ECLI:NL:TGZRSHE:2026:69 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg 's-Hertogenbosch H2025/8451
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRSHE:2026:69 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 15-04-2026 |
| Datum publicatie: | 15-04-2026 |
| Zaaknummer(s): | H2025/8451 |
| Onderwerp: | Onjuiste verklaring of rapport |
| Beslissingen: | Ongegrond, kennelijk ongegrond |
| Inhoudsindicatie: | Klacht tegen een bedrijfsarts. In deze zaak is sprake van een bijzondere situatie, nu de bedrijfsarts ten tijde van de procedure als wilsonbekwaam moet worden aangemerkt. Dit gegeven heeft het college voor de vraag gesteld welke betekenis en gevolgen daaraan in het kader van het Medisch tuchtrecht dienen te worden toegekend. Het college heeft de klacht kennelijk ongegrond verklaard. |
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG TE ’s-HERTOGENBOSCH
Beslissing in raadkamer van 15 april 2026 op de klacht van:
[A],
wonende in [B],
klager,
tegen
[C],
arts arbeid en gezondheid - bedrijfsgeneeskunde,
destijds werkzaam in [D],
verweerder, hierna ook: bedrijfsarts,
gemachtigde: [E], werkzaam in [F].
1. Waar gaat de zaak over?
1.1 Klager meldde zich begin 2019 ziek bij zijn toenmalige werkgever met burn-out
gerelateerde
klachten naar aanleiding van een conflict op het werk. De bedrijfsarts was verantwoordelijk
voor de
verzuimbegeleiding van klager. De klacht van klager richt zich op het oordeel van
de bedrijfsarts,
de wijze van totstandkoming daarvan, de gevolgen en het handelen van de bedrijfsarts
in het
vervolgtraject.
1.2 Het college komt tot het oordeel dat de klacht kennelijk ongegrond is. ‘Kennelijk’
betekent
in onderhavige zaak dat vraagstelling op zitting geen doel kan dienen gelet op de
medische conditie
van verweerder en dat duidelijk is dat de klacht om andere redenen niet gegrond
kan worden
verklaard. Het college licht haar beslissing hierna toe.
2. De procedure
2.1 De procedure blijkt uit:
- het klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 2 mei 2025;
- het verweerschrift met de bijlagen, ontvangen op 19 juni 2025;
- het stuk, ontvangen van de gemachtigde van verweerder op 16 juli 2025;
- het stuk, ontvangen van de gemachtigde van verweerder op 28 juli 2025;
- de brief van 12 september 2025 van de secretaris aan klager;
- de brief van 14 oktober 2025, ontvangen van klager op 17 oktober 2025;
- de e-mail van 20 november 2025 ontvangen van de gemachtigde van verweerder.
2.2 De partijen hebben de gelegenheid gekregen om onder leiding van een secretaris
van het
college in gesprek te gaan (mondeling vooronderzoek). Daarvan hebben zij geen gebruik
gemaakt.
2.3 Het college heeft de klacht in raadkamer behandeld. Dit betekent dat het college
de zaak
beoordeeld heeft op basis van de stukken, zonder dat de partijen daarbij aanwezig
waren.
3. De feiten
3.1 In 2018 is er een conflict ontstaan tussen klager en zijn toenmalige werkgever.
Op 8 januari 2019 heeft klager zich ziekgemeld wegens burn-out gerelateerde klachten.
De
bedrijfsarts was verantwoordelijk voor de verzuimbegeleiding van klager. Klager
is in de periode
van 17 januari 2019 tot en met 25 februari 2019 in totaal driemaal op het spreekuur
verschenen bij
de bedrijfsarts. Hierna is de verzuimbegeleiding afgerond.
3.2 Klager heeft op 17 januari 2019 een eerste consult gehad met de bedrijfsarts.
In de
terugkoppeling, die met klager en de werkgever is gedeeld, heeft de bedrijfsarts
onder meer het
volgende geschreven (alle citaten voor zover van belang en letterlijk weergegeven):
“(…) stand van zaken/advies:
Uitgevallen met vermoeidheidsklacht, slecht slapen. Concentratie en aandacht is
beperkt.
Relatie met collega’s is zeker niet optimaal
Betrokkene wil dat de arbeidssituatie normaliseert en verwacht dat werkgever ook
hier een rol
speelt.
Conflict moet worden opgelost.
Inzet casemanager/mediation via BW kan plaatsvinden
Functionele mogelijkheden en beperkingen
Energetische beperkingen.
Aandacht en concentratie zijn beperkt
Prognose met betrekking tot volledig herstel eigen werk:
Nog niet In te schatten, Is afhankelijk van resultaat mediation
Vervolgafspraak:
BW (casemanager/mediator) maak afspraak met [G] en betrokkene (…)”
3.3 Er hebben twee gesprekken plaatsgevonden met een mediator om het conflict tussen
klager en
werkgever te begeleiden. In de gesprekken is de optie van een vaststellingsovereenkomst
besproken.
De werkgever zag geen mogelijkheid de werknemer te laten re-integreren binnen het
bedrijf. Na de gesprekken met de mediator zag de bedrijfsarts klager op 11 februari
2019 opnieuw op zijn spreekuur voor een tweede consult. In de terugkoppeling heeft de
bedrijfsarts onder meer het volgende geschreven:
“(…) stand van zaken/advies:
Betrokkene zou het liefst geleidelijk gaan te re-integreren. bedrijfsarts juicht
dit toe.
Het lijkt mij verstandig om binnenkort hier afspraken over te gaan maken. Vanuit
een werkende
situatie kan namelijk het best gereintegreerd gaan worden.
Als dit echter geen optie is, moet men om tafel gaan om tot een vaststellingsovereenkomst
te komen.
Een afspraak hierover is een optie.
Geadviseerd om zich juridisch te laten ondersteunen in deze. Bedrijfsarts heeft
hier geen rol in.
Functionele mogelijkheden en beperkingen
Persoonlijk en sociaal functioneren is beperkt
Prognose met betrekking tot volledig herstel eigen werk:
Nog niet in te schatten, is afhankelijk van verdere ontwikkelingen
Vervolgafspraak:
Ik adviseer werkgever en werknemen om, indien gewenst, in gezamenlijk overleg een
nieuwe afspraak in te plannen. (…)”
3.4 In de periode tussen het tweede consult en het laatste consult op 25 februari
2019 vond er
een mailwisseling plaats tussen de casemanager en de bedrijfsarts ten aanzien van
zijn advies over
het consult op 11 februari 2019. In deze mailwisseling stelde de casemanager de
bedrijfsarts de
vraag of hij zijn terugkoppeling van 11 februari 2019 wilde herzien nu de advocaat
van de werkgever
had aangegeven dat er een hersteldatum moest worden vermeld op de vaststellingsovereenkomst.
De
bedrijfsarts reageerde het volgende op dit verzoek:
“ (…) Pasniets aan
Terugkoppelingis duidelijk
Ikmoetgeloofwaardig blijven (…)
3.5 Op 25 februari 2019 zag de bedrijfsarts klager opnieuw op zijn spreekuur voor
een derde en
laatste consult. In de terugkoppeling heeft de bedrijfsarts onder meer het volgende
geschreven:
“(…) stand van zaken/advies:
Betrokkene wacht op concept vaststellingsovereenkomst, maar die heeft hij nog niet
ontvangen.
Wat mij betreft is betrokkene wel in staat om te werken.
Per 26-02-2019 mag betrokkene voor 50 % het werk hervatten
Als dat goed gaat is betrokkene per 04-03-2019 weer arbeidsgeschikt.
Willen partijen niet gaan re-integreren bij eigen werkgever, geld hetzelfde voor eigen
werk bij
andere werkgever.
Graag uw inspanning om dit te realiseren
Functionele mogelijkheden en beperkingen
Persoonlijk en sociaal functioneren nog wat beperkt
Prognose met betrekking tot volledig herstel eigen werk:
Te verwachten per 04-03-2019
Vervolgafspraak:
De verzuimbegeleiding is hierbij afgerond. Een nieuwe afspraak is in principe niet
noodzakelijk
(…)”
3.6 Vervolgens heeft klager met zijn werkgever afspraken gemaakt om afscheid van
elkaar te nemen.
Deze afspraken zijn vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst.
3.7 Ongeveer twee jaar nadat de verzuimbegeleiding is afgerond ontving de bedrijfsarts
op 14 juni
2021 per mail een klacht van klager. Klager is gewezen op de klachtenprocedure van
de Arbodienst.
Tevens is klager gewezen op de mogelijkheid van het doen van een aansprakelijkheidstelling
dan wel
het doen van zijn beklag bij de onafhankelijke klachten- en geschillencommissie
waarbij de
bedrijfsarts was aangesloten. Hier heeft klager geen gebruik van gemaakt.
4. De klacht
4.1 Klager verwijt de bedrijfsarts dat hij:
a) klager ten onrechte beter heeft gemeld;
b) zijn beslissing zowel mondeling als schriftelijk niet heeft onderbouwd;
c) niet heeft overlegd met de huisarts van klager;
d) zijn positie heeft misbruikt om de wensen van de toenmalige werkgever van klager
uit te voeren
en daarmee een inbreuk heeft gemaakt op de rechten van klager;
e) met zijn beslissing de re-integratie van klager onmogelijk heeft gemaakt;
f) geweigerd heeft om in gesprek te gaan naar aanleiding van de klacht.
5. De reactie
5.1 Het college heeft een reactie op het klaagschrift ontvangen van de vertegenwoordiger
van de
bedrijfsarts, tevens de zoon van verweerder. De gemachtigde heeft opgemerkt dat
de bedrijfsarts
vanwege zijn medische situatie niet meer in staat is om op de klacht te reageren.
5.2 Het college heeft ter ondersteuning van deze mededeling stukken ontvangen waaruit
blijkt dat
de bedrijfsarts niet langer wilsbekwaam is. De zoon heeft een volmacht om namens
verweerder te
handelen.
6. De beoordeling
6.1 In deze zaak is sprake van een bijzondere situatie, nu verweerder ten tijde
van de procedure
als wilsonbekwaam moet worden aangemerkt. Dit gegeven heeft het college voor de
vraag gesteld welke
betekenis en gevolgen daaraan in het kader van het Medisch tuchtrecht dienen te
worden toegekend.
6.2 Op grond van artikel 47 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg
(Wet BIG)
is een beroepsbeoefenaar onderworpen aan tuchtrechtspraak ter zake van handelen
of nalaten in
strijd met de zorg die hij of zij als zodanig behoort te betrachten dan wel in strijd
met het
belang van een goede uitoefening van de individuele gezondheidszorg. Indien een
klacht wordt
ingediend, dient de beroepsbeoefenaar zich daarover tegenover het tuchtcollege te
verantwoorden. De
op te leggen maatregelen zijn van persoonlijke aard en kunnen onder meer bestaan
uit een
waarschuwing, berisping, schorsing of doorhaling van de inschrijving in het BIG-register.
6.3 Het college stelt voorop dat in het Medisch tuchtrecht sprake is van een persoonlijke
verwijtbaarheid. Daarnaast geldt dat voor het aannemen van tuchtrechtelijke verwijtbaarheid
vereist
is dat de relevante feiten en omstandigheden voldoende kunnen worden vastgesteld
en dat deze aan de
verweerder kunnen worden toegerekend. Vast staat dat de bedrijfsarts wilsonbekwaam
is. Vast staat
ook, gelet op de door het college ontvangen stukken, dat verweerder niet meer in
staat is een
verklaring te geven over het aan hem verweten handelen of nalaten. Dat verweerder
niet meer in
staat is om inhoudelijk verweer te voeren kan hem in deze omstandigheden niet worden
tegengeworpen.
Verweer kan een weerspreking van de inhoud van het dossier zijn, of een nuancering
of aanvulling
van de feitelijke toedracht. Ook kan een verweer een betoog zijn over de vraag of
vastgesteld
feitelijk handelen wel of niet tuchtrechtelijk verwijtbaar is. Anders dan in een
situatie waarin
een verweerder ervoor kiest geen verweer te voeren, is hier geen sprake van een
bewuste
proceshouding, maar van een feitelijke onmogelijkheid om verweer te voeren. Het
college is van
oordeel dat verweerder niet kan worden tegengeworpen dat hij geen verweer heeft
gevoerd en dat
onder deze omstandigheden niet kan worden vastgesteld dat sprake is van tuchtrechtelijk
verwijtbaar
handelen of nalaten.
6.4 Nu de feiten en omstandigheden die aan de klacht ten grondslag zijn gelegd niet
kunnen worden
vastgesteld, komt het college niet toe aan de vraag of sprake is van een tuchtrechtelijk
verwijtbare gedraging en komt het college tot het oordeel dat de klachten kennelijk
ongegrond zijn.
Dit oordeel berust niet op het uitgangspunt dat het woord van klager onvoldoende
geloof verdient,
maar op de hierboven weergegeven bijzondere omstandigheid dat verweerder geen verweer
kan voeren,
welke omstandigheid hem niet kan worden verweten.
7. De beslissing
Het college verklaart de klacht kennelijk ongegrond.
Deze beslissing is gegeven op 15 april 2026 door K.A.J.C.M. van den Berg Jeths-
van Meerwijk, voorzitter, P.E. Rodenburg en R.P.J. Ansem, leden-beroepsgenoten,
bijgestaan door
J.J. Wackers, secretaris.