ECLI:NL:TGZRSHE:2026:77 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg 's-Hertogenbosch H2025-8238
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRSHE:2026:77 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 29-04-2026 |
| Datum publicatie: | 29-04-2026 |
| Zaaknummer(s): | H2025-8238 |
| Onderwerp: | Onjuiste verklaring of rapport |
| Beslissingen: | Ongegrond/afwijzing |
| Inhoudsindicatie: | Klaagster had een geschil met het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen over de toekenning van een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen. Verweerder is verzekeringsarts bezwaar en beroep bij het UWV. Hij heeft een herbeoordeling verricht in bezwaar, beroep en hoger beroep. In hoger beroep heeft verweerder uiteindelijk zijn standpunt herzien, hetgeen leidde tot de toekenning van een uitkering. Klaagster maakt verweerder uiteenlopende verwijten, onder meer over het ten onrechte volharden in zijn eerder ingenomen standpunt met betrekking tot de diagnose ME/CVS in 2019 en de weigering om direct daarna de behandelaren van klaagster te raadplegen. Het college komt tot het oordeel dat de klacht ongegrond is. |
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG
TE ’S-HERTOGENBOSCH
Beslissing van 29 april 2026 op de klacht van:
[A],
wonende in [B],
klaagster,
gemachtigden: mr. Y. van der Linden, werkzaam in Helmond, en [C],
tegen
[D],
arts arbeid en gezondheid - verzekeringsgeneeskunde,
werkzaam in Eindhoven,
verweerder, hierna ook: de verzekeringsarts, gemachtigde: mr. I. Veldhuizen, werkzaam
in Amsterdam.
1. De zaak in het kort
1.1 Klaagster had een geschil met het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen
(UWV) over de
toekenning van een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen
(Wet WIA).
Volgens het UWV is klaagster minder dan 35% arbeidsongeschikt. Klaagster heeft vruchteloos
bezwaar
gemaakt en beroep ingesteld. Daarna heeft zij hoger beroep ingesteld. Verweerder
is
verzekeringsarts bezwaar en beroep bij het UWV. Hij heeft de herbeoordeling verricht
in bezwaar,
beroep en hoger beroep. In hoger beroep heeft verweerder uiteindelijk zijn standpunt
herzien,
hetgeen leidde tot de toekenning van een uitkering. Klaagster maakt verweerder in
de onderhavige
procedure uiteenlopende verwijten, onder meer over het ten onrechte volharden in
zijn eerder
ingenomen standpunt met betrekking tot de diagnose ME/CVS in 2019 en de weigering
om direct daarna
de behandelaren van klaagster te raadplegen.
1.2 Het college komt tot het oordeel dat alle klachtonderdelen ongegrond zijn. Hierna
licht het
college toe hoe het tot deze beslissing is gekomen.
2. De procedure
2.1 De procedure blijkt uit:
- het klaagschrift, ontvangen op 7 maart 2025;
- het verweerschrift, ontvangen op 14 mei 2025;
- de repliek, ontvangen op 6 juni 2025;
- de dupliek, ontvangen op 26 juni 2025;
- bewijsstukken, ontvangen van de gemachtigde van klaagster op 8 september 2025;
- het proces-verbaal van het mondeling vooronderzoek, gehouden op 28 oktober 2025.
2.2 De zaak is behandeld op de openbare zitting van 6 maart 2026. Klaagster heeft
zich laten
vertegenwoordigen door haar gemachtigden. Verweerder is verschenen en werd bijgestaan
door zijn
gemachtigde. De partijen en hun gemachtigden hebben hun standpunten mondeling toegelicht.
Verweerder heeft een pleitnotitie voorgelezen en aan het college en de andere partij
overhandigd.
3. Wat is er gebeurd?
3.1 Klaagster is in 2009 uitgevallen op haar werk wegens knieklachten na een ski-ongeval.
Het UWV
heeft klaagster na de Wet WIA einde wachttijd beoordeling niet in aanmerking gebracht
voor een
uitkering op grond van de Wet WIA, omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was.
Klaagster heeft
zich vanuit een werkloosheidssituatie per 25 april 2016 ziekgemeld. Het UWV heeft
klaagster daarna
opnieuw niet in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van de Wet WIA,
omdat zij minder
dan 35% arbeidsongeschikt was.
3.2 Bij besluit van 27 maart 2018 heeft het UWV, na verzekeringsgeneeskundig en arbeidsdeskundig
onderzoek, vastgesteld dat klaagster om diezelfde reden ook per
23 april 2018 (datum in geding) geen recht heeft op een uitkering op grond van de
Wet WIA.
3.3 Klaagster heeft tegen het besluit van 27 maart 2018 bezwaar gemaakt. In dat
kader heeft
verweerder een heroverweging verricht. Hij heeft het dossier bestudeerd. Daarin
zaten onder meer de
beoordeling van de primaire verzekeringsarts en een door deze verzekeringsarts opgemaakt
functionele mogelijkhedenlijst (FML). Verweerder heeft verder een bezwaarhoorzitting
gehouden en
informatie van de behandelaren van klaagster, ingediend door klaagster, in zijn
heroverweging
betrokken. In zijn rapport van 21 augustus 2018 heeft verweerder zich geschaard
achter het
standpunt van de Gezondheidsraad dat de op dat moment beschikbare informatie geen
medisch-wetenschappelijke onderbouwing bood voor het bestaan van ‘multiple chemical
sensitivity’
als syndroom of ziekte. Dit betekende volgens verweerder dat er geen rechtvaardiging
bestond voor
het aannemen van meer/uitgebreidere beperkingen ten aanzien van blootstelling aan
agentia.
3.4 Verweerder heeft in zijn rapport van 10 september 2018, naar aanleiding van
de opmerkingen
van klaagster op het rapport van 21 augustus 2018, geconcludeerd dat (behalve voor
de FML-rubriek
knielen/hurken) geen reden bestaat om de eerdere conclusie over de belastbaarheid
van klaagster bij
te stellen. De aanvullend aangenomen beperking voor knielen/hurken had volgens de
arbeidsdeskundige
echter geen gevolgen voor de geschiktheid van de eerder geselecteerde functies,
zodat de mate van
arbeidsongeschiktheid van klaagster niet is gewijzigd.
3.5 Bij besluit van 11 september 2018 heeft het UWV het bezwaar ongegrond verklaard.
3.6 Klaagster heeft tegen het besluit van 11 september 2018 beroep ingesteld bij
de rechtbank. In
dat kader heeft zij onder meer een brief van haar huisarts van 20 juni 2019, brieven
van een
internist/immunoloog van 23 mei 2019 en 14 augustus 2019 en een rapport en aanvullende
reactie van
een door haarzelf ingeschakelde verzekeringsarts van
25 juni 2019 en 22 oktober 2019 overgelegd. Deze verzekeringsarts was onder meer
tot de conclusie
gekomen dat bij klaagster sprake was van myalgische encefalomyelitis/chronisch
vermoeidheidssyndroom (ME/CVS). Volgens hem moesten aanvullende beperkingen worden
aangenomen op de
duurbelastbaarheid. Ook de huisarts en de internist/immunoloog waren tot de conclusie
gekomen dat
sprake was van CVS.
3.7 Verweerder heeft kennis genomen van de brieven, het rapport en de aanvullende
reactie van de
door klaagster ingeschakelde verzekeringsarts. In zijn rapporten van
29 juli 2019 en 16 december 2019 concludeerde verweerder dat de diagnose CVS medisch
gezien niet is
geobjectiveerd, omdat bij CVS sprake moet zijn van een ernstige vermoeidheid die
voorheen niet
aanwezig was, die niet het gevolg is van inspanning en die niet aanzienlijk afneemt
door rust. De
door klaagster gepresenteerde klachten voldeden volgens verweerder niet aan deze
symptomen.
Verweerder heeft daarbij verwezen naar de brieven van de internist/immunoloog, waarin
deze
weliswaar vaststelde dat sprake is van CVS, maar zonder aantoonbaar substraat voor
de klachten en
waarbij evenmin de diagnose schildersziekte kon worden vastgesteld. De rechtbank
heeft de
conclusies van verweerder onderschreven, omdat ze logisch, inzichtelijk en consistent
waren. Bij
uitspraak van 3 juli 2020 heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard.
3.8 Klaagster heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij
de Centrale
Raad van Beroep. Klaagster heeft daarbij rapporten overgelegd van een (andere) door
haarzelf
ingeschakelde verzekeringsarts. Verweerder heeft van die rapporten kennis genomen
en in zijn
rapporten van 11 januari 2021, 10 december 2021, 21 februari 2022 en 10 mei 2022
geconcludeerd dat
geen aanleiding bestond af te wijken van het eerder ingenomen standpunt over de
belastbaarheid van
klaagster op 23 april 2018 (datum in geding). De Centrale Raad van Beroep heeft
vervolgens een
onafhankelijke verzekeringsarts benoemd, die op 20 juli 2023 een rapport heeft uitgebracht.
In dat
rapport concludeerde deze onafhankelijke verzekeringsarts dat sprake was van de
diagnose myalgische
encefalomyelitis/chronisch vermoeidheidssyndroom (ME/CVS) en dat aanvullende beperkingen
aangenomen
moeten worden. Verweerder heeft in zijn rapport van 18 maart 2024, naar aanleiding
van het rapport
van de onafhankelijke verzekeringsarts, zijn standpunt herzien en de visie van de
onafhankelijke
verzekeringsarts overgenomen. Hij heeft de FML dienovereenkomstig aangepast.
3.9 Het UWV heeft klaagster bij besluit van 24 april 2024 op grond van de Wet WIA
per
23 april 2018 in aanmerking gebracht voor een IVA-uitkering. Klaagster heeft vervolgens
het hoger
beroep ingetrokken.
4. De klacht en de reactie van de verweerder
4.1 Klaagster verwijt verweerder dat hij:
1) een volstrekt onaanvaardbare houding en mentaliteit heeft aangenomen;
2) tijdens de hoorzitting van 21 augustus 2018 de indruk zou hebben gegeven dat
de chemische
gevoeligheid (MCO/MCS) van klaagster ‘wel mee zou vallen’, dat er geen medisch onderzoek
zou hebben
plaatsgevonden en dat de meegebrachte medische dossiers niet zouden worden ingezien;
3) tijdens het gehele proces gebruik heeft gemaakt van een gedateerd en verouderd
FML-systeem. Er
is sprake van een wet waarbinnen UWV-functionarissen als robotten functioneren,
wat mogelijk een
verklaring zou zijn voor de “wantrouwende” houding van verweerder;
4) ondanks de vele harde bewijzen en diagnoses van diverse reguliere zorgverleners,
zou blijven
volharden in zijn standpunt dat geen sprake is van ME/CVS en dat hij het niet nodig
heeft geacht om
een ter zake kundige neutrale verzekeringsarts in te schakelen om een definitief
oordeel te vellen;
5) de ingebrachte feiten (bewust) zou hebben weggelaten in het rapport;
6) geen gehoor zou hebben gegeven aan (zowel mondelinge als schriftelijke) verzoeken
om reguliere
zorgverleners te raadplegen;
7) de voorgeschreven protocollen niet heeft gevolgd;
8) een denigrerende houding heeft aangenomen tegenover reguliere zorgverleners en
ingeschakelde
verzekeringsartsen.
4.2 Verweerder heeft het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren.
4.3 Het college gaat hieronder verder in op de standpunten van partijen.
5. De overwegingen van het college
5.1 Namens klaagster is tijdens de zitting duidelijk gemaakt dat zij al lange
tijd veel last
heeft van behoorlijke gezondheidsklachten, die een groot negatief effect hebben
op haar
functioneren en haar dagelijkse leven. Dat valt zeer te betreuren.
Welke criteria gelden bij de beoordeling?
5.2 De vraag die in de onderhavige tuchtprocedure centraal staat, is of verweerder
de zorg heeft
verleend die van hem verwacht mocht worden. De norm daarvoor is een redelijk bekwame
en redelijk
handelende verzekeringsarts. Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor
verweerder
geldende beroepsnormen, andere professionele standaarden en de wetenschappelijke
inzichten ten
tijde van het handelen en de informatie die op het moment van handelen bij de verzekeringsarts
bekend was of kon zijn. Dat een zorgverlener beter anders had kunnen handelen is
niet altijd genoeg
voor een tuchtrechtelijk verwijt. Verder geldt het uitgangspunt dat zorgverleners
alleen
tuchtrechtelijk verantwoordelijk zijn voor hun eigen handelen.
5.3 Het college zal de klachtonderdelen bespreken aan de hand van de genoemde norm.
Daarbij stelt
het college voorop dat het kader waarin een verzekeringsarts, zoals verweerder,
werkzaam is,
wezenlijk verschilt van het kader van een behandelend arts. Een verzekeringsarts
heeft tot taak de
door een betrokkene ondervonden klachten te ‘vertalen’ in eventuele beperkingen.
Daarbij is –
uiteraard, zoals partijen tijdens de zitting elk naar voren hebben gebracht – de
door de
behandelaren gestelde diagnose relevant, maar niet doorslaggevend. Omdat de beoordeling
van een bij
het UWV werkzame verzekeringsarts van belang is voor de toekenning van een
arbeidsongeschiktheidsuitkering, en het dus gaat om de besteding van gemeenschapsgelden,
is een
kritische houding van die verzekeringsarts ten aanzien van de door een betrokkene
geuite klachten
passend. Verder is van belang dat de verzekeringsarts altijd een beoordeling doet
die betrekking
heeft op een datum in het verleden, de ‘datum in geding’.
Klachtonderdeel 1) aannemen volstrekt onaanvaardbare houding en mentaliteit
5.4 Klaagster verwijt verweerder een volstrekt onaanvaardbare houding en mentaliteit
te hebben
aangenomen. Klaagster typeert verweerder als arrogant, laatdunkend, wantrouwend,
beledigend,
hardnekkig, afkeurend, slecht luisterend en respectloos. Volgens klaagster heeft
verweerder geen
empathie, meent hij altijd het gelijk aan zijn zijde te hebben en duldt hij geen
tegenargumenten.
Verweerder heeft opgemerkt dat de door klaagster gebruikte typeringen subjectief,
suggestief en
grievend van aard zijn en dat hij betreurt dat klaagster hem zo heeft ervaren. Verweerder
(vertrouwend op zijn eigen hoorzittingsverslag en het hoorzittingsverslag van de
juridisch
medewerker) herkent zich niet in het beeld dat klaagster van hem schetst.
5.5 Het college is van oordeel dat dit klachtonderdeel ongegrond is. Daarvoor is
van belang dat
in het geval waarin de lezingen van partijen over de feitelijke gang van zaken uiteenlopen,
en niet
kan worden vastgesteld welke van beide lezingen het meest aannemelijk is, een verwijt
dat zonder
nadere onderbouwing is gebaseerd op de lezing van de klagende partij niet gegrond
kan worden
bevonden. Met betrekking tot de klacht van klaagster betekent dit dat niet kan worden
vastgesteld
of verweerder klachtwaardig heeft gehandeld. Dit oordeel berust niet op het uitgangspunt
dat het
woord van de klaagster minder geloof verdient dan dat van de verweerder, maar op
de omstandigheid
dat voor het oordeel of een bepaalde verweten gedraging tuchtrechtelijk verwijtbaar
is, eerst moet
worden vastgesteld welke feiten daaraan ten grondslag gelegd kunnen worden. Deze
feiten kan het
college, ook als aan het woord van klaagster en van verweerder evenveel geloof wordt
gehecht, hier
niet vaststellen.
Klachtonderdeel 2) tijdens de hoorzitting Bezwaar & Beroep van 21 augustus 2018 de
indruk wekken
dat de chemische gevoeligheid (MCO/MCS) van klaagster ‘wel mee zou vallen’, dat
er geen medisch
onderzoek zou hebben plaatsgevonden en dat de meegebrachte medische dossiers niet
zouden worden
ingezien
5.6 Het college is van oordeel dat dit klachtonderdeel ongegrond is. Uit het verslag
van
verweerder van de bezwaarhoorzitting blijkt dat klaagster en verweerder tijdens
de bezwaarhoorzitting hebben gesproken over het feit dat klaagster voor MCO/MCS geen ‘normale’
medicijnen gebruikt. Anders dan klaagster kennelijk van mening is, kan daaruit volgens het
college niet worden afgeleid dat verweerder vond dat het met de chemische gevoeligheid
van klaagster mee zou vallen.
5.7 Dat verweerder tijdens de bezwaarhoorzitting heeft gezegd dat geen medisch onderzoek
zou
plaatsvinden en dat verweerder de medische dossiers niet wilde inzien is naar het
oordeel van het
college navolgbaar. Ten tijde van de bezwaarhoorzitting was de diagnose ME/CVS nog
niet gesteld en
had de primaire verzekeringsarts al lichamelijk onderzoek verricht. De medische
informatie die
klaagster had meegebracht had verweerder al gezien, omdat klaagster die voorafgaand
aan de
bezwaarhoorzitting had ingediend.
Klachtonderdeel 3) gebruikmaken van verouderd FML-systeem
5.8 Het college is van oordeel dat dit klachtonderdeel ongegrond is. Daarvoor
is van belang dat
dit klachtonderdeel niet ziet op het handelen of nalaten van verweerder, en in zoverre
dus geen
persoonlijk verwijt is. Dit klachtonderdeel heeft veeleer te maken met het FML-systeem
waarmee
verzekeringsartsen (zowel binnen als buiten het UWV) werken, en waarvan klaagster
stelt dat het
verouderd is en leidt tot een robotachtige werkwijze.
5.9 Het FML-systeem is naar het oordeel van het college niet verouderd, want het
wordt door elke
verzekeringsarts gebruikt, en het leidt ook niet tot een robotachtige werkwijze.
Het FML-systeem
biedt namelijk voldoende mogelijkheden om in individuele gevallen tot individuele
afwegingen te
komen. Dat verweerder op een robotachtige manier gebruik heeft gemaakt van het FML-systeem
is niet
gebleken; verweerder is tot eigen afwegingen gekomen die hij heeft toegespitst op
en ontleend aan
de medische situatie van klaagster. Dat klaagster niet is betrokken bij het invullen
van de FML is
niet ten onrechte. Verweerder is als verzekeringsarts namelijk vanuit zijn deskundigheid
belast met
de vertaling van de door klaagster ervaren klachten en beperkingen.
Klachtonderdeel 4) en 6) volharden in het standpunt dat geen sprake is van ME/CVS,
weigeren
inschakelen van neutrale verzekeringsarts en niet-raadplegen van behandelaren
5.10 Vanwege de samenhang zal het college de klachtonderdelen 4) en 6) gezamenlijk
bespreken. De
kern van deze klachtonderdelen is dat verweerder volgens klaagster redelijkerwijs
niet heeft kunnen
vasthouden aan zijn standpunt dat geen rechtvaardiging bestaat voor het aannemen
van
meer/uitgebreidere beperkingen in de FML, nadat klaagster in 2019 was gediagnosticeerd
met ME/CVS.
Verweerder had naar aanleiding van deze diagnose actie moeten ondernemen, aldus
klaagster. Hij had
zijn standpunt moeten herzien, de behandelaren van klaagster moeten raadplegen dan
wel nader
onderzoek moeten (laten) verrichten door een neutrale, onafhankelijke verzekeringsarts.
Dat zou op
dat moment hebben geleid tot de conclusie dat voor klaagster een urenbeperking in
de FML aangewezen
was. Zoals tijdens de zitting toegelicht, maakt klaagster verweerder dit verwijt
niet met
betrekking tot de bezwaarfase in 2018, maar met betrekking tot de periode nadien,
tijdens de
(hoger)beroepsprocedure.
5.11 Naar het oordeel van het college valt verweerder, afgezet tegen de hiervoor
genoemde
tuchtnorm en zijn rol als bij het UWV werkzame verzekeringsarts, geen tuchtrechtelijk
verwijt te
maken. Een diagnose is – zoals hiervoor al gezegd – relevant, maar niet doorslaggevend.
Verweerder
heeft, nadat door de behandelaren van klaagster de diagnose ME/CVS was gesteld,
op basis van de
geldende protocollen beredeneerde standpunten ingenomen over haar belastbaarheid.
Ook heeft hij
afdoende toegelicht dat het (eerder) overnemen van de diagnose CVS zijn belastbaarheidsoordeel
(toen) waarschijnlijk niet anders zou hebben gemaakt. Verweerder heeft namelijk
in zijn rapporten
van 29 juli 2010 en 10 december 2021 de chronische vermoeidheidsklachten van klaagster
als uiting van
ziekte aangemerkt en daaraan een afgenomen mentale en fysiek-energetische belastbaarheid
verbonden.
5.12 De verwijzing van klaagster naar de tussenuitspraken van de Centrale Raad van
Beroep van 17
juli 2025 (ECLI:NL:CRVB:2025:990, ECLI:NL:CRVB:2025:991 en
ECLI:NL:CRVB:2025:992) kan haar verder niet baten. In die tussenuitspraken oordeelt
de Centrale
Raad van Beroep namelijk, na een onafhankelijk deskundige te hebben geraadpleegd,
dat bepaalde
onderzoeksmethoden wetenschappelijk onderbouwd zijn en kunnen helpen bij het vaststellen
van de
belastbaarheid van personen met ME/CVS. Klaagster gaat er echter aan voorbij dat
deze
tussenuitspraken en de daarin gegeven oordelen dateren van ná de rapporten waarin
verweerder in
zijn standpunt over de diagnose van klaagster heeft volhard en ook ná het rapport
waarin verweerder
zijn standpunt over de diagnose van klaagster had herzien. Verweerder heeft met
de daarin gegeven
oordelen ten tijde van zijn handelen dus geen rekening kunnen houden, en hem kan
daarvan dus ook
geen tuchtrechtelijk verwijt worden gemaakt.
5.13 Het college volgt klaagster wat betreft deze klachtonderdelen tot slot niet
in haar standpunt
dat verweerder vanwege de diagnose ME/CVS de behandelaren van klaagster had moeten
raadplegen, zelf
nader onderzoek had moeten doen dan wel zulk nader onderzoek had moeten laten verrichten
door een
neutrale, onafhankelijke verzekeringsarts. Verweerder heeft toegelicht, en het college
kan hem
daarin volgen, dat hij bij het schrijven van de verschillende rapporten telkens
rekening heeft
gehouden met de op dat moment beschikbare en relevante medische gegevens. Dit betrof
informatie van
de primaire verzekeringsarts en van de behandelaren van klaagster. Op basis hiervan,
in combinatie
met de bevindingen van de bezwaarhoorzitting, had verweerder een voldoende duidelijk
beeld van
klaagster en is hij beredeneerd tot eigen afwegingen gekomen ten aanzien van de
vraag of en welke
beperkingen voor klaagster aangewezen zijn. Er bestond voor verweerder daarom geen
aanleiding om
informatie op te vragen of onderzoek te (laten) doen. Verweerder was hiertoe ook
niet verplicht,
omdat uitgangspunt is dat hij binnen zijn eigen deskundigheid mag varen op zijn
eigen oordeel. Het
enkele feit dat op enig moment door een (of meer) behandelaar(s) een diagnose wordt
gesteld, maakt
dat uitgangspunt niet anders.
5.14 Het voorgaande betekent dat deze klachtonderdelen ongegrond zijn.
Klachtonderdeel 5) weglaten van feiten in de rapporten
5.15 Het college is van oordeel dat dit klachtonderdeel ongegrond is. Daarvoor
is van belang dat
klaagster in haar klaagschrift niet duidelijk heeft gemaakt welke feiten verweerder
in zijn
rapporten zou hebben weggelaten. Verweerder heeft toegelicht, en het college kan
hem daarin volgen,
dat hij bij het schrijven van de verschillende rapporten telkens rekening heeft
gehouden met de op
dat moment beschikbare en relevante medische gegevens.
Klachtonderdeel 7) niet volgen van voorgeschreven protocollen
5.16 Het college is van oordeel dat dit klachtonderdeel ongegrond is. Verweerder
heeft rekening
gehouden met het protocol ‘Chronisch vermoeidheidsyndroom’ van de Gezondheidsraad
van april 2007,
welke protocol inhoudelijk gelijk is aan het protocol uit
2013. In zijn rapport van 16 december 2019 heeft verweerder naar dat protocol verwezen
en is hij
tot een beredeneerde overweging gekomen. Hetzelfde geldt voor een beleidsstuk van
het UWV van juli
2018 met betrekking tot ME/CVS. Dat beleidsstuk is meegenomen in verweerders rapport
van 11 januari
2021. Voor zover klaagster zich, zoals ter zitting toegelicht, op het standpunt
stelt dat
verweerder protocollen voor ME/CVS, afkomstig uit de Verenigde Staten, had moeten
volgen, volgt het
college haar daarin niet. Klaagster heeft niet geconcretiseerd op welke protocollen
zij doelt en
ook niet of die in Nederland zijn geïmplementeerd.
Klachtonderdeel 8) aannemen van een denigrerende houding
5.17 Volgens klaagster heeft verweerder een denigrerende houding aangenomen tegenover
reguliere
zorgverleners en ingeschakelde verzekeringsartsen. Klaagster wijst erop dat verweerder
heeft
gesteld dat de huisarts zijn werk niet dan wel niet volledig heeft gedaan en dat
de eerste door
klaagster ingeschakelde verzekeringsarts klakkeloos het advies van de huisarts heeft
overgenomen.
De Stichting ME/CVS werd door verweerder bestempeld als partijdig. Volgens klaagster
zijn deze
uitingen een voorbeeld van achterdocht, vooringenomenheid en minachting.
5.18 Het college is van oordeel dat dit klachtonderdeel ongegrond is. Verweerder
heeft zich in
zijn rapporten scherp, maar professioneel uitgelaten. Verweerders overwegingen naar
aanleiding van
de ingebrachte medische informatie zijn telkens gericht op de medische inhoud en
de vraag of voor
klaagster meer/uitgebreider beperkingen zijn aangewezen. Het is de taak van verweerder
om te komen
tot een zorgvuldige en objectieve heroverweging en daarbij hoort een kritische houding
ten opzichte
van de primaire verzekeringsarts, de door klaagster ingeschakelde verzekeringsartsen
en haar
behandelaren. Het college volgt klaagster niet in haar standpunt dat verweerder
hierbij een
behoorlijkheidsnorm heeft overschreden.
Slotsom
5.19 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat alle onderdelen van de klacht ongegrond
zijn.
6. De beslissing
Het college:
- verklaart de klacht in al haar onderdelen ongegrond.
Deze beslissing is gegeven door T.N.E. Meyboom, voorzitter, H.J.C. Smink, lid-jurist,
J.G.E. Smeets, J.M. Hoevers en M.A.L. Piegza, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door
G.J. Stoepker, secretaris, en in het openbaar uitgesproken op 29 april 2026 door
K.A.J.C.M. van den Berg Jeths-van Meerwijk.