ECLI:NL:TGZRSHE:2026:7 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg 's-Hertogenbosch H2025/8201
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRSHE:2026:7 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 12-01-2026 |
| Datum publicatie: | 12-01-2026 |
| Zaaknummer(s): | H2025/8201 |
| Onderwerp: | Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose |
| Beslissingen: | Gegrond, waarschuwing |
| Inhoudsindicatie: | Klacht tegen huisarts gedeeltelijk gegrond. Waarschuwing. Klaagster is patiënt van de huisarts. Zij verwijt de huisarts dat zij een onjuiste diagnose heeft gesteld en dat zij klaagster ten onrechte niet naar het ziekenhuis heeft verwezen. De huisarts hoefde tijdens de huisvisite niet te vermoeden dat sprake was van een hersenbloeding en kan dan ook niet worden verweten dat zij die heeft gemist. Zij hoefde klaagster daarom niet naar het ziekenhuis te verwijzen. Wel had de huisarts de ernstig verhoogde bloeddruk als afzonderlijk probleem moeten onderkennen en daarop gericht beleid moeten voeren. |
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG
TE ’S-HERTOGENBOSCH
Beslissing van 12 januari 2026 op de klacht van:
[A],
wonende in [B],
klaagster,
gemachtigde: [C], wonende in [B],
tegen
[D],
huisarts, werkzaam in [E],
verweerster, hierna: de huisarts,
gemachtigde: mr. H.M. van de Kerke, werkzaam in Amsterdam.
1. Waar gaat de zaak over?
1.1 Klaagster heeft een klacht ingediend tegen de huisarts over de door de huisarts
tijdens een
huisvisite aan klaagster verleende zorg. Tijdens deze visite stelde de huisarts
op basis van een
anamnese en lichamelijk onderzoek de diagnose pneumonie (een longontsteking) in
de rechterlong en
schreef zij een antibioticum voor. De bloeddruk van klaagster werd tijdens dit consult
gemeten op
230/110. Twee dagen later is in het ziekenhuis vastgesteld dat klaagster een cerebellaire
bloeding
(een hersenbloeding) heeft doorgemaakt.
1.2 Klaagster verwijt de huisarts dat zij een onjuiste diagnose heeft gesteld en
dat zij
klaagster ten onrechte niet naar het ziekenhuis heeft verwezen. Het college oordeelt
dat de
huisarts tijdens de huisvisite niet hoefde te vermoeden dat sprake was van een hersenbloeding
en
dat zij klaagster daarom niet naar het ziekenhuis hoefde te verwijzen. Wel had de
huisarts de
ernstig verhoogde bloeddruk als afzonderlijk probleem moeten onderkennen en daarop
gericht beleid
moeten voeren. Aan de huisarts wordt de maatregel van waarschuwing opgelegd.
2. De procedure
2.1 De procedure blijkt uit:
- Het klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 24 februari 2025;
- De brief van 31 maart 2025 van de secretaris aan de gemachtigde van klaagster;
- De brief van 3 april 2025, ontvangen van de gemachtigde van klaagster op 4 april
2025;
- De brief van 9 april 2025 met de bijlagen, ontvangen van de gemachtigde van klaagsterop
10 april 2025;
- Het verweerschrift, ontvangen op 5 juni 2025;
- De e-mail van de gemachtigde van klaagster van 19 juni 2025;
- De e-mail van de gemachtigde van de huisarts van 15 juli 2025.
2.2 De partijen hebben de gelegenheid gekregen om onder leiding van een secretaris
van het
college met elkaar in gesprek te gaan (mondeling vooronderzoek). Daarvan hebben
zij geen gebruik
gemaakt.
2.3 De zaak is behandeld op de openbare zitting van 12 november 2025. De huisarts
is verschenen.
Zij werd bijgestaan door haar gemachtigde. Klaagster en haar gemachtigde waren afwezig
met bericht
van verhindering. De huisarts en haar gemachtigde hebben hun standpunt mondeling,
onder meer aan de
hand van een pleitnota die aan het college is overhandigd, toegelicht.
3. Wat is er gebeurd?
3.1 Op 11 februari 2023 heeft de echtgenoot van klaagster telefonisch contact
opgenomen met de
Huisartsenpost (hierna: de HAP), omdat klaagster de dag daarvoor niet goed was geworden
en omdat
haar gezondheidstoestand nog niet (voldoende) was verbeterd. De huisarts was op
dat moment als
dienstdoende visitearts werkzaam op de HAP.
3.2 Naar aanleiding van het telefonisch contact dat de triagiste met de echtgenoot
van klaagster
heeft gehad, heeft de triagiste een visite met urgentie U3 gepland. De huisarts
heeft de visite
afgelegd.
3.3 Bij aankomst bij klaagster thuis lag klaagster in bed. De huisarts heeft bij
klaagster
klinisch en neurologisch onderzoek gedaan. In dat kader heeft zij onder andere de
bloeddruk van
klaagster gemeten. Die was 230/110. Op basis van haar bevindingen heeft zij de diagnose
longontsteking in de rechterlong gesteld, waarvoor zij klaagster een antibioticum
heeft
voorgeschreven.
3.4 Over de contacten die de triagiste en de huisarts met klaagster en/of haar echtgenoot
hebben
gehad, staat in het dossier onder ‘Deelcontact’ genoteerd (alle citaten voor zover
van belang en
letterlijk weergegeven):
“Episode pneumonie re ICPC R81 Subjectief DA Klacht/beloop:
Echtgenoot
belt; Gisteren galsteenaanval gehad, klachten
nu verdwenen. Kan nu niet meer uit bed, zakt door benen sinds gisterenochtend geen
kracht in benen,
praat ook vreemd onduidelijker volgens echtgenoot dit deed ze gisterenochtend ook
al. Geen
krachtsverlies in handen. Geen afhangende mondhoek, geen hoofdpijn. Hulpvraag: visite
Voorgeschiedenis: zie lsp Medicatie: acenocoumarol Algemeen:
Subjectief HA Klacht/beloop: Echtgenoot belt; Gisteren galsteenaanval gehad, klachten nu
verdwenen. Kan nu niet meer uit bed, zakt door benen sinds gisterenochtend geen kracht
in benen,
praat ook vreemd onduidelijker volgens echtgenoot dit deed ze gisterenochtend ook
al. Geen
krachtsverlies in handen. Geen afhangende mondhoek, geen hoofdpijn. Hulpvraag: visite
Voorgeschiedenis: zie lsp Medicatie: acenocoumarol Algemeen:sinds vrijdagochtend
op toilet niet
lekker en braken, geen diarree, gelig braaksel. heeft dit wel vaker , de gal, ook
al is
cholecystectomie gebeurd vele jaren geleden. geen buikpijn. zwak op de benen. heeft
daar 1u gezeten
tot partner thuiskwam die haar met bureaustoel naar bed reed. hele tijd op bed.
nog meermaals
braken. niet gegeten, nauwelijks gedronken tot nu. iets vertraagde spraak en zwak
op de benen.
heeft wel kracht. niet verkouden, nl mictie.geen medicatie genomen gisteren en vandaag.
RR pillen
en acenocoumarol ,
Objectief T37,8 irreg cortonen, crepiteren re longveld, li gb, RR 230/110 ,
sat 93 proc, pols
97/min, abdomen soepel, geen drukpijn, covid sneltest negatief, nl neurologisch
onderzoek, barre
neg. nl kracht, nl cran zn. glycemie 5,9
Evaluatie pneumonie re ICPC (E-regel) R81 - Pneumonie
Plan amoxy 500 met extra controle ikv acenocoumarol. pcm 500. veel drinken
en iets eten. rr
medicatie toegediend. R/amoxicilline dispertablet 500mg -
20.0 ST [3D1T]’’.
3.5 Na 11 februari 2023 is de huisarts niet meer betrokken geweest bij de zorgverlening
aan
klaagster.
3.6 Op 13 februari 2023 is in het ziekenhuis door middel van een CT-scan vastgesteld
dat
klaagster een hersenbloeding heeft doorgemaakt.
3.7 Van 13 februari 2023 tot en met 27 februari 2023 is klaagster opgenomen geweest
in het
ziekenhuis. Tijdens deze opname was bij klaagster sprake van toenemende luchtwegklachten,
waarvoor
zij een breedspectrum antibioticum voorgeschreven heeft gekregen.
4. De klacht en de reactie van de huisarts
4.1 Klaagster verwijt de huisarts dat zij:
a) een onjuiste diagnose heeft gesteld;
b) klaagster ten onrechte niet naar het ziekenhuis heeft verwezen.
4.2 De huisarts heeft in het verweerschrift vermeld dat zij het – gelet op de aard
en strekking
van de klacht – niet passend acht om de ontvankelijkheid formeel te betwisten. De
huisarts laat de
beoordeling hiervan aan het oordeel van het tuchtcollege. Voor het geval het college
de klacht wel inhoudelijk gaat beoordelen, heeft de huisarts het college verzocht
de klacht
ongegrond te verklaren.
4.3 Het college zal hierna eerst ingaan op de ontvankelijkheid van klaagster in haar klacht.
5. De overwegingen van het college
Is klaagster ontvankelijk in haar klacht?
5.1 Het college ziet zich allereerst voor de vraag gesteld of klaagster in haar
klacht kan worden
ontvangen. In artikel 65 lid 1 sub a van de Wet op de beroepen in de individuele
gezondheidszorg
(Wet BIG) is bepaald dat een klacht kan worden ingediend door een rechtstreeks belanghebbende.
Om
als rechtstreeks belanghebbende te kunnen worden aangemerkt, dient sprake te zijn
van een concreet
eigen belang dat kan worden geplaatst in het kader van de individuele gezondheidszorg.
Het
tuchtcollege heeft op 24 februari 2025 van de echtgenoot van klaagster een klaagschrift
ontvangen.
Blijkens de vermelding in het klaagschrift zou klaagster, gelet op haar gezondheidssituatie,
zelf
niet in staat zijn om een klacht in te dienen. Later heeft klaagster een machtigingsformulier
ondertekend, waarin zij haar echtgenoot uitdrukkelijk machtigt om namens haar op
te treden in deze
tuchtzaak. Daarmee is voldoende vast komen te staan dat de klacht is ingediend namens
klaagster als
rechtstreeks belanghebbende. Klaagster is om die reden ontvankelijk in haar klacht.
Het college zal
de klacht verder inhoudelijk beoordelen.
Welke criteria gelden bij de beoordeling?
5.2 De vraag is of de huisarts de zorg heeft verleend die van haar verwacht mocht
worden. De norm
daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende huisarts. Bij de beoordeling
wordt rekening
gehouden met de voor de huisarts geldende beroepsnormen en andere professionele
standaarden. Dat
een zorgverlener beter anders had kunnen handelen is niet altijd genoeg voor een
tuchtrechtelijk
verwijt; beslissend is of de zorgverlener ten tijde van het handelen is gebleven
binnen de grenzen
van een redelijk bekwame beroepsuitoefening.
Klachtonderdeel a) een onjuiste diagnose gesteld
5.3 Vast staat dat de huisarts bij klaagster op huisvisite is geweest. Op basis
van anamnese en
uitgebreid lichamelijk onderzoek heeft zij terecht de werkdiagnose longontsteking
gesteld en
hiervoor een antibioticum voorgeschreven. Tijdens de visite heeft de huisarts een
bloeddruk gemeten
van 230/110. De echtgenoot van klaagster heeft, zo is in het klaagschrift gesteld
en dat is niet
weersproken, tijdens de visite gezegd dat klaagster vreemd en onduidelijker sprak.
Klaagster was
blijkens de notitie in het dossier tijdens de visite zwak op de benen, maar zij
had wel kracht in
haar armen en benen. Zij had geen uitvalverschijnselen, geen hoofdpijn en geen afhangende
mondhoek.
De huisarts heeft wel genoteerd in het dossier dat sprake was van een iets vertraagde
spraak, maar
geen duidelijke spraakstoornis waargenomen; zij heeft ter zitting wel verklaard
dat zij klaagster
niet kende zodat zij niet goed kon beoordelen hoe klaagster gewoonlijk spreekt.
5.4 Het college stelt voorop dat niet iedere onjuiste of onvolledige diagnose een
tuchtrechtelijk
verwijt oplevert. Bepalend is of de huisarts op grond van de op dat moment beschikbare
gegevens met
de zorgvuldigheid die van een redelijk bekwame en redelijk handelende zorgverlener
mag worden
verwacht tot haar werkdiagnose kon komen. Naar het oordeel van het college hoefde
de huisarts,
gelet op het klinische / neurologische beeld ten tijde van de huisvisite, niet te
vermoeden dat bij
klaagster sprake was van een hersenbloeding. De huisarts kan dan ook niet worden
verweten dat zij
de hersenbloeding
- voor zover daarvan al sprake was tijdens de huisvisite - heeft gemist. In zoverre
is
klachtonderdeel a) ongegrond.
5.5 Wel stelt het college vast dat de huisarts een zeer hoge bloeddruk van 230/110
heeft gemeten.
Een dergelijke bloeddruk is een ernstige afwijkende bevinding, die op zichzelf (en
zeker in
combinatie met klachten als eerdere misselijkheid en braken en de mededeling van
de echtgenoot van
klaagster dat sprake is van vreemde, onduidelijke spraak) nadere duiding en beleid
vergt. Het feit
dat klaagster al twee dagen geen bloeddrukverlagers meer had ingenomen, zoals in
het dossier is
genoteerd en waarop de huisarts ter zitting heeft gewezen, acht het college een
onvoldoende
plausibele verklaring voor deze hoge bloeddruk. Afgezien daarvan maakte de hoogte
van de bloeddruk
hoe dan ook het voeren van beleid hierop noodzakelijk. Het college stelt, op basis
van de door de
huisarts op dit punt gegeven toelichting, vast dat de huisarts deze bevinding niet
als afzonderlijk
probleem in haar diagnostiek heeft betrokken, maar deze in feite onder de noemer
van de
longontsteking heeft gebracht. Dat is echter niet goed te verenigen met het gebruikelijke
beloop
bij een longontsteking, waarbij eerder een (relatief) lage dan een sterk verhoogde
bloeddruk wordt
gezien. Naar het oordeel van het college is de gestelde diagnose in zoverre onvolledig
en onjuist.
In zoverre is klachtonderdeel a) gegrond.
Klachtonderdeel b) ten onrechte niet naar het ziekenhuis verwezen
5.6 Bij de beoordeling van dit klachtonderdeel is van belang of de huisarts, gelet
op de op het
moment van de huisvisite beschikbare gegevens, gehouden was klaagster (met spoed)
naar het
ziekenhuis te verwijzen. Voor de longontsteking is zo’n verwijzing niet noodzakelijk.
Uit het
dossier en het verhandelde ter zitting volgt dat de huisarts bij klaagster een beeld
passend bij
een longontsteking heeft vastgesteld.
5.7 Het college stelt vast dat tijdens het consult geen duidelijke aanwijzingen
bestonden voor de
aanwezigheid van een acuut neurologisch beeld, dat op dat moment aanleiding had
moeten zijn voor
een onmiddellijke spoedverwijzing naar het ziekenhuis. De keuze voor behandeling
in de eerste lijn
acht het college daarom navolgbaar. Wel had de ernstig verhoogde bloeddruk moeten
worden opgevolgd.
Naast aandacht voor de longontsteking had de huisarts in haar beoordeling expliciet
aandacht moeten
hebben voor de gevaarlijk hoge bloeddruk en de daarbij horende risico’s op (acute)
orgaanschade en
had zij op dat punt een duidelijk beleid moeten inzetten. Dat de huisarts klaagster
tijdens de
huisvisite haar bloeddrukverlagers heeft laten innemen en haar heeft opgedragen
die ook daarna te
blijven gebruiken, acht het college niet voldoende. Een verwijzing naar het ziekenhuis
was evenwel niet per
se noodzakelijk. De bloeddruk had ook vanuit de thuissituatie kunnen worden
opgevolgd. Dit klachtonderdeel is daarom ongegrond.
Slotsom
5.8 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat klachtonderdeel a) deels gegrond is
en dat
klachtonderdeel b) ongegrond is.
Maatregel
5.9 Omdat de klacht gedeeltelijk gegrond wordt verklaard, moet worden beoordeeld
of aan de
huisarts een maatregel moet worden opgelegd, en zo ja welke. Hiervoor is al geoordeeld
dat de
huisarts een onvolledige en in die zin onjuiste diagnose heeft gesteld door de verhoogde
bloeddruk
niet afzonderlijk in haar diagnostiek te betrekken. Het college weegt mee dat de
huisarts tijdens
het consult uitgebreid lichamelijk onderzoek heeft verricht en zeer zorgvuldig aan
haar
dossierplicht heeft voldaan, waardoor haar handelen goed toetsbaar is. Ook tijdens
de zitting heeft
de huisarts zich toetsbaar opgesteld en heeft zij blijk gegeven van reflectie op
haar eigen
handelen. Alles afwegend acht het college de maatregel van waarschuwing passend
en toereikend.
6. De beslissing
Het college:
- verklaart klachtonderdeel a) deels gegrond;
- legt de huisarts de maatregel op van waarschuwing;
- verklaart klachtonderdeel b) ongegrond.
Deze beslissing is gegeven door N.H.J. Lafghani, voorzitter, L.A.B.M. Wijntjens, lid-jurist,
B.L.J. Versteijnen, M. van Mesdag en B.C.A.M. van Casteren-van Gils, leden-beroepsgenoten,
bijgestaan door D. van Grootveld, secretaris, en in het openbaar uitgesproken door
K.A.J.C.M. van den Berg Jeths-van Meerwijk op 12 januari 2026.