ECLI:NL:TGZRSHE:2026:75 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg 's-Hertogenbosch H2024/7667
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRSHE:2026:75 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 22-04-2026 |
| Datum publicatie: | 22-04-2026 |
| Zaaknummer(s): | H2024/7667 |
| Onderwerp: | Onvoldoende informatie |
| Beslissingen: | Ongegrond/afwijzing |
| Inhoudsindicatie: | Klacht tegen huisarts ongegrond. Partner en minderjarige kinderen van klager verbleven op geheime locatie. De huisarts was, onder de gegevens omstandigheden, niet verplicht om klager te informeren over verrichtingen (van niet ingrijpende aard) bij zijn minderjarige kinderen. Verrichtingen zijn bovendien niet door de huisarts zelf verricht. Verzoeken van klager om inzage in de medisch dossiers van kinderen zijn niet genegeerd. Communicatie had beter gekund, maar niet tuchtrechtelijk verwijtbaar. De huisarts heeft klager wel serieus genomen en een adequate oplossing geboden. Publicatie. |
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG
TE ’S-HERTOGENBOSCH
Beslissing van 22 april 2026 op de klacht van:
[A],
wonende in [B],
klager,
tegen
[C],
huisarts,
(destijds) werkzaam in [D], verweerster, hierna ook: de huisarts,
gemachtigde: mr. D.E. Thiescheffer, werkzaam in Amsterdam.
1. De zaak in het kort
1.1 Klager is gehuwd en heeft twee kinderen. De partner van klager is op enig
moment met de
kinderen in een blijf-van-mijn-lijfhuis terechtgekomen. Verweerster houdt praktijk
in de regio. In
deze praktijk zijn de kinderen en de partner van klager als passanten ingeschreven
en een aantal
keer gezien voor kleine medische aandoeningen. Klager is van mening dat hij onvoldoende
is
geïnformeerd, dat er zonder toestemming medische zorg is verleend, dat er geen inzage
is gegeven in
de medische dossiers en dat hij niet serieus is genomen nadat er een klacht was
ingediend bij de
Stichting Klachten en Geschillen Eerstelijnszorg (SKGE).
1.2 Het college komt tot het oordeel dat verweerster niet tuchtrechtelijk verwijtbaar
heeft
gehandeld zodat de klacht ongegrond is. Hierna licht het college dat toe.
2. De procedure
2.1 De procedure blijkt uit:
- het klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 26 september 2024;
- het verweerschrift met de bijlagen, ontvangen per e-mail op 18 december 2024
en per post op 23
december 2024;
- de brief van 6 januari 2026, ontvangen van klager op 13 januari 2026.
2.2 De partijen hebben de gelegenheid gekregen om onder leiding van een secretaris
van het
college met elkaar in gesprek te gaan (mondeling vooronderzoek). Daarvan hebben
zij
geen gebruik gemaakt.
2.3 De zaak is behandeld op de openbare zitting van 27 februari 2026. De partijen
zijn
verschenen. Verweerster werd bijgestaan door haar gemachtigde. De partijen en de
gemachtigde van
verweerster hebben hun standpunten mondeling toegelicht.
3. De feiten
3.1 De partner van klager en de kinderen zijn op enig moment geplaatst in een
blijf van mijn
lijfhuis. Verweerster houdt praktijk in de regio. Op 25 maart 2024 heeft de partner
van klager een
inschrijfverzoek gedaan voor haarzelf en de twee kinderen.
3.2 Verweerster heeft daarop telefonisch contact opgenomen met de eigen huisarts
van klager en
zijn partner. Omdat klager vanwege de geheime verblijfplaats van de partner en kinderen
op dat
moment niet kon worden ingelicht over het verzoek van de partner, is uiteindelijk
besloten om de
kinderen als passanten in te schrijven en niet als nieuwe patiënten. De eigen huisarts
bleef
daarmee de vaste huisarts van de kinderen.
3.3 Op 5 april 2024 is de partner verschenen op het spreekuur met de beide kinderen.
Het betrof
een kennismakingsgesprek. Dezelfde dag heeft de partner de medische dossiers van
de kinderen naar
de praktijk van verweerster gestuurd. Er is voor beide kinderen een dossier geopend
in de praktijk
van verweerster.
3.4 Op 18 april 2024 is een van de kinderen gezien door een collega van verweerster
in verband
met verdenking op een blaasontsteking. Er is een urineonderzoek verricht door de
collega.
3.5 Op 21 mei 2024 is een van de kinderen door de collega gezien omdat het kind
de voet had
gestoten. Er is een expectatief beleid gevoerd.
3.6 Op 17 juni 2024 is een van de kinderen gezien in verband met een muggenbult
door de collega.
Er werd advies gegeven om deze in te smeren met koelzalf. Verder werd een expectatief
beleid
ingezet.
3.7 Op 18 juni 2024 is een eerder afgegeven verwijzing door de eigen huisarts naar
de logopedist,
door de collega opnieuw afgegeven voor een logopedist in de regio.
3.8 Op 13 mei 2024 heeft klager per e-mail verzocht om het medisch dossier van een
van de
kinderen open te stellen. Besloten is om de medische dossiers voor beide kinderen
open te stellen
voor klager.
3.9 Het vaste beleid in de praktijk van verweerster met betrekking tot digitale
toegang tot het
medisch dossier is dat ouders geen digitale toegang hebben tot het medisch dossier
van hun
kinderen. Dit komt omdat het medisch dossier maar aan één e-mailadres kan worden
gekoppeld.
3.10 Nadat verweerster ermee bekend was geraakt dat de medische dossiers van de kinderen
digitaal
waren opengesteld voor klager, is besloten om het vaste beleid weer in te zetten
en is het
e-mailadres van klager losgekoppeld van de medische dossiers.
3.11 Klager heeft op 21 mei 2024 kenbaar gemaakt aan de praktijk dat hij de medische
dossiers niet
meer kon inzien. Daarop heeft de assistente van de praktijk aangegeven dat dit per
abuis was
opengezet. Dezelfde dag is klager uitgenodigd om een afspraak te maken om de medische
dossiers te
komen inzien.
3.12 Op 16 juli 2024 heeft klager verzocht om schriftelijk te worden geïnformeerd
over de details
van de consulten van de kinderen. Daarop is klager opnieuw uitgenodigd om de dossiers
in te zien
bij verweerster op de praktijk.
3.13 Op 25 juli 2024 heeft een uitgebreid telefoongesprek met klager plaatsgevonden
waarbij
verweerster het handelen in de praktijk heeft toegelicht en is ingegaan op de vragen
die bij klager
leefden omtrent de behandelingen die de kinderen hadden ondergaan.
3.14 Op 30 juli 2024 heeft klager opnieuw een uitgebreide e-mail gestuurd naar de
praktijk van
verweerster. Kort gezegd betrof de inhoud van deze e-mail verwijzing naar wetgeving
rond
inschrijving bij een nieuwe huisarts, de gezagdragende ouders, de wettelijke informatieplicht
en
het voornemen om een klacht in te dienen bij de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd
(IGJ). Omdat
verweerster met vakantie was, is door de assistente aangegeven dat verweerster na
haar vakantie op
de e-mail terug zou komen.
3.15 Verweerster heeft na haar vakantie eerst contact gezocht met de KNMG voor advies.
Op 20, 21
en 22 augustus 2024 is door de assistente contact gezocht om een afspraak te plannen
met klager.
Omdat geen contact kon worden gelegd is klager op 26 augustus 2024 per e-mail verzocht
om
telefonisch contact op te nemen.
3.16 Op 27 augustus 2024 reageerde klager afwijzend op het verzoek om telefonisch
contact op te
nemen en verzocht hij om een schriftelijke reactie.
3.17 Na diverse contacten over en weer heeft verweerster bij e-mail van 6 september
2024 het
handelen nogmaals toegelicht.
3.18 Op 8 september 2024 heeft klager aangegeven de reactie onvoldoende te vinden.
3.19 Verweerster heeft op 9 september 2024 aan klager laten weten de klacht als afgehandeld
te
beschouwen.
3.20 Op 14 oktober 2024 is op verzoek van klager een afschrift van de medische dossiers
van de
kinderen toegezonden per beveiligde e-mail.
4. De klacht en de reactie van de huisarts
4.1 Klager verwijt de huisarts dat zij
a. zonder toestemming medische zorg heeft verleend aan de kinderen van klager;
b. klager als gezaghebbend ouder niet (actief) heeft geïnformeerd over de medische
behandeling van
zijn kinderen;
c. de verzoeken van klager om inzage in de medisch dossiers van zijn kinderen herhaaldelijk
heeft
genegeerd;
d. klager ondanks zijn klacht niet serieus heeft genomen en geen adequate oplossing
heeft geboden.
Klager heeft voorts verzocht om een proceskostenvergoeding als de klacht (deels)
gegrond wordt
verklaard.
4.2 Verweerster heeft het college verzocht de klachtonderdelen a t/m c ongegrond
te verklaren.
Voor wat betreft klachtonderdeel d) stelt verweerster zich toetsbaar op. Het college
gaat hieronder
verder in op de standpunten van partijen.
5. De overwegingen van het college
De criteria voor de beoordeling
5.1 Het college stelt voorop dat de vraag die moet worden beantwoord, is of verweerster
als
huisarts de zorg heeft verleend die van haar verwacht mocht worden. De norm daarvoor
is een
redelijk bekwame en redelijk handelende huisarts. Bij de beoordeling wordt rekening
gehouden met de
voor de zorgverlener geldende beroepsnormen en andere professionele standaarden.
Dat een
zorgverlener beter anders had kunnen handelen is niet altijd genoeg voor een tuchtrechtelijk
verwijt. Verder geldt het uitgangspunt dat zorgverleners alleen tuchtrechtelijk
verantwoordelijk
zijn voor hun eigen handelen.
Klachtonderdeel a) en b) medische zorg verleend zonder toestemming en klager niet
(actief)
geïnformeerd over de medische behandelingen
5.2 Het college ziet redenen om deze klachtonderdelen gezamenlijk te behandelen.
5.3 Ter onderbouwing van deze klachtonderdelen heeft klager gewezen op de wettelijke
regelingen
waarin onder meer is bepaald dat ouders – dat wil dus zeggen beide ouders – dienen
te worden
geïnformeerd als het gaat om de medische behandeling van minderjarige kinderen.
Klager is van
mening dat het onthouden van informatie over de inschrijving, medische informatie,
toestemming en
besluitvorming over de inzage en de klachtafhandeling aan verweerster kunnen worden
tegengeworpen.
5.4 Verweerster heeft met betrekking tot deze klachtonderdelen aangevoerd dat zij
niet
tuchtrechtelijk kan worden aangesproken als het gaat om de medische behandeling
van de kinderen.
Voor wat betreft de verplichting tot het geven van informatie is verweerster van
mening dat zij
heeft gehandeld overeenkomstig de KNMG-richtlijn Toestemming en informatie bij behandeling
van
minderjarigen. Uit deze richtlijn volgt dat verweerster klager niet (actief) hoefde
te informeren
over de medische behandelingen. Verweerster heeft er voorts op gewezen dat, ook
als zij wel een informatieplicht zou hebben gehad, in dit geval sprake was van bijzondere
omstandigheden. Er was sprake van een verblijf in een blijf van mijn lijfhuis vanwege
vermeend huiselijk geweld. De kinderen konden daardoor tijdelijk niet door de eigen
huisarts worden gezien. Continuïteit van de zorg moest worden gewaarborgd. Verweerster
kon daarom
wel degelijk overgaan tot het verlenen van de benodigde zorg, aldus verweerster.
5.5 Het college oordeelt als volgt. Voor zover klachtonderdeel a) aldus moet worden
begrepen dat
verweerster als behandelend huisarts zonder toestemming medische zorg heeft verleend,
staat vast
dat verweerster niet de behandelend huisarts was. Nu een zorgverlener enkel tuchtrechtelijk
verantwoordelijk is voor het eigen handelen, en verweerster in deze niet zelf heeft
gehandeld, is
dit klachtonderdeel alleen al daarom ongegrond.
5.6 Voor zover klager heeft bedoeld te stellen dat ook verweerster geen toestemming
heeft
gevraagd aan klager, alsmede dat klager niet (actief) door verweerster als praktijkhouder
is
geïnformeerd over de medische behandelingen, geldt het volgende.
5.7 Juist is dat in artikel 7:465 lid 1 BW is bepaald dat de verplichtingen van
de zorgverlener
bij een kind dat de leeftijd van 12 jaar nog niet heeft bereikt, worden uitgeoefend
jegens de
ouders die het gezag hebben over de minderjarige. Dit betekent dat de verplichtingen
in beginsel
jegens beide ouders moeten worden nagekomen. Dit betekent ook dat onder meer het
geven van
toestemming voor een behandeling in beginsel door beide ouders moet worden gegeven,
wat
veronderstelt dat beide ouders over de voorgenomen behandeling dienen te worden
geïnformeerd.
Artikel 7:466 lid 2 BW bepaalt echter dat de vereiste toestemming mag worden verondersteld
te zijn
gegeven, indien de betreffende verrichting niet van ingrijpende aard is. Ook de
hiervoor genoemde
KNMG richtlijn bepaalt onder 4.3 dat – kort gezegd – toestemming mag worden verondersteld
als het
kind met maar één ouder op het spreekuur verschijnt, tenzij er sprake is van een
ingrijpende,
medisch niet-noodzakelijke of medisch ongebruikelijke behandeling. Dat toestemming
mag worden
verondersteld is vaste jurisprudentie (zie ook ECLI:NL:TGZCTG:2011:YG1298). De vraag
is nu of er
sprake was van een ingrijpende, medisch niet-noodzakelijke of medisch ongebruikelijke
behandeling.
Vast staat dat de collega van verweerster de kinderen heeft behandeld voor plasklachten,
een
gestoten voet, een muggenbult en een doorverwijzing naar een logopedist. Gesteld
noch gebleken is
dat de behandelingen voor deze klachten zouden moeten worden beschouwd als behandelingen
van
ingrijpende, medisch niet-noodzakelijke of medisch ongebruikelijke aard. De doorverwijzing
naar de
logopedist was bovendien al ingezet door de eigen huisarts.
5.8 Hoewel het vermoeden van instemming niet aan de orde is wanneer er sprake is
van aanwijzingen
dat de niet-aanwezige ouder een andere mening heeft over de behandeling, komt het
college tot het
oordeel dat geen sprake is van dergelijke aanwijzingen. Deze blijken niet uit de
stellingen van
klager noch uit het medisch dossier. Gesteld noch gebleken is dat klager het inhoudelijk
niet eens
was met de door de behandelend arts voorgestelde behandeling. Van een uitzondering
op voornoemde regel is dan ook geen sprake geweest. Verweerster
heeft overigens terecht erop gewezen dat de behandelend arts het belang van het
kind altijd mag
laten prevaleren. Gesteld noch gebleken is dat verweerster de belangen van de minderjarige
kinderen
niet in acht zou hebben genomen.
5.9 Voor zover klager heeft bedoeld te stellen dat sprake was van een bijzondere
situatie zodat
verweerster er niet vanuit mocht gaan dat hij werd geïnformeerd, geldt het volgende.
In de KNMG
richtlijn wordt gewezen op de eigen verantwoordelijkheid van de ouders om elkaar
te informeren en
met elkaar te overleggen over medische behandelingen van hun kinderen. Hoewel in
dit geval sprake
was van een bijzondere situatie en verweerster niet zonder meer ervan uit kon gaan
dat de partner
van klager hem zou informeren over de medische behandelingen, geldt in dit geval
ook dat de partner
van klager en de kinderen waren geplaatst in een blijf van mijn lijfhuis. Verweerster
heeft op dat
moment te respecteren dat aan klager niet bekend wordt gemaakt waar de partner van
klager en de
kinderen zich bevinden. Het geven van informatie door verweerster zou ertoe hebben
kunnen leiden
dat klager kon achterhalen waar de partner van klager en de kinderen zich bevonden.
Verweerster kon
ook om deze reden afzien van het actief informeren van klager. Dat verweerster zelfstandig
onderzoek zou hebben moeten doen naar de juistheid van de aantijgingen van de partner
van klager,
zoals klager kennelijk veronderstelt, kan het college niet volgen. Een dergelijk
onderzoek dient
door de daartoe aangewezen instanties te worden gedaan, niet door verweerster.
5.10 Gelet op al het vorenstaande is het college van oordeel dat verweerster niet
verplicht was om
klager (actief) te informeren en zij heeft dan ook niet tuchtrechtelijk verwijtbaar
gehandeld.
Klachtonderdeel c) inzage medisch dossiers genegeerd.
5.11 Klager heeft ter onderbouwing van dit klachtonderdeel aangevoerd dat hij vanaf
13 mei 2024
tevergeefs heeft geprobeerd inzage te krijgen in de medische dossiers.
Uiteindelijk heeft klager op 16 juli 2024 contact opgenomen met de praktijk van
verweerster en op
30 juli 2024 een klacht ingediend.
5.12 Verweerster heeft aangevoerd dat geen sprake was van het weigeren van inzage,
maar dat het
niet wenselijk is dat slechts één van de ouders inzage heeft in de medische dossiers.
De praktijk
van verweerster hanteert een systeem waarbij slechts één e-mailadres kan worden
gekoppeld aan een
medisch dossier. Het softwareprogramma staat geen uitzonderingen toe. Daarom is
het vast beleid dat
geen van de ouders digitale inzage krijgt. Ouders krijgen altijd informatie, maar
de informatie
wordt telefonisch gegeven of er wordt een afschrift van het medisch dossier gestuurd
als daarom
wordt verzocht. Dat klager eerst wel digitale toegang is verleend was nooit de bedoeling.
Dit is in
strijd met het vaste beleid van de praktijk en verweerster heeft gemeend dit te
moeten herstellen.
De communicatie daarover had beter gekund, aldus verweerster.
5.13 Het college oordeelt als volgt. Volgens artikel 7:456 BW heeft de patiënt in
beginsel recht
op inzage in en afschrift van de gegevens uit het medisch dossier. Ingeval sprake
is van
minderjarige kinderen bepaalt de KNMG-richtlijn “omgaan met medische gegevens”,
meer in het
bijzonder in artikel 4.1.1, dat de ouder(s) die met het gezag is/zijn belast van
een minderjarige
tot 12 jaar ook recht hebben op inzage in en een afschrift van het medisch dossier
van het kind.
Uit de wettelijke regeling kan niet worden opgemaakt op welke wijze deze inzage
moet worden
vormgegeven. Vast staat dat de praktijk van verweerster werkt met een systeem dat
het niet toelaat
om meer dan één e-mailadres te koppelen aan het medisch dossier. In het licht daarvan
is het vast
beleid van de praktijk om de ouders geen digitale koppeling te geven aan de medische
dossiers van
hun kinderen. Vast staat ook dat informatie aan de verzoekende ouder telefonisch
of door het sturen
van een afschrift wordt gegeven.
5.14 Het college acht de handelwijze van de praktijk van verweerster navolgbaar.
Als het systeem
het niet toelaat dat beide ouders inzage hebben, is het beleid om geen van de ouders
digitale
inzage te geven een correcte werkwijze. Zeker nu vast staat dat ouders altijd telefonisch
informatie kunnen krijgen over de inhoud van het medisch dossier en het feit dat
een afschrift kan
worden gevraagd. Vast staat – dit is door klager niet betwist – dat klager meermalen
telefonisch is
geïnformeerd over de gezondheid van de minderjarige kinderen en de consulten die
hebben
plaatsgevonden. Vast staat ook dat verweerster klager op verzoek ook een afschrift
van de medische
dossiers heeft gestuurd. Verweerster heeft daarmee in meer dan voldoende mate voldaan
aan het
bepaalde in artikel 7:456 BW en de KNMG richtlijn. Hoewel de communicatie over de
aanvankelijke
openstelling van de medische dossiers en het vervolgens weer sluiten daarvan, beter
had gekund, is
naar het oordeel van het college geen sprake van een tuchtrechtelijk te maken verwijt
maar van een
ongelukkige samenloop van omstandigheden. Dit klachtonderdeel is dan ook ongegrond.
Klachtonderdeel d) zorgen niet serieus genomen, geen adequate oplossing geboden
5.15 Het college stelt vast dat klager meermalen is uitgenodigd om de medische
dossiers in te
komen zien en dat hij daarvoor een afspraak kon maken. Vast staat ook – dit is door
klager niet
betwist – dat er op 25 juli 2024 een uitgebreid telefoongesprek heeft plaatsgevonden
en verweerster
de medische dossiers met klager heeft besproken. Na ontvangst van de klacht op 30
juli 2024 heeft
verweerster bij e-mail van 6 september 2024 het handelen nogmaals toegelicht. De
klacht is
uiteindelijk als afgehandeld beschouwd op
9 september 2024. Naar het oordeel van het college heeft verweerster zeer zorgvuldig
gehandeld. Zij
heeft, indachtig het vaste beleid met betrekking tot digitale inzage in de medische
dossiers van de
minderjarige kinderen, klager meermalen de gelegenheid gegeven om de medische dossiers
ter plekke
te kunnen inzien en zij heeft meermalen een telefonische toelichting gegeven. Dat
zij uiteindelijk
niet op alle vragen is ingegaan die klager haar in de klacht van 30 juli 2024 heeft
gesteld,
betekent niet dat zij de klacht van klager niet serieus heeft genomen. Zij mocht
afzien van het
beantwoorden van vragen die niet relevant waren in het licht van de gevraagde informatie
of die
enkel zodanig waren geformuleerd dat zij al een oordeel van klager bevatten. Dat
klager het met de beantwoording niet eens was, is geen grond om aan te nemen dat verweerster
de klacht niet serieus heeft genomen.
5.16 Dat verweerster geen adequate oplossing heeft geboden kan het college, in het
licht van de
feiten en omstandigheden als hiervoor weergegeven, niet volgen. Ook dit klachtonderdeel
is
ongegrond.
Slotsom
5.17 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat alle onderdelen van de klacht ongegrond
zijn. Dit
betekent dat geen kostenveroordeling zal worden toegekend aan klager.
Publicatie
5.18 In het algemeen belang zal deze beslissing worden gepubliceerd. Dit algemeen
belang is erin
gelegen dat andere zorgverleners mogelijk iets meer inzicht kunnen krijgen over
de rechten en
verplichtingen bij de behandeling van minderjarige kinderen. De publicatie zal plaatsvinden
zonder
vermelding van namen of andere tot personen of instanties herleidbare gegevens.
6. De beslissing
Het college:
- verklaart de klacht ongegrond;
- bepaalt dat deze beslissing, nadat die onherroepelijk is geworden, zonder vermelding
van namen of andere herleidbare gegevens ter publicatie zal worden aangeboden aan
de tijdschriften Tijdschrift voor Gezondheidsrecht en Medisch Contact.
Deze beslissing is gegeven door J. Iding, voorzitter, K.A.J.C.M. van den Berg Jeths-
van Meerwijk, lid-jurist, M.C.E. van den Heuvel, N.B. van der Maas en E. Jansen,
leden-beroepsgenoten, bijgestaan door T.G. Nijenkamp, secretaris, en in het openbaar
uitgesproken op 22 april 2026 door K.A.J.C.M. van den Berg Jeths-van Meerwijk.