ECLI:NL:TGZRSHE:2026:70 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg 's-Hertogenbosch H2025/8641
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRSHE:2026:70 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 15-04-2026 |
| Datum publicatie: | 15-04-2026 |
| Zaaknummer(s): | H2025/8641 |
| Onderwerp: | Geen of onvoldoende zorg |
| Beslissingen: | Ongegrond, kennelijk ongegrond |
| Inhoudsindicatie: | Kennelijk ongegronde klacht van klager tegen een anios bedrijfsgeneeskunde. Klager verwijt de arts onder meer dat zij niet bevoegd was om te oordelen over zijn ziekte in relatie tot het werk, niet onpartijdig en oppervlakkig heeft gehandeld, onvoldoende over haar titel heeft geïnformeerd en de gezondheid van klager niet vooropgesteld heeft. Het college stelt vast dat verweerster als anios bedrijfsgeneeskunde onder een voldoende geborgde supervisieconstructie werkzaam was met een geregistreerd bedrijfsarts als eindverantwoordelijke. Verder blijkt uit het medisch dossier dat verweerster uitvoerig onderzoek heeft verricht en zorgvuldig opbouwende adviezen heeft gegeven met aandacht voor de beperkingen van klager. Daarnaast heeft verweerster zich steeds als arts voorgesteld en ondertekend. |
H2025/8641
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG TE ’s-HERTOGENBOSCH
Beslissing in raadkamer van 15 april 2026 op de klacht van:
[A],
wonende in [B],
klager,
gemachtigde: [C], wonende in [B]
tegen
[D],
arts,
destijds werkzaam in [E],
verweerster, hierna ook: arts,
gemachtigde: mr. M.F. Mooibroek, werkzaam in Utrecht.
1. De zaak in het kort
1.1 Klager is sinds oktober 2024 ziek. Zijn werkgever is aangesloten bij een arbodienst.
Verweerster is werkzaam bij deze arbodienst. Verweerster heeft enige tijd de verzuimbegeleiding
van
klager verzorgd tijdens zijn arbeidsongeschiktheid en adviezen gegeven aan zowel
klager als zijn
werkgever.
1.2 Het college komt tot het oordeel dat de klacht kennelijk ongegrond is. ‘Kennelijk’
betekent
dat het niet nodig is om nog vragen aan de partijen te stellen en dat duidelijk
is dat de klacht
niet gegrond kan worden verklaard. Hierna vermeldt het college eerst hoe de procedure
is verlopen.
Daarna licht het college de beslissing toe.
2. De procedure
2.1 De procedure blijkt uit:
- het klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 24 juni 2025;
- het verweerschrift met de bijlagen, ontvangen per e-mail op 16 september 2025
en per post op
18 september 2025;
- de brief van 7 oktober 2025 van de secretaris aan de gemachtigde van beklaagde;
- het aanvullende verweerschrift met de bijlagen, ontvangen op 28 oktober 2025;
- het proces-verbaal van het mondelinge vooronderzoek, gehouden op 14 januari 2026.
2.2 Het college heeft de klacht in raadkamer behandeld. Dit betekent dat het college
de zaak
beoordeeld heeft op basis van de stukken, zonder dat de partijen daarbij aanwezig
waren.
3. De feiten
3.1 Klager heeft zich op 8 oktober 2024 ziekgemeld bij zijn werkgever. Van 7 april
2025 tot en
met 2 juli 2025 heeft verweerster hem begeleid onder supervisie van een collega-arts
en een
bedrijfsarts. In die periode hebben drie consulten plaatsgevonden. Verweerster was
op dat moment
anios bedrijfsgeneeskunde bij de Arbodienst.
3.2 Verweerster sprak klager voor de eerste keer op 7 april 2025. Tijdens het consult
heeft
verweerster aan klager diverse vragen gesteld over zijn belastbaarheid en zijn klachten.
De
klachten waren pijn aan linker bovenbeen en -heup, weinig energie, concentratieproblemen,
slaapproblemen, hoofdpijn en een sombere stemming.
3.3 Verweerster heeft de bevindingen van het consult vastgelegd in een spreekuur-rapportage
voor
de werkgever van klager en stelde op basis van de anamnese en presentatie van klager
het volgende
re-integratieadvies op:
“(…) Uw werknemer is uitgevallen vanwege een medische verzuimoorzaak en volgt hiervoor
behandeling.
Ik verneem van dhr. dat er een keer een fysiek contactmoment heeft plaatsgevonden.
Ik adviseer om
de komende twee weken wekelijks een koffiemoment te realiseren. Indien deze koffiemomenten
niet
leiden tot een structurele toename van de door dhr. ervaren klachten, kan over 2
weken worden
opgebouwd naar een uur passend werk.
Deze opbouw kan vervolgens worden uitgebreid naar 2x2 uur per week na 2 weken. Bij
het aanbieden
van de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de bij “belastbaarheid”
beschreven
beperkingen. (...)”
3.4 Op 2 juni 2025 kwam klager opnieuw naar het spreekuur van verweerster, ditmaal
was ook de
vrouw van klager aanwezig. Klager vertelde dat zijn klachten niet waren verbeterd
en het slechter
met hem ging. Hij had tweemaal 1 uur per week gewerkt en dit was mede door de lange
reistijd van
klager zeer zwaar geweest. Verweerster stelde naar aanleiding van dit consult het
volgende
re-integratieadvies op:
“(…) Uw werknemer is uitgevallen vanwege een medische verzuimoorzaak en volgt hiervoor
behandeling,
maar ervaart momenteel een stagnatie van het herstel. Ik heb vernomen dat werknemer
werkzaam is
voor 2 x 1 uur in passende werkzaamheden, en dat volgende week zou worden opgebouwd
naar 2 x 2 uur.
Mede door de lange reistijd overschrijdt deze opbouw de belastbaarheid van werknemer.
Ik adviseer
om daarom terug te gaan naar een werkdag en vanuit daar in uren op te bouwen. Medewerker
kan
starten met 1 x 2 uur, waarna in overleg kan worden opgebouwd met 1-2 wekelijks
een uur in passende
werkzaamheden, rekening houdend met bovenstaande beperkingen. Blijf regelmatig met
elkaar evalueren
en pas zo nodig de opbouw aan, mocht deze leiden tot een structurele toename van
de ervaren
beperkingen. (…)”
3.5 Omdat klager zich niet kon vinden in de begeleiding en adviezen van verweerster,
heeft klager
aangegeven een second opinion te willen. Verweerster zag klager op 2 juli 2025 om
zijn verzoek om
een second opinion te bespreken en heeft toen de aanvraag van een second opinion
voor klager in
gang gezet.
3.6 De second opinion vond plaats op 7 augustus 2025. Voordat de terugkoppeling
van de second
opinion was ontvangen, heeft klager op 10 september 2025 een consult gehad bij de
supervisor van
verweerster, bedrijfsarts.
4. De klacht en de reactie van de arts
4.1 Klager verwijt verweerster dat zij:
a) niet bevoegd was te oordelen over de ziekte van klager in relatie tot zijn werk;
b) niet onpartijdig en oppervlakkig handelde;
c) onvoldoende over haar titel informeerde;
d) de gezondheid van klager niet vooropgesteld heeft.
4.2 Verweerster heeft het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren.
4.3 Het college gaat hieronder verder in op de standpunten van partijen.
5. De overwegingen van het college
Welke criteria gelden bij de beoordeling?
5.1 De vraag is of verweerster de zorg heeft verleend die van haar verwacht mocht
worden. De norm
daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende (arbo-)arts. Bij de beoordeling
wordt
rekening gehouden met de voor de zorgverlener geldende beroepsnormen en andere professionele
standaarden. Dat een zorgverlener beter anders had kunnen handelen is niet altijd
genoeg voor een
tuchtrechtelijk verwijt.
5.2 Het college oordeelt dat verweerster niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.
Klachtonderdeel a) niet bevoegd te oordelen
5.3 Klager verwijt verweerster dat zij niet bevoegd was te oordelen over zijn
ziekte in relatie
tot zijn werk. Verweerster heeft in reactie hierop aangegeven dat het bij uitstek
tot de
bevoegdheden van een arbo-arts behoort om, in dit geval onder supervisie van een
bedrijfsarts,
bedrijfsgeneeskundige werkzaamheden te verrichten zoals onder meer het oordelen
over ziekte in
relatie tot het kunnen verrichten van werkzaamheden.
5.4 Het college begrijpt de klacht aldus dat klager heeft bedoeld te stellen dat
verweerster als
anios niet bevoegd was om te oordelen over de ziekte van klager in relatie tot zijn
werk. Dat betekent dat het college moet beoordelen of er sprake was van een voldoende supervisie
van verweerster door een bedrijfsarts. Het college stelt het volgende vast. Verweerster verrichtte
haar werkzaamheden onder een zogenoemde getrapte supervisieconstructie. Dat betekent
dat zij weliswaar in haar dagelijkse werkzaamheden een andere arts, werkzaam bij de
Arbodienst, als
direct aanspreekpunt had, maar dat zij daarnaast een geregistreerd bedrijfsarts
als supervisor had die eindverantwoordelijk was voor de door haar verrichte bedrijfsgeneeskundige
werkzaamheden.
Anders dan klager veronderstelt, stond verweerster onder een voldoende geborgde
supervisie en was
zij in haar hoedanigheid van anios bedrijfsgeneeskunde bevoegd en bekwaam om te
oordelen over de
ziekte van klager in relatie tot het werk.
5.5 Daarbij neemt het college in aanmerking dat verweerster heeft verklaard dat
zij steeds de
mogelijkheid had om advies in te winnen bij haar superviserend bedrijfsarts. Overigens
heeft de
bedrijfsarts klager uiteindelijk ook zelf op zijn spreekuur gezien. Het college
stelt vast dat
verweerster onder een voldoende supervisie stond, nu de supervisor zijn rol als
eindverantwoordelijke ook heeft ingevuld.
5.6 Het klachtonderdeel is kennelijk ongegrond.
Klachtonderdeel b) niet onpartijdig en oppervlakkig handelen en klachtonderdeel d)
de gezondheid
niet vooropgesteld
5.7 Het college zal klachtonderdelen b) en d) gezamenlijk behandelen, gelet op
hun onderlinge
samenhang.
5.8 Klager verwijt verweerster dat zij niet onpartijdig en daarnaast oppervlakkig
heeft gehandeld
en tevens de gezondheid van klager niet vooropgesteld heeft. Het college overweegt
als volgt. Het
college stelt vast dat in het medisch dossier een uitvoerig verslag is neergelegd
over hetgeen ten
tijde van de consulten is besproken met klager. Verweerster heeft een uitgebreide
uitvraag gedaan
naar de klachten en beperkingen en heeft bij het tweede consult kennis genomen van
de uitkomst van
het beeldvormend onderzoek. Naar het oordeel van het college heeft verweerster zich
vervolgens een
zorgvuldig beeld kunnen vormen van de gezondheidstoestand van klager en is zij op
grond van deze
informatie kunnen komen tot haar advies. Anders dan klager veronderstelt, blijkt
het college niet
van oppervlakkig of partijdig handelen.
5.9 Daarnaast blijkt uit het dossier dat verweerster voorzichtig te werk is gegaan
door klager
eerst te adviseren om te starten met het hebben van koffiemomenten met de werkgever,
en wanneer
deze niet zouden leiden tot structurele toename van de ervaren klachten, kon worden
opgebouwd naar
één uur per week werken. Dit advies is voor het college navolgbaar. Ook heeft verweerster,
nadat
klager tijdens het consult op 2 juni 2025 had aangegeven dat het niet goed met hem
ging, de
afspraak tot tweemaal twee uur per dag werken bijgesteld naar eenmaal per week twee
uur werken. Hieruit blijkt dat verweerster juist rekening heeft gehouden met de beperkingen
en gezondheid van klager.
5.10 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat beide klachtonderdelen kennelijk ongegrond zijn.
Klachtonderdeel c) de arts heeft klager onvoldoende over haar titel geïnformeerd.
5.11 Klager verwijt verweerster dat zij klager onvoldoende over haar titel heeft
geïnformeerd.
Verweerster brengt naar voren dat zij zich altijd heeft voorgesteld als
(arbo-) arts en niet als bedrijfsarts. Ook stelt zij dat zij haar schriftelijke
terugkoppelingen
van het spreekuur altijd heeft ondertekend als arts en niet als bedrijfsarts.
5.12 Uit de schriftelijke terugkoppelingen van het spreekuur aan de werkgever, waarvan
ook klager
een afschrift ontving, blijkt dat alle rapportages een ondertekening door verweerster
bevatten als
arts en niet als bedrijfsarts. Het college is van oordeel dat verweerster klager
hiermee voldoende
heeft geïnformeerd over haar titel en acht de klacht ook op dit onderdeel ongegrond.
Slotsom
5.13 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat alle onderdelen van de klacht kennelijk
ongegrond
zijn.
6. De beslissing
De klacht is in alle onderdelen kennelijk ongegrond.
Deze beslissing is gegeven op 15 april 2026 door K.A.J.C.M. van den Berg Jeths-
van Meerwijk, voorzitter, P.E. Rodenburg en R.P.J. Ansem, leden-beroepsgenoten,
bijgestaan door
J.J. Wackers, secretaris.