ECLI:NL:TGZRSHE:2026:72 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg 's-Hertogenbosch H2025-8507
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRSHE:2026:72 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 22-04-2026 |
| Datum publicatie: | 22-04-2026 |
| Zaaknummer(s): | H2025-8507 |
| Onderwerp: | Overige klachten |
| Beslissingen: | Ongegrond, kennelijk ongegrond |
| Inhoudsindicatie: | Klacht van huisarts tegen huisarts waarmee zij een maatschapsovereenkomst was aangegaan. Mede wegens arbeidsongeschiktheid heeft de beklaagde huisarts de maatschap opgezegd. Klachtonderdelen die zien op het ondermijnen van de continuïteit van zorg door zonder overleg uitschrijving bij de Kamer van Koophandel te bewerkstelligen en het niet nakomen van de afspraken en verplichtingen binnen een medisch samenwerkingsverband, wat directe risico’s zou hebben opgeleverd voor de veiligheid en toegankelijkheid van zorg kennelijk ongegrond wegens onvoldoende onderbouwing/concretisering. Wat betreft het datalek medische gegevens patiënten heeft de beklaagde huisarts zich voldoende ingespannen om dit op te lossen tevens kennelijk ongegrond. Voor het overige kennelijk niet-ontvankelijk. |
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG
TE ’s-HERTOGENBOSCH
Beslissing in raadkamer van 22 april 2026 op de klacht van:
[A],
wonende in [B],
klaagster,
tegen
[C],
huisarts, werkzaam in [D],
verweerder, hierna ook: de huisarts,
gemachtigde: mr. J.A. De Clerck, werkzaam in Utrecht.
1. Waar gaat de zaak over?
1.1 Klaagster en verweerder zijn beiden huisarts en zijn in mei 2024 een maatschapsovereenkomst
aangegaan. Per 1 oktober 2024 zou de samenwerking van start gaan. Omdat verweerder
in juni 2024
betrokken raakte bij een verkeersongeval en daar blijvende klachten van ondervond,
raakte hij
arbeidsongeschikt. Verweerder heeft (mede) daarom de samenwerking met klaagster
per 1 oktober 2024
opgezegd. Daarna zijn klaagster en verweerder verwikkeld in een zakelijk geschil.
Klaagster verwijt
verweerder dat hij de continuïteit van zorg in gevaar heeft gebracht door het abrupt
uitschrijven
uit de maatschap en het veroorzaken/laten voortduren van een datalek waarbij gegevens
van patiënten
ten onrechte door klaagster werden ontvangen.
1.2 Het college komt tot het oordeel dat klaagster deels kennelijk niet-ontvankelijk
is in haar
klacht en dat de klacht deels kennelijk ongegrond is. ‘Kennelijk’ betekent dat het
niet nodig is om
nog vragen aan de partijen te stellen en dat duidelijk is dat de klacht niet gegrond
kan worden
verklaard. Hierna licht het college toe hoe het tot deze beslissing is
gekomen.
2. De procedure
2.1 De procedure blijkt uit:
- het klaagschrift, ontvangen op 16 mei 2025;
- het verweerschrift ontvangen op 13 augustus 2025;
- het proces-verbaal van het mondeling vooronderzoek, gehouden op 6 oktober 2025.
2.2 Het college heeft de klacht in raadkamer behandeld. Dit betekent dat het college
de zaak
beoordeeld heeft op basis van de stukken, zonder dat de partijen daarbij aanwezig
waren.
3. De feiten
3.1 Klaagster en verweerder zijn op 7 mei 2024 een maatschapsovereenkomst aangegaan
ten behoeve
van een gezamenlijke huisartsenpraktijk.
3.2 Op 1 oktober 2024 zou de samenwerking in de huisartsenpraktijk van start gaan.
3.3 Verweerder werd op 19 juni 2024 op zijn racefiets aangereden door een auto.
Ten gevolge van
het ongeval werd licht traumatisch hersenletsel vastgesteld.
3.4 Verweerder had nog geen arbeidsongeschiktheidsverzekering afgesloten.
3.5 Verweerder heeft klaagster eind augustus 2024 laten weten een waarnemer te willen
inschakelen
omdat hij zelf arbeidsongeschikt was.
3.6 Op 24 september 2024 heeft verweerder klaagster bericht dat hij volledig arbeidsongeschikt
was wegens overbelasting en zich moest richten op zijn herstel.
3.7 Per e-mail en aangetekende brief van 1 oktober 2024 heeft verweerder de
maatschapsovereenkomst opgezegd. In zijn brief aan klaagster stond:
“(…) Mede in verband met mijn arbeidsongeschiktheid zeg ik de tussen ons bestaande
maatschapsovereenkomst op. (…).”
3.8 Tussen klaagster en verweerder is daarna een zakelijk geschil ontstaan over
de vereffening
van de maatschap. Na diverse aansprakelijkstellingen is een civiele dagvaardingsprocedure
gestart.
3.9 Op 26 september 2024 heeft verweerder, in verband met het automatische overgaan
van patiënt
gerelateerde data vanuit de praktijk waar hij werkzaam was, per mail een verzoek
gestuurd aan het
verantwoordelijke softwarebedrijf om zijn AGB-code los te koppelen van het systeem
van de
maatschap. Op 30 september 2024 ontving verweerder een e-mail vanuit het softwarebedrijf
dat de
AGB-code was losgekoppeld.
3.10 Berichten en uitslagen van patiënten werden na die datum nog steeds automatisch
doorgestuurd
aan de praktijk van klaagster.
3.11 Verweerder heeft op verschillende data e-mails verstuurd aan de daarvoor verantwoordelijke
personen met het verzoek dit op te lossen.
3.12 Verweerder heeft zich per 1 april 2025 bij de Kamer van Koophandel (KvK) uitgeschreven als maat van de maatschap.
4. De klacht en de reactie van de huisarts
4.1 Klaagster verwijt de huisarts:
a) het schenden van de collegiale verantwoordelijkheid bij voortzetting van de patiëntenzorg;
b) het ondermijnen van de continuïteit van zorg door zonder overleg uitschrijving
bij de Kamer van
Koophandel te bewerkstelligen, met vergaande gevolgen voor de praktijkvoering;
c) het niet nakomen van de afspraken en verplichtingen binnen een medisch
samenwerkingsverband, wat directe risico’s heeft opgeleverd voor de veiligheid en
toegankelijkheid van zorg;
d) het zich beroepen op vermeende arbeidsongeschiktheid als middel om zich structureel
te
onttrekken aan professionele, organisatorische en financiële verplichtingen;
e) door het uitblijven van de juiste aanpassing in de AGB code is maandenlang medische
informatie
van patiënten uit de praktijk waar verweerder in loondienst is blijven werken, automatisch
doorgestuurd naar de praktijk van klaagster.
4.2 De huisarts heeft het college verzocht klaagster niet-ontvankelijk te verklaren
en de klacht
dus niet inhoudelijk te behandelen. Voor het geval het college de klacht wel inhoudelijk
gaat
beoordelen, heeft de huisarts het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren.
De huisarts
geeft verder aan dat hij betreurt dat de samenwerking met klaagster niet is verlopen
zoals hij had
gehoopt en betreurt tevens dat hij geen bijdrage heeft kunnen leveren aan de (patiëntenzorg)
van de
praktijk, of de continuering hiervan.
4.3 Het college gaat hieronder verder in op de standpunten van partijen.
5. De overwegingen van het college
Ontvankelijkheid
5.1 Verweerder is van mening dat klaagster niet-ontvankelijk is in de klacht,
omdat het een
zakelijk geschil betreft en het tuchtrecht niet de geëigende weg is voor dergelijke
geschillen. Het
college overweegt het volgende.
5.2 Het is duidelijk dat de klacht niet gaat over een behandelrelatie tussen klaagster
en
verweerder. Daarmee is de eerste tuchtnorm, artikel 47 lid 1 onder a van de Wet
op de beroepen van
de individuele gezondheidszorg (Wet BIG), niet van toepassing. De zogenoemde tweede
tuchtnorm,
neergelegd in artikel 47 lid 1, aanhef en onder b, van de Wet BIG, houdt in dat
een
BIG-geregistreerde zorgverlener ook aan tuchtrecht is onderworpen ter zake van ander
handelen of
nalaten in strijd met wat een behoorlijk beroepsbeoefenaar betaamt. Een klacht daarover
kan –
volgens artikel 65 lid 1 aanhef en onder a van de Wet BIG – worden ingediend door
een rechtstreeks
belanghebbende.
5.3 In dat kader moet beoordeeld worden of er aan de zijde van een klager sprake
is van een rechtstreeks belang dat kan worden geplaatst in het kader van de individuele
gezondheidszorg.
Deze eis vloeit voort uit de aard en strekking van de Wet BIG die beoogt de kwaliteit
van de
individuele gezondheidszorg te bewaken. Door het Centraal Tuchtcollege is bepaald
dat een
collega-zorgverlener kan worden aangemerkt als klachtgerechtigd in de zin van artikel
65 van de Wet
BIG. In zo’n geval moet de klagende collega als medisch beroepsbeoefenaar een concreet
belang
hebben dat verband houdt met de individuele gezondheidszorg.
5.4 Het college is van oordeel dat wat betreft klachtonderdeel d niet kan worden
vastgesteld welk
concreet belang klaagster heeft dat verband houdt met de individuele gezondheidszorg.
Wat betreft
klachtonderdeel a oordeelt het college dat het schenden van de collegiale verantwoordelijkheid
niet
een door het tuchtrecht te beschermen belang is. Dat betekent dat klaagster kennelijk
niet-ontvankelijk is in deze klachtonderdelen en dat deze dus niet inhoudelijk kunnen
worden
behandeld.
5.5 Het college zal de klachtonderdelen b, c en e hierna wel bespreken omdat deze
specifiek zien
op de continuïteit en toegankelijkheid van zorg aan de patiënten van klaagster en
daarmee sprake is
van een concreet belang van klaagster, gelegen op het gebied van de individuele
gezondheidszorg.
Wat betreft klachtonderdeel e ligt het concrete belang van klaagster in het gegeven
dat zij de
individuele patiëntgegevens ten onrechte heeft ontvangen en daar inzage in heeft
gekregen.
Klachtonderdelen b) het ondermijnen van de continuïteit van zorg zonder overleg uitschrijving
bij
de Kamer van Koophandel te bewerkstelligen, met vergaande gevolgen voor de praktijkvoering
en c)
het niet nakomen van de afspraken en verplichtingen binnen een
medisch samenwerkingsverband, wat directe risico’s heeft opgeleverd voor de veiligheid
en
toegankelijkheid van zorg.
5.6 Klaagster heeft in het klaagschrift gesteld dat de continuïteit van zorg aan
de patiënten van
de maatschap onder druk staat ten gevolge van het handelen van verweerder en het
langdurende
geschil tussen klaagster en verweerder. Klaagster stelt ook dat het niet nakomen
van afspraken en
verplichtingen door verweerder directe risico’s heeft opgeleverd voor de veiligheid
en
toegankelijkheid van zorg. Klaagster heeft echter niet onderbouwd in welke vorm
dit dan gevolgen
heeft gehad voor de zorgverlening aan patiënten en/of welke concrete consequenties/risico’s
er zijn
ontstaan voor de veiligheid en toegankelijkheid van zorg. Omdat klaagster deze verwijten
niet nader
heeft geconcretiseerd, kan het college niet oordelen dat verweerder hier tuchtrechtelijk
verwijtbaar heeft gehandeld verband houdende met een eigen belang van klaagster
op het gebied van
individuele gezondheidszorg. Deze twee klachtonderdelen zijn hiermee ongegrond.
Klachtonderdeel e) door het uitblijven van de juiste aanpassing in de AGB code is
maandenlang
medische informatie van patiënten uit de praktijk waar verweerder in loondienst
is blijven werken,
automatisch doorgestuurd naar de praktijk van klaagster.
5.7 Dit klachtonderdeel ziet op het feit dat er gedurende een aantal maanden medische
informatie
over patiënten die verweerder behandelde in een andere praktijk is ontvangen door
klaagster.
Verweerder voert aan dat hij, na het kennis nemen hiervan, direct actie heeft ondernomen
om dit
probleem op te lossen. Uit de stukken is ook gebleken dat verweerder dezelfde dag
een verzoek heeft
gedaan aan het hiervoor verantwoordelijke bedrijf om zijn AGB-code los te koppelen,
zodat de
patiënt gerelateerde data niet meer ten onrechte zouden worden doorgestuurd. Het
college oordeelt
op grond van de stukken dat verweerder zich voldoende heeft ingespannen en zijn
best heeft gedaan
om dit probleem te verhelpen. Verweerder heeft op meerdere momenten e-mails verstuurd
aan externe
bedrijven die het probleem konden verhelpen, en heeft daarmee zelf al het mogelijke
ondernomen om
het datalek te stoppen. Het college ziet niet in wat verweerder verder zelf nog
had moeten
ondernemen, gezien de afhankelijkheid van externe bedrijven. Verweerder treft geen
persoonlijk
verwijt. Ook dit klachtonderdeel is daarmee ongegrond.
Slotsom
5.8 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat de klachtonderdelen a en d kennelijk
niet-ontvankelijk
zijn en de klachtonderdelen b, c en e kennelijk ongegrond.
6. De beslissing
Het college:
- verklaart klaagster kennelijk niet-ontvankelijk in de klachtonderdelen a en d;
- verklaart de klacht voor het overige kennelijk ongegrond.
Deze beslissing is gegeven door J. Iding, voorzitter, M.C.E. van den Heuvel en E.
Jansen,
leden-beroepsgenoten, bijgestaan door T.G. Nijenkamp, secretaris, en in het openbaar
uitgesproken op 22 april 2026 door K.A.J.C.M. van den Berg Jeths-van Meerwijk.