ECLI:NL:TGZRSHE:2026:76 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg 's-Hertogenbosch H2025-8048
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRSHE:2026:76 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 29-04-2026 |
| Datum publicatie: | 29-04-2026 |
| Zaaknummer(s): | H2025-8048 |
| Onderwerp: | Geen of onvoldoende zorg |
| Beslissingen: | Ongegrond, kennelijk ongegrond |
| Inhoudsindicatie: | Klager verwijt verweerder in brede zin nalatig en onprofessioneel handelen, onder meer vanwege gebrekkige ondersteuning richting de gemeente, onvoldoende opvolging van verwijzingen, onjuiste advisering en communicatie en onjuistheden in het medisch dossier. Het college oordeelt dat de klacht kennelijk ongegrond is. Verweerder heeft zorgvuldig gehandeld. Zo heeft hij een feitelijke medische brief voor de gemeente opgesteld, de gevraagde verwijzingen verzorgd en passend medisch advies gegeven. Voor zover feiten niet kunnen worden vastgesteld, kan door het college geen tuchtrechtelijk verwijt worden aangenomen. Daarnaast zijn verschillende klachtonderdelen onvoldoende onderbouwd of feitelijk onjuist gebleken. |
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG
TE ’s-HERTOGENBOSCH
Beslissing in raadkamer van 29 april 2026 op de klacht van:
[A],
wonende in [B],
klager,
tegen
[C],
huisarts, werkzaam in [D],
verweerder, hierna ook: huisarts,
1. De zaak in het kort
1.1 Klager staat sinds 2019 ingeschreven bij de huisartsenpraktijk van verweerder.
Klager maakt
verweerder uiteenlopende verwijten over de zorg die verweerder hem sindsdien heeft
geleverd.
Volgens klager is verweerder op verschillende momenten en op verschillende manieren
nalatig geweest
en heeft hij onprofessioneel gedrag vertoond.
1.2 Het college komt tot het oordeel dat de klacht kennelijk ongegrond is. ‘Kennelijk’
betekent
dat het niet nodig is om nog vragen aan de partijen te stellen en dat duidelijk
is dat de klacht
niet gegrond kan worden verklaard. Hierna licht het college toe hoe het tot deze
beslissing is
gekomen.
2. De procedure
2.1 De procedure blijkt uit:
- het klaagschrift, ontvangen op 17 januari 2025;
- de brief van 6 februari 2025 van de secretaris aan klager;
- het verweerschrift, ontvangen op 31 maart 2025;
- de brief van 16 april 2025 van de secretaris aan klager;
- de repliek, ontvangen op 16 mei 2025;
- de dupliek, ontvangen op 1 oktober 2025.
2.2 De partijen hebben de gelegenheid gekregen om onder leiding van een secretaris
van het
college in gesprek te gaan (mondeling vooronderzoek). Daarvan hebben zij geen gebruik
gemaakt.
2.3 Het college heeft de klacht in raadkamer behandeld. Dit betekent dat het college
de zaak
beoordeeld heeft op basis van de stukken, zonder dat de partijen daarbij aanwezig
waren.
3. Wat is er gebeurd?
3.1 Klager staat sinds 2019 ingeschreven bij de huisartsenpraktijk van verweerder.
In het medisch
dossier is genoteerd (alle citaten voor zover van belang en letterlijk weergegeven):
“(…) 10-01-2025 Zelf mail gestuurd om aan te geven dat ik dhr zijn wensen niet begrijp
en hem van
harte uitnodig om gewoon in gesprek met mij te gaan ter verduidelijking.
19-12-2024 Mail antwoordt van dhr: Ik denk dat de zaken goed genoeg benoemd staan
om verder
schriftelijk een en ander af te handelen. Mijn verzoeken zijn duidelijk de verdere
consequentie
ook.
19-12-2024 Mail contact verslag nav klacht. 19-12-2024 Eigen brief met klacht.
11-07-2024 Dhr heeft via de mail gereageerd zie brief. (…)
08-07-2024 Vandaag weer dhr gebeld gg. Email gestuurd of dhr zelf ons kan contacteren.
Mail: U
meerder malen geprobeerd te bellen echter geen gehoor gekregen. Uw voicemail ingesproken
en u een
e-consult gestuurd. Het laatste wat ik kan doen is u een mail te sturen met verzoek
zelf met de
praktijk contact op te nemen. Zodat wij u te woord kunnen staan om u verder te helpen.
04-07-2024 Vandaag weer geprobeerd te bellen, voicemail ingesproken met de vraag
as maandag te
bellen. Of morgen en dan TC met [..] inplannen.
03-07-2024 E-consult Bij deze dien ik en klacht in over deze gang van zaken. Dhr
gebeld voicemail
ingesproken met verzoek terug te bellen. Ook via econsult dit gevraagd of wanneer
wij weer dhr
kunnen bellen als dhr niet zelf ons kan contacteren. 14.56 dhr weer gebeld gg.
02-07-2024 Econsult: geen financiele middelen
12-06-2024 Laboratoriumuitslag (afname: 10-06-2024); advies extra vit D. (…) 06-06-2024
Komt nu op
SU, concrete vraag is of ik een brief kan schrijven dat hij operatie aan de darm
heeft gehad en
divertikels heeft waarvoor vezelrijk dieet wenselijk is. Wisselend klachten, andere
def/soms bloed.
Koorts- Nog steeds in verschillende rechtszaken met gemeente. Beweegt ook minder
agv rugklachten en
pijn in been, nu geen osteopathie ivm biet vergoede kosten (…) Ik zal bovenstaande
op papier
zetten, nu ook lab-onderzoek voor evt tekorten aantonen (…)
30-03-2023 Brief van [ziekenhuis] (…)
19-03-2023 Wil graag een verwijzing ivm toenemende buikklachten: pijn en soms obstipatie.
Daarnaast
ook graag een verwijzing voor orthopeed ivm toename pijnklachten en het linker been
en meer
rugklachten. Denkt zelf aan verkleving in de buik als mogelijk oorzaak. Is ook in
overleg met arts
in [E] al een afspraak gemaakt (…)
10-03-2023 (…) Geeft daarnaast aan binnnekort weer naart arts in [F] te gaan voor
controles. (…)
25-09-2019 Komt voor kennismaking en wil verhaal kwijt over operatie in [F]. (…)
3.2 Op 12 maart 2023 heeft klager zich in een brief tot verweerder gewend. In deze brief staat:
“(…) Zie bijlage: [ziekenhuis] 02-03-2023 voorgestelde onderzoeken [klager]. Graag
zou ik u willen
verzoeken om een verwijzing naar het ziekenhuis met de voor mij voorgestelde onderzoeken
en
consulten in het als bijlage toegevoegd formulier. (…)”
3.3 Op 19 maart 2023 heeft verweerder twee verwijsbrieven geschreven. In de eerste
brief staat:
“A/ wil graag een verwijzing ivm toenemende buikklachten: pijn en soms obstipatie.
Denkt zelf aan
verkleving in de buik als mogelijk oorzaak. Daarnaast ook wens voor follow up van
diverticulose/diverticulosis(OK in 2019) In overleg met arts in [E] al een afspraak
gemaakt voor
meerdere onderzoeken.
E/ Toename buikklachten en Follow up na operatie 2019
P/ Verwijzing internist in [E] [ziekenhuis] voor verder onderzoek. (…)”
In de tweede brief staat:
“A/ Toenemende pijn in het linker been en meer rugklachten. Denkt zelf aan verkleving
in de buik
als mogelijke oorzaak. Is ook in overleg met arts in [E] al een afspraak gemaakt
voor hem.
E/ Toenemende pijn linker been en rug, restklachten van diverticulitiden in VG??
P/ Verwijzing
orthopeed in [E] [ziekenhuis] voor nadere analyse. (…)”
3.4 Klager en de gemeente waar hij woonachtig is, zijn verwikkeld in een procedure
over de
vergoeding van de kosten van het dieet van klager. Klager heeft verweerder gevraagd
of deze ten
behoeve van deze procedure een brief kon schrijven. Op 10 juni 2024 heeft verweerder
een brief
geschreven met daarin een weergave van klagers objectieve medische situatie. In
de brief staat:
“Bovengenoemde heer is bij ons ingeschreven in de praktijk. Al vele jaren is hij
bekend met
divertikels in zijn dikke darm waarvoor in 2019 een operatie is uitgevoerd. Agv
hiervan is het
wenselijk dat hij zich aan o.a. aan een vezelrijk dieet houdt en voldoende lichaamsbeweging
heeft
wat weer erg moeizaam gaat agv rugklachten met uitstraling naar zijn been.
Op dit moment ontbeert het hem aan financiele draagkracht hier passende middelen
danwel therapie
voor te verkrijgen.”
3.5 Op 1 juli 2024 heeft klager via E-consult aan de huisartsenpraktijk van verweerder geschreven:
“(…) Het bloedonderzoek was naar aanleiding van een afspraak met [verweerder] omdat
ik vanwege een
gebrek aan financiële middelen niet een voor mij noodzakelijk dieet kan volgen waarvan
ik de
gevolgen al begin te merken, hetgeen ook besproken werd. En aangezien ik de middelen
al niet heb om
een fatsoenlijk dieet te kunnen volgen, is het voor mij natuurlijk ook onmogelijk
om extra
supplementen aan te kunnen schaffen. Welke mijns inziens ook niet eens noodzakelijk
zouden zijn als
ik wel mijn dieet kan volgen.”
3.6 Op 2 juli 2024 heeft de huisartsenpraktijk van verweerder in reactie geschreven:
“Wij snappen
uw punt, wat niet wegneemt dat dit het advies is na uw bloedonderzoek. Medisch gezien
kunnen wij
het advies niet af laten hangen van iemands prive omstandigheden.”
3.7 Op 2 juli 2024 heeft klager naar aanleiding van deze reactie via E-consult een
klacht
ingediend bij verweerder.
3.8 Op 19 december 2024 heeft klager opnieuw een klacht ingediend bij verweerder.
De assistente
van verweerder heeft klager in twee afzonderlijke e-mails van 19 december 2024 uitgenodigd
voor een
gesprek en om een afspraak te maken op het spreekuur van verweerder. Klager heeft
daarvan geen
gebruik gemaakt.
3.9 Op 10 januari 2025 heeft verweerder een brief gestuurd aan klager, waarin hij
heeft
geschreven:
“Met enige verbazing heb ik uw schrijven, dd 19-12-24, ontvangen en gelezen.
In ons laatste gesprek had ik het idee samen met u een plan te hebben gemaakt hoe
ik u, binnen mijn
mogelijkheden, zo goed mogelijk ter wille kon zijn. Een eerste stap daarin was een
brief schrijven
voor de gemeente en met uw toestemming bloed af te nemen. Dit laatste om te zien
of er uitslagen
kwamen die uw verzoek tot specifieke dieetwensen en bekostiging ervan nog extra
kracht zouden
kunnen bijzetten. Ik heb u er toen tevens op gewezen dat lab-onderzoek wel geld
zou kunnen kosten.
Na de uitkomst van deze uitslagen heeft u na telefonisch contact met één van de
assistentes
besloten niet meer met mij in gesprek te willen. Het is mij, ondanks uw schrijven,
onduidelijk wat
u mij verwijt en welke precieze acties u van mij verwacht. (…)”
4. De klacht en de reactie van de verweerder
4.1 Klager verwijt verweerder – zakelijk weergegeven – dat verweerder:
1) verzuimd heeft actief richting de gemeente te wijzen op de medische noodzaak
van klager voor
zorg en ondersteuning;
2) een gebrek aan adequate navolging op verwijzingen en uitgebreide medische rapportages
die
noodzakelijk zijn voor de medische trajecten van klager;
3) ondanks herhaalde meldingen van klager dat hij de eigen bijdragen niet kan betalen, bloedonderzoek
heeft geadviseerd zonder duidelijke waarschuwing van de kosten;
4) zijn enig advies na een consult over de ernstige medische situatie van klager
was om vitamines
aan te schaffen, wat gezien de financiële situatie en medische klachten van klager
ontoereikend en
onprofessioneel is;
5) onvoldoende aandacht heeft besteed aan de toename van klachten van klager en
de noodzaak van
aanvullende zorg;
6) in het medisch dossier onjuiste en incomplete informatie heeft genoteerd;
7) ervoor heeft gezorgd – zoals blijkt uit de correspondentie van 29 november 2022
– dat essentiële
bijlagen, zoals ziekenhuisbrieven, ontbreken in het medisch dossier;
8) in een recente brief onterecht beweerde dat er telefonisch contact is geweest
tussen zijn
assistente en klager na een consult, terwijl in e-mails van 8 en 11 juli 2024 wordt
aangegeven dat
klager enkel schriftelijk wil communiceren.
4.2 Verweerder heeft het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren.
4.3 Het college gaat hieronder verder in op de standpunten van partijen.
5. De overwegingen van het college
Welke criteria gelden bij de beoordeling?
5.1 De vraag is of verweerder de zorg heeft verleend die van hem verwacht mocht
worden. De norm
daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende huisarts. Bij de beoordeling
wordt rekening
gehouden met de voor verweerder geldende beroepsnormen en andere professionele standaarden.
Dat een
zorgverlener beter anders had kunnen handelen is niet altijd genoeg voor een tuchtrechtelijk
verwijt. Verder geldt het uitgangspunt dat zorgverleners alleen tuchtrechtelijk
verantwoordelijk
zijn voor hun eigen handelen.
5.2 Het college is van oordeel dat verweerder niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft
gehandeld en
zal dat hieronder per klachtonderdeel nader uitleggen.
Klachtonderdeel 1) verzuimen actief richting de gemeente te wijzen op noodzaak van
zorg en
ondersteuning
5.3 Het college stelt wat dit klachtonderdeel betreft voorop dat, zoals verweerder
ook heeft
aangegeven in zijn verweerschrift, een behandelend arts (zoals verweerder) geen
geneeskundige
verklaringen mag afgeven over zijn patiënten. Een geneeskundige verklaring is een
verklaring die
een oordeel bevat over een patiënt en over de (medische) geschiktheid of ongeschiktheid
van die
patiënt om bepaalde dingen wel of niet te doen. Zo’n geneeskundige verklaring mag
alleen worden
afgegeven door een onafhankelijke arts.
5.4 Verweerder heeft voor klager op 10 juni 2024 een brief geschreven met daarin
een weergave van
klagers objectieve medische situatie. Over de professionele ruimte dat te doen beschikte
verweerder, want hij heeft in die brief geen oordeel gegeven over klager of zijn
(medische)
(on)geschiktheid om bepaalde dingen wel of niet te doen. Zoals verweerder in zijn
verweerschrift ook heeft aangegeven is het aan de keuringsarts van de gemeente om
te beoordelen of en in hoeverre klager op basis van zijn medische situatie in aanmerking
komt voor
gemeentelijke vergoedingen, voorzieningen en/of ondersteuning. Hiermee heeft verweerder
zijn
professionele ruimte naar het oordeel van het college op zorgvuldige wijze benut
en gedaan waartoe
hij bij machte was. Dat klager de brief van verweerder als summier bestempelt, wat
daarvan ook zij,
leidt niet tot een ander oordeel. Het college ziet niet in wat verweerder, tegen
de achtergrond van
zijn professionele ruimte, nog meer of anders had kunnen of moeten doen om klager
ter wille te
zijn. Het voorgaande betekent dat dit klachtonderdeel ongegrond is.
Klachtonderdeel 2) gebrek aan adequate navolging
5.5 In zijn klaagschrift heeft klager geschreven dat verweerder heeft nagelaten
adequate en
noodzakelijke navolging te geven op verwijzingen en uitgebreide medische rapportages.
De secretaris
heeft klager verzocht dit klachtonderdeel nader toe te lichten en aan te geven op
welke momenten
verweerder opvolging had moeten geven aan verwijzingen en medische rapportages.
In zijn repliek
heeft klager vervolgens aangegeven dat geen opvolging is geweest op zijn verzoek
van 12 maart 2023
voor een verwijzing, op een rapport van [ziekenhuis] van 2 maart 2023 en een diagnose
van
[ziekenhuis] van 1 april 2025.
5.6 Het college stelt vast dat verweerder klager op zijn verzoek heeft doorverwezen.
Het is het
college onvoldoende duidelijk wat verweerder in de ogen van klager nog meer of anders
had kunnen of
moeten doen. Dat geldt ook voor de vraag of en wat verweerder had moeten doen naar
aanleiding van
het rapport en de diagnose van [ziekenhuis]. De gestelde diagnose was bij verweerder
sinds 2019
bekend en het rapport bevat algemene ‘suggested examinations’ die niet verweerder
maar een andere
arts moet (laten) uitvoeren. Daarvoor heeft verweerder klager, zoals gezegd, ook
doorverwezen.
Bovendien had klager al een afspraak in [F] gemaakt. Het voorgaande betekent dat
dit
klachtonderdeel ongegrond is.
Klachtonderdeel 3) adviseren bloedonderzoek zonder duidelijke waarschuwing van de
kosten
5.7 Klager verwijt verweerder, met verwijzing naar transcripties van consulten
op
10 maart 2023 en 6 juni 2023, geen duidelijke waarschuwing te hebben afgegeven over
de kosten van
een door hem geadviseerd bloedonderzoek. Verweerder heeft in zijn verweerschrift
aangegeven dat hij
bijna zeker weet dat hij klager heeft geïnformeerd over de bijbehorende kosten.
5.8 Het college is van oordeel dat dit klachtonderdeel ongegrond is. Daarvoor is
in de eerste
plaats van belang dat in het geval waarin de lezingen van partijen over de feitelijke
gang van
zaken uiteenlopen, en niet kan worden vastgesteld welke van beide lezingen het meest
aannemelijk
is, een verwijt dat is gebaseerd op de lezing van de klagende partij niet gegrond
kan worden
bevonden. Met betrekking tot de klacht van klager betekent dit dat niet kan worden
vastgesteld of
verweerder klachtwaardig heeft gehandeld. Dit oordeel berust niet op het uitgangspunt
dat het woord
van de klager minder geloof verdient dan dat van de verweerder, maar op de omstandigheid
dat voor het oordeel of een bepaalde verweten gedraging tuchtrechtelijk verwijtbaar
is, eerst moet worden vastgesteld welke feiten daaraan ten grondslag gelegd kunnen
worden. Deze feiten kan het college dus, ook als aan het woord van klager en van
verweerder evenveel geloof wordt gehecht, hier niet vaststellen. Uit de transcripties
waarop klager
wijst, blijkt niet dat verweerder klager heeft gewezen op de kosten van het bloedonderzoek.
Maar
evenmin blijkt uit die transcripties dat verweerder
klager heeft gezegd “weet u wat, ik zet gewoon even aan dat bloed geprikt moet worden,
en dan zien
we wel wat eruit komt.”. In de tweede plaats is van belang dat verweerder ook los
van het
voorgaande geen verwijt kan worden gemaakt. Zelfs al heeft hij klager niet gewezen
op de kosten van
het bloedonderzoek, dan nog moet worden vastgesteld dat klager al langer zorg ontving
en had kunnen
weten dat bloedonderzoek kosten meebrengt.
Klachtonderdeel 4) ontoereikend en onprofessioneel advies om vitamines aan te schaffen
5.9 Het college is van oordeel dat het advies van (de assistente van) verweerder
om vitamine D
aan te schaffen in de situatie van klager passend was. Daarvoor is van belang dat
het
laboratoriumonderzoek een iets verlaagd gehalte vitamine D liet zien. Hoewel deze
zelfzorgmedicatie
niet wordt vergoed door de zorgverzekeraar, is geen geschikt alternatief beschikbaar
dat wél door
de zorgverzekeraar wordt vergoed. Het iets verlaagde gehalte vitamine D had overigens
geen relatie
met de klachten van klager. Het is dan aan klager het advies op te volgen of niet.
Het voorgaande
betekent dat dit klachtonderdeel ongegrond is.
Klachtonderdeel 5) onvoldoende aandacht voor de toename van klachten en de noodzaak
van aanvullende
zorg
5.10 In zijn klaagschrift heeft klager geschreven dat verweerder, ondanks een verwijzing
voor
periodieke controle begin 2023 en de extra noodzaak vanwege het niet kunnen volgen
van een dieet en
osteopathie, onvoldoende aandacht heeft besteed aan de toename van klachten van
klager en de
noodzaak van aanvullende zorg. In zijn repliek heeft klager dit klachtonderdeel
niet nader
geconcretiseerd en ook niet onderbouwd.
5.11 Verweerder heeft in zijn dupliek aangegeven dat klager in mei 2025 met een andere
arts heeft
gesproken over de ‘verslechterde klachten’. In die periode heeft er tussen klager
en verweerder, of
diens huisartsenpraktijk, geen contact plaatsgevonden. Het laatste contact tussen
klager en
verweerder voorafgaand aan mei 2025 dateert van meer dan een half jaar eerder. In
dat contact uitte
klager zijn onvrede over de behandeling door verweerder en zegde hij zijn vertrouwen
in verweerder
op. Gezien deze omstandigheden is het onduidelijk waarover klager klaagt en wat
hij verweerder
verwijt. Dit betekent dat dit klachtonderdeel ongegrond is.
Klachtonderdelen 6) en 7) toevoegen van onjuiste en incomplete informatie aan en het
ontbreken van
essentiële bijlagen, zoals ziekenhuisbrieven, in het medisch dossier
5.12 Vanwege de samenhang zal het college de klachtonderdelen 6) en 7) gezamenlijk
bespreken. In
zijn klaagschrift heeft klager geschreven dat zijn medisch dossier onjuiste, incomplete
en onvolledige informatie bevat. Er bestaan volgens klager discrepanties tussen de
medische dossiers van verweerder en de eerdere huisartsen van klager. Ook ontbreken
volgens klager
ziekenhuisbrieven.
5.13 Hoewel de secretaris klager heeft uitgenodigd te specificeren welke informatie
in het medisch
dossier onjuist is en welke informatie er (nog meer) ontbreekt, heeft klager dat
niet nader
gespecificeerd. Klager heeft enkel aangegeven dat meerdere consulten niet zijn genoteerd
(zoals dat
van 6 juni 2024) en dat brieven van derden (GGZ, ziekenhuizen en specialisten) ontbreken.
In het
medisch dossier is het consult van 6 juni 2024 wel genoteerd. Dat er (andere) consulten
niet zijn
genoteerd of brieven van derden ontbreken is niet gebleken. Het voorgaande betekent
dat deze
klachtonderdelen ongegrond zijn.
Klachtonderdeel 8) onterecht beweren dat er telefonisch contact is geweest
5.14 Klager klaagt erover dat verweerder in zijn e-mail van 10 januari 2025 schrijft
dat er
telefonisch contact is geweest tussen zijn assistente en klager, terwijl in de e-mails
van 8 en 11
juli 2024 wordt aangeven dat klager enkel schriftelijk wil communiceren.
5.15 Vooropgesteld wordt dat in de onderhavige procedure enkel ter beoordeling voorligt
of
verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Ter beoordeling daarvan
kan in het midden
worden gelaten de in de e-mail van 10 juli 2025 gebezigde precieze formulering en
weergave, omdat
uit het dossier blijkt dat de assistente van verweerder op 3, 4 en 8 juli 2024 heeft
geprobeerd
klager te bellen, maar dat dit niet is gelukt. Nadien stuurde klager op 11 juli
2024 een e-mail
waarin hij aangaf uitsluitend schriftelijk contact te willen met verweerder en diens
huisartsenpraktijk. In deze omstandigheden is de formulering van verweerder in de
brief van 10
januari 2025 dat ‘[klager] na telefonisch contact met één van de assistentes [heeft]
besloten niet
meer met mij in gesprek te willen’ niet onbegrijpelijk en ook kan hem daarvan geen
tuchtrechtelijk
verwijt worden gemaakt. Als al sprake is van een onjuiste weergave, dan schaadt
dat bovendien –
anders dan klager in zijn repliek heeft gesteld – niet de betrouwbaarheid van het
dossier. Het
voorgaande betekent dat ook dit klachtonderdeel ongegrond is.
Slotsom
5.16 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat alle onderdelen van de klacht kennelijk
ongegrond
zijn.
6. De beslissing
Het college:
- verklaart de klacht in al haar onderdelen kennelijk ongegrond.
Deze beslissing is gegeven door T.N.E. Meyboom, voorzitter, B.C.A.M. van Casteren-van
Gils en
J.G.E. Smeets, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door G.J. Stoepker, secretaris,
en in het
openbaar uitgesproken door K.A.J.C.M. van den Berg Jeths-van Meerwijk op 29 april
2026.