ECLI:NL:TGZRSHE:2026:71 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg 's-Hertogenbosch H2025/8427

ECLI: ECLI:NL:TGZRSHE:2026:71
Datum uitspraak: 22-04-2026
Datum publicatie: 22-04-2026
Zaaknummer(s): H2025/8427
Onderwerp: Onzorgvuldige dossiervorming
Beslissingen: Niet-ontvankelijk
Inhoudsindicatie: Klacht tegen orthopedisch chirurg kennelijk niet-ontvankelijk (ne bis in idem). Klaagster klaagt over hetzelfde feitencomplex als waarover het college in 2024 al onherroepelijk heeft beslist (ontbreken van gegevens in het medisch dossier).

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG
TE ’S-HERTOGENBOSCH

Beslissing in raadkamer van 22 april 2026 op de klacht van:

[A],
wonende in [B],
klaagster,

tegen

[C],
orthopedisch chirurg,
werkzaam in [B],
verweerder, hierna ook: de orthopedisch chirurg, gemachtigde: mr. S.J. Muntinga, werkzaam in 
Utrecht.

1. De zaak in het kort
1.1   Klaagster is in 2022 bij de orthopedisch chirurg geweest. Klaagster verwijt de orthopedisch 
chirurg dat hij is afgeweken van de kwaliteitsstandaard Basisgegevens zorg (BgZ). Zij stelt dat de 
orthopedisch chirurg ten onrechte heeft volstaan met het inscannen van een brief in haar medisch 
dossier in plaats van het opnemen van de relevante gegevens. De orthopedisch chirurg is van mening 
dat klaagster niet-ontvankelijk is in de klacht, omdat het college in een eerdere tuchtprocedure 
tegen hem (H2022/4425) al een onherroepelijke uitspraak heeft gedaan over (onder meer) de 
volledigheid van het medisch dossier van
klaagster.

1.2   Het college is van oordeel dat klaagster kennelijk niet-ontvankelijk is in haar klacht. 
‘Kennelijk’ betekent dat het niet nodig is om nog vragen aan de partijen te stellen en dat 
duidelijk is dat klaagster niet in haar klacht kan worden ontvangen. Hierna licht het college toe 
hoe het tot deze beslissing is gekomen.

2. De procedure
2.1  De procedure blijkt uit:
-  het klaagschrift, ontvangen op 24 april 2025;
-  het verweerschrift, ontvangen op 30 juli 2025;
-  de brief van 16 september 2025 van de secretaris aan klaagster;
-  de brief van 17 september 2025, ontvangen van klaagster;
-  de reactie van de orthopedisch chirurg op de brief van klaagster, ontvangen op 13 oktober 2025.

2.2   De partijen hebben de gelegenheid gekregen om onder leiding van een secretaris van het 
college in gesprek te gaan (mondeling vooronderzoek). Daarvan hebben zij geen gebruik gemaakt.

2.3   Het college heeft de klacht in raadkamer behandeld. Dit betekent dat het college de zaak 
beoordeeld heeft op basis van de stukken, zonder dat de partijen daarbij aanwezig waren.

3. De feiten
3.1  De orthopedisch chirurg heeft klaagster op verwijzing door haar huisarts op
18 februari 2022 op de polikliniek gezien in verband met klachten aan de linkerknie en de wens om 
een Totale Knie Prothese (TKP) te laten plaatsen. De orthopedisch chirurg heeft daarna een MRI 
laten maken en hij heeft de uitslag daarvan op 4 april 2022 met klaagster besproken. De 
orthopedisch chirurg zag geen aanleiding tot “een gewrichtsvervangende ingreep” (alle citaten 
worden letterlijk weergegeven). De orthopedisch chirurg heeft de huisarts van klaagster 
schriftelijk op de hoogte gesteld van zijn bevindingen op
18 februari 2022 en op 4 april 2022. In de brieven aan de huisarts zijn bij “Overige problemen” 
onder meer “longembolie” (2005) en “autonome dysreflectie” (2018) vermeld.

3.2   De orthopedisch chirurg heeft klaagster na een schriftelijk verzoek daartoe in september 2022 
nog een brace voorgeschreven. Verder is hij niet meer bij de behandeling van klaagster betrokken 
geweest.

3.3   Na april 2022 heeft klaagster zich meerdere keren (en bij verschillende instanties) beklaagd 
over de zorgverlening door de orthopedisch chirurg. Ook heeft zij zich erover beklaagd dat 
essentiële gegevens in haar medisch dossier zouden ontbreken.

3.4   Met betrekking tot de volgens klaagster in het medisch dossier ontbrekende gegevens, heeft de 
voorzitter van de Raad van Bestuur van het ziekenhuis namens verweerder aan klaagster op 8 februari 
2023 onder meer het volgende bericht:
“Wij hebben contact gehad met [verweerder] en betrokkene heeft ingestemd om de aanvulling, zoals 
door u opgenomen in uw e-mails, op te nemen in uw patiëntdossier. Dit betreft uitsluitend de 
volgende tekst:
-  Trombosegevoelig: 2x eerder trombose gehad na immobilisatie;
-  acute massale longembolie in 2005 waarvoor opname in het [naam ziekenhuis];
-  kijkoperatie in 2010 bij de [naam ziekenhuis] met kopie operatieverslag/brief voor het 
beschreven letsel;
-  CAVE: NSAID’s;
-  ziekte van Crohn (diagnose 2018, [naam ziekenhuis];
Wij zullen dan deze brief laten inscannen in uw patiëntdossier.”

Klaagster heeft aanvankelijk ingestemd met het toevoegen van de brief aan haar medisch dossier. Op 
enig moment nadien is de betreffende brief op verzoek van klaagster weer uit haar medisch dossier 
verwijderd.

3.5   Klaagster heeft bij dit tuchtcollege op 20 april 2023 een klacht ingediend (zaaknummer 
H2022/4425) over de door de orthopedisch chirurg verleende zorg, bestaande uit zeven 
klachtonderdelen. In het zevende klachtonderdeel verweet klaagster de orthopedisch chirurg dat hij:
“g)   informatie uit het medisch dossier van klaagster heeft verwijderd over haar medische 
voorgeschiedenis (trombose, longembolie, autonome dysfunctie).”

3.6   Het college heeft de klacht van klaagster bij beslissing van 21 februari 2024 in alle 
onderdelen kennelijk ongegrond verklaard. Met betrekking tot klachtonderdeel g) heeft het college 
overwogen:
“Ontbrkende medische voorgeschiedenis – klachtonderdeel g)
5.10  Ook dit klachtonderdeel is kennelijk ongegrond, alleen al omdat uit de brieven van de 
orthopedisch chirurg aan de huisarts blijkt dat de door klaagster genoemde medische gegevens wel in 
het medisch dossier zijn opgenomen.”

3.7   Klaagster heeft van de beslissing van het college hoger beroep ingesteld bij het Centraal 
Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg (CTG), maar dat beroep heeft zij na de mondelinge behandeling 
ingetrokken. Daarmee is de beslissing van het college onherroepelijk geworden.

4. De klacht en de reactie van de orthopedisch chirurg
4.1   Klaagster verwijt de orthopedisch chirurg dat hij is afgeweken van de kwaliteitsstandaard 
Basisgegevens zorg (BgZ). Klaagster stelt dat verweerder haar gegevens had moeten opnemen in de BgZ 
in plaats van te volstaan met het inscannen van een brief.

4.2   De orthopedisch chirurg heeft het college verzocht klaagster niet-ontvankelijk te verklaren 
en de klacht dus niet inhoudelijk te behandelen. Voor het geval het college de klacht wel 
inhoudelijk gaat beoordelen, heeft de orthopedisch chirurg het college verzocht de klacht ongegrond 
te verklaren.

4.3  Het college gaat hieronder verder in op de standpunten van partijen.

5. De overwegingen van het college
Ontvankelijkheid
5.1   Het college moet allereerst beoordelen of klaagster in haar klacht kan worden ontvangen. De 
orthopedisch chirurg heeft aangevoerd dat klaagster niet-ontvankelijk is in de klacht, omdat het 
college in de eerdere tuchtprocedure tegen verweerder (H2022/4425) al een onherroepelijke uitspraak 
heeft gedaan (onder meer) over de volledigheid van het medisch dossier van klaagster. Klaagster 
klaagt nu opnieuw over hetzelfde feitencomplex. Zij is van mening dat de minimale gegevens in het dossier niet volledig zijn. Dat ze de klacht nu iets anders formuleert doet daar niet aan af. Het is klaagster steeds (ook) te doen geweest om de inhoud van haar medisch dossier, aldus de orthopedisch chirurg.

5.2   Klaagster heeft aangevoerd dat haar eerdere klacht zéér ver afwijkt van haar huidige klacht. 
De eerdere klacht ging over klaagsters knieklachten. Het gaat nu om nalatig handelen door de 
orthopedisch chirurg inzake het borgen van de veiligheid van zorg betreffende de door klaagster op 
2 juli 2025 ondergane operatie, waardoor klaagster morfine is toegediend met desastreuze gevolgen. 
De huidige klacht gaat erom dat de orthopedisch chirurg geweigerd heeft, althans nalatig is geweest 
om medische gegevens die voor klaagster van levensbelang zijn, toe te voegen aan haar medisch 
dossier en door te geven aan een ander ziekenhuis. Het gaat om de allergie voor oxycodon, aldus 
klaagster.

5.3   Op grond van artikel 51 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG) 
kan niemand nogmaals worden berecht ter zake van enig in artikel 47 lid 1 van die wet bedoeld 
handelen of nalaten, waarover een onherroepelijk geworden tuchtrechtelijke eindbeslissing is 
genomen. Dit is het zogenoemde “ne bis in idem” beginsel. Volgens klaagster is artikel 51 van de 
Wet BIG niet van toepassing omdat de huidige klacht ziet op ander handelen en nalaten dan het 
handelen en nalaten waarop haar eerdere klacht betrekking had. Het college volgt klaagster hierin 
niet en overweegt in dat kader het volgende.

5.4   De kern van de door klaagster op 24 april 2025 ingediende klacht is gelijk aan hetgeen 
klaagster de orthopedisch chirurg verweet in klachtonderdeel g) in de eerdere tuchtprocedure. De 
klacht komt ook nu erop neer dat klaagster meent dat haar medisch dossier niet compleet is en dat 
de orthopedisch chirurg daarvoor verantwoordelijk is. Weliswaar stelt zij in de nieuwe klacht dat 
haar dossier niet voldoet aan (de minimale dossiereisen) van de BgZ en heeft zij de huidige klacht 
anders en uitgebreider toegelicht, maar dat neemt niet weg dat de klacht ziet op hetzelfde 
feitencomplex en op hetzelfde (gestelde) nalaten als de eerdere klacht. In de kern gaat de klacht 
opnieuw over het ontbreken van gegevens in het medisch dossier, door toedoen van de orthopedisch 
chirurg, waarover het college op 21 februari 2024 al onherroepelijk heeft beslist. Er zijn geen 
nieuwe feiten en/of omstandigheden naar voren gekomen die een behandeling van deze nieuwe klacht 
rechtvaardigen. Voor zover klaagster in haar toelichting op de nieuwe klacht heeft gesteld dat de 
orthopedisch chirurg op een of meer tijdstippen vanaf/na 2023 en in 2025 nalatig is geweest 
(gebleven) om informatie aan het dossier toe te voegen dan wel aan derden te verstrekken, leidt dat 
evenmin tot een andere beoordeling. De orthopedisch chirurg is immers na april 2022 niet meer 
inhoudelijk bij de behandeling van klaagster betrokken geweest. De verzoeken van klaagster aan de 
orthopedisch chirurg om informatie toe te voegen aan het dossier dan wel aan derden te verstrekken, 
kunnen daarom slechts betrekking hebben op de vermeende incompleetheid van het medisch dossier per 
april 2022 en daarover is, zoals gezegd, al onherroepelijk geoordeeld.

5.5  Het college verwijst voor een vergelijking met deze zaak naar de uitspraken van het
CTG van 12 maart 2020, ECLI:NL:TGZCTG:2020:103 en 19 juli 2023,
ECLI:NL:TGZCTG:2023:121. Hieruit volgt dat in zaken zoals deze geen plaats is voor een
nieuwe beoordeling van de klacht.

5.6   De conclusie van het voorgaande is dat klaagster kennelijk niet-ontvankelijk is in haar 
klacht. Dit brengt mee dat het college niet toekomt aan een inhoudelijke beoordeling
van de klacht.

5.7   Het college overweegt ten overvloede dat sprake kan zijn van misbruik van het tuchtrecht als 
sprake is van een situatie, waarin het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid 
onaanvaardbaar is dat een klager vraagt om een oordeel over zijn klacht. Die situatie zou zich 
kunnen voordoen in het geval een klager opnieuw een volgende klacht indient tegen een verweerder op 
grond van hetzelfde feitencomplex.

6. De beslissing
Het college:
-  verklaart klaagster kennelijk niet-ontvankelijk in haar klacht.

Deze beslissing is gegeven door N.H.J. Lafghani, voorzitter, L.H. Bouwman en B. Lamme, 
leden-beroepsgenoten, bijgestaan door N.A.M. Sinjorgo, secretaris, en in het openbaar
uitgesproken door K.A.J.C.M. van den Berg Jeths-van Meerwijk op 22 april 2026.