ECLI:NL:TGZRSHE:2026:68 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg 's-Hertogenbosch H2024/7866
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRSHE:2026:68 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 08-04-2026 |
| Datum publicatie: | 08-04-2026 |
| Zaaknummer(s): | H2024/7866 |
| Onderwerp: | Onheuse bejegening |
| Beslissingen: | Ongegrond/afwijzing |
| Inhoudsindicatie: | Ongegrond klacht over MDL-arts. Klaagster klaagt over onheuse bejegening tijdens een telefoongesprek waarin de MDL-arts de uitslag van een coloscopie aan klaagster meedeelde, over de kwaliteit van de aan klaagster verleende zorg en over de verwarrende communicatie van en namens verweerder. Klaagster heeft aangegeven verweerder niet meer te willen spreken. Ook klaagt klaagster over de brief van verweerder aan de huisarts van klaagster en dat de MDL-arts niet heeft geleerd van een bij zijn polikliniek ingediende klacht. |
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG TE ’S-HERTOGENBOSCH
Beslissing van 8 april 2026 op de klacht van:
[A],
wonende in [B],
klaagster,
tegen:
[C],
MDL-arts,
werkzaam in [D],
verweerder, hierna ook: de MDL-arts,
gemachtigde: mr. S.J. Muntinga, werkzaam in Utrecht.
1. De zaak in het kort
1.1 Klaagster is in 2024 onder behandeling geweest van de MDL-arts. Haar klacht
heeft betrekking
op het verloop van een telefoongesprek waarin de MDL-arts de uitslag van een coloscopie
aan
klaagster meedeelde en op de schriftelijke informatie die de MDL-arts aan klaagsters
huisarts heeft
gegeven. Ook houdt de klacht in dat de MDL-arts in gebreke is gebleven met de aan
klaagster
verleende zorg en dat hij niet heeft geleerd van een bij zijn polikliniek ingediende
klacht.
1.2 De MDL-arts heeft het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren.
1.3 Het college komt tot het oordeel dat de MDL-arts niet tuchtrechtelijk verwijtbaar
heeft
gehandeld. Hierna licht het college dat toe.
2. De procedure
2.1 Het dossier bevat de volgende stukken:
- het klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 26 november 2024;
- het verweerschrift met de bijlagen, ontvangen op 17 februari 2025;
- het proces-verbaal van het op 25 april 2025 gehouden mondeling vooronderzoek.
2.2 De zaak is behandeld op de openbare zitting van 11 februari 2026. De partijen
zijn
verschenen. De MDL-arts werd bijgestaan door zijn gemachtigde. De partijen hebben
hun standpunten
mondeling toegelicht. De gemachtigde van de MDL-arts heeft daarbij een pleitnotitie
voorgelezen en
die aan het college en klaagster overhandigd.
3. De feiten
3.1 Op 3 juli 2024 is klaagster door haar huisarts naar de MDL-arts verwezen in
verband met
darmklachten en een sinds een jaar veranderd ontlastingspatroon. De huisarts had
voorafgaand aan
zijn verwijzing bloedonderzoek laten verrichten en onderzoek laten doen naar bloed
in klaagsters
ontlasting. De uitslagen daarvan lieten geen bijzonderheden zien.
3.2 Op 6 augustus 2024 heeft de MDL-arts klaagster op zijn spreekuur gezien. Naar
aanleiding van
haar klachten heeft hij tot een coloscopie besloten, die op 25 september 2024 is
uitgevoerd door
een collega van de MDL-arts. Daarbij werd een poliep verwijderd, maar waren verder
geen afwijkingen
zichtbaar. Wel werd gezien dat de darm niet goed gereinigd was. De arts die de coloscopie
uitvoerde, adviseerde de coloscopie na een jaar te herhalen en tevoren extra te
laveren.
3.3 Op 8 oktober 2024 was de telefonische bespreking van de uitslag van de coloscopie
door de
MDL-arts met klaagster geagendeerd. In de agenda van de MDL-arts is door het secretariaat
van zijn
polikliniek vermeld dat die afspraak was gepland van 10.15 uur tot
10.30 uur. Klaagster had van dat secretariaat vernomen dat de afspraak was gepland
om
12.30 uur.
3.4 De MDL-arts heeft klaagster die dag kort na 10.00 uur gebeld. Zij reed op dat
moment in haar
auto en heeft gezegd dat de afspraak op een later tijdstip was gepland en dat zij
niet in staat was
de MDL-arts te woord te staan. De MDL-arts heeft klaagster gevraagd of zij niet
toch in staat was
het gesprek te vervolgen, ook omdat hij na 12.30 uur die middag geen gelegenheid
meer had om met
klaagster te spreken. Klaagster en de MDL-arts hebben het telefoongesprek voortgezet.
In het
gesprek heeft de MDL-arts aan klaagster gevraagd of zij zelf arts was. Ook is aan
de orde geweest
dat bij de coloscopie geen afwijkingen waren waargenomen. De MDL-arts heeft gezegd
een
CT-colografie en een proctologisch onderzoek te adviseren. Klaagster heeft geantwoord
die
onderzoeken niet te willen. Op een controlevraag van de MDL-arts of klaagster dat
inderdaad niet
wilde, is geen antwoord gekomen, omdat klaagster niet in de gelegenheid was het
telefoongesprek nog
verder te voeren.
3.5 Later die dag, op 8 oktober 2024, heeft klaagster de polikliniek van de MDL-arts
telefonisch
benaderd. In het medisch dossier van klaagster heeft de medewerkster van de polikliniek
hierover
genoteerd (alle citaten voor zover van belang en letterlijk weergegeven):
“(…) mevrouw wil vooralsnog geen afspraken inplannen. Geeft aan een officiële klacht
in te dienen.
Wil (…) [naam MDL-arts] nooit meer spreken. Zij geeft aan dat hij geen enkele communicatieve
vaardigheden bezit. Aangegeven dat ik nu geen afspraken inplan en dat zij zelf kan
aangeven wanneer
zij dit weer zou willen.”
3.6 Klaagster heeft haar klacht ook gemaild aan de kliniekmanager. De kliniekmanager
heeft
diezelfde dag, zonder de MDL-arts te hebben gesproken, aan klaagster per e-mail
bericht dat de
MDL-arts op zijn gedrag zal worden aangesproken.
3.7 Op 15 oktober 2024 heeft de MDL-arts van een medewerker van de polikliniek begrepen
dat
klaagster naar een andere MDL-arts wilde worden verwezen. De MDL-arts heeft aan
klaagsters huisarts
op 15 oktober 2024 het volgende bericht:
“(…) Op mijn spreekuur van 15 oktober 2024 sprak ik uw pa tint Mevr [naam klaagster]
(…)
Gebeld om 10:15 uur. Pati nte heel onbeleefd, laat mij helemaal niet praten. Praat
zelf alsof zij
de arts zou zijn en zegt, dat er geen diagnose is en welk onderzoek (CT) nu verricht
moet worden
(geeft de indruk alsof zij de uitslag van de PA al kent (??)). Heeft haast en denkt,
de afspraak om
13.00 uur te hebben, maar praat dan meerdere minuten hierover zonder mij aan het
woord te laten
komen. Uiteindelijk geef ik mijn beoordeling door en mijn advies (CT-colografie
en proctologisch
onderzoek), maar zij heeft dan geen tijd meer hierop te reageren en beeindigt het
gesprek.
Duur gesprek 4:55 minuten. (…)
Beleid
Pati nte wenst verwijzing naar MDL arts (…) [plaatsnaam ander ziekenhuis]
Controle
Uit controles ontslagen. Terug naar huisarts. (…)”
3.8 Op 18 oktober 2024 had klaagster de brief aan de huisarts van 15 oktober 2024
nog niet
gelezen en zocht opnieuw contact met een medewerker van de polikliniek van de MDL-arts.
Klaagster
heeft toen gevraagd waar de verwijzingen naar een ander ziekenhuis
bleven voor de CT-colografie en het proctologische onderzoek, waarop haar is geantwoord
dat de
MDL-arts geen reden zag die verwijzingen te geven. De MDL-arts was niet bij deze
contacten
betrokken.
3.9 Klaagster heeft dezelfde dag vervolgens aan de kliniekmanager per e-mail gevraagd
of er een
medische reden was om klaagster niet voor die onderzoeken te verwijzen.
4. De klacht en de reactie van de MDL-arts
4.1. De aanvankelijke klacht van klaagster omvatte vijf klachtonderdelen. Het eerste
klachtonderdeel heeft zij tijdens de openbare zitting ingetrokken, waardoor nog
de volgende vier
klachtonderdelen aan het college ter beoordeling voorliggen.
4.2 Klaagster verwijt verweerder dat hij:
1. klaagster onheus heeft bejegend tijdens het telefoongesprek op 8 oktober 2024;
2. in gebreke is gebleven wat betreft de zorg door zijn verwarrende communicatie;
3. in het kader van de (terug)verwijzing feitelijk onjuiste informatie heeft verstrekt
aan de
huisarts van klaagster;
4. niet heeft geleerd van klachtbespreking, wat ook is weergegeven in het bericht
van de
klachtenmanager.
4.3 Klaagster heeft ter toelichting van haar klacht, zakelijk weergegeven, het volgende
aangevoerd. De MDL-arts belde haar op 8 oktober 2024 op een voor haar onverwacht
tijdstip. Toen zij
dat aan hem meldde en vroeg of hij op een later tijdstip terug wilde bellen, heeft
de MDL-arts het
gesprek toch voortgezet, ondanks dat zij hem zei buikpijn te hebben. Hij was daarbij
onheus,
doordat hij haar niet liet uitpraten en op een gegeven moment vroeg of klaagster
zelf arts was en
of zij wel in zijn verhaal geïnteresseerd was. De informatie die de MDL-arts heeft
vermeld in zijn
brief aan klaagsters huisarts, is onjuist. Zo is daarin foutief vermeld dat de MDL-arts
klaagster
op 15 oktober 2024 heeft gezien, dat zij zei om 13.00 uur een belafspraak te hebben
(zij heeft het
tijdstip 12.30 uur genoemd), dat zij heel onbeleefd was (zij gedroeg zich correct),
dat zij een
verwijzing naar een MDL-arts in een ander ziekenhuis wenste (dat heeft zij nooit
gezegd) en dat zij
uit controle was ontslagen en was terugverwezen naar haar huisarts. Dat laatste
was evenmin zo,
omdat de MDL-arts twee verwijzingen heeft klaargelegd voor de door hem geadviseerde
vervolgonderzoeken, zoals klaagster op 8 oktober 2024 van de polikliniek van de
MDL-arts had
vernomen en waarop zij op 10 oktober 2024 had gereageerd door te zeggen dat die
verwijzingen konden
worden ingestuurd.
4.4 De MDL-arts heeft het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren. Hij
heeft ter
toelichting op zijn standpunt, zakelijk weergegeven, het volgende aangevoerd. Hij
heeft op 8
oktober 2024 met klaagster gebeld en haar verzocht of het gesprek toch kon worden
voortgezet toen
klaagster aangaf op een later tijdstip gebeld te worden. Hij was namelijk op het
door klaagster
aangegeven tijdstip niet beschikbaar en in verband met werkdruk en vanwege de reeds
geplande
vakantie was hij tot en met 26 oktober 2024 niet in de gelegenheid klaagster te
woord te staan.
Klaagster en hij hebben daarop het gesprek voortgezet. Zij leek zelf al over de
uitslag van de
coloscopie te beschikken omdat zij eigener beweging zei dat dat onderzoek niets
had opgeleverd en
dat zij een CT-scan van de buik wilde. Toen hij die uitslag en de vervolgstappen
wilde bespreken,
sprak klaagster door hem heen. Hij heeft klaagster gevraagd of zij zelf arts was,
omdat hij serieus
met die mogelijkheid rekening hield door haar uitlatingen in het gesprek. Hij heeft
klaagster een
CT-colografie en een proctologisch onderzoek voorgesteld, maar dat wilde zij niet.
Zijn
controlevraag of zij dat echt niet wilde, heeft zij niet beantwoord omdat zij het
gesprek
beëindigde, aldus de MDL-arts.
4.5 Verder heeft de MDL-arts toegelicht dat de datum 15 oktober 2024 in zijn brief
aan de
huisarts een administratieve vergissing betreft. De vermeldingen over het tijdstip
waarop klaagster
een belafspraak zei te hebben en haar onbeleefdheid, zijn volgens MDL-arts inhoudelijk
juist. Ook
had de MDL-arts destijds mogen begrijpen dat klaagster wilde worden verwezen, want
dat had hij op
15 oktober 2024 van een medewerker van zijn polikliniek vernomen. Daarnaast had
klaagster op 8
oktober 2024 aan de polikliniek laten weten dat zij de MDL-arts nooit meer wilde
spreken. Een
tussentijdse mededeling van klaagster dat de verwijzingen voor de CT-colografie
en het
proctologische onderzoek konden worden ingestuurd, is de MDL-arts onbekend en het
medisch dossier
vermeldt daarover ook niets. Daarom, en omdat een verwijzing naar een andere MDL-arts
via de
huisarts behoort te verlopen, heeft hij in zijn brief aan de huisarts vermeld dat
klaagster uit zijn controle was
ontslagen, aldus de MDL-arts.
4.6 Het college gaat hieronder, voor zover nodig, verder in op de standpunten van partijen.
5. De overwegingen van het college
De criteria voor de beoordeling
5.1 De vraag is of de MDL-arts de zorg heeft verleend die van hem verwacht mocht
worden. De norm
daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende MDL-arts. Bij de beoordeling
wordt rekening
gehouden met de voor de zorgverlener geldende beroepsnormen en andere professionele
standaarden.
Dat een zorgverlener beter anders had kunnen handelen is niet altijd genoeg voor
een
tuchtrechtelijk verwijt. Verder geldt het uitgangspunt dat zorgverleners alleen
tuchtrechtelijk
verantwoordelijk zijn voor hun eigen handelen.
Klachtonderdeel 1) de bejegening tijdens het telefoongesprek op 8 oktober 2024
5.2 Het college stelt voorop dat er op 8 oktober 2024 sprake was van een misverstand
tussen
klaagster en de MDL-arts, omdat zij onderling afwijkende tijdstippen hadden doorgekregen
voor het
telefoongesprek. Dat moet voor beide partijen vervelend geweest zijn. Dat neemt
echter niet weg dat
het de MDL-arts vrij stond om aan klaagster te vragen of zij het gesprek niet toch
wilde vervolgen,
omdat hij op het door klaagster genoemde tijdstip van de belafspraak na 12.30 uur
en geruime tijd
nadien, geen gelegenheid had om klaagster te spreken. Niet is komen vast te staan
of klaagster
daarna heeft aangegeven het gesprek niet te kunnen voortzetten. Vervolgens, zo blijkt
uit de
feiten, heeft zich een gesprek tussen hen beiden ontsponnen, waarbij de MDL-arts
de uitslag van de
coloscopie met klaagster heeft kunnen bespreken en haar de gewenste vervolgonderzoeken
heeft kunnen
meedelen en waarop zij afwijzend heeft gereageerd. Dat de MDL-arts het telefoongesprek
heeft
voortgezet en niet direct bij aanvang ervan aan klaagster heeft aangeboden op een
ander tijdstip
met haar contact te leggen, is onder die omstandigheden niet tuchtrechtelijk verwijtbaar.
5.3 Klaagster en de MDL-arts zijn het niet eens over hoe het gesprek overigens is
verlopen. Zij
verwijten elkaar dat zij in hun relaas steeds door de ander werden onderbroken.
Ook zijn zij het er
niet over eens of de vraag van de MDL-arts of klaagster zelf arts was, cynisch of
serieus was
bedoeld. De versies van klaagster en de MDL-arts staan hier recht tegenover elkaar:
het is het
woord van de een tegenover het woord van de ander. Het college kan, omdat voldoende
aanwijzingen
voor het gelijk van de een en het ongelijk van de ander ontbreken, niet vaststellen
welke versie
hier de juiste is. Dat betekent niet dat de versie van klaagster als onwaar wordt
bestempeld, maar
dat wat zij op dit punt heeft gesteld, niet voldoende is komen vast te staan. Daarmee
staat het aan
de MDL-arts verweten gedrag tijdens het telefoongesprek niet vast en dat leidt ertoe
dat het
klachtonderdeel ook voor het overige niet gegrond is.
5.4 Geheel klachtonderdeel 1 is daarom ongegrond.
Klachtonderdeel 2) de kwaliteit van de aan klaagster verleende zorg en de verwarrende
communicatie
5.5 Het college begrijpt dit klachtonderdeel aldus dat de MDL-arts aan klaagster
om niet-medische
reden de geadviseerde vervolgonderzoeken heeft onthouden en haar uit de controles
heeft ontslagen.
Voorgaande is volgens klaagster te wijten aan de gebrekkige communicatie van de
MDL-arts. Vast
staat dat klaagster op 8 oktober 2024, na het telefoongesprek met de MDL-arts, aan
zijn polikliniek
heeft meegedeeld dat zij geen verdere onderzoeken ingepland wilde zien en niets
meer met de
MDL-arts te maken wilde hebben.
5.6 De MDL-arts heeft toegelicht dat als hij de geadviseerde vervolgonderzoeken
zelf zou
aanvragen of als hij klaagster zou doorverwijzen naar een andere MDL-arts zoals
klaagster vroeg, de
MDL-arts de uitslagen van deze onderzoeken zou ontvangen en dienen te bespreken
met klaagster. De
MDL-arts heeft aangevoerd dat in zijn kliniek geen andere MDL-arts werkzaam was
die dat gesprek met
klaagster van de MDL-arts had kunnen overnemen. Om te voorkomen dat klaagster niet
nogmaals met de
MDL-arts zou worden geconfronteerd, heeft hij de onderzoeken niet zelf aangevraagd
en klaagster
niet naar een andere MDL-arts verwezen, maar klaagster terugverwezen naar haar huisarts.
Het
college oordeelt dat de MDL-arts op grond van klaagsters mededeling dat zij de MDL-arts
nooit meer
wilde spreken en dat klaagster geen verdere onderzoeken gepland wilde zien, klaagster
naar de
huisarts mocht terugverwijzen. Dat zou anders kunnen zijn als klaagster voor of
op 15 oktober 2024
had gemeld die onderzoeken wel door (de polikliniek van) de MDL-arts aangevraagd
te willen zien.
Zij heeft gesteld dat zij dat op 10 oktober 2024 aan de polikliniek heeft gemeld,
maar de MDL-arts
heeft dat verzoek niet ontvangen en het medisch dossier vermeldt op dit punt ook
niets waaruit het
gelijk van klaagster volgt. Een dergelijke mededeling van klaagster staat daarom
niet vast. In
zoverre is dit klachtonderdeel ongegrond.
5.7 Gezien de hiervoor overwogen omstandigheden en met name dat klaagster heeft
aangegeven de
MDL-arts niet meer te willen spreken, acht het college het invoelbaar dat verweerder
klaagster naar
de huisarts heeft terugverwezen. Dat de MDL-arts dit heeft gedaan zonder toelichting
aan klaagster
of in de brief aan de huisarts acht het college erg ongelukkig, maar niet tuchtrechtelijk
verwijtbaar. Ook in zoverre is dit klachtonderdeel ongegrond.
5.8 Het college overweegt over de gestelde en door de beide partijen bevestigde
verwarrende
communicatie, dat veel communicatie buiten verweerder om via een derde persoon is
verlopen.
Voorgaande heeft geleid tot misverstanden. Omdat klaagster heeft benadrukt dat zij
niet meer met
verweerder wilde spreken, kan het college dit onderdeel van de klacht niet als gegrond
beoordelen.
5.9 Ook klachtonderdeel 2 is niet gegrond.
Klachtonderdeel 3) de brief van de MDL-arts aan de huisarts
5.10 Het college is van oordeel dat de vermelding van 15 oktober 2024 als de datum
waarop de
MDL-arts klaagster op zijn spreekuur zag, een kennelijke vergissing betreft, die
als zodanig voor
klaagster, de MDL-arts en (gelet op de context van de overige inhoud van de desbetreffende
brief)
ook voor klaagsters huisarts kenbaar was. Het begaan van een dergelijke vergissing
leidt niet tot
een tuchtrechtelijk verwijt.
5.11 Op zichzelf bezien is de vermelding dat klaagster dacht een afspraak op een
later tijdstip te
hebben, juist. Voor zover klaagster heeft gezegd om 12.30 uur een belafspraak te
hebben en de
MDL-arts heeft vermeld dat zij zei om 13.00 uur een afspraak te hebben, betreft
dat een
ondergeschikt punt, waaraan in het kader van de taak van de MDL-arts om klaagsters
huisarts over
zijn bevindingen te informeren, geen relevant gewicht toekomt. Ook dat leidt daarom
niet tot een
tuchtrechtelijk verwijt.
5.12 De bewoordingen van de MDL-arts in de brief over het gedrag van klaagster acht
het college
ongelukkig en pijnlijk. Het was beter geweest als de MDL-arts zijn bewoordingen
in de brief op dit
punt hoe dan ook neutraler had gekozen, maar het gaat er in het tuchtrecht niet
om of een
verweerder beter had kunnen handelen maar beter had moeten handelen.
Van een dergelijk ‘moeten’ is hier geen sprake.
5.13 De vermelding dat klaagster uit controles is ontslagen door de MDL-arts en is
terugverwezen
naar de huisarts, is juist, zoals onder 5.5 en 5.6 is overwogen. Dat klaagster wel
MDL-onderzoeken
wenste maar niet door verweerder, mocht de MDL-arts afleiden uit het feit dat klaagster
had
aangegeven dat zij niets meer met verweerder te maken wilde hebben. In het geval
klaagster niet
zelf aan (de polikliniek van) de MDL-arts heeft gezegd een andere MDL-arts te wensen,
kan in de
brief aan de huisarts weliswaar ten onrechte de suggestie worden gelezen dat klaagster
dat wel
gezegd zou hebben. Dat betreft echter een kwestie van ondergeschikt belang waaraan
geen
tuchtrechtelijke betekenis toekomt. Het college oordeelt dat in deze kwestie geen
zelfstandige
betekenis toekomt aan het al dan niet noemen van de vestigingsplaats van de door
klaagster gewenste
andere MDL-arts. Aan het noemen van die plaatsnaam gaat het college daarom voorbij.
5.14 Ook klachtonderdeel 3 is niet gegrond.
Klachtonderdeel 4) het leren door de MDL-arts van klachtbespreking
5.15 Klaagster heeft ter toelichting op dit klachtonderdeel geen concrete feiten
en omstandigheden
gesteld die een andere inhoud of een verdergaande strekking hebben dan de feiten
en omstandigheden
die zij aan de klachtonderdelen 1, 2 en 3 ten grondslag heeft gelegd. Omdat die
andere
klachtonderdelen niet gegrond zijn, is daarom ook dit klachtonderdeel niet gegrond.
Slotsom
5.16 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat alle onderdelen van de klacht ongegrond
zijn.
6. De beslissing
Het college:
- verklaart de klacht ongegrond.
Deze beslissing is gegeven door R.A. Steenbergen, voorzitter, L.A.B.M. Wijntjens,
lid-jurist,
M.A.C. Meijssen, P. Friederich en J.W. Poley, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door
F.A.C. Bergervoet, secretaris, en in het openbaar uitgesproken door
K.A.J.C.M. van den Berg Jeths-van Meerwijk op 8 april 2026.