ECLI:NL:TGZRSHE:2026:51 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg 's-Hertogenbosch H2025/8098

ECLI: ECLI:NL:TGZRSHE:2026:51
Datum uitspraak: 11-03-2026
Datum publicatie: 11-03-2026
Zaaknummer(s): H2025/8098
Onderwerp: Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose
Beslissingen: Ongegrond/afwijzing
Inhoudsindicatie: Klaagster werd in het ziekenhuis opgenomen met verdenking van de ziekte GPA (granulomatose met polyangiitis), een zeldzame auto-immuunziekte, voorheen bekend als de ziekte van Wegener. Klaagster verwijt de internist dat zij geen regie heeft genomen, dat zij de diagnose GPA eerder had moeten stellen en dus ook eerder met de behandeling had moeten starten. De klacht is ongegrond. Het beleid was tijdens klaagsters eerste opname volgens de richtlijnen en er was geen aanleiding om van de richtlijnen af te wijken. Bij de tweede opname was er wellicht aanleiding om eerder met de behandeling te starten, maar bestond nog steeds geen duidelijkheid over de diagnose. De vertraging van enkele dagen in de aanvang van de behandeling door nog eens met een expertisecentrum te overleggen, is niet tuchtrechtelijk verwijtbaar.

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG
TE ’S-HERTOGENBOSCH

Beslissing van 11 maart 2026 op de klacht van:

[A],
wonende in [B],
klaagster,
gemachtigde: mr. M.L. Kamsteeg, werkzaam in 's-Hertogenbosch,

tegen

[C],
internist, werkzaam in [D],
verweerster, hierna ook: de internist,
gemachtigde: mr. C.W.M. Verberne, werkzaam in Eindhoven.

1. De zaak in het kort
1.1   Klaagster werd in het ziekenhuis opgenomen met verdenking van de ziekte GPA (granulomatose 
met polyangiitis), een ernstige auto-immuunziekte met ontstekingen in de bloedvaten, vooral in de 
neus, longen en nieren. Deze ziekte was voorheen bekend als de ziekte van Wegener en komt relatief 
weinig voor.

1.2   Klaagster verwijt de internist dat zij geen regie heeft genomen en dat zij – kort weergegeven 
– de diagnose GPA eerder had moeten stellen en dus ook eerder met de behandeling had moeten 
starten. De internist heeft verweer gevoerd tegen de klacht.

1.3   Het college komt tot het oordeel dat de internist niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft 
gehandeld. Hierna licht het college dat toe.

2. De procedure
2.1  De procedure blijkt uit:
-  het klaagschrift, ontvangen op 31 januari 2025;
-  het verweerschrift, ontvangen per e-mail op 9 mei 2025 en per post op 12 mei 2025;
-  het proces-verbaal van het op 25 augustus 2025 gehouden mondelinge vooronderzoek;
-  de brief met bijlagen van de gemachtigde van klaagster, ontvangen per e-mail op
24 december 2025.

2.2   De zaak is behandeld op de openbare zitting van 14 januari 2026, gelijktijdig maar niet 
gevoegd met de zaken H2025/8097 en H2025/8099. De partijen zijn verschenen en werden bijgestaan 
door hun gemachtigden. De partijen en hun gemachtigden hebben hun standpunten mondeling toegelicht. 
De gemachtigden hebben een pleitnotitie voorgelezen en aan het college en de andere partij 
overhandigd.

3. De feiten
3.1   Bij de vaststelling van de feiten zijn alle citaten cursief en letterlijk (inclusief 
eventuele type- en schrijffouten) weergegeven. Bij de behandeling van klaagster zijn meerdere 
artsen betrokken geweest, die notities in het medisch dossier hebben gemaakt. Voor zover de hierna 
geciteerde notities door de internist zijn gemaakt, is dat expliciet vermeld.

3.2   Klaagster was sinds 2008 bekend met suikerziekte (diabetes mellitus). Het betreft een 
specifieke vorm van suikerziekte, “Latent Auto-immune Diabetes in Adults”. In 2021 had zij een 
chronische sinusitis, waarvoor ze bij de KNO-arts is geweest. In oktober 2021 kreeg klaagster 
crustae (korsten)in de neusgang. Omdat de vraag rees of sprake was van vasculitis (ontsteking van 
de bloedvaten) heeft haar internist het bloed laten onderzoeken. Daaruit bleek dat de PR3-waarde 
(antistoffen tegen een enzym dat vaak gevonden wordt bij auto-immuunziektes) licht verhoogd was. 
Daarop is nader onderzoek gevolgd. Het urineonderzoek en de thoraxfoto (röntgenfoto van de borst) 
hebben geen bijzonderheden opgeleverd. Er zijn biopten uit de neus genomen, die geen aanwijzingen 
opleverden voor vasculitis. Wel is in het medisch dossier van klaagster opgenomen dat er een 
verdenking bestond (dd ofwel differentiaaldiagnose) van GPA.

3.3   Klaagster is op 31 maart 2022 via de SEH opgenomen op de afdeling interne van het ziekenhuis 
waar de internist werkzaam is. In het verslag van de SEH staat onder meer (alle citaten worden 
letterlijk weergegeven):
01-2022 Crustae neus, PR3 verhoogd dd granulomatosis polyangiitis (Wegener) 11-2021 Lab: (…) PR3: 
12.0 U/mL (0-2)
07-2021 KNO: Chronische sinusitis; CRS [college: chronische rhinosinusitis] klachten dd 
Hyperreactief luchtweg beeld.
2020 Zeer slecht gereguleerde DM1 (LADA), therapie ontrouw, gecompliceerd door perifeer vaatlijden, 
nefropathie [college: aandoening van de nieren]
(…)”
Op basis van de op de SEH verrichte onderzoeken was de primaire verdenking (dd) GPA, mede op basis 
van een afwijkend beeld van de gemaakte borstfoto.

3.4   De internist was een van de drie superviserende internisten op de afdeling waar klaagster 
werd opgenomen en (met haar beide collega’s) verantwoordelijk voor de behandeling van klaagster en 
het in overleg met andere specialismen vastgestelde behandelbeleid.

3.5   Op 1 april 2022 is een CT-scan gemaakt, waarop duidelijke longafwijkingen beiderzijds te zien 
waren, sterk progressief ten opzichte van het (röntgen-)onderzoek van twee maanden eerder. In 
overleg met de longarts werd een bronchoscopie afgesproken.

3.6  De internist heeft op 2 april 2022 in het medisch dossier onder meer genoteerd:
“Beleid
- Diagnostiek afwachten (24-uurs urine), nadien (uiterlijk as maandag) intern overleg en evt. 
aanvullend met expertise-centrum (…) over casus en opstarten behandeling (…)
- Indien respiratoir falen - -> direct starten immuunsuppressieve therapie (…)”

3.7   Op 4 april 2022 heeft de longarts overleg gehad met het expertisecentrum en in vervolg daarop 
in het dossier genoteerd:
“Advies wel PA diagnose en uitsluiten ander infect met bronchoscopie.
Indien er ook verdenking is op nierbetrokkenheid dan biopt. Zo niet dan VATS [college: naam van de 
ingreep] longbiopt (…)”
Die dag is een bronchoscopie uitgevoerd, waarbij geen specifieke infectie werd aangetroffen. Ook is 
de internist-nefroloog (specialist op het gebied van nierziektes, hierna de nefroloog) om advies 
gevraagd over een mogelijk nierbiopt. In het dossier is over dat overleg genoteerd:
“- longbiopt zal idd meer opleveren dan nierbiopt
- echter MPO/PR3 en ds DNA nog cito herhalen - -> indien sterke stijging dan pet -CT
annuleren en ASAP starten met Prednisolon”
De oorspronkelijk geplande PET-CT is geannuleerd, omdat voorrang werd gegeven aan het nemen van een 
longbiopt.

3.8   Op 5 april 2022 is met klaagster besproken dat de behandelaars op dat moment vooral een 
meerwaarde zagen van een longbiopt en dat de longarts daarover met de longchirurg zou spreken. Op 6 
april 2022 bleek de wachttijd voor een VATS in het benaderde academisch ziekenhuis (UMC) twee weken 
te bedragen, waarop ook contact is gezocht met een ander ziekenhuis waar deze ingreep zou kunnen 
plaatsvinden. Die dag is ook in het dossier genoteerd:
“Visite aan bed:
Mevr ziet het helemaal niet meer zitten, voelt zich beroerd, bang dat haar lichaam het opgeeft 
voordat ze behandeling toekomt.
Schrikt er erg van dat er mogelijk VATS. Nogmaals belang van goede en precieze diagnostiek 
benadrukt, vooral in het licht van mogelijk corticosteroidenbehandeling (mn zekerheid over 
afwezigheid van infectie en zekerheid over type ziekte dat behandeld wordt ivm
vertroebeling diangostiek nadien).”
en
“- gezien stijgend PR3 [college: die bleek inmiddels 18 te zijn] en zeer sterke verdenking, 
klinische verslechtering, starten behandeling? nog kortsluiten bij [expertisecentrum] – via 
longarts”

3.9   De longarts heeft op 7 april 2022 vanwege de lange wachttijd voor de VATS en de stijgende 
PR3-waarde nader overleg gevoerd met het expertisecentrum en noteerde daarover:
“Gezien zware behandeling moet PA diagnose volgen via VATS longbiopt. Ook type vasculitis van 
belang.”

3.10  Op 8 april 2022 is onder meer in het dossier genoteerd:
“- uitgelegd dat er bij voorkeur toch op longbiopt wordt gewacht, ook al is de wachttijd > 2 weken; 
indien mevr echt weigert dan kunnen we wel starten met behandeling, maar dit is dan subobtimaal - 
-> risoco dat behandeling niet of maar half aanslaat en vervolgens geen pathologie meer verkregen 
worden voor definitieve diagnostiek
- Patiënte en dochter spaken over ernstige frustratie t.a.v. deze wachttijd; patiënte ziet het soms 
niet meer zitten, voelt zich fysiek steeds zwakker worden
- afgesproken dat we maandag opneiwu alle actoren consulteren, ook met eigen poli (…)”

3.11  Op 11 april 2022 is onder meer in het dossier genoteerd:
“Nogmaals besproken waarom we nu nog niet kunnen starten met de behandeling, dat er morgen een MDO 
[college: multidisciplinair overleg] is en daarna hopelijk meer informatie over wanneer het 
diagnostisch onderzoek plaatsvindt. Mevrouw herhaald nogmaals dat ze het niet meer ziet zitten, wil 
nu een oplossing, snapt niet dat het zo lang duurt.”

3.12  Op 13 april 2022 is in het dossier genoteerd:
“Gesprek met patiënt en zoon van patiënt. (…) Uitleg dat we onderzoek hebben gedaan en denken dat 
patiënt mogelijk de ziekte van Wegener heeft. Dit is een vrij zeldzame ziekte. Hiervoor moeten we 
een stuk weefsel uit de longen halen om onder de microscoop te kunnen bekijken of dit inderdaad zo 
is. De ingreep om dit weefsel te krijgen vindt slechts in een paar ziekenhuizen plaats.
Daarom is er eerst veel overleg nodig (daar zijn we nu mee bezig). Volgende week volgt nog MDO met 
de chirurgie en dan kan de VATS gepland worden. Beaamt dat het erg frustrerend is dat het zo lang 
duurt. Echter is het voor de behandeling en diagnose erg belangrijk om een stukje weefsel te 
krijgen voordat we de behandeling starten. Dat is frustrerend want
daardoor voelt patiënt zich lang ziek. (…)”

3.13  Op 18 april 2022 is de nefroloog om advies gevraagd over de glucoseregulatie (de balans van 
het suikergehalte in het lichaam). Een van de behandelend artsen heeft nogmaals met klaagster 
besproken dat er echt een biopt uit de longen nodig was en noteerde dat klaagster daarvan baalde.

3.14  Op 20 april 2022 is in het dossier genoteerd dat klaagster opnieuw koorts had. Over het te 
voeren beleid is overleg gevoerd met de nefroloog. Ook bleek de VATS op korte termijn in een 
regionaal ziekenhuis te kunnen plaatsvinden: “alles wordt in gang gezet voor tijdelijke overname 
voor biopt waarna patiënt weer terugkomt voor verdere behandeling en follow up.”

3.15  Op 25 april 2022 is klaagster overgebracht naar het andere ziekenhuis voor de longbiopsie en 
op 30 april 2022 is zij weer teruggekomen. In het dossier is die dag genoteerd dat klaagster zich 
een stuk beter voelde en dat het biopt was meegevallen.

3.16  Op 1 mei 2022 is in het dossier genoteerd:
“Nog geen corticosteroiden gestart in afwachting van uitslag. uitslag biopt achterhalen
komende week.”

3.17  Op 5 mei 2022 is klaagster met ontslag naar huis gegaan vanwege de goede klinische situatie.

3.18  Op 12 mei 2022 kreeg de longarts de uitslag van het pathologisch onderzoek (PA) van het 
biopt: “enkel discrete afwijkingen, waarschijnlijk niet representatief.” Het externe ziekenhuis 
adviseerde een nieuwe CT-scan te maken en overleg te voeren met het UMC.

3.19  Klaagster is op 17 mei 2022 opnieuw in het ziekenhuis opgenomen vanwege een 
nierfunctiestoornis bij misselijkheid/braken en diarree. Op 18 mei 2022 is met klaagster besproken 
dat men op dat moment een nierbiopt overwoog, omdat de nierfunctie achteruit was gegaan en het 
longbiopt geen duidelijkheid had gegeven. De bloedverdunners zijn gestaakt, waarna een week gewacht 
moest worden. De biopsie was daarom vanaf 25 mei 2022 mogelijk.

3.20  Een om advies gevraagde nefroloog heeft op 19 mei 2022 aangegeven dat er absoluut sprake was 
van een indicatie voor een nierbiopt bij het progressieve beeld. Met klaagster is die dag besproken 
dat behandelaars nog wilden overleggen met een ander expertisecentrum. Klaagster gaf aan dat zij 
absoluut niet in een ander ziekenhuis wilde worden opgenomen.

3.21  Op 24 mei 2022 is in het dossier genoteerd:
“Verdenking GPA waarvoor vrijdag [college: 27 mei 2022] overleg [expertisecentrum], en maandag 
biopt waarna gestart wordt met prednison.
(…)
- na biopt start prednison? -> iom [de nefroloog] dinsdag/woensdag starten prednison (…)”

3.22  Uiteindelijk is op 27 mei 2022 na het MDO met het centrum dat expertise heeft op het gebied 
van nier-gerelateerde GPA besloten om af te zien van het nemen van een nierbiopt en de behandeling 
te starten, omdat de PR3 inmiddels bleek te zijn opgelopen tot
33. In het dossier is over het overleg met het expertisecentrum genoteerd:
“Met het gehele verhaal en presentatie echt meest passend bij GPA zeker nu de PR3 doorstijgt. Komt 
relatief vaak voor dat biopten inconclusief zijn. Meestal wordt niet uit de meest actieve haard het 
biopt genomen waardoor de granulomateuze infiltraten gemist worden. Alle net niet uitslagen van de 
biopten passen daarom ook wel bij een GPA. Advies is dan ook om niet nog een nierbiopt te doen 
omdat dit je beleid niet gaat veranderen. Als er geen granulomateuze ontstekingen in het biopt te zien zijn ga je behandelen en als ze er wel zijn ook.
Advies om nu te starten met corticosteroiden en rituximab met cotrim profylaxe.”

3.23  In de ontslagbrief van 13 juni 2022 van de internist staat over het beloop na heropname op 17 
mei 2022:
“Bovengenoemde patiënt werd her-opgenomen in verband met misselijkheid en braken met hierbij in het 
lab een acute op chronische nierinsufficiëntie. Verder waren de oedemen die al langer bestonden ook 
nog aanwezig. De recente uitslag van de uitgevoerde VATS was niet conclusief voor een GPA waarvoor 
een verdere analyse tijdens deze opname nog moest volgen. Omdat de nierfunctie achteruit was gegaan 
en patiënt ook proteïnurie liet zien in de 24u urine werd een nierbiopt aangevraagd. Verder werd de 
ANCA PR3 nogmaals bepaald omdat deze tijdens de vorige opname een milde stijging liet zien. Bij een 
verder oplopende PR3 naar 33 U/ml en overleg met het [expertisecentrum] was de conclusie dat de 
diagnose GPA vasculitis voldoende was bevestigd en werd het nierbiopt geannuleerd. Nadien is ook
direct begonnen met (…) prednison (…). Initieel werd gekozen voor 4 kuren Rituximab echter door de 
forse oedemen was het plaatsen van een infuus erg lastig. Patiënte weigerde initieel een centrale 
lijn. Omdat langer uitstel van de behandeling niet gewenst was is gekozen om de behandeling oraal 
te starten middels Cyclofosfamide (…).”

3.24  Vanwege een verder verslechterende nierfunctie is klaagster op 14 juni 2022 overgeplaatst 
naar een academisch ziekenhuis.

4. De klacht en de reactie van de internist
4.1   Klaagster verwijt de internist dat zij geen regie heeft genomen. Het daaronder liggende meer 
specifieke verwijt aan de internist is dat zij niet tijdig de diagnose van de ziekte van Wegener, 
ook bekend als granulomatose met polyangiitis, GPA, heeft gesteld (in de periodes: 31 maart 2022 - 
25 april 2022, 30 april 2022 - 5 mei 2022 en 17 mei 2022 - 14
juni 2022).

4.2   De internist heeft het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren. Het college gaat 
hierna voor zover nodig in op de standpunten van partijen.

5. De overwegingen van het college
De criteria voor de beoordeling
5.1   De vraag is of de internist de zorg heeft verleend die van haar verwacht mocht worden. De 
norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende internist. Bij de beoordeling wordt 
rekening gehouden met de voor de zorgverlener geldende beroepsnormen en andere professionele 
standaarden. Dat een zorgverlener beter anders had kunnen handelen is niet altijd genoeg voor een 
tuchtrechtelijk verwijt. Verder geldt het uitgangspunt dat zorgverleners alleen tuchtrechtelijk 
verantwoordelijk zijn voor hun eigen handelen.

5.2   Bij de beoordeling van de klacht houdt het college rekening met de richtlijn “A Dutch 
consensus statement on the diagnosis and treatment of ANCA-associated vasculitis” uit 2020 
(https://pubmed.ncbi.nlm.nih.gov/32332176/). Weliswaar zijn in 2022 de Europese en de Amerikaanse 
richtlijnen vernieuwd, maar de nieuwe richtlijnen bevatten geen gewijzigde uitgangspunten die voor 
de beoordeling van de onderhavige klacht van belang zijn. Volgens [NS1.1] elk van de genoemde 
richtlijnen is het immers “highly desirable” dat de diagnose GPA aan de hand van een biopt wordt 
vastgesteld voordat met de behandeling wordt begonnen.

Beoordeling van de klacht
5.3   In de kern verwijt klaagster de internist dat zij niet tijdig de diagnose GPA heeft gesteld 
en dus ook niet tijdig de behandeling daarvoor heeft gestart.

5.4   Het college stelt voorop dat GPA een ernstige, maar relatief weinig voorkomende ziekte is en 
dat de behandeling voor deze ziekte bestaat uit zware medicatie met mogelijk ernstige bijwerkingen, 
in ieder geval ontregeling van de diabetes. Omdat de behandeling met deze medicatie ook de 
ziekteverschijnselen kan verhullen en het stellen van een definitieve diagnose kan bemoeilijken, is 
het belangrijk dat eerst de diagnose komt vast te staan voordat met medicatie wordt gestart. 
Afhankelijk van de diagnose worden verschillende combinaties van medicatie voorgeschreven om de 
ziekte te behandelen. Eind 2021 was al de verdenking gerezen op vasculitis, maar vasculitis is een 
verzamelnaam voor verschillende soorten ziekten waarbij de vaten ontstoken raken en GPA is slechts 
één van de mogelijke diagnoses. Met de mogelijkheid dat sprake was van GPA is vanaf eind 2021 
uitdrukkelijk rekening gehouden, gelet op het feit dat deze ziekte als differentiaal- (of 
waarschijnlijk-heids-) diagnose in het dossier is opgenomen.

5.5   Toen klaagster op 31 maart 2022 in het ziekenhuis werd opgenomen, had zij al geruime tijd 
klachten en was zij duidelijk ziek, maar voor de specialisten (niet alleen de internisten, maar ook 
de andere betrokken specialisaties) begon toen pas het daadwerkelijke onderzoek om enerzijds andere 
ziekten uit te sluiten en anderzijds de diagnose GPA met zoveel mogelijk zekerheid vast te stellen. 
Dat was onder meer gecompliceerd omdat klaagster ook verschillende andere aandoeningen heeft, maar 
ook omdat de onderzoeken tot dan toe onvoldoende concrete aanwijzingen voor vasculitis (en in het 
bijzonder GPA) hadden opgeleverd.

5.6   Omdat de klachten zich concentreerden op de longen, is de longarts van het begin af aan 
betrokken geweest (klaagster was met name vanwege haar suikerziekte op de afdeling interne 
opgenomen en niet op de longafdeling). Vrijwel direct is besloten om het expertisecentrum, dat de 
meeste kennis heeft over GPA in de longen, in te schakelen en bij het beleid te betrekken. Het 
expertisecentrum benadrukte het belang van het nemen van een biopt om de diagnose GPA te stellen, 
óók nadat gebleken was dat de PR3 enigszins was toegenomen en dat de wachttijd voor de VATS waarmee 
de biopsie zou plaatsvinden twee weken bedroeg. Dat is in overeenstemming met de richtlijn, die 
bepaalt dat het “highly desirable” is om de definitieve diagnose met een biopt te stellen. Een afwijking van de richtlijn 
moet altijd goed gemotiveerd worden. Daarvan kan sprake zijn als er zich een levensbedreigende 
situatie voordoet of als op een andere manier volstrekt duidelijk is dat het niets anders dan GPA 
kan zijn. Die situatie deed zich in april 2022 (nog) niet voor.

5.7   Het college kan zich goed voorstellen dat het voor klaagster (en haar familie) heel moeilijk 
moet zijn geweest om te accepteren dat de behandelaars niet met een behandeling konden beginnen, 
terwijl klaagster zich ondertussen erg ziek voelde. De internist heeft echter – steeds in overleg 
met de overige behandelaars, ook van de andere specialismen – conform de richtlijn en in 
overeenstemming met het advies van het expertisecentrum gehandeld door eerst het biopt (en de 
uitslag daarvan) af te wachten. Uit het dossier blijkt dat meerdere malen met klaagster is 
gesproken over het belang van het biopt voor de diagnose en dat niet alleen gewacht moest worden 
met het starten van de behandeling tot het biopt genomen was, maar ook tot de uitslag daarvan 
bekend was (zie hiervoor 3.8 tot en met 3.12).

5.8   Toen het biopt eenmaal genomen was, knapte klaagster op en kon zij zelfs naar huis worden 
ontslagen. Vervolgens bleek dat de uitslag van het onderzoek van het biopt (net als bij de eerder 
genomen neusbiopten) geen duidelijkheid gaf: nog steeds kon dus niet met (voldoende) zekerheid 
worden vastgesteld dat sprake was van GPA. Voordat met klaagster kon worden afgestemd wat het 
verdere beleid zou moeten zijn, verslechterde haar toestand (met name de nierfunctie) en werd zij 
op 17 mei 2022 opnieuw opgenomen.

5.9   Na die opname is besloten om dan toch ook een nierbiopt te nemen en zijn in verband daarmee 
direct de bloedverdunners gestaakt. Voor afstemming daarover is contact gezocht met het 
expertisecentrum dat met name de kennis bezit over nier-gerelateerde GPA. Op basis van de op 24 mei 
2022 bestaande situatie stemde het expertisecentrum in met verder overleg, dat op 27 mei 2022 zou 
plaatsvinden. Daarna zou het biopt zonder verder uitstel genomen kunnen worden. Vanwege de 
verslechtering van klaagster adviseerde de nefroloog desgevraagd om direct na het nemen van het 
biopt met de behandeling te starten (en dus de uitslag van het pathologisch onderzoek niet af te 
wachten). Op 27 mei 2022 bleek de PR3-waarde ook verslechterd te zijn en heeft het expertisecentrum 
geadviseerd om af te zien van het biopt en de behandeling direct te beginnen. Dat is ook gebeurd.
5.10  Het college is van oordeel dat het beleid tijdens de eerste opname van klaagster volgens de 
richtlijnen is geweest en dat zich toen ook geen omstandigheden hebben voorgedaan die aanleiding 
hadden kunnen of moeten zijn om van de richtlijnen af te wijken. Klaagster was er ten tijde van de 
tweede opname slechter aan toe en dat had wellicht aanleiding kunnen zijn om toen toch eerder met 
de behandeling te starten. Anderzijds waren er twee verschillende biopten, die allebei geen 
duidelijkheid gaven en lag het daarom voor de hand om toch ook een derde biopt (van de nier) te 
overwegen. Het getuigt van zorgvuldigheid dat de internist en de andere leden van het behandelteam, 
die zelf niet of nauwelijks ervaring hadden met de ziekte GPA, besloten hebben om eerst opnieuw met 
een expertisecentrum te overleggen. Dat heeft weliswaar tot enkele dagen vertraging geleid voordat de behandeling daadwerkelijk is gestart, maar is naar het oordeel van het college niet tuchtrechtelijk verwijtbaar.

5.11  Het voorgaande betekent dat de klacht ongegrond is.

6. De beslissing
Het college:
-  verklaart de klacht ongegrond.

Deze beslissing is gegeven door T. Dohmen, voorzitter, R.A. Steenbergen, lid-jurist,
G.A. Velders, E.J. van Lieshout en P.M. Netten, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door
N.A.M. Sinjorgo, secretaris, en in het openbaar uitgesproken door
K.A.J.C.M. van den Berg Jeths-van Meerwijk op 11 maart 2025.