ECLI:NL:TGZRSHE:2026:67 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg 's-Hertogenbosch H2025/8187
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRSHE:2026:67 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 08-04-2026 |
| Datum publicatie: | 08-04-2026 |
| Zaaknummer(s): | H2025/8187 |
| Onderwerp: | Onvoldoende informatie |
| Beslissingen: | Ongegrond, kennelijk ongegrond |
| Inhoudsindicatie: | Kennelijk ongegronde klacht tegen MDL-arts. Klaagster klaagt over ontslag uit ziekenhuis, het niet-meedelen van een onderzoeksuitslag en over informed consent rondom sigmoïdoscopie. Ontslag uit ziekenhuis navolgbaar. Het ging medisch gezien beter met klaagster. Klaagster gaf verweerster en andere zorgverleners ook meermaals aan naar huis te willen. Dat de toestand van klaagster na het ontslag verslechterde en zelfs tot een heropname van klaagster heeft geleid, maakt niet dat verweerster klaagster niet had mogen ontslaan. Verweerster heeft klaagster telefonisch gesproken en haar de uitslag van het onderzoek meegedeeld. De physician assistant, die de sigmoïdoscopie geïndiceerd heeft geacht en aangevraagd, is in beginsel zelf verantwoordelijk voor het informeren van klaagster over de risico’s daarvan en voor het verkrijgen van informed consent. Dat is niet de verantwoordelijkheid van verweerster. |
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG TE ’s-HERTOGENBOSCH
Beslissing in raadkamer van 8 april 2026 op de klacht van:
[A],
wonende in [B],
klaagster,
tegen
[C],
MDL-arts,
werkzaam in [B],
verweerster, hierna ook: (de) arts
gemachtigde: mr. D. Schut-Wolfs, werkzaam in Amsterdam.
1. Waar gaat de zaak over?
1.1 Klaagster is op 11 januari 2024, via de afdeling spoedeisende hulp, in het
ziekenhuis
opgenomen in verband met darmklachten. Op 12 januari 2024 heeft een sigmoïdoscopie
plaatsgevonden.
Verweerster heeft klaagster op 14 januari 2024 ontslagen uit het ziekenhuis. De
uitslag van
verricht weefselonderzoek zou poliklinisch worden opgevolgd op 25 januari 2024.
Verweerster en
klaagster hebben op 18 januari 2024 telefonisch contact gehad over deze afspraak.
1.2 Klaagster verwijt verweerster dat zij klaagster ten onrechte uit het ziekenhuis
heeft
ontslagen, de uitslagen van onderzoek nooit officieel met haar heeft gedeeld en
de informatieplicht
rondom het risico op een darmperforatie heeft geschonden. Verweerster heeft een
verweerschrift
ingediend.
1.3 Het college komt tot het oordeel dat de klacht kennelijk ongegrond is. ‘Kennelijk’
betekent
dat het niet nodig is om nog vragen aan de partijen te stellen en dat duidelijk
is dat de klacht
niet gegrond kan worden verklaard. Hierna licht het college toe hoe het tot deze
beslissing is
gekomen.
2. De procedure
2.1 Het dossier bevat de volgende stukken:
- het klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 21 februari 2025;
- de brief van 20 maart 2025 van de secretaris aan klaagster;
- de aanvullende informatie van klaagster, ontvangen op 2 april 2025;
- het verweerschrift met de bijlagen, per mail ontvangen op 12 juni 2025 en per
post op 13 juni 2025;
- de richtlijn diagnostiek en behandeling van inflammatoire darmziekten bij volwassenen,
ontvangen
van de gemachtigde van verweerster op 15 juli 2025;
- het proces-verbaal van het mondelinge vooronderzoek, gehouden op 26 augustus
2025;
- het aanvullende proces-verbaal van het mondeling vooronderzoek, gehouden op 26
augustus 2025;
2.2 Het college heeft de klacht in raadkamer behandeld. Dit betekent dat het college
de zaak
beoordeeld heeft op basis van de stukken, zonder dat de partijen daarbij aanwezig
waren.
2.3 Klaagster heeft, naast de klacht tegen verweerster, ook een klacht ingediend
tegen een andere
MDL-arts, collega van verweerster. Deze klacht is ingeschreven onder het zaaknummer
H2025/8186. Op
beide klachten is bij afzonderlijke beslissingen op dezelfde datum beslist.
3. Wat is er gebeurd?
3.1 Klaagster is op 11 januari 2024, via de afdeling spoedeisende hulp, in het
ziekenhuis
opgenomen in verband met darmklachten. Er heeft onderzoek plaatsgevonden, waaronder
een CT-scan en
een echo. Er bleek sprake van een colitis (ontsteking).
3.2 Op 12 januari 2024 is in het medisch dossier door de physician assistant, van
wie verweerster
supervisor was, genoteerd (alle citaten voor zover van belang en letterlijk weergegeven):
“(…) Uitleg hoog CRP + beeld pancolitis dus advies MDL is toch endoscopie ter beoordeling
slijmvlies. Wil dit nu nog niet. Besproken wat consequenties kunnen zijn indien
zeer ontstoken darm
zonder behandeling: perforatie. Uiteindelijk toch akkoord voor sigmoidoscopie met
sedatie (risico
endoscopie zijn besproken). (…)”
Onder het kopje beleid heeft de physician assistant genoteerd:
“(…) Sigmoidoscopie + sedatie vandaag. Informed consent verkregen (…)”.
De physician assistant heeft de sigmoïdoscopie aangevraagd.
3.3 Op 12 januari 2024 heeft een collega van verweerster de sigmoïdoscopie verricht.
3.4 In het medisch dossier heeft een verpleegkundige op 12 januari 2024 genoteerd:
“Mw ervaart
dat er te vaak op de kamer wordt binnen gelopen. Komt naar haar gevoel niet aan
haar rust toe”.
3.5 Op 13 januari 2024 (9:02 uur) heeft een verpleegkundige in het medisch dossier
genoteerd:
“Mw voelt zich wat beter, heeft nog lichte buikpijnklachten”.
3.6 Op 13 januari 2024 (9:52 uur) heeft verweerster in het medisch dossier genoteerd:
“Info verpleegkundige: heeft wat kunnen eten, voelt zich iets beter, meer eetlust.”
3.7 Op 13 januari 2024 (19:30 uur) heeft een verpleegkundige in het medisch dossier
genoteerd:
“Mw geeft aan erg veel prikkels te ervaren hier, hoopt dat men hier rekening mee
wil houden en niet
voor ieder ditje en datje de kamer binnen wil komen. (…) heeft moeite met het feit
hier opgenomen
te zijn. Ontlasting wordt wel iets minder en iets meer ingedikt. Heeft paracetamol
als
onderhoudsdosering niet nodig”.
3.8 Op 14 januari 2024 (8:16 uur) heeft een verpleegkundige in het medisch dossier
genoteerd:
“Voelt zich vooral nog erg moe, geen pijnklachten. Geen paracetamol nodig”.
Onder de kopjes activiteitenpatroon en cognitiepatroon is vermeld “zelfstandig”
respectievelijk “Helder en adequaat”.
3.9 Op 14 januari 2024 (11:25 uur) heeft verweerster in het medisch dossier genoteerd:
“info
verpleegkundige: wil graag AB staken. Wil weten wat CRP is. Voelt zich redelijk.
(…) Wil eigneljuk
naar huis (…)”
Verder heeft verweerster onder het kopje beleid genoteerd:
“Gezien AB gestopt en wens patiënte: vandaag al ontslag”.
3.10 Verweerster heeft klaagster vervolgens op 14 januari 2024 uit het ziekenhuis
ontslagen.
Verweerster schrijft aan de huisarts van klaagster:
“(…) Op verzoek van patiënte ontslag op 14.1 (…)”
De uitslag van eerder verricht weefselonderzoek zou met klaagster worden besproken
tijdens een
poliklinische afspraak bij een collega van verweerster. Die afspraak is ingepland
op 25 januari
2024.
3.11 Verweerster en klaagster hebben op 18 januari 2024 telefonisch contact gehad
over de afspraak
op 25 januari 2024. In het medisch dossier heeft verweerster daarover genoteerd:
“Patiënte gesproken op verzoek, was niet goed geinformeerd over de reden van verwijzing
naar
Interne
A/ sinds thuiskomst nog slap niet lekker, gevoel dat AB grote aanslag op het lichaam
heeft gegeven.
Eet nog mondjesmaat. (…) Uitleg over verwijzing INT/bijniertindicentaloom. Volgende
week poli (…),
dan afh kliniek verder plan tav wel of niet IBD behandelen. Patiënte hoopt van niet.”
3.12 Op 25 januari 2024 heeft de collega van verweerster, die klaagster zou zien
op de polikliniek
klaagster gebeld omdat klaagster fysiek niet kon komen. Deze collega heeft tot een
nieuwe opname
besloten per 26 januari 2024.
4. De klacht en de reactie van verweerster
4.1 Klaagster verwijt verweerster dat zij:
a) klaagster op 14 januari 2024 ten onrechte uit het ziekenhuis heeft ontslagen,
terwijl klaagster zich nog
niet goed voelde, nog diarree had en aangaf dat ze niet naar huis wilde. Zij heeft
zich nalatig gedragen
door niet goed te luisteren naar klaagster en haar onvoldoende in de gaten
te houden;
b) de uitslag van het weefselonderzoek nooit officieel met klaagster heeft gedeeld;
c) de keuze heeft gemaakt om een scopie uit te voeren, terwijl de darm van klaagster
extra gevoelig/ontstoken
was en het risico op een darmperforatie aanzienlijk groter was. De risico’s
zijn nooit met klaagster besproken,
waardoor de informatieplicht is geschonden.
4.2 Verweerster heeft het college verzocht klaagster (kennelijk) niet-ontvankelijk
te verklaren
en, in het geval de klacht inhoudelijk wordt beoordeeld, de klacht (kennelijk) ongegrond
te
verklaren.
5. De overwegingen van het college
Ontvankelijkheid
5.1 Het college komt tot het oordeel dat, anders dan verweerster heeft aangevoerd,
klaagster niet
kennelijk niet-ontvankelijk is. Op grond van artikel 47 juncto artikel 1 van de
Wet op de Beroepen
in de individuele Gezondheidszorg (Wet BIG) kan namelijk worden geklaagd over handelingen
op het
gebied van de individuele gezondheidszorg die rechtstreeks betrekking hebben op
een persoon en
ertoe strekken diens gezondheid te bevorderen of te bewaken, dan wel te beoordelen.
Er is in dit
geval sprake van zo’n behandelrelatie tussen klaagster en verweerster.
Welke criteria gelden bij de beoordeling?
5.2 De vraag is of verweerster de zorg heeft verleend die van haar verwacht mocht
worden. De norm
daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende MDL-arts. Bij de beoordeling
wordt rekening
gehouden met de voor de verweerster geldende beroepsnormen en andere professionele
standaarden. Als
uitgangspunt geldt dat zorgverleners alleen tuchtrechtelijk verantwoordelijk zijn
voor hun eigen
handelen.
Klachtonderdeel a) onterecht ontslag uit het ziekenhuis
5.3 Het college komt wat betreft klachtonderdeel a tot het oordeel dat verweerster
niet
tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Uit het medisch dossier blijkt dat
het op 13 en 14
januari 2024 steeds beter ging met klaagster. Klaagster gaf verweerster en andere
zorgverleners
bovendien meermaals aan naar huis te willen. Klaagster heeft tijdens het mondelinge
vooronderzoek
ook erkend dat zij meermaals aangaf naar huis te willen. Het college is niet gebleken
dat klaagster
bezwaar heeft gemaakt tegen haar ontslag naar huis. Ook overigens is het college
niet gebleken van
omstandigheden op grond waarvan verweerster had moeten begrijpen dat klaagster niet
naar huis
wilde. Onder deze omstandigheden is de beslissing van verweerster om klaagster uit
het ziekenhuis
te ontslaan navolgbaar. Van belang is dat daarbij in de vervolgbehandeling van klaagster
was voorzien door de
geplande poliklinische afspraak op 25 januari 2024 en dat klaagster erover was geïnformeerd
dat zij
zich bij tussentijds verergerende klachten weer bij het ziekenhuis (en haar huisarts)
kon melden.
Dat de toestand van klaagster na ontslag verslechterde en zelfs tot een heropname
van klaagster
heeft geleid, maakt niet dat verweerster klaagster op 14 januari 2024 niet had mogen
ontslaan. Ook is niet gebleken dat op 18 januari 2024, toen klaagster telefonisch
overleg had met verweerster over de verwijzing naar de internist, klaagster heeft
aangedrongen op een heropname of dat haar toestand ernstig was verslechterd.
Klachtonderdeel a) is ongegrond.
Klachtonderdeel b) nooit officieel delen van uitslag weefselonderzoek
5.4 Het college komt ook wat betreft klachtonderdeel b tot het oordeel dat verweerster
niet
tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Bij gelegenheid van het ontslag uit
het ziekenhuis is
een poliklinische afspraak ingepland bij een collega van verweerster op
25 januari 2024. Verweerster heeft klaagster daarvoor, op 18 januari 2024, telefonisch
gesproken.
Klaagster gaf aan dat het haar onduidelijk was waarom een afspraak was ingepland
bij de internist.
Verweerster heeft hierover uitleg gegeven. Daarbij heeft verweerster de uitslag
van het
weefselonderzoek benoemd, besproken dat mogelijk sprake was van een chronische darmziekte
en dat
daarvoor mogelijk een behandeling gestart moest worden. Verweerster heeft klaagster
vervolgens
verwezen naar de geplande afspraak op
25 januari 2024, waar de uitslag nader zou worden besproken. Anders dan klaagster
stelt heeft
verweerster de uitslag dus met klaagster gedeeld. Daarnaast mocht verweerster op
18 januari 2024
aannemen dat klaagster op 25 januari 2024 door de internist nader zou
worden geïnformeerd. Dat dit poliklinische consult op 25 januari 2024 is komen te
vervallen, maakt
dat niet anders. Het voorgaande betekent dat klachtonderdeel b) ongegrond is.
Klachtonderdeel c) keuze voor een sigmoïdoscopie op 12 januari 2024 en schending informatieplicht
5.5 Het college komt ook wat betreft klachtonderdeel c) tot het oordeel dat verweerster
niet
tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. De physician assistant, die de (diagnostische)
sigmoïdoscopie geïndiceerd heeft geacht en aangevraagd, is in beginsel zelf verantwoordelijk
voor
het informeren van klaagster over de risico’s daarvan en voor het verkrijgen van
informed consent.
Dat is niet de verantwoordelijkheid van verweerster. Dat zou anders zijn indien
er aan het handelen
van de physician assistant zodanige bezwaren kleven dat verweerster deze op grond
van haar
supervisorschap had dienen te signaleren, maar daarvan is het college niet gebleken.
Het voorgaande
betekent dat klachtonderdeel c) ongegrond is.
Slotsom
5.6 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat de klacht ongegrond is.
6. De beslissing
Het college verklaart de klacht kennelijk ongegrond.
Deze beslissing is gegeven door R.A. Steenbergen, voorzitter, J.W. Poley en M.A.C.
Meijssen,
leden-beroepsgenoten, bijgestaan door G.J. Stoepker, secretaris, en in het openbaar
uitgesproken
door K.A.J.C.M. van den Berg Jeths-van Meerwijk op 8 april 2026.