ECLI:NL:TGZRSHE:2026:64 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg 's-Hertogenbosch H2024/7807
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRSHE:2026:64 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 01-04-2026 |
| Datum publicatie: | 01-04-2026 |
| Zaaknummer(s): | H2024/7807 |
| Onderwerp: | Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose |
| Beslissingen: | Gegrond, berisping |
| Inhoudsindicatie: | Klager klaagt tegen een tandarts over declaraties die de tandarts heeft gestuurd terwijl een all-in prijs was afgesproken, de behandeling zelf en de communicatie. Het college oordeelt dat de tandarts onvoldoende duidelijk heeft gecommuniceerd over extra kosten buiten de afgesproken all-in prijs, waardoor één factuur onterecht was. Daarnaast zijn de implantaten niet correct (te ondiep) geplaatst, wat in dit geval medisch onzorgvuldig is. De overige klachten zijn ongegrond. De tandarts krijgt mede omdat hij er geen blijk van heeft gegeven dat hij anders had moeten handelen, een berisping. |
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG
TE ’s-HERTOGENBOSCH
Beslissing van 1 april 2026 op de klacht van:
[A],
wonende in [B],
klager,
tegen
[C],
tandarts, werkzaam in [B],
verweerder,
gemachtigde: mr. M.F. Mooibroek, werkzaam in Utrecht.
1. De zaak in het kort
1.1 Klager heeft zich tot verweerder gewend voor het plaatsen van drie implantaten.
De
behandeling is voordat de definitieve kronen zijn geplaatst, geëindigd. Klager klaagt
in de kern
over twee declaraties die verweerder heeft gestuurd, de communicatie en de
behandeling.
1.2 Het college komt tot het oordeel dat klager ontvankelijk is in zijn klacht en
acht de
klacht gedeeltelijk gegrond. Hierna licht het college dat toe.
2. De procedure
2.1 Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het klaagschrift met bijlagen, ontvangen op 13 november 2024;
- de brief van 7 januari 2025 van de secretaris aan klager;
- het aanvullend klaagschrift met bijlage, ontvangen op 17 januari 2025;
- de brief van klager met bijlagen, ontvangen op 4 februari 2025;
- de USB-stick, ontvangen van klager op 4 februari 2025;
- het verweerschrift met bijlagen, ontvangen op 2 april 2025;
- de USB-stick behorend bij het verweerschrift, ontvangen per e-mail op 28 maart
2025 en per post
op 2 april 2025;
- de USB-stick met de aanbiedingsbrief van 1 april 2025, ontvangen op 7 april 2025;
- de transcriptie (‘Tuchtzaak video 1.’), ontvangen van klager op 20 mei 2025;
- de transcriptie (‘Het laatste gesprek.’), ontvangen van klager op 20 mei 2025;
- de reactie van de gemachtigde van verweerder op de transcripties, ontvangen op
17 juni 2025;
- de brief van de gemachtigde van verweerder met bijlagen, ontvangen per e-mail
op 23 januari 2026
en per post op 28 januari 2026.
2.2 Partijen hebben de gelegenheid gekregen om onder leiding van een secretaris
van het college
in gesprek te gaan (mondeling vooronderzoek). Daarvan hebben zij geen gebruik gemaakt.
2.3 De zaak is behandeld op de openbare zitting van 6 februari 2026. Klager is verschenen.
Verweerder was afwezig met bericht van verhindering. De gemachtigde van verweerder
was wel
aanwezig. Klager en de gemachtigde van verweerder hebben hun standpunten mondeling
toegelicht. De
gemachtigde van verweerder heeft spreekaantekeningen voorgelezen en aan het college
en de andere
partij overhandigd.
2.4 Klager heeft tijdens de zitting afstand gedaan van het horen van de twee door
hem aangezegde
getuigen. Klager heeft verder klachtonderdeel 6 tijdens de zitting ingetrokken.
3. Wat is er gebeurd?
3.1 Op 16 augustus 2022 heeft klager (geboren in 2002) zich, na verwijzing door
een orthodontist,
tot verweerder gewend met het verzoek te controleren of er ruimte was voor het implanteren
van drie
elementen.
3.2 Op 12 september 2022 vond een intakegesprek plaats tussen klager en verweerder
waarbij ook
een orthopantomogram is gemaakt ter beoordeling van de vraag of er voldoende botniveau
en ruimte
was. Dat bleek het geval, waarna er een CT-scan is gemaakt om een precies plan en
de daarbij
behorende kosten te kunnen maken.
3.3 Vervolgens heeft verweerder een behandelplan opgesteld en heeft hij op 14 oktober
2022 acht
e-mails gestuurd aan klager met kostenbegrotingen tot een totaalbedrag van EUR 12.143,20.
3.4 Op 8 november 2022 heeft verweerder het behandelplan met klager besproken. Het
behandelplan
bestond uit het implanteren en plaatsen van (eerst tijdelijke en vervolgens definitieve)
kronen bij
drie elementen, een kaakverbreding, een eventuele gingivatransplantatie en een bijbehorende
botopbouw. De eerste fase bestond uit het plaatsen van de implantaten en tijdelijke
kronen, de
tweede fase uit het maken en plaatsen van de definitieve kronen. Het medisch dossier
van klager
vermeldt over dit consult verder “Mondhygiene bij zus”.
3.5 Klager ging akkoord met dit plan maar voordat dit uitgevoerd kon worden, moest
eerst door de
orthodontist voldoende ruimte voor de implantaten worden gecreëerd.
3.6 Klager tekende op 14 april 2023 een Informed-Consentverklaring. Op 17 april
2023 werd de
ingreep gepland. Op die datum wilde klager echter alsnog afzien van de behandeling
vanwege de
kosten daarvan, waarna uiteindelijk een (lagere) totaalprijs van EUR 9.500,00 werd
overeengekomen,
in drie termijnen te betalen.
3.7 Op 24 april 2023 heeft verweerder de implantaten en de voorlopige tijdelijke kronen geplaatst.
3.8 Op 15 mei, 3 en 13 juli 2023 kwam klager op controle. Op 9 augustus 2023 zijn
de definitieve
tijdelijke kronen geplaatst. Op 6 september 2023 heeft verweerder een reparatie
verricht.
3.9 De tweede fase, het plaatsen van de definitieve kronen, werd uitgesteld omdat
de mondhygiëne
niet goed genoeg was.
3.10 Op 30 oktober 2023 heeft een periodieke controle met een gebitsreinigingsbehandeling
plaatsgevonden. Het medisch dossier van klager vermeldt dat aan klager is meegedeeld
dat de
mondhygiëne echt beter moet vooral in verband met behoud van de implantaten. Deze
behandeling heeft
verweerder per factuur van 30 oktober 2023 bij klager in rekening gebracht en klager
heeft deze factuur voldaan. Het medisch dossier van klager vermeldt dat klager daarbij
heeft aangegeven dat hij niet begrijpt waarom hij
deze factuur moet betalen, gelet op het feit dat hij met verweerder een all-in prijs
had
afgesproken.
3.11 Op 5 februari 2024 is een kaakoverzichtsfoto gemaakt, volgens het medisch dossier
“Tbv
parodontale diagnostiek”. Verweerder heeft klager daarvoor een factuur gestuurd.
Klager heeft die
factuur voldaan.
3.12 Op 24 september 2024 heeft klager met de praktijkmanager gesproken over de facturen
van 30
oktober 2023 en 5 februari 2024, waarmee klager het niet eens was. De definitieve
kronen waren op
dat moment nog niet geplaatst. Dit gesprek eindigde met het beëindigen van de behandeling,
waarna
een en ander werd vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst. Samengevat behelsde
die dat de
behandeling werd stopgezet tegen finale kwijting waarna klager de laatste deelbetaling
van EUR
3.000,00 niet meer verschuldigd was.
3.13 Op 15 oktober 2024 werd de praktijk gebeld door iemand die meedeelde dat hij
de kaakchirurg
van klager was en een gesprek wilde met verweerder. Verweerder heeft hem te woord
gestaan en zegde
een telefonische afspraak toe die hij vervolgens heeft afgezegd onder meer omdat
onduidelijk was
wie de persoon was die op 15 oktober had gebeld. Later bleek dat geen sprake was
van een
kaakchirurg dan wel andere opvolgend arts, maar van iemand die zich als zodanig
voordeed.
3.14 Vervolgens heeft klager de tuchtklacht ingediend, ontvangen op 13 november 2024.
4. De klacht en de reactie van verweerder
4.1 Klager verwijt verweerder:
1. dat hij onjuiste declaraties heeft ingediend;
2. dat hij afspraken niet is nagekomen;
3. onprofessioneel en intimiderend gedrag;
4. dat hij de behandeling abrupt heeft beëindigd;
5. dat hij de tijdelijke kroon, die al drie keer kapot was gegaan, niet tijdig heeft
vervangen;
6. dat hij niet in gesprek is gegaan met de behandelend arts van klager en het dossier
van klager
pas na verschillende verzoeken daartoe heeft overgedragen;
7. dat hij de gezondheid van klager in gevaar heeft gebracht door het gebruik van
onhygiënische en
zwakke tijdelijke kronen;
8. onjuiste plaatsing van implantaten;
9. dat hij klager onvoldoende informatie heeft gegeven en verkeerde behandelingskeuzes
heeft
gemaakt;
10. agressieve en/of onbeantwoorde communicatie;
11. verandering van het patiëntendossier en het onvoldoende of onjuist bijhouden
van het
patiëntendossier.
4.2 Verweerder verzoekt het college primair om klager niet-ontvankelijk in zijn klacht
te
verklaren. Subsidiair verzoekt verweerder de klacht ongegrond te verklaren.
4.3 Het college gaat hieronder verder in op de standpunten van partijen.
5. De overwegingen van het college
Is klager ontvankelijk in zijn klacht?
5.1 Verweerder verzoekt het college primair om klager niet-ontvankelijk te verklaren
in zijn
klacht. Verweerder legt daaraan ten grondslag whatsapp-gesprekken tussen klager,
zijn zus en een
derde persoon, waarin diverse kwalijke kwalificaties over verweerder worden gebezigd
(een
voorbeeld: “deze varken gaan we pakken”) en waaruit blijkt dat de zus van klager
hem opzweept om
een klacht in te dienen en daarbij zo veel mogelijk nadeel voor verweerder te veroorzaken.
Volgens
verweerder blijkt uit de overgelegde whatsapp-gesprekken dat het motief voor het
indienen van de
klacht het uitoefenen van wraak is en niet serieuze zorg over de kwaliteit van de
gezondheidszorg.
5.2 Klager heeft op de zitting in reactie hierop verklaard dat hij een klacht heeft
ingediend
tegen verweerder, omdat verweerder niet goed heeft geluisterd naar klager en niet
goed met hem is
omgegaan, door onder meer onterecht extra bedragen bij klager in rekening te brengen.
Klager heeft
erop gewezen dat de uitlatingen waarop verweerder doelt, niet door klager zelf zijn
gedaan, maar
door zijn zus.
5.3 Het college is van oordeel dat klager ontvankelijk is in zijn klacht. Dat oordeel
wordt als
volgt toegelicht. Het klachtrecht is een groot goed dat slechts in zeer uitzonderlijke gevallen
dient te worden beperkt. Dat neemt niet weg dat ook in het tuchtrecht sprake kan zijn
van misbruik van recht en dat ook het tuchtrecht bescherming behoort te bieden tegen
procedures die uitsluitend of overwegend het oogmerk hebben een ander te schaden.
Het college verwijst in dit verband naar de artikelen 3:13 in samenhang met 3:15 van
het Burgerlijk Wetboek (BW). Misbruik van procesrecht kan ook worden gegrond op artikel
3:303 BW. Deze bepaling stelt dat zonder voldoende belang niemand een rechtsvordering
toekomt. Artikel 3:303 BW vereist dat toewijzing van de
vordering voldoende verschil maakt voor de positie van eiser om rechterlijke bemoeienis
met de zaak
te rechtvaardigen. Er moet sprake zijn van een relevant en geen zuiver emotioneel
belang dat met de
vordering is gediend. Het karakter van het tuchtrecht, te weten een laagdrempelige
mogelijkheid
voor het starten van een tuchtrechtprocedure, moet eveneens worden meegewogen bij
de vraag of
sprake is van misbruik van tuchtrecht. Dit laagdrempelige karakter maakt dat nog
minder snel
misbruik van tuchtrecht kan worden aangenomen. Tegenover de laagdrempelige mogelijkheid
voor
klagers om een klacht te kunnen indienen, staat dat tuchtklachten grote impact kunnen
hebben op een
verweerder, zowel emotioneel als financieel (vanwege de kosten van een advocaat,
de gemoeide tijd,
etc.). Het college staat gezien dit kader en deze belangen voor de vraag of klager
met zijn
bevoegdheid een tuchtklacht in te dienen enkel of sterk overwegend het doel voor
ogen heeft om
verweerder te schaden, dan wel in algemene zin zijn bevoegdheid om een tuchtklacht
in te dienen
misbruikt voor een ander doel dan waarvoor zij is verleend. Het college beantwoordt
die vraag met:
nee. Het college stelt vast dat de door klager aangevoerde klachtonderdelen betrekking
hebben op
het handelen en/of nalaten in de uitoefening van de behandelingsovereenkomst met
verweerder en dat
de klacht in zoverre valt binnen het bereik van wat aan de tuchtrechter kan en behoort
te kunnen
worden voorgelegd. Dat klager daarbij enkel of sterk overwegend het doel voor ogen
heeft om
verweerder te schaden, heeft het college niet kunnen vaststellen. De op zichzelf
laakbare en
onnodig grievende uitlatingen waarnaar verweerder verwijst, zijn niet gedaan door
klager en het
college houdt klager niet verantwoordelijk voor uitlatingen van de zus van klager.
Het college
oordeelt dat niet is gebleken van misbruik van procesrecht door klager en acht klager
daarom
ontvankelijk in zijn klacht.
5.4 Dit betekent dat het college hierna overgaat tot een inhoudelijke behandeling van de klacht.
De criteria voor de beoordeling
5.5 De vraag is of verweerder de zorg heeft verleend die van hem verwacht mocht
worden. De norm
daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende tandarts-implantoloog. Bij
de beoordeling
wordt rekening gehouden met de voor de tandarts-implantoloog geldende beroepsnormen
en andere
professionele standaarden. Dat een zorgverlener beter anders had kunnen handelen
is niet zonder
meer genoeg voor een tuchtrechtelijk verwijt. Verder geldt het uitgangspunt dat
zorgverleners
alleen tuchtrechtelijk verantwoordelijk zijn voor hun eigen handelen. Met inachtneming
van deze
criteria zal het college hierna de klachtonderdelen beoordelen.
Klachtonderdelen 1) verweerder heeft onjuiste declaraties ingediend en 2) verweerder
is afspraken
niet nagekomen
5.6 Klachtonderdelen 1 en 2 lenen zich voor gezamenlijke behandeling. Deze klachtonderdelen,
zo
heeft klager op de zitting bevestigd, zijn beide terug te voeren op het feit dat
verweerder op 30
oktober 2023 en 5 februari 2024 een factuur voor verrichtingen heeft gestuurd, terwijl
klager en
verweerder op 17 april 2023 een all-in-prijs van
EUR 9.500,00 hadden afgesproken. Verweerder heeft daarom ten onrechte de verrichtingen
van 30
oktober 2023 en 5 februari 2024 apart bij klager in rekening gebracht. Over de behandeling
op 30
oktober 2023 heeft klager op de zitting toegelicht dat hij wel wist dat mondhygiëne
niet in de
all-in prijs zat, maar dat hij niet wist dat er die dag een gebitsreiniging zou
worden uitgevoerd.
Hij kwam die dag voor een reparatie. Voor mondhygiënebehandelingen ging klager naar
zijn zus en
daarom zou hij ook niet hebben ingestemd daarvoor extra te betalen. De behandeling
op 5 februari
2024 betrof een foto waarvan klager op de zitting heeft toegelicht dat hij er niet
over is
geïnformeerd dat en waarom deze foto nodig was en dat dit geld zou kosten. Volgens
klager kwam hij
die dag niet voor een foto, maar voor het uitvallen van een noodvulling.
5.7 Verweerder voert als verweer dat de totaalprijs zag op de verrichtingen uit
het behandelplan.
Hierbij waren mondhygiënebehandelingen niet inbegrepen. Tijdens de consulten van
30 oktober 2023 en
5 februari 2024 bleek echter dat de mondhygiëne van klager niet op orde was en heeft
de praktijk
enkele verrichtingen in rekening gebracht die klager ook heeft betaald. Daarmee
gaf klager er blijk
van dat dit in lijn was met de gemaakte afspraken. Pas op 24 september 2024 veranderde
hij ineens
van standpunt.
5.8 Het college zal eerst ingaan op de gebitsreiniging die op 30 oktober 2023 is
uitgevoerd. Op
de zitting is gebleken, dat tussen partijen vaststaat dat mondhygiëne niet was inbegrepen
in de
all-in prijs die klager en verweerder hadden afgesproken. Dat was voor beide partijen
helder. Dit
maakt het in beginsel gerechtvaardigd dat de uitgevoerde behandeling in rekening
werd gebracht. Het
college kan vaststellen dat klager op
8 november 2022 met verweerder heeft besproken dat hij mondhygiëne door zijn zus
wilde laten
uitvoeren. Het college kan echter niet vaststellen dat klager, zoals hij stelt,
op
30 oktober 2023 kwam voor een reparatie en niet voor een gebitsreiniging en ook
niet doorhad dat
deze werd uitgevoerd. Die gang van zaken is door verweerder weersproken en het medisch
dossier
maakt ook geen melding van een (afspraak voor) reparatie op
30 oktober 2023. Het medisch dossier maakt enkel melding van een reparatie-afspraak
daarvóór, te
weten op 6 september 2023. Het college overweegt dat in gevallen waarin de lezingen
van partijen
over de feitelijke gang van zaken uiteenlopen en niet kan worden vastgesteld welke
van beide
lezingen het meest aannemelijk is, een verwijt dat is gebaseerd op de lezing van
de klagende partij
niet gegrond kan worden bevonden. Dat brengt mee dat niet kan worden vastgesteld
of verweerder
klachtwaardig heeft gehandeld. Dit oordeel berust niet op het uitgangspunt dat het
woord van klager minder geloof verdient dan dat van verweerder.
Dit oordeel berust op de omstandigheid dat voor het oordeel of een bepaalde gedraging
tuchtrechtelijk verwijtbaar is, eerst moet worden vastgesteld welke feiten daaraan
ten grondslag
gelegd kunnen worden. Deze feiten kan het college dus, ook als aan het woord van
klager en van
verweerder evenveel geloof wordt gehecht, hier niet vaststellen. Ter zake de factuur
van 30 oktober
2023 komt het college daarom tot het oordeel dat de klachtonderdelen ongegrond zijn.
5.9 Dat ligt anders met betrekking tot de factuur van 5 februari 2024. Het college
stelt daarbij
voorop, dat op verweerder de verplichting rust een patiënt tijdig en zorgvuldig
te informeren over
de tarieven die hij voor (deel)prestaties in rekening brengt. Zodat een patiënt
daarover vragen kan
stellen en geïnformeerd kan besluiten de behandeling wel of niet te laten uitvoeren.
Het college is
van oordeel dat die informatieverplichting nog meer klemt wanneer een all-in prijs
wordt
afgesproken, waarbij gemakkelijk misverstanden kunnen ontstaan door verschillende
verwachtingen
over wat dan all-in is. Wat voor verweerder logischerwijs buiten het afgesproken
behandeltraject
valt, hoeft dat voor klager als leek-patiënt helemaal niet zo duidelijk te zijn.
In het geval van
de gefactureerde kaakoverzichtsfoto stelt het college vast dat deze is gemaakt tijdens
het met
verweerder afgesproken behandeltraject en dat eenzelfde soort foto eerder ook is
gemaakt en toen
niet apart gefactureerd is. Het lag op de weg van verweerder om vóór het maken van
de
overzichtsfoto op 5 februari 2024 klager in klare taal te zeggen dat en waarom hij
deze foto wilde
laten maken en dat en waarom deze volgens verweerder buiten de all-in prijs viel.
Het is het
college niet gebleken dat verweerder klager hierover deugdelijk heeft geïnformeerd.
Onder
voornoemde omstandigheden is het college van oordeel dat klager heeft mogen aannemen
dat de
verrichting werd uitgevoerd in het kader van zijn behandeltraject waarvoor hij een
all-in prijs had
afgesproken. Als dat niet zo was, dan had verweerder daarover vooraf duidelijk moeten
communiceren
en dat is kennelijk niet gebeurd. Het college acht de klachtonderdelen 1 en 2 ter
zake de factuur
van 5 februari 2024 daarom gegrond.
Klachtonderdelen 3) onprofessioneel en intimiderend gedrag, 4) verweerder heeft de
behandeling
abrupt beëindigd en 10) agressieve en/of onbeantwoorde communicatie
5.10 Klager stelt dat de praktijkmanager tijdens het gesprek op 24 september 2024
onprofessioneel
gedrag vertoonde en ongepaste opmerkingen maakte. Hij stelt door haar te zijn gedwongen
een
document te tekenen. Volgens klager werd de behandeling die dag zonder oplossing
of compromis
abrupt stopgezet, wat voor hem veel onzekerheid heeft veroorzaakt. Klager heeft
de communicatie van
de praktijkmanager als agressief en intimiderend ervaren. Klager verwijt - desgevraagd
- verweerder
dat hij niet actief heeft deelgenomen maar de communicatie heeft overgelaten aan
zijn
praktijkmanager en direct akkoord ging met beëindiging van de behandelrelatie. Klager
stelt dat
verweerder zelf de communicatie over de kosten met hem had moeten voeren en dat
niet had moeten
overlaten aan de praktijkmanager.
5.11 Verweerder stelt dat hij niet betrokken was bij het gesprek op 24 september
2024 en dat hem
daarvan dus geen verwijt valt te maken. Hij betwist overigens dat de praktijkmanager
dwang heeft
uitgeoefend om de vaststellingsovereenkomst te tekenen. Klager wilde zelf stoppen
met de
behandeling. Verweerder betwist dat hij de praktijkmanager onvolledig heeft geïnformeerd.
Hij voert
aan dat hij steeds een goede communicatie met klager heeft voorgestaan en tijdig
op problemen heeft
geacteerd. Verweerder betwist de behandeling te hebben stopgezet. Klager wilde zelf
stoppen omdat
hij meer vertrouwen had in een andere behandelaar.
5.12 Het college oordeelt hierover als volgt. Voor zover deze samenhangende klachtonderdelen
zien
op uitlatingen en gedragingen van de praktijkmanager tijdens het gesprek op 24 september
2024, zijn
deze tegenover verweerder ongegrond. Zoals het college eerder overwoog, is uitgangspunt
van het
tuchtrecht dat zorgverleners alleen tuchtrechtelijk verantwoordelijk zijn voor hun
eigen handelen.
Voor zover klager verweerder verwijt dat hij de communicatie op 24 september 2024
overliet aan de
praktijkmanager en toeliet dat in dat gesprek de behandelrelatie werd beëindigd,
overweegt het
college dat het verweerder niet tuchtrechtelijk te verwijten valt dat hij het gesprek
op 24
september 2024 niet zelf met klager voerde maar overliet aan zijn praktijkmanager.
De reden voor
het gesprek op 24 september 2024 hield enkel verband met de twee facturen waarmee
klager het oneens
was gezien de all-in prijsafspraak van partijen. Het gesprek over dit financiële
geschil, dat
uiteindelijk ook heeft geleid tot het stopzetten van de behandeling, kon verweerder
overlaten aan
zijn praktijkmanager. Dat zou anders zijn indien op enigerlei wijze ook de behandeling
zelf ter
sprake zou komen of zou zijn gekomen, maar daarvan is het college niet gebleken.
Hoewel het naar
het oordeel van het college beter was geweest wanneer verweerder naar aanleiding
van het gerezen
geschil dat inmiddels niet tot een oplossing had geleid maar tot een beëindiging
van de
behandelrelatie, de moeite had genomen om daarover zelf nog met klager te spreken,
is van
tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen geen sprake. Deze klachtonderdelen zijn ongegrond.
Klachtonderdelen 5) verweerder heeft de tijdelijke kroon, die al drie keer kapot was
gegaan, niet
tijdig vervangen en 7) verweerder heeft de gezondheid van klager in gevaar gebracht
door het
gebruik van onhygiënische en zwakke tijdelijke kronen
5.13 Klager stelt dat de tijdelijke kroon drie keer kapot is gegaan en dat deze
niet tijdig, dat
wil zeggen binnen twee maanden, is vervangen. Volgens klager is verder zijn gezondheid
in gevaar
gebracht door het gebruik van onhygiënische en zwakke tijdelijke kronen.
5.14 Verweerder betwist deze laatste, volgens hem niet onderbouwde, stelling. Verweerder
voert aan
hygiënisch te hebben gewerkt, in een operatieomgeving die aan de daarvoor geldende
standaarden
voldoet. Daarbij had klager volgens hem een slechte mondhygiëne. Verweerder betwist
dat de kroon
drie keer kapot is gegaan. Hij heeft slechts één reparatie uitgevoerd en wel op
6 september 2023.
Het is daarbij volgens verweerder geen harde regel dat een tijdelijke kroon niet
langer dan twee maanden mag blijven zitten. Dat kan wel tot twee jaar mits functie,
esthetiek en slijtage gecontroleerd worden. De tijdelijke kroon is
volgens hem op regelmatige consulten gecontroleerd.
5.15 Het college is van oordeel dat deze klachtonderdelen met betrekking tot de tijdelijke
kronen
zich lenen voor gezamenlijke behandeling. Op verweerder rust in dit verband een
inspanningsverplichting. Het college stelt met betrekking tot het handelen van verweerder
vast dat,
zoals het hoort, er diverse controles zijn geweest na plaatsing van de tijdelijke
kronen. Het
medisch dossier maakt melding van één reparatie. Het kan, ook wanneer alles volgens
de regelen der
kunst verloopt, gebeuren dat een dergelijke reparatie nodig is. Dat betekent op
zichzelf niet dat
verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Klager heeft het over drie
keer een kapotte
kroon, maar dat is door verweerder weersproken en het medisch dossier bevat geen
duidelijke
aanwijzingen ervoor dat het om meer dan één reparatie gaat. Het college kan gelet
hierop dat deel
van de feiten die klager aan zijn verwijt ten grondslag legt, dus niet vaststellen.
Uit niets
blijkt verder dat de tijdelijke kronen in het geval van klager (eerder) vervangen
hadden moeten
worden. Er is ook geen sprake van een regel die voorschrijft dat een tijdelijke
kroon na een
bepaalde tijd zonder meer vervangen moet zijn. Dit alles maakt dat het college deze
klachtonderdelen ongegrond acht.
Klachtonderdeel 6) verweerder is niet in gesprek gegaan met de behandelend arts van
klager en hij
heeft het dossier van klager pas na verschillende verzoeken daartoe overgedragen
5.16 Dit klachtonderdeel heeft klager op de zitting ingetrokken. Daartegen is zijdens
verweerder
geen bezwaar gemaakt. Naar het oordeel van het college is geen sprake van redenen
aan het algemeen
belang ontleend om de behandeling van dit klachtonderdeel voort te zetten. Dit betekent
dat het
college dit klachtonderdeel niet zal beoordelen en er geen beslissing over zal geven.
Klachtonderdeel 8) verweerder heeft de implantaten onjuist geplaatst
5.17 Klager stelt dat er fouten zijn gemaakt bij de plaatsing van de implantaten.
Zo blijkt uit de
bijgevoegde verklaring van een andere tandarts van 29 november 2024 dat de implantaten
te ondiep
zijn geplaatst, wat de stabiliteit op lange termijn kan beïnvloeden.
5.18 Verweerder voert aan dat hij overeenkomstig de regelen der kunst heeft gehandeld,
waarbij hij
gebruik heeft gemaakt van 3.3mm implantaten met coatings van het ICT-Zero Bone Loss
systeem dat
speciaal ontworpen is om botverlies te minimaliseren en de resultaten van implantaten
te
verbeteren. Voor de lengte had hij geen keuze, gezien de apicaal divergerende wortels
van de
buurelementen door ortho-regulering, waarbij een langer implantaat een collision
zou betekenen, of
tussen twee implantaten of ten opzichte van naburige wortels. Met horizontale botaugmentatie
en de
a-PRF-techniek heeft hij hier
3.3 implantaten geplaatst, met voldoende lengte.
5.19 Het college beoordeelt het verwijt van klager gegrond en licht dat als volgt
toe. Ook het
college is van oordeel dat op basis van het voorhanden beeldmateriaal kan worden
vastgesteld dat
verweerder de implantaten niet diep genoeg heeft geplaatst. Op het beeldmateriaal
is zichtbaar dat
de metalen rand van de implantaten boven het tandvlees uitsteekt. Aan de rechterzijde
is verder aan
de buitenkant een schroefgat zichtbaar. Het college deelt niet de stelling van verweerder
dat hij
de implantaten niet dieper kon plaatsen. Het college ontleent aan het beeldmateriaal
dat er
voldoende bothoogte en ruimte tussen de buurtanden aanwezig is, waardoor dieper
plaatsen mogelijk
was. Het is bovendien aan verweerder om zich vooraf een voorstelling te maken van
het resultaat en
het behandelplan daarop af te stemmen. Als de conclusie dan is dat het bot niet
geschikt is om de
implantaten diep genoeg te plaatsen, dan ligt het op de weg van een redelijk handelend
en redelijk
bekwaam tandarts-implantoloog om af te zien van het plaatsen van implantaten. Het
onvoldoende diep
plaatsen van implantaten bemoeilijkt namelijk het vervaardigen van een passende
suprastructuur, in
het bijzonder wanneer de asrichting van het implantaat verschilt van de ideale asrichting
van de
implantaatkroon. Ook de kans op botverlies wordt erdoor vergroot en het tandvlees
zal zich verder
terugtrekken. Deze wijze van plaatsing heeft een negatieve impact op de overlevingskans
van de
implantaten. Bovendien kan de positie van de geplaatste implantaten niet meer gewijzigd
worden na
plaatsing. Het te ondiep plaatsen van implantaten heeft verder niet enkel een constructief
effect,
maar ook een nadelig esthetisch effect. Zeker wanneer implantaten in de esthetische
zone worden
geplaatst, dient men zich er van tevoren van te vergewissen dat de implantaten esthetisch
‘uit het
zicht’ kunnen worden geplaatst. Het college is zich ervan bewust dat op een tandarts-implantoloog
die implantaten plaatst een inspanningsverbintenis rust en dat ook als alles volgens
de regelen der
kunst verloopt, het eindresultaat niet altijd is zoals beoogd. Bijvoorbeeld omdat
het tandvlees
zich verder terugtrekt dan te voorzien was. Dat enkele feit vormt dan ook geen reden
om van
tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen te spreken. In dit geval is het college echter
van oordeel dat
de plaatsing van de implantaten beter had gekund en gemoeten en dat dit vooraf voorzienbaar
moet
zijn geweest voor verweerder. Het eindresultaat is niet het gevolg geweest van reacties
in de mond
waarop verweerder geen invloed had, maar is veroorzaakt door de wijze waarop de
implantaten zijn
geplaatst.
Klachtonderdeel 9) verweerder heeft klager onvoldoende informatie gegeven en verkeerde
behandelingskeuzes gemaakt
5.20 Volgens klager was er onvoldoende overleg over de consulten en de kosten.
Ook zijn er
verkeerde behandelingskeuzes gemaakt zoals te korte implantaten voor de hoeveelheid
bot die
beschikbaar is.
5.21 Verweerder betwist dat hij onvoldoende overleg over de consulten en de kosten
heeft gevoerd.
Hij betwist ook dat hij een fout heeft gemaakt bij het plaatsen van de implantaten.
5.22 Het college is van oordeel dat aan dit klachtonderdeel, in het licht van wat
al aan de orde
is gekomen in de klachtonderdelen 1, 2 en 8, geen zelfstandige betekenis toekomt.
Het college verwijst naar wat zij hiervoor over die klachtonderdelen heeft overwogen
en beslist. In zoverre wordt dit klachtonderdeel daarom ongegrond verklaard.
Klachtonderdeel 11) het patiëntendossier is veranderd en onvoldoende of onjuist bijgehouden
5.23 Klager stelt dat de definitieve afdruk van zijn implantaten uit het dossier
is verwijderd en
dat de gesprekken die hij in de praktijk heeft gevoerd en de gemaakte afspraken
niet in het dossier
zijn opgenomen.
5.24 Verweerder betwist de stellingen van klager. Hij voert aan dat een definitieve
afdruk ten
behoeve van de definitieve kronen nooit is afgenomen. In het dossier zijn verder
alleen consulten
opgenomen die hebben plaatsgevonden. Consulten die zijn geannuleerd worden niet
zonder meer in het
dossier opgenomen omdat dit voor een goede hulpverlening niet noodzakelijk is. De
afspraken over de
all-in-prijs zijn opgenomen onder het kopje aantekeningen en de inhoudelijke afspraken
en
voorwaarden zijn opgenomen in de Informed-Consentverklaring die klager heeft ondertekend.
De niet
persoonlijk door verweerder gevoerde telefoongesprekken heeft hij niet genoteerd.
Het gesprek van
15 oktober 2024 heeft hij niet vermeld omdat dit zorginhoudelijk niet van belang
was.
5.25 Het college stelt allereerst vast dat moet worden aangenomen dat er wel een
definitieve
afdruk is gemaakt. Zo blijkt uit de opdrachtbon aan het tandtechnisch laboratorium
van 10 september
2024 dat er een definitieve afdruk werd meegestuurd. Het college stelt vervolgens
vast dat zij in
het procesdossier een afbeelding van de definitieve afdruk heeft gezien. In het
procesdossier zijn
daarvan namelijk kleurenfoto’s toegevoegd (bijvoorbeeld: “Definitieve afdruk met
copings [A]
ongedateerd”) gemaakt door verweerder. In zoverre is de klacht dan ook ongegrond.
Wat betreft het
verwijt dat gesprekken en afspraken niet in het dossier zijn opgenomen, heeft het
college klager op
de zitting gevraagd waar het volgens hem concreet om gaat. Klager heeft daarop ten
eerste
geantwoord dat het hem gaat om gesprekken met de praktijkmanager, naar het college
begrijpt, over
de financiële afspraken van de behandeling. Dat levert echter geen tuchtrechtelijk
verwijtbaar
handelen van verweerder op. Het college stelt vast dat verweerder de met hem gemaakte
prijsafspraak
van EUR 9.500,00, te betalen in drie termijnen, wel in het medisch dossier van klager
heeft
genoteerd. Dat verweerder telefonisch zou hebben toegezegd dat er geen nota’s zouden
komen voor
extra verrichtingen, zoals klager ten tweede desgevraagd stelt maar verweerder betwist,
heeft het
college niet kunnen vaststellen. Dit betekent dat het college niet tot tuchtrechtelijk
verwijtbaar
handelen komt. Dit klachtonderdeel wordt dus in zijn geheel ongegrond verklaard.
Slotsom
5.26 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat klachtonderdelen 1 en 2 gedeeltelijk,
en
klachtonderdeel 8 geheel, gegrond zijn. Voor het overige worden de klachtonderdelen
ongegrond
verklaard.
Maatregel
5.27 Nu de klacht gedeeltelijk gegrond is, moet het college bepalen of het opleggen
van een
maatregel passend en geboden is. Dat is naar het oordeel van het college het geval.
Bij het bepalen
van de maatregel neemt het college ten eerste mee dat verweerder op twee verschillende
vlakken
tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Hij is tekortgeschoten in zijn informatieplicht
ter
zake de financiële gevolgen/reikwijdte van de gemaakte all-in prijsafspraak, omdat
hij daarin niet
goed genoeg met klager heeft gecommuniceerd. Hij is ook tekortgeschoten in de zorginhoudelijke
kant, bij de plaatsing van de implantaten. Dat had anders gekund en gemoeten. Het
college weegt tot
slot mee dat verweerder er geen blijk van heeft gegeven dat hij anders had kunnen
en daarmee moeten
handelen. Alles afwegende is het college van oordeel dat de maatregel van berisping
passend en
geboden is.
6. De beslissing
Het college:
- verklaart de klachtonderdelen 1 en 2 gedeeltelijk gegrond;
- verklaart klachtonderdeel 8 gegrond;
- verklaart de klachtonderdelen voor het overige ongegrond;
- legt verweerder de maatregel op van berisping.
Deze beslissing is gegeven op 1 april 2026 door I. Boekhorst, voorzitter, C.M.H.M.
van Lent,
lid-jurist, T. Xi, R.H. Groot en R.C.M. van Gorp, leden-beroepsgenoten, bijgestaan
door
T.G. Nijenkamp, secretaris, en in het openbaar uitgesproken door
K.A.J.C.M. van den Berg Jeths-van Meerwijk op 1 april 2026.