ECLI:NL:TGZRSHE:2026:61 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg 's-Hertogenbosch H2024/7841
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRSHE:2026:61 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 01-04-2026 |
| Datum publicatie: | 01-04-2026 |
| Zaaknummer(s): | H2024/7841 |
| Onderwerp: | Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose |
| Beslissingen: | Ongegrond, kennelijk ongegrond |
| Inhoudsindicatie: | Kennelijk ongegronde klacht tegen psychiater. Ouders van patiënte die tijdens haar opname op de crisisafdeling van een medisch centrum suïcide pleegde, verwijten de psychiater onzorgvuldig handelen en het stellen van een ongefundeerde foutieve diagnose op basis waarvan patiënte het medisch centrum moest verlaten, zonder adequate opvang elders. Indiening van klacht door nabestaanden. De te veronderstellen wil van de overleden patiënt. Multidisciplinaire richtlijn Diagnostiek en behandeling van suïcidaal gedrag. Geen aanknopingspunten voor onzorgvuldig handelen noch voor het stellen van een ongefundeerde foutieve diagnose. |
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG
TE ’s-HERTOGENBOSCH
Beslissing in raadkamer van 1 april 2026 op de klacht van:
[A],
en
[B],
beiden woonachtig in [C],
hierna gezamenlijk te noemen: klagers,
gemachtigde mr. I.P.C. Sindram, werkzaam in Nijmegen,
tegen:
[D],
psychiater,
werkzaam in [E],
verweerster, hierna ook: psychiater,
gemachtigde mr J.A. de Clerck, werkzaam in Utrecht.
1. Waar gaat de zaak over?
1.1 Na een suïcidepoging werd de dochter van klagers (geboren in 1999, hierna:
patiënte) in maart
2024 vrijwillig opgenomen op de afdeling psychiatrie van een medisch centrum (hierna:
MC).
Verweerster is als psychiater werkzaam bij dit MC. Begin april 2024 werd met patiënte
gesproken
over haar ontslag uit het MC en over de plannen voor haar begeleiding na het ontslag.
Daarna heeft
patiënte suïcide gepleegd. Klagers verwijten de psychiater dat zij onzorgvuldig
heeft gehandeld en
dat zij een ongefundeerde foutieve diagnose heeft gesteld op basis waarvan zij heeft
geoordeeld dat
patiënte het MC moest verlaten, zonder adequate opvang elders.
1.2 Het college komt tot het oordeel dat de klacht kennelijk ongegrond is. ‘Kennelijk’
betekent
dat het niet nodig is om nog vragen aan de partijen te stellen en dat duidelijk
is dat de klacht
niet gegrond kan worden verklaard. Hierna licht het college toe hoe het tot deze
beslissing is gekomen.
2. De procedure
2.1 De procedure blijkt uit:
- het klaagschrift, ontvangen op 19 november 2024;
- de brief van 26 februari 2025 van de gemachtigde van verweerster;
- een deel van het medisch dossier, ontvangen op 27 februari 2025 van de gemachtigde
van
verweerster;
- het verweerschrift, ontvangen op 21 maart 2025;
- de brief van klagers, ontvangen op 23 april 2025;
- de brief van 28 april 2025 van de secretaris aan klagers;
- de dupliek, ontvangen per e-mail op 16 juni 2025 en per post op 18 juni 2025;
- het gehele medisch dossier, ontvangen van de gemachtigde van verweerster per
e-mail op 16 juni
2025 en per post op 18 juni 2025;
- het proces-verbaal van het mondeling vooronderzoek, gehouden op 30 september
2025.
2.2 Het college heeft de beschikking gekregen over stukken uit het medisch dossier
van patiënte.
Voordat deze stukken op 27 februari 2025 en op 18 juni 2025 door de gemachtigde
van de psychiater
aan het tuchtcollege zijn toegestuurd, heeft de gemachtigde een beroep gedaan op
artikel 67 lid 3
van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG). De voorzitter
heeft bepaald
dat klagers de betreffende stukken niet persoonlijk mogen inzien vanwege het belang
van de
bescherming van de persoonlijke levenssfeer van derden, waaronder in dit verband
ook patiënte wordt
begrepen. In verband daarmee zal in deze beslissing geen informatie worden vermeld
uit deze
stukken, waarover klagers dus niet de beschikking hebben gekregen.
2.3 Het college heeft de klacht in raadkamer behandeld. Dit betekent dat het college
de zaak
beoordeeld heeft op basis van de stukken, zonder dat de partijen daarbij aanwezig
waren.
3. Wat is er gebeurd?
3.1 In verband met somberheidsklachten en suïcidaliteit was patiënte sinds een
jaar in
behandeling bij BuurtzorgT, een zorgorganisatie die gespecialiseerd is in het bieden
van thuiszorg
aan cliënten met psychiatrische problemen. Deze behandeling was niet-medicamenteus.
Naar aanleiding
van een suïcidepoging op 18 maart 2024 werd patiënte in de avond van 20 maart 2024
vrijwillig
opgenomen op de crisisafdeling van het MC. Doel van de opname was diagnostiek naar
de suïcidaliteit
en het maken van een plan voor vervolghulp, gebaseerd op de uitkomsten van de diagnostiek.
Patiënte
kreeg medicatie (temazepam 20 mg) voorgeschreven. Daarnaast werd in samenspraak
met patiënte haar
vrijheid beperkt; zij mocht de afdeling niet verlaten (‘code rood’). Patiënte wees
twee van haar
vrienden aan als contactpersoon en gaf aan dat ze haar ouders niet wilde informeren
over de
suïcidepoging noch over de opname.
3.2 De volgende dag sprak patiënte met de psychiater en met de overige leden van
het
behandelteam. Het suïciderisico werd als matig ingeschat en patiënte werd wilsbekwaam
beoordeeld
ten aanzien van haar behandelafspraken en haar vrijheden. Hoewel patiënte zelf aangaf
‘code rood’
te willen omdat zij de bescherming van de afdeling nodig had, werd afgesproken dat
zij alleen met toestemming van de afdeling af kon (‘code groen’). Die toestemming kon
worden verkregen als patiënte met de begeleidende verpleegkundige afspraken maakte
over de
tijdsduur en het doel van haar afwezigheid van de afdeling. Patiënte was het na
uitleg eens met
deze vorm van zelfbescherming. Dit beleid was in lijn met het vrijwillige karakter
van de opname.
3.3 Op 25 maart 2024 vond een zorgafstemmingsgesprek (hierna: ZAG) plaats met patiënte,
haar
vaste behandelaren van BuurtzorgT, haar twee vrienden en het behandelteam, waaronder
de psychiater.
Patiënte gaf aan dat haar suïcidale gedachten nog ongewijzigd waren, maar dat er
geen sprake was
van concrete plannen. Er werd gesproken over een mogelijke andere setting voor de
behandeling.
Afgesproken werd een volgend ZAG na één week in te plannen en dan ook te bespreken
wanneer patiënte
uit het MC ontslagen zou kunnen worden. Ook werd patiënte geadviseerd haar gedachten
en emoties
voor zichzelf op te schrijven, met het doel zich voor te bereiden op het vervolggesprek.
Diezelfde
dag en de dagen erna deed patiënte actief mee met verschillende activiteiten en
groepsbehandelingen. Er werd bij patiënte geen somberheid gezien.
3.4 Op 2 april 2024 vond het volgende ZAG plaats met patiënte, het behandelteam
- waaronder de psychiater -, een vriend van patiënte en het behandelteam van BuurtzorgT.
Er werd
gesproken over een psychotherapeutische behandeling waarvoor wachttijden gelden.
Besproken werd dat
een verlenging van de opname in het MC niet wenselijk was omdat het MC geen passende
zorg kon
bieden. Patiënte ging akkoord met het voorstel haar op
5 april 2024 met ontslag te laten gaan. Ook werd afgesproken dat zij op 4 april
2024 een gesprek
zou hebben met BuurtzorgT om afspraken te maken voor de zorg in aansluiting op het
ontslag. Na
afloop van dat ZAG sprak patiënte nog met de medisch maatschappelijk werker.
3.5 Patiënte had zich voor 2 april 2024 ingeschreven voor een sportactiviteit die
plaatsvond op
de revalidatieafdeling van het MC. Toen patiënte in de middag daarvan niet terugkeerde
op de eigen
afdeling, werd het suïcidaliteitsrisico als verhoogd ingeschat en is een melding
van vermissing bij
de politie gedaan. De volgende ochtend kwam het bericht dat patiënte was overleden.
Er was sprake
van een niet-natuurlijk overlijden.
4. De klacht en de reactie van de psychiater
4.1 Klagers verwijten de psychiater dat zij:
a) onzorgvuldig heeft gehandeld;
b) een ongefundeerde (of onvoldoende gefundeerde) foutieve diagnose heeft gesteld
en op basis
daarvan heeft geoordeeld dat hun dochter het UMC moest verlaten, zonder adequate
(psychische)
opvang elders.
4.2 De psychiater heeft het college verzocht klagers niet-ontvankelijk te verklaren
en de klacht
dus niet inhoudelijk te behandelen. Voor het geval het college de klacht wel inhoudelijk
gaat beoordelen, heeft de psychiater het college verzocht de klacht ongegrond te
verklaren.
4.3 Het college gaat hieronder verder in op de standpunten van partijen.
5. De overwegingen van het college
5.1 Het is heel verdrietig dat klagers hun dochter hebben verloren. Het college
heeft er oog voor
dat zij daar nog dagelijks pijn en gemis van ondervinden. Dat neemt niet weg dat
het college het
beroepsmatig handelen van de psychiater zakelijk dient te beoordelen.
Ontvankelijkheid
5.2 De psychiater heeft naar voren gebracht dat klagers niet-ontvankelijk zijn
in de klacht. Zij
voert daartoe aan dat klagers geen eigen klachtrecht hebben, maar alleen een klacht
kunnen indienen
als zij daarmee de veronderstelde wil van de overleden patiënte vertegenwoordigen.
Volgens de
psychiater vertegenwoordigen klagers niet de wil van patiënte omdat patiënte haar
ouders niet heeft
willen betrekken bij haar behandeling en bij de zorgverlening.
5.3 Het college komt tot het oordeel dat klagers wel ontvankelijk zijn.
Uitleg
5.4 Het is vaste rechtspraak dat het recht van nabestaanden om een klacht over
de (medische)
behandeling van een overleden patiënt in te dienen, berust op de te veronderstellen
wil van de
overleden patiënt. Dat betekent dat nabestaanden worden geacht de wil van de overleden
patiënt te
vertegenwoordigen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden die aanleiding
geven daaraan te
twijfelen. In deze zaak stelt de psychiater zich op het standpunt dat van dergelijke
bijzondere
omstandigheden sprake is. Zij voert daartoe aan dat patiënte haar ouders niet als
contactpersonen
heeft aangewezen en dat patiënte ook niet wilde dat haar ouders op de hoogte zouden
worden gesteld
van haar suïcidepoging en van haar opname.
5.5 De psychiater heeft een aantal omstandigheden genoemd op grond waarvan zij van
mening is dat
dat de ouders niet de veronderstelde wil van de overleden patiënt vertegenwoordigen.
De psychiater
beroept zich kennelijk op twee onderdelen, namelijk dat de ouders niet als klachtgerechtigden
kunnen worden aangemerkt en dat niet is gebleken dat patiënte de wil zou hebben
gehad om een klacht
in te dienen.
5.6 Met betrekking tot de vraag of klagers als ouders wel of niet een afgeleid klachtrecht
hebben, oordeelt het college als volgt. Op grond van artikel 7:465 BW kan een naaste
betrekking van
een patiënte een klacht indienen als de patiënte niet meer in staat is om dat zelf
te doen. Nu
patiënte geen schriftelijke machtiging heeft afgegeven, er geen sprake is van een
echtgenoot, partner of kind, zijn de ouders van patiënte degene die gerechtigd zijn
om namens patiënte een klacht in te dienen.
5.7 Voor zover het de vraag betreft of patiënte wel de wens had om een klacht in
te dienen, geldt
dat het de psychiater is die bijzondere omstandigheden zal moeten aanvoeren waaruit
zou kunnen
blijken dat patiënte géén klacht wenste in te dienen. Naar het oordeel van het college
zijn de door
de psychiater genoemde omstandigheden geen omstandigheden waaruit zou kunnen worden
opgemaakt dat
patiënte over haar behandeling geen klacht wenste in te dienen. Het enkele feit
dat patiënte
klagers niet als contactpersonen aanmerkte en ze hen op dat moment niet wilde informeren
over de
opname is onvoldoende. Het college heeft ook geen enkele andere aanwijzing in het
dossier gevonden
waaruit zou kunnen worden opgemaakt dat klagers niet de veronderstelde wil van patiënte
zou
vertegenwoordigen. Naar het oordeel van het college kunnen klagers in hun klacht
worden ontvangen.
5.8 Het college zal de klacht daarom inhoudelijk bespreken.
De criteria voor de beoordeling
5.9 De vraag is of de psychiater de zorg heeft verleend die van haar verwacht
mocht worden. De
norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende psychiater. Bij de
beoordeling wordt
rekening gehouden met de voor de psychiater geldende beroepsnormen en andere professionele
standaarden, waaronder de multidisciplinaire richtlijn Diagnostiek en behandeling
van suïcidaal
gedrag (2012, hierna: de richtlijn). Verder geldt het uitgangspunt dat zorgverleners
alleen
tuchtrechtelijk verantwoordelijk zijn voor hun eigen handelen.
5.10 Het college oordeelt dat de psychiater niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.
Uitleg
Klachtonderdeel a) onzorgvuldig handelen en b) ongefundeerde foute diagnose
5.11 Vanwege de onderlinge samenhang zal het college beide klachtonderdelen gezamenlijk
bespreken.
Naar aanleiding van het beroep op de geheimhoudingsplicht en het toewijzen van het
beroep op
artikel 67 lid 3 Wet BIG overweegt het college als volgt. Het college heeft het
beroep van de
psychiater op artikel 67 lid 3 Wet BIG en de door de voorzitter gegeven beslissing
te respecteren.
Dat betekent dat het college in deze uitspraak niet inhoudelijk kan weergeven wat
in het medisch
dossier van patiënte is opgenomen.
5.12 Het college stelt voorop dat sprake is van een duidelijk en zorgvuldig bijgehouden
dossier,
waardoor het beloop van de behandeling goed te volgen is. Duidelijk is welke stappen
zijn gezet
vanaf het moment van de opname van patiënte. Voor de beoordeling van deze klachtonderdelen
is de
hiervoor genoemde richtlijn van belang, waarin als achtereenvolgende stappen bij
de diagnostiek en
behandeling van suïcidaal gedrag worden genoemd: vroege onderkenning en preventie
(1), diagnostiek (2), onderzoek suïcidaal gedrag (3),
inventariseer de aard en verloop van klachten en problemen vooraf (4), behandeling
en begeleiding
(5), monitoring (6) en herstel, participatie en re-integratie (7). Naar het oordeel
van het college
zijn de stappen die in het medisch dossier staan vermeld, navolgbaar en in overeenstemming
met de
genoemde kernelementen van de richtlijn.
5.13 Het doel van de opname van patiënte was het verrichten van diagnostiek naar
suïcidaliteit en
het maken van een plan voor vervolghulp, gebaseerd op de uitkomsten hiervan. De
psychiater heeft op
basis van de voorgeschiedenis van patiënte een hetero-anamnese afgenomen. Er was
sprake van een
jarenlang bestaande chronische suïcidaliteit met een recente toename. Diagnostische
gesprekscontacten, achtergrondinformatie en de directe observaties tijdens de opname
hebben voor
verweerster het bestaan van een depressieve stoornis bij patiënte onwaarschijnlijk
gemaakt. De
suïcidaliteit is tijdens de opname in kaart gebracht met behulp van de in de richtlijn
aanbevolen
CASE-benadering en zeer regelmatig opgevolgd door middel van specifieke inschattingen
door meerdere
zorgverleners met verschillende disciplines. Deze inschattingen zijn in het medisch
dossier
adequaat gerapporteerd. Stress- en kwetsbaarheidsfactoren kwamen goed in beeld en
droegen bij aan
een genuanceerd beeld van de chronische en acute suïcidaliteit.
5.14 Het college is van oordeel dat de conclusie, gelet op het doel van de crisisafdeling
waar
patiënte verbleef, dat deze afdeling geen plek was om patiënte gedurende een langere
periode op te
nemen, navolgbaar is. Het college kan goed volgen dat aan patiënte, op basis van
de diagnostische
bevindingen, het voorstel is gedaan voor een langdurige psychotherapie elders, gezien
het feit dat
vele behandelingen binnen het MC een lange wachttijd kennen. Het college is van
oordeel dat het
voorgestelde behandelbeleid passend was. De wenselijkheid en concrete mogelijkheid
van vervolgzorg
na haar ontslag uit het MC, is met patiënte besproken in een ZAG op 25 maart 2024,
waarbij ook de
eerder betrokken behandelaren van BuurtzorgT en de vrienden van patiënte aanwezig
waren. In het
daaropvolgende ZAG van 2 april 2024, eveneens in aanwezigheid van BuurtzorgT en
een vriend van
patiënte, zijn concrete afspraken gemaakt met BuurtzorgT voor de dag voorafgaand
aan het geplande
ontslag. Na dit laatste ZAG volgde een gesprek van patiënte met een medisch maatschappelijk
werker.
Uit het dossier volgt dat patiënte toen openstond voor adviezen om manieren te vinden
om aan de
slag te gaan met haar problemen.
5.15 Hoewel klagers nog hebben gewezen op de eigen aantekeningen van patiënte, staat
vast dat deze
aantekeningen geen deel uitmaken van het medisch dossier. De psychiater kende deze
aantekeningen
niet. Het is spijtig dat patiënte deze aantekeningen niet onder de aandacht van
de psychiater heeft
gebracht.
5.16 Al met al is het college van oordeel dat verweerster geen enkel tuchtrechtelijk
verwijt te
maken valt. Het dossier biedt geen aanknopingspunten voor onzorgvuldig handelen
door de psychiater
noch voor het stellen van een ongefundeerde foutieve diagnose.
De klachtonderdelen zijn kennelijk ongegrond.
Slotsom
5.17 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat alle onderdelen van de klacht
kennelijk ongegrond zijn.
6. De beslissing
Het college:
- verklaart de klacht in al haar onderdelen kennelijk ongegrond.
Deze beslissing is gegeven op 1 april 2026 door K.A.J.C.M. van den Berg Jeths-van
Meerwijk,
voorzitter, L.A.J. Stouthamer-Verschuren en H.L. de Boer, leden-beroepsgenoten,
bijgestaan
door C.W.M. Hillenaar, secretaris.