen;
2) tijdens de hoorzitting van 21 augustus 2018 de indruk zou hebben gegeven dat de chemische 
gevoeligheid (MCO/MCS) van klaagster ‘wel mee zou vallen’, dat er geen medisch onderzoek zou hebben 
plaatsgevonden en dat de meegebrachte medische dossiers niet zouden worden ingezien;
3) tijdens het gehele proces gebruik heeft gemaakt van een gedateerd en verouderd FML-systeem. Er 
is sprake van een wet waarbinnen UWV-functionarissen als robotten functioneren, wat mogelijk een 
verklaring zou zijn voor de “wantrouwende” houding van verweerder;
4) ondanks de vele harde bewijzen en diagnoses van diverse reguliere zorgverleners, zou blijven 
volharden in zijn standpunt dat geen sprake is van ME/CVS en dat hij het niet nodig heeft geacht om 
een ter zake kundige neutrale verzekeringsarts in te schakelen om een definitief oordeel te vellen;
5) de ingebrachte feiten (bewust) zou hebben weggelaten in het rapport;
6) geen gehoor zou hebben gegeven aan (zowel mondelinge als schriftelijke) verzoeken om reguliere 
zorgverleners te raadplegen;
7) de voorgeschreven protocollen niet heeft gevolgd;
8) een denigrerende houding heeft aangenomen tegenover reguliere zorgverleners en ingeschakelde 
verzekeringsartsen.

4.2  Verweerder heeft het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren.

4.3  Het college gaat hieronder verder in op de standpunten van partijen.

5.   De overwegingen van het college
5.1   Namens klaagster is tijdens de zitting duidelijk gemaakt dat zij al lange tijd veel last 
heeft van behoorlijke gezondheidsklachten, die een groot negatief effect hebben op haar 
functioneren en haar dagelijkse leven. Dat valt zeer te betreuren.

Welke criteria gelden bij de beoordeling?
5.2   De vraag die in de onderhavige tuchtprocedure centraal staat, is of verweerder de zorg heeft 
verleend die van hem verwacht mocht worden. De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk 
handelende verzekeringsarts. Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor verweerder 
geldende beroepsnormen, andere professionele standaarden en de wetenschappelijke inzichten ten 
tijde van het handelen en de informatie die op het moment van handelen bij de verzekeringsarts 
bekend was of kon zijn. Dat een zorgverlener beter anders had kunnen handelen is niet altijd genoeg 
voor een tuchtrechtelijk verwijt. Verder geldt het uitgangspunt dat zorgverleners alleen 
tuchtrechtelijk verantwoordelijk zijn voor hun eigen handelen.

5.3   Het college zal de klachtonderdelen bespreken aan de hand van de genoemde norm. Daarbij stelt 
het college voorop dat het kader waarin een verzekeringsarts, zoals verweerder, werkzaam is, 
wezenlijk verschilt van het kader van een behandelend arts. Een verzekeringsarts heeft tot taak de 
door een betrokkene ondervonden klachten te ‘vertalen’ in eventuele beperkingen. Daarbij is – 
uiteraard, zoals partijen tijdens de zitting elk naar voren hebben gebracht – de door de 
behandelaren gestelde diagnose relevant, maar niet doorslaggevend. Omdat de beoordeling van een bij 
het UWV werkzame verzekeringsarts van belang is voor de toekenning van een 
arbeidsongeschiktheidsuitkering, en het dus gaat om de besteding van gemeenschapsgelden, is een 
kritische houding van die verzekeringsarts ten aanzien van de door een betrokkene geuite klachten 
passend. Verder is van belang dat de verzekeringsarts altijd een beoordeling doet die betrekking 
heeft op een datum in het verleden, de ‘datum in geding’.

Klachtonderdeel 1) aannemen volstrekt onaanvaardbare houding en mentaliteit
5.4   Klaagster verwijt verweerder een volstrekt onaanvaardbare houding en mentaliteit te hebben 
aangenomen. Klaagster typeert verweerder als arrogant, laatdunkend, wantrouwend, beledigend, 
hardnekkig, afkeurend, slecht luisterend en respectloos. Volgens klaagster heeft verweerder geen 
empathie, meent hij altijd het gelijk aan zijn zijde te hebben en duldt hij geen tegenargumenten. 
Verweerder heeft opgemerkt dat de door klaagster gebruikte typeringen subjectief, suggestief en 
grievend van aard zijn en dat hij betreurt dat klaagster hem zo heeft ervaren. Verweerder 
(vertrouwend op zijn eigen hoorzittingsverslag en het hoorzittingsverslag van de juridisch 
medewerker) herkent zich niet in het beeld dat klaagster van hem schetst.

5.5   Het college is van oordeel dat dit klachtonderdeel ongegrond is. Daarvoor is van belang dat 
in het geval waarin de lezingen van partijen over de feitelijke gang van zaken uiteenlopen, en niet 
kan worden vastgesteld welke van beide lezingen het meest aannemelijk is, een verwijt dat zonder 
nadere onderbouwing is gebaseerd op de lezing van de klagende partij niet gegrond kan worden 
bevonden. Met betrekking tot de klacht van klaagster betekent dit dat niet kan worden vastgesteld 
of verweerder klachtwaardig heeft gehandeld. Dit oordeel berust niet op het uitgangspunt dat het 
woord van de klaagster minder geloof verdient dan dat van de verweerder, maar op de omstandigheid 
dat voor het oordeel of een bepaalde verweten gedraging tuchtrechtelijk verwijtbaar is, eerst moet 
worden vastgesteld welke feiten daaraan ten grondslag gelegd kunnen worden. Deze feiten kan het 
college, ook als aan het woord van klaagster en van verweerder evenveel geloof wordt gehecht, hier 
niet vaststellen.

Klachtonderdeel 2) tijdens de hoorzitting Bezwaar & Beroep van 21 augustus 2018 de indruk wekken 
dat de chemische gevoeligheid (MCO/MCS) van klaagster ‘wel mee zou vallen’, dat er geen medisch 
onderzoek zou hebben plaatsgevonden en dat de meegebrachte medische dossiers niet zouden worden 
ingezien
5.6   Het college is van oordeel dat dit klachtonderdeel ongegrond is. Uit het verslag van 
verweerder van de bezwaarhoorzitting blijkt dat klaagster en verweerder tijdens de bezwaarhoorzitting hebben gesproken over het feit dat klaagster voor MCO/MCS geen ‘normale’ medicijnen gebruikt. Anders dan klaagster kennelijk van mening is, kan daaruit volgens het college niet worden afgeleid dat verweerder vond dat het met de chemische gevoeligheid van klaagster mee zou vallen.

5.7   Dat verweerder tijdens de bezwaarhoorzitting heeft gezegd dat geen medisch onderzoek zou 
plaatsvinden en dat verweerder de medische dossiers niet wilde inzien is naar het oordeel van het 
college navolgbaar. Ten tijde van de bezwaarhoorzitting was de diagnose ME/CVS nog niet gesteld en 
had de primaire verzekeringsarts al lichamelijk onderzoek verricht. De medische informatie die 
klaagster had meegebracht had verweerder al gezien, omdat klaagster die voorafgaand aan de 
bezwaarhoorzitting had ingediend.

Klachtonderdeel 3) gebruikmaken van verouderd FML-systeem
5.8   Het college is van oordeel dat dit klachtonderdeel ongegrond is. Daarvoor is van belang dat 
dit klachtonderdeel niet ziet op het handelen of nalaten van verweerder, en in zoverre dus geen 
persoonlijk verwijt is. Dit klachtonderdeel heeft veeleer te maken met het FML-systeem waarmee 
verzekeringsartsen (zowel binnen als buiten het UWV) werken, en waarvan klaagster stelt dat het 
verouderd is en leidt tot een robotachtige werkwijze.

5.9   Het FML-systeem is naar het oordeel van het college niet verouderd, want het wordt door elke 
verzekeringsarts gebruikt, en het leidt ook niet tot een robotachtige werkwijze. Het FML-systeem 
biedt namelijk voldoende mogelijkheden om in individuele gevallen tot individuele afwegingen te 
komen. Dat verweerder op een robotachtige manier gebruik heeft gemaakt van het FML-systeem is niet 
gebleken; verweerder is tot eigen afwegingen gekomen die hij heeft toegespitst op en ontleend aan 
de medische situatie van klaagster. Dat klaagster niet is betrokken bij het invullen van de FML is 
niet ten onrechte. Verweerder is als verzekeringsarts namelijk vanuit zijn deskundigheid belast met 
de vertaling van de door klaagster ervaren klachten en beperkingen.

Klachtonderdeel 4) en 6) volharden in het standpunt dat geen sprake is van ME/CVS, weigeren 
inschakelen van neutrale verzekeringsarts en niet-raadplegen van behandelaren
5.10  Vanwege de samenhang zal het college de klachtonderdelen 4) en 6) gezamenlijk bespreken. De 
kern van deze klachtonderdelen is dat verweerder volgens klaagster redelijkerwijs niet heeft kunnen 
vasthouden aan zijn standpunt dat geen rechtvaardiging bestaat voor het aannemen van 
meer/uitgebreidere beperkingen in de FML, nadat klaagster in 2019 was gediagnosticeerd met ME/CVS. 
Verweerder had naar aanleiding van deze diagnose actie moeten ondernemen, aldus klaagster. Hij had 
zijn standpunt moeten herzien, de behandelaren van klaagster moeten raadplegen dan wel nader 
onderzoek moeten (laten) verrichten door een neutrale, onafhankelijke verzekeringsarts. Dat zou op 
dat moment hebben geleid tot de conclusie dat voor klaagster een urenbeperking in de FML aangewezen 
was. Zoals tijdens de zitting toegelicht, maakt klaagster verweerder dit verwijt niet met 
betrekking tot de bezwaarfase in 2018, maar met betrekking tot de periode nadien, tijdens de 
(hoger)beroepsprocedure.

5.11  Naar het oordeel van het college valt verweerder, afgezet tegen de hiervoor genoemde 
tuchtnorm en zijn rol als bij het UWV werkzame verzekeringsarts, geen tuchtrechtelijk verwijt te 
maken. Een diagnose is – zoals hiervoor al gezegd – relevant, maar niet doorslaggevend. Verweerder 
heeft, nadat door de behandelaren van klaagster de diagnose ME/CVS was gesteld, op basis van de 
geldende protocollen beredeneerde standpunten ingenomen over haar belastbaarheid. Ook heeft hij 
afdoende toegelicht dat het (eerder) overnemen van de diagnose CVS zijn belastbaarheidsoordeel 
(toen) waarschijnlijk niet anders zou hebben gemaakt. Verweerder heeft namelijk in zijn rapporten 
van 29 juli 2010 en 10 december 2021 de chronische vermoeidheidsklachten van klaagster als uiting van 
ziekte aangemerkt en daaraan een afgenomen mentale en fysiek-energetische belastbaarheid verbonden.

5.12  De verwijzing van klaagster naar de tussenuitspraken van de Centrale Raad van Beroep van 17 
juli 2025 (ECLI:NL:CRVB:2025:990, ECLI:NL:CRVB:2025:991 en
ECLI:NL:CRVB:2025:992) kan haar verder niet baten. In die tussenuitspraken oordeelt de Centrale 
Raad van Beroep namelijk, na een onafhankelijk deskundige te hebben geraadpleegd, dat bepaalde 
onderzoeksmethoden wetenschappelijk onderbouwd zijn en kunnen helpen bij het vaststellen van de 
belastbaarheid van personen met ME/CVS. Klaagster gaat er echter aan voorbij dat deze 
tussenuitspraken en de daarin gegeven oordelen dateren van ná de rapporten waarin verweerder in 
zijn standpunt over de diagnose van klaagster heeft volhard en ook ná het rapport waarin verweerder 
zijn standpunt over de diagnose van klaagster had herzien. Verweerder heeft met de daarin gegeven 
oordelen ten tijde van zijn handelen dus geen rekening kunnen houden, en hem kan daarvan dus ook 
geen tuchtrechtelijk verwijt worden gemaakt.

5.13  Het college volgt klaagster wat betreft deze klachtonderdelen tot slot niet in haar standpunt 
dat verweerder vanwege de diagnose ME/CVS de behandelaren van klaagster had moeten raadplegen, zelf 
nader onderzoek had moeten doen dan wel zulk nader onderzoek had moeten laten verrichten door een 
neutrale, onafhankelijke verzekeringsarts. Verweerder heeft toegelicht, en het college kan hem 
daarin volgen, dat hij bij het schrijven van de verschillende rapporten telkens rekening heeft 
gehouden met de op dat moment beschikbare en relevante medische gegevens. Dit betrof informatie van 
de primaire verzekeringsarts en van de behandelaren van klaagster. Op basis hiervan, in combinatie 
met de bevindingen van de bezwaarhoorzitting, had verweerder een voldoende duidelijk beeld van 
klaagster en is hij beredeneerd tot eigen afwegingen gekomen ten aanzien van de vraag of en welke 
beperkingen voor klaagster aangewezen zijn. Er bestond voor verweerder daarom geen aanleiding om 
informatie op te vragen of onderzoek te (laten) doen. Verweerder was hiertoe ook niet verplicht, 
omdat uitgangspunt is dat hij binnen zijn eigen deskundigheid mag varen op zijn eigen oordeel. Het 
enkele feit dat op enig moment door een (of meer) behandelaar(s) een diagnose wordt gesteld, maakt 
dat uitgangspunt niet anders.

5.14  Het voorgaande betekent dat deze klachtonderdelen ongegrond zijn.

Klachtonderdeel 5) weglaten van feiten in de rapporten
5.15  Het college is van oordeel dat dit klachtonderdeel ongegrond is. Daarvoor is van belang dat 
klaagster in haar klaagschrift niet duidelijk heeft gemaakt welke feiten verweerder in zijn 
rapporten zou hebben weggelaten. Verweerder heeft toegelicht, en het college kan hem daarin volgen, 
dat hij bij het schrijven van de verschillende rapporten telkens rekening heeft gehouden met de op 
dat moment beschikbare en relevante medische gegevens.

Klachtonderdeel 7) niet volgen van voorgeschreven protocollen
5.16  Het college is van oordeel dat dit klachtonderdeel ongegrond is. Verweerder heeft rekening 
gehouden met het protocol ‘Chronisch vermoeidheidsyndroom’ van de Gezondheidsraad van april 2007, 
welke protocol inhoudelijk gelijk is aan het protocol uit
2013. In zijn rapport van 16 december 2019 heeft verweerder naar dat protocol verwezen en is hij 
tot een beredeneerde overweging gekomen. Hetzelfde geldt voor een beleidsstuk van het UWV van juli 
2018 met betrekking tot ME/CVS. Dat beleidsstuk is meegenomen in verweerders rapport van 11 januari 
2021. Voor zover klaagster zich, zoals ter zitting toegelicht, op het standpunt stelt dat 
verweerder protocollen voor ME/CVS, afkomstig uit de Verenigde Staten, had moeten volgen, volgt het 
college haar daarin niet. Klaagster heeft niet geconcretiseerd op welke protocollen zij doelt en 
ook niet of die in Nederland zijn geïmplementeerd.

Klachtonderdeel 8) aannemen van een denigrerende houding
5.17  Volgens klaagster heeft verweerder een denigrerende houding aangenomen tegenover reguliere 
zorgverleners en ingeschakelde verzekeringsartsen. Klaagster wijst erop dat verweerder heeft 
gesteld dat de huisarts zijn werk niet dan wel niet volledig heeft gedaan en dat de eerste door 
klaagster ingeschakelde verzekeringsarts klakkeloos het advies van de huisarts heeft overgenomen. 
De Stichting ME/CVS werd door verweerder bestempeld als partijdig. Volgens klaagster zijn deze 
uitingen een voorbeeld van achterdocht, vooringenomenheid en minachting.

5.18  Het college is van oordeel dat dit klachtonderdeel ongegrond is. Verweerder heeft zich in 
zijn rapporten scherp, maar professioneel uitgelaten. Verweerders overwegingen naar aanleiding van 
de ingebrachte medische informatie zijn telkens gericht op de medische inhoud en de vraag of voor 
klaagster meer/uitgebreider beperkingen zijn aangewezen. Het is de taak van verweerder om te komen 
tot een zorgvuldige en objectieve heroverweging en daarbij hoort een kritische houding ten opzichte 
van de primaire verzekeringsarts, de door klaagster ingeschakelde verzekeringsartsen en haar 
behandelaren. Het college volgt klaagster niet in haar standpunt dat verweerder hierbij een 
behoorlijkheidsnorm heeft overschreden.

Slotsom
5.19  Uit de overwegingen hiervoor volgt dat alle onderdelen van de klacht ongegrond zijn.

6. De beslissing
Het college:
- verklaart de klacht in al haar onderdelen ongegrond.


Deze beslissing is gegeven door T.N.E. Meyboom, voorzitter, H.J.C. Smink, lid-jurist,
J.G.E. Smeets, J.M. Hoevers en M.A.L. Piegza, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door
G.J. Stoepker, secretaris, en in het openbaar uitgesproken op 29 april 2026 door
K.A.J.C.M. van den Berg Jeths-van Meerwijk.