ECLI:NL:TGZRSHE:2026:60 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg 's-Hertogenbosch H2025/8875
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRSHE:2026:60 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 25-03-2026 |
| Datum publicatie: | 25-03-2026 |
| Zaaknummer(s): | H2025/8875 |
| Onderwerp: | Onjuiste verklaring of rapport |
| Beslissingen: | Gegrond, (voorwaardelijke) schorsing inschrijving register |
| Inhoudsindicatie: | Tenuitvoerlegging voorwaardelijke maatregel: De beroepsbeoefenaar, arts, heeft de bijzondere voorwaarden die het CTG deze beroepsbeoefenaar eerder had opgelegd, niet nageleefd. De beroepsbeoefenaar heeft - hoewel hij al niet meer in het BIG-register ingeschreven stond als bedrijfsarts, maar als arts - onduidelijkheid hierover laten bestaan. Ook heeft hij onder andere onduidelijkheid laten bestaan over het werken onder supervisie en de IGJ niet tijdig en onvoldoende geïnformeerd. De IGJ heeft het college verzocht om een tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde maatregel. De beroepsbeoefenaar erkent dat hij de bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd en vraagt een tweede kans. |
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG TE ’S-HERTOGENBOSCH
Beslissing van 25 maart 2026 op de klacht van:
INSPECTIE GEZONDHEIDSZORG EN JEUGD,
vertegenwoordigd door mr. A. Ahassad, drs. T. Breek en mr. C. Neve, gevestigd te
Heerlen,
verzoeker (hierna ook: IGJ en inspectie),
tegen:
[A],
arts, hierna ook: beroepsbeoefenaar en verweerder,
destijds ook werkzaam in [B].
1. De zaak in het kort
1.1 In een eerdere tuchtzaak is aan de beroepsbeoefenaar een voorwaardelijke maatregel
van
schorsing opgelegd. Bij het opleggen van de maatregel is daarbij door het Centraal
Tuchtcollege
voor de Gezondheidszorg (hierna: CTG) uitdrukkelijk overwogen dat de beroepsbeoefenaar
- hoewel hij
al sinds 31 december 2020 niet langer in het BIG-register ingeschreven stond als
bedrijfsarts, maar
als arts - onduidelijkheid heeft laten bestaan over zijn hoedanigheid en dat hij
onduidelijkheid
heeft laten bestaan over het werken onder supervisie. De bijzondere voorwaarden
die zijn verbonden
aan de voorwaardelijke schorsing zien ook hierop. De IGJ heeft nu het verzoek gedaan
de
voorwaardelijke maatregel ten uitvoer te leggen omdat volgens de IGJ de beroepsbeoefenaar
binnen de
proeftijd de bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd. De beroepsbeoefenaar erkent
dat hij de
voorwaarden niet heeft nageleefd, maar vraagt een tweede kans.
1.2 Het college komt tot het oordeel dat de voorwaardelijke maatregel tenuitvoergelegd
moet
worden. De beroepsbeoefenaar heeft de voorwaarden niet nageleefd en voor het geven
van een tweede
kans bestaat geen ruimte. Hierna licht het college dat toe.
2. De procedure
2.1 Het dossier bevat de volgende stukken:
- het verzoek tot tenuitvoerlegging met de bijlagen, ontvangen op 5 augustus 2025;
- het verweerschrift, ontvangen op 9 september 2025.
2.2 De zaak is behandeld op de openbare zitting van 30 januari 2026. De partijen
zijn verschenen.
De partijen hebben hun standpunten mondeling toegelicht.
3. De feiten
3.1 Op 15 mei 2023 heeft het CTG in twee zaken met nummers C2022/1756 en C2022/1772
de
bevoegdheid van de beroepsbeoefenaar geschorst voor de duur van drie maanden. Het
CTG heeft bevolen
deze maatregel niet ten uitvoer te leggen tenzij een Regionaal Tuchtcollege voor
de Gezondheidszorg
(hierna: RTG) later anders zal bepalen als de beroepsbeoefenaar zich voorafgaand
aan het einde van
de proeftijd van twee jaren schuldig heeft gemaakt aan enig handelen of nalaten
in strijd met de
goede zorg, die hij als arts behoort te betrachten, dan wel in strijd met hetgeen
een behoorlijk
beroepsbeoefenaar betaamt, dan wel in strijd met de volgende bijzondere voorwaarden
(alle citaten
voor zover van belang en letterlijk weergegeven):
“1. De arts dient binnen twee maanden na het onherroepelijk worden van de uitspraak
zijn
praktijkvoering wat betreft de supervisie over de door hem uitgevoerde taken op
het gebied van de
bedrijfsgezondheidszorg in lijn te brengen met de eisen die de NVAB [RTG: Nederlandse
Vereniging
voor Arbeids- en Bedrijfsgeneeskunde] hieraan stelt in het 'Standpunt delegatie
van taken door de
bedrijfsarts en supervisie' (hierna: het Standpunt), meer specifiek wat betreft
de hieronder
genoemde punten a, c, d, e, en f;
2. De arts informeert de IGJ binnen twee maanden, en verder na 12, 18 en 24 maanden,
na het
onherroepelijk worden van de beslissing schriftelijk over de wijze waarop de supervisie
is
vormgegeven. In dit kader informeert de arts de Inspectie over de volgende punten:
a. Onder supervisie van welke superviserende bedrijfsarts (verder: supervisor) de
arts zijn taken
verricht. Dit omvat in ieder geval naam en BIG-registratienummer van de supervisor.
Ook dient de
arts toe te lichten op welke wijze de supervisor voldoet aan de eisen die paragraaf
2.2 van het
Standpunt aan de supervisor stelt;
b. Of de arts zijn taken onder supervisie verricht als anios of aios;
c. Welke taken de arts onder supervisie uitvoert en welke werkafspraken daarover
zijn gemaakt met
de supervisor (zie paragraaf 2.2 Standpunt);
d. Hoe structureel overleg tussen de supervisor en de arts is vormgegeven. Dit omvat
in ieder geval
frequentie en duur van het overleg. (Zie pagina 14 en 19 Standpunt);
e. Op welke wijze de werknemer/cliënt wordt geïnformeerd over de hoedanigheid van
de arts. Daarbij
zorgt de arts er in ieder geval voor dat bij communicatie naar derden (zoals
brieven en e-mails)
uit de ondertekening duidelijk blijkt dat er sprake is van supervisie (zie pagina
20 Standpunt);
f. Op welke wijze en met welke frequentie invulling is gegeven aan het voeren van
voortgangs- en
beoordelingsgesprekken tussen de supervisor en de arts (zie pagina 20 Standpunt).
De arts zendt de
Inspectie de schriftelijke verslaglegging van deze overleggen waaruit in ieder
geval blijkt welke
vorderingen de arts heeft gemaakt en wat zijn bekwaamheidsniveau is. (zie pagina
21 Standpunt);
3. De arts geeft de supervisor schriftelijk toestemming om gedurende de proeftijd
desgevraagd aan
de Inspectie informatie te verstrekken over de invulling van de supervisie waaronder
in ieder geval
de onder punt 2 a t/m f genoemde punten;
4. De arts informeert de Inspectie direct indien gedurende de proeftijd het supervisietraject
wordt
afgebroken;
bepaalt dat de proeftijd ingaat op de dag dat deze beslissing onherroepelijk is
geworden;
bepaalt dat de proeftijd uitsluitend geldt gedurende de periode dat verweerder in
het register is
ingeschreven en bevoegd is de daaraan verbonden bevoegdheden uit te oefenen. (…)”
3.2 De door het CTG opgelegde proeftijd liep vanaf 15 mei 2023 tot 15 mei 2025.
Over de supervisie
3.3 In het jaar 2023 heeft de IGJ overleg gevoerd met de beroepsbeoefenaar over
de uitvoering van
de supervisie. Op 9 juni 2023 heeft de IGJ de beroepsbeoefenaar uitgenodigd om informatie
te
verstrekken over de supervisie. Na rappel ontving de IGJ op 10 juli 2023 twee getekende
supervisieovereenkomsten van 29 maart 2021 en van 3 januari 2023.
Op 13 juli 2023 heeft de IGJ een gesprek met de beroepsbeoefenaar gevoerd over onder
andere een
derde supervisieovereenkomst die nog niet door de supervisor was getekend. Op 7
augustus 2023 heeft
de IGJ verzocht om een drietal machtigingsformulieren van de supervisors van de
beroepsbeoefenaar.
Deze heeft de IGJ op 18 augustus 2023 ontvangen. Op 31 augustus 2023 heeft de beroepsbeoefenaar
een
actielijst en een supervisieplan naar de IGJ gestuurd. In dit plan stond onder andere
dat als de
beroepsbeoefenaar zou gaan werken voor een andere arbodienst, hij de IGJ hierover
zou informeren.
3.4 In 2024 en 2025 heeft opnieuw overleg plaatsgevonden tussen de IGJ en de beroepsbeoefenaar
over de supervisie. Op 14 maart 2024 heeft de beroepsbeoefenaar de IGJ geïnformeerd
over één
supervisiecontact met de toezegging om over een week ook over het contact met de
beide andere
supervisors te berichten. Op of rond 22 april 2024, op 21 mei 2024 en op 27 juni
2024 heeft de IGJ
de beroepsbeoefenaar gerappelleerd vanwege het uitblijven van de door de beroepsbeoefenaar
toegezegde supervisieverslagen.
Op 11 juli 2024 heeft de beroepsbeoefenaar de IGJ één supervisieverslag gemaild
met de toezegging
dat hij over een week het derde supervisieverslag zal sturen.
Op 5 september 2024 heeft de IGJ de beroepsbeoefenaar opnieuw gerappelleerd vanwege
het uitblijven
van het derde supervisieverslag. Op 19 september 2024 heeft de beroepsbeoefenaar
toegezegd een
actievere houding jegens de IGJ aan te gaan nemen en vroeg de beroepsbeoefenaar
om uitstel voor
toezending van de supervisiedocumenten. Op 25 oktober 2024 heeft de IGJ de beroepsbeoefenaar
opnieuw gerappelleerd vanwege het uitblijven van supervisieverslagen. Op 15 maart
2025 ontving de
IGJ supersvisieverslagen, die niet waren ondertekend door de supervisors.
Over de vermelding van de hoedanigheid van bedrijfsarts
3.5 Op 13 juli 2023 heeft de IGJ de beroepsbeoefenaar gewezen op de tekst op de
website van de
beroepsbeoefenaar: “uw bedrijfsarts bij [bedrijfsnaam van een arbodienst]”. De beroepsbeoefenaar
heeft in reactie hierop toegezegd deze tekst binnen twee weken aan te passen. Op
11 augustus 2023
heeft de IGJ geconstateerd dat de beroepsbeoefenaar de website nog niet had aangepast.
3.6 Op 28 augustus 2023 heeft de IGJ geconstateerd dat de beroepsbeoefenaar de website
inmiddels
wel had aangepast in: “uw Arboarts bij [bedrijfsnaam van een arbodienst] (…)”.
3.7 Op 7 maart 2025 is een uitnodigingsbrief verzonden namens een arbodienst, waarvoor
de
beroepsbeoefenaar werkzaam was en waarin de beroepsbeoefenaar “bedrijfsarts” werd
genoemd. Op 17
maart 2025 heeft de beroepsbeoefenaar een probleemanalyse opgesteld, waarin hij
ook als
bedrijfsarts is genoemd. Deze probleemanalyse is niet mede ondertekend door een
supervisor. Op 19
maart 2025 is een brief verzonden namens deze andere arbodienst met het verzoek
om medische
machtigingen in te vullen en te ondertekenen, waarin de beroepsbeoefenaar ook “bedrijfsarts”
werd
genoemd.
3.8 Op 28 maart 2025 heeft de IGJ de melding van een cliënte van de beroepsbeoefenaar
(hierna:
meldster) bij deze andere arbodienst ontvangen. De meldster liet weten dat de beroepsbeoefenaar:
- niet aan de meldster heeft medegedeeld dat hij onder supervisie werkt;
- een probleemanalyse heeft opgesteld waarin alleen zijn eigen naam is genoemd.
De IGJ wist tot
aan deze melding niet dat de beroepsbeoefenaar ook voor deze arbodienst werkte.
3.9 Op 29 april 2025 is tijdens een gesprek tussen de IGJ en de beroepsbeoefenaar
het volgende
besproken. De beroepsbeoefenaar:
1. heeft geen formele supervisie geregeld voor de werkzaamheden bij de hiervoor
genoemde andere
arbodienst;
2. heeft gemiddeld één keer per week bij deze arbodienst gewerkt met gemiddeld
twee a drie
cliënten per keer;
3. had geen wetenschap en heeft zich er niet van vergewist dat hij in de uitnodigingsbrief
van 7
maart 2025 aan de meldster “bedrijfsarts” werd genoemd;
4. had geen wetenschap en heeft zich er niet van vergewist dat hij in de brief
met het verzoek om
een medische machtiging van 19 maart 2025 aan de meldster bedrijfsarts werd
genoemd;
5. vulde de probleemanalyse zelf in en ondertekende deze zelf;
6. kende het document met het NVAB-standpunt, maar was onvoldoende bekend met
de regels omtrent
taakdelegatie;
7. had het voornemen om vervroegd met pensioen te gaan en was reeds begonnen met
de afbouw van
zijn werkzaamheden;
8. is bereid om direct te stoppen bij deze andere arbodienst.
Met de inhoud van het verslag van het gesprek van 29 april 2025, opgemaakt door
de IGJ, heeft de
beroepsbeoefenaar ingestemd.
3.10 Op 24 juli 2025 heeft de IGJ een brief aan de beroepsbeoefenaar gestuurd, de
rapportbrief met
een samenvatting van de bevindingen en de conclusie van de IGJ. Hierin staat dat
de IGJ vindt dat
de beroepsbeoefenaar de aan hem opgelegde voorwaarden niet heeft nageleefd, te weten
het:
1) niet correct informeren van de IGJ;
2) niet werken onder supervisie;
3) onrechtmatig titelgebruik.
4. Verzoek tot tenuitvoerlegging
4.1 De IGJ heeft het college verzocht over te gaan tot de tenuitvoerlegging van
de door het CTG
opgelegde schorsing van drie maanden onder zowel algemene als bijzondere voorwaarden.
De IGJ heeft
vastgesteld dat de beroepsbeoefenaar de aan hem opgelegde bijzondere voorwaarden
niet heeft
nageleefd tijdens de proeftijd. Meer specifiek heeft de IGJ vastgesteld dat de beroepsbeoefenaar
de
volgende voorwaarden niet heeft nageleefd. De beroepsbeoefenaar heeft:
a) de IGJ niet correct geïnformeerd;
b) niet altijd gewerkt onder supervisie;
c) onrechtmatig de titel van bedrijfsarts gebruikt.
4.2 De beroepsbeoefenaar heeft de vaststelling van de IGJ niet betwist.
4.3 Het college gaat hieronder voor zover nodig verder in op de standpunten van partijen.
5. De overwegingen van het college
5.1 De vraag die voorligt is of de beroepsbeoefenaar de door het CTG opgelegde
bijzondere
voorwaarden niet heeft nageleefd.
5.2 Het college stelt vast dat dit het geval is. De rapportage van de IGJ, die inhoudelijk
door
de beroepsbeoefenaar niet is weersproken, laat duidelijk zien dat de beroepsbeoefenaar
bij het
voorzien van de IGJ van de - in het kader van het toezicht op de naleving van de
voorwaarden -
noodzakelijke informatie, een uiterst reactieve en trage houding aangenomen heeft.
De IGJ heeft de
beroepsbeoefenaar meerdere keren moeten rappelleren, waarbij informatie herhaaldelijk
niet of niet
volledig aangeleverd werd. Daarmee werd al niet tijdig voldaan aan het binnen de
in de tweede
voorwaarde gestelde termijnen.
5.3 Dat er steeds onder correct vormgegeven supervisie werd gewerkt kon daarmee
niet worden
vastgesteld door de IGJ. Het college kan dat nu ook niet vaststellen. De door de
beroepsbeoefenaar
aan de IGJ hierover verstrekte informatie is daarvoor te summier. In de procedure
heeft de
beroepsbeoefenaar geen nadere informatie hierover verstrekt. Op basis daarvan kan
in ieder geval
niet worden vastgesteld dat de beroepsbeoefenaar tijdens de proeftijd daadwerkelijk
onder
supervisie heeft gewerkt.
5.4 Voorts blijkt uit de rapportage van de IGJ dat de beroepsbeoefenaar op verschillende
momenten
naar derden toe onduidelijkheid heeft laten bestaan over het feit dat hij arts is,
maar geen
bedrijfsarts is. Ook heeft hij tijdens de schorsingsperiode herhaaldelijk onduidelijkheid
laten
bestaan over de vraag of hij onder supervisie werkzaam was.
5.5 Deze onderdelen afzonderlijk, maar zeker in onderlinge samenhang beschouwd,
leiden enkel tot
de conclusie dat de beroepsbeoefenaar de aan hem bij beslissing van
15 mei 2023 door het CTG opgelegde bijzondere voorwaarden in ruime mate en langdurig
niet of
onvoldoende heeft nageleefd.
5.6 De beroepsbeoefenaar heeft dat ook niet betwist. De beroepsbeoefenaar heeft
bepleit dat hij
nog een kans moet krijgen, zodat hij in het zicht van zijn pensionering zijn werkzaamheden
als
arbo-arts kan afbouwen en eventueel nog rijbewijskeuringen kan uitvoeren. Daargelaten
dat de Wet op
de beroepen in de individuele gezondheidszorg (wet BIG) geen bepaling kent voor
het verlengen of
opnieuw bepalen van een proeftijd, acht het college ook gezien het handelen van
verweerder daarvoor
geen aanleiding. Het college zal daarom overeenkomstig het verzoek van de IGJ de
tenuitvoerlegging
van de opgelegde maatregel gelasten. Deze schorsing zal aanvangen nadat de onderhavige
beslissing
tot tenuitvoerlegging onherroepelijk is.
6. De beslissing
Het college:
- gelast de tenuitvoerlegging van de bij beslissing van het CTG van 15 mei 2023
opgelegde
schorsing van de inschrijving in het register voor de duur van drie maanden.
Deze beslissing is gegeven door A.H.M.J.F. Piëtte, voorzitter, N.H.J. Lafghani, lid-jurist,
E. Gorissen, R.P.J. Ansem en P.E. Rodenburg, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door
F.A.C. Bergervoet, secretaris, en in het openbaar uitgesproken door
K.A.J.C.M. van den Berg Jeths-van Meerwijk op 25 maart 2026.