ECLI:NL:TGZRSHE:2026:6 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg 's-Hertogenbosch H2025/8230
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRSHE:2026:6 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 12-01-2026 |
| Datum publicatie: | 12-01-2026 |
| Zaaknummer(s): | H2025/8230 |
| Onderwerp: | Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose |
| Beslissingen: | Ongegrond, kennelijk ongegrond |
| Inhoudsindicatie: | Kennelijk ongegronde klacht tegen arts. De arts heeft geen foutieve diagnose gesteld en niet tuchtrechtelijk verwijtbaar dat de arts klager niet direct heeft doorgestuurd naar het ziekenhuis voor verwijdering van de vetbult. |
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG
TE ’s-HERTOGENBOSCH
Beslissing in raadkamer van 12 januari 2026 op de klacht van:
[A],
verblijvende in [B],
klager,
tegen
[C],
arts,
destijds werkzaam in [D], verweerder hierna ook: de arts,
gemachtigde: mr. P.H.N. Keuning-Taapken, werkzaam in Amsterdam.
1. De zaak in het kort
1.1 Klager, verblijvende in een Forensisch Psychiatrisch Centrum (hierna: FPC),
had last van een
bult op zijn hoofd/nek die steeds groter werd. Daarom heeft hij zich tot de arts
gewend. De arts
heeft klager gezien en hij heeft een ingreep gepland om de bult te verwijderen.
Tijdens de ingreep
was sprake van veel bloedverlies. De arts heeft de ingreep niet kunnen voortzetten
als gevolg van
het bloedverlies en hij heeft klager daarom, na het hechten van de huid en het stoppen
van de
bloeding, doorverwezen naar het ziekenhuis. Klager is van mening dat de arts mogelijk
een foutieve
diagnose heeft gesteld en dat hij hem in eerste instantie al naar het ziekenhuis
had moeten sturen
voor deze ingreep. De arts is van mening dat hij geen onjuiste diagnose heeft gesteld
en dat sprake
is geweest van een complicatie (veel bloed) waardoor hij klager moest doorverwijzen
naar het
ziekenhuis, maar dat hij de relatief eenvoudige ingreep in principe zelf had kunnen
uitvoeren.
1.2 Het college komt tot het oordeel dat de klacht kennelijk ongegrond is. ‘Kennelijk’
betekent
dat het niet nodig is om nog vragen aan de partijen te stellen en dat duidelijk
is dat de klacht
niet gegrond kan worden verklaard. Hierna licht het college toe hoe het tot deze
beslissing is
gekomen.
2. De procedure
2.1 De procedure blijkt uit:
- Het klaagschrift, ontvangen op 3 maart 2025;
- De brief van 28 maart 2025 van de secretaris aan klager;
- Het aanvullend klaagschrift, ontvangen op 10 april 2025;
- Het verweerschrift, ontvangen op 6 juni 2025.
2.2 De partijen hebben de gelegenheid gekregen om onder leiding van een secretaris
van het
college in gesprek te gaan (mondeling vooronderzoek). Daarvan hebben zij geen gebruik
gemaakt.
2.3 Het college heeft de klacht in raadkamer behandeld. Dit betekent dat het college
de zaak
beoordeeld heeft op basis van de stukken, zonder dat de partijen daarbij aanwezig
waren.
3. Wat is er gebeurd?
3.1 Klager wilde een bult op zijn achterhoofd laten verwijderen en is hiervoor
op 22 oktober 2024
in het FPC gezien door de arts. De arts heeft de bult gediagnosticeerd als lipoom
dan wel
atheroomcyste. Hij noteerde het volgende in het medisch dossier van klager (alle
citaten voor zover
van belang en letterlijk weergegeven):
“S RFE: Dhr heeft al 7 jaar bult op achterhoofd naar aanleiding van een gevecht
Bult is niet
pijnlijk, rood, ontstoken of gezwollen
Dhr wil per se bult verwijderd hebben (…)
O ca 1cm grote verdikking los van huide en onderlaag E Lipoom
P DD atheroomcyste
klein chirurgisch SU over ca 1 mnd.”
3.2 De ingreep werd gepland op 26 november 2024. Vanwege verdikte huid en veel bloedverlies
moest
de arts de ingreep staken en heeft hij klager doorverwezen naar het ziekenhuis.
Door de arts werd
genoteerd:
“S RFE: Verwijderen lipoom (…)
O [initialen huisarts] / Huid is intracutaan verdikt, geen duidelijk lipoom.
Door veel bloed van arterieel spuitertje weinig zicht. Hier onvoldoende middelen
om te continueren.
Huid gesloten met 3 approximerende huidhechtingen. Hemostase bereikt.
E Lipoom
P Verw pok chi
Hechtingen verwijderen over 7 dagen.”
3.3 Klager is op 15 januari 2025 gezien op de poliklinische OK van het ziekenhuis.
In de
specialistenbrief van 6 februari 2025, gericht aan de arts, werd het volgende medegedeeld:
“(…)
Excisie rest atheroomcyste nek
Ontsmetten en steriel afdekken. Aftekenen. Field blok met prilocaine 7cc. Incisie
huid en subcutis,
vrijprepareren en wegnemen cystewand van eerdere atheroomcyste. Klein spuitertje
gedicht met
coagulatie. Check hemostase, is droog. Huis gesloten middels 3 transcutane hechtingen
ethilon 3.0.
Verbonden. (…).”
4. De klacht en de reactie van de arts
4.1 Klager verwijt de arts dat:
1. hij mogelijk een foutieve diagnose heeft gesteld;
2. de ingreep niet goed is verlopen. De arts had klager direct moeten doorsturen
naar het
ziekenhuis en niet zelf moeten starten met de verwijdering van de vetbult;
4.2 De arts heeft het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren.
4.3 Het college gaat hieronder verder in op de standpunten van partijen.
5. De overwegingen van het college
De criteria voor de beoordeling
5.1 De vraag is of de arts de zorg heeft verleend die van hem verwacht mocht worden.
De norm
daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende arts. Bij de beoordeling
wordt rekening
gehouden met de voor de arts geldende beroepsnormen en andere professionele standaarden.
5.2 Het college oordeelt dat de arts niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.
Dit geldt
voor beide klachtonderdelen.
Klachtonderdeel 1) mogelijk een foutieve diagnose gesteld.
5.3 Klager verwijt de arts dat hij mogelijk een verkeerde diagnose heeft gesteld.
De arts stelde
op 22 oktober 2024 de differentiaal diagnose lipoom (vetbult)/atheroomcyste. In
het ziekenhuis werd
vastgesteld dat het ging om een atheroomcyste. Voorafgaand aan het wegsnijden is
bij een zwelling /
bult op deze locatie niet met zekerheid vast te stellen welk van deze twee aandoeningen
het
betreft. Zekerheid hierover wordt pas verkregen bij het opensnijden (als het een
atheroomcyste
betreft komt er talg uit) dan wel na onderzoek van het weefsel door de patholoog.
De door de arts
gestelde differentiaal diagnose is gebruikelijk. Het stellen van een verkeerde diagnose
is dan ook
niet aan de orde. Dit betekent dat de arts niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft
gehandeld.
Overigens is de behandeling van beide aandoeningen gelijk, wat betekent dat de arts
hoe dan ook
dezelfde behandeling zou hebben ingezet. Dit klachtonderdeel is daarom ongegrond.
Klachtonderdeel 2) ) ingreep niet goed verlopen. Arts had klager moeten doorverwijzen.
5.4 Ook dit klachtonderdeel is ongegrond. Klager is van mening dat de arts hem
direct had moeten
doorverwijzen naar het ziekenhuis en dat hij de ingreep niet zelf had moeten uitvoeren,
in een
kliniek waar hij niet de beschikking over de juiste voorzieningen en middelen had.
Ook stelt klager
dat de ingreep niet goed is verlopen. De arts bestrijdt dat. Hij betoogt dat hij
de ingreep wel in
de kliniek kon uitvoeren en dat hij klager heeft doorgestuurd naar het ziekenhuis
vanwege de
onverwachte complicatie die is opgetreden, namelijk het overmatige bloeden.
5.5 Het college volgt de arts in zijn stelling dat hij de ingreep ter plaatse mocht
uitvoeren en
is tevens van oordeel dat de ingreep goed is verlopen. Het verwijderen van een vetbult
of een
atheroomcyste is geen ingreep die per definitie door een chirurg moet worden uitgevoerd.
Er was
voorafgaand aan het uitvoeren van de ingreep ook geen indicatie om klager desondanks
door te
verwijzen naar het ziekenhuis. Het dossier geeft daarvan geen blijk en klager heeft
hierover ook
niets gesteld. Dat bij het uitvoeren van de ingreep veel bloedverlies zou optreden
kon de arts niet
voorzien. Dit is namelijk niet gebruikelijk bij het verwijderen van een vetbult
of atheroomcyste.
Na het optreden van het onvoorziene veelvuldige bloedverlies heeft de arts zorgvuldig
gehandeld
door de ingreep te staken en klager alsnog door te verwijzen naar het ziekenhuis.
Het verwijt dat
de ingreep niet goed is verlopen en dat de arts klager in eerste instantie al had
moeten verwijzen
naar het ziekenhuis kan daarom niet slagen. Uit de stukken is overigens gebleken
dat de complicatie
van overmatig bloeden ook in het ziekenhuis is opgetreden.
5.6 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat alle onderdelen van de klacht kennelijk ongegrond zijn.
6. De beslissing
Het college:
- verklaart de klacht in al haar onderdelen kennelijk ongegrond.
Deze beslissing is gegeven op 12 januari 2026 door N. Lafghani, voorzitter, B.L.J.
Versteijnen en
M. van Mesdag, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door M. Karatepe, secretaris en
uitgesproken door
de vaste voorzitter K.A.J.C.M. van den Berg Jeths-van Meerwijk op
12 januari 2026.