ECLI:NL:TGZRSHE:2026:5 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg 's-Hertogenbosch H2025/8492
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRSHE:2026:5 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 12-01-2026 |
| Datum publicatie: | 12-01-2026 |
| Zaaknummer(s): | H2025/8492 |
| Onderwerp: | Grensoverschrijdend gedrag |
| Beslissingen: | Gegrond, doorhaling inschrijving register |
| Inhoudsindicatie: | Gegronde klacht van inspectie tegen gz-psycholoog. Verweerster is een persoonlijke en seksuele relatie aangegaan met een cliënt tijdens de behandelrelatie, onderhield vriendschappelijke contacten met de cliënt en de echtgenote van de cliënt en drong ver in het leven van de patiënt. Verweerster schonk de cliënt en zijn echtgenote een geldbedrag en deelde informatie over andere cliënten met de cliënt. Maatregel: doorhaling, schorsing en algeheel beroepsverbod. |
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG TE ’S-HERTOGENBOSCH
Beslissing van 7 januari 2026 op de klacht van:
INSPECTIE GEZONDHEIDSZORG EN JEUGD,
gevestigd in Utrecht,
klaagster, hierna ook: de inspectie,
vertegenwoordigd door M.A.P.J. Schleijpen, mr. A.A.B. Cornelissen, gemachtigde:
mr. A.S. de Veer,
senior juridisch adviseur,
tegen:
[A],
gz-psycholoog,
(destijds) werkzaam in [B],
verweerster (hierna ook: gz-psycholoog).
1. Waar gaat de zaak over?
1.1 Verweerster is een persoonlijke en seksuele relatie aangegaan met een cliënt
(hierna: de
cliënt) tijdens de behandelrelatie. Daarnaast onderhield ze vriendschappelijke contacten
met de
cliënt en de echtgenote van de cliënt. Ook dronk zij alcohol met de cliënt en besprak
zij haar
eigen alcoholgebruik met de cliënt. Er vonden gemeenschappelijke etentjes plaats
met de cliënt,
verweerster en hun echtgenoten. Verweerster schonk de cliënt en zijn echtgenote
een bedrag van €
1.000,- en deelde informatie over andere cliënten met de cliënt.
1.2 Het college komt tot het oordeel dat de klacht gegrond is en dat de zwaarste
maatregel dient
te worden opgelegd. Hierna licht het college dat toe.
2. De procedure
2.1 Het dossier bevat de volgende stukken:
- het klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 14 mei 2025;
- het verweerschrift, ontvangen op 6 juni 2025;
- het stuk van verweerster, ontvangen op 1 oktober 2025.
2.2 De partijen hebben de gelegenheid gekregen om onder leiding van een secretaris
van het
college met elkaar in gesprek te gaan (mondeling vooronderzoek). Daarvan hebben
zij geen gebruik
gemaakt.
2.3 De zaak is behandeld op de openbare zitting van 7 november 2025. De partijen
zijn verschenen.
De partijen hebben hun standpunten mondeling toegelicht. De inspectie heeft een
pleitnotitie voorgelezen en aan het college en de andere partij overhandigd.
3. De feiten
3.1 Verweerster werkt sinds 2011 als psychotherapeut en als gz-psycholoog in een
vrijgevestigde
eenmanspraktijk voor psychotherapie.
3.2 In juni 2023 meldde de cliënt zich bij verweerster vanwege psychische problematiek
als gevolg
van seksueel misbruik en ziekenhuisopnames in zijn jeugd. De psychische klachten
waren ontstaan na
een operatie.
3.3 Op 1 augustus 2023 vond de intake plaats en er werden wekelijkse therapiesessies
afgesproken.
Hierbij is het seksueel misbruik van de cliënt ter sprake gekomen. Verweerster gaf
aan dat de
cliënt depressief, suïcidaal en angstig was. Verweerster had geen ruimte voor nieuwe
cliënten, maar
ze heeft de cliënt in behandeling genomen omdat hij er zo slecht aan toe was en
hij niet bij andere
therapeuten terecht kon of wilde. Kort na de intake heeft verweerster de cliënt
naar de psychiater
verwezen voor het voorschrijven van medicatie vanwege slaapproblemen.
3.4 Vanaf half oktober 2023 werd de frequentie van de therapiesessies uitgebreid
naar twee keer
per week. De therapiesessies vonden zowel overdag als ’s avonds plaats en duurden
één tot drie uur.
3.5 Vanaf november 2023 was er sprake van een dreigende crisis met suïcidaliteit
van de cliënt.
In samenspraak met de psychiater heeft verweerster een crisisinterventie ingezet.
Verweerster en de
cliënt hadden naast de therapiesessies dagelijks meermaals contact via WhatsApp,
e-mail en
telefoon. De frequentie van het WhatsApp-contact tussen de cliënt en verweerster
nam toe tot 50
berichten per dag. Deze berichten waren therapiegericht, maar gingen ook over kunst,
muziek en over
relatieproblematiek van de cliënt. Ook wisselde verweerster berichten uit met de
cliënt over haar
eigen relatieproblematiek. Vanaf half november tot eind december wisselden de cliënt
en verweerster
ook seksueel getinte berichten met elkaar uit.
3.6 In deze periode begonnen tevens de fysieke contacten en zoende verweerster met
de cliënt.
Vervolgens vonden ook andere seksuele handelingen plaats. Uit de WhatsApp-berichten
blijkt dat
verweerster op 10 en 16 december 2023 de cliënt bij hem thuis bezocht. Op 16 december
2023 heeft
bij de cliënt thuis seksueel contact plaatsgevonden tussen beiden. De cliënt vertelde
aan de
inspectie dat hierna nog twee keer seksueel contact heeft plaatsgevonden. Verweerster
kan zich dit
niet herinneren. De cliënt gaf in het gesprek met de inspectie aan dat hij geen
nee durfde te
zeggen omdat hij bang was dat het therapeutisch contact tussen hem en verweerster
dan zou stoppen.
Uit de stukken blijkt dat de cliënt en verweerster de WhatsApp-berichten over het
seksueel contact
hebben verwijderd. Het frequente WhatsApp-contact ging door tot 24 maart 2024.
3.7 Vanaf half november 2023 had verweerster ook contact met de echtgenote van de
cliënt. Dit
contact vond telefonisch en via WhatsApp plaats wanneer de cliënt suïcidaal was.
Zij hadden ook
contact over onderwerpen die niet gingen over de gezondheid of de therapie van de
cliënt, maar over
andere zaken, zoals een gemeenschappelijk kerstdiner, gezamenlijke interesses en
problemen van de
echtgenote van de cliënt met haar familie. Verweerster liet de echtgenote van de
cliënt weten dat
zij haar surrogaat zus zou willen zijn.
3.8 In deze periode schonken verweerster en haar echtgenoot € 1.000,- aan de cliënt
en zijn
echtgenote.
3.9 Op 25 november 2023 en 27 december 2023 hebben de cliënt en zijn echtgenote
op uitnodiging
van verweerster gedineerd bij verweerster en haar echtgenoot thuis.
3.10 Na de therapiesessies in de avond bood verweerster de cliënt een aantal keer
een biertje aan.
Soms dronken ze samen alcohol in aanwezigheid van hun beide echtgenoten. Uit het
WhatsApp-contact
blijkt dat verweerster haar alcoholgebruik met de cliënt besprak. Ook besprak verweerster
met de
cliënt haar problemen met haar echtgenoot.
3.11 Verweerster deelde op 1, 4 en 8 en 21 december 2023 informatie over andere cliënten
met de
cliënt via WhatsApp. Namen werden hierbij niet door verweerster genoemd.
3.12 Op 22 februari 2024 werd de cliënt opgenomen op de psychiatrische afdeling van
een algemeen
ziekenhuis na overleg met verweerster en de psychiater. Tijdens de opname heeft
de cliënt aan zijn
echtgenote verteld over het seksuele contact met verweerster. De cliënt en zijn
echtgenote hebben
dit op 22 maart 2024 met de verpleging en het management van het ziekenhuis besproken.
3.13 Op 22 maart 2024 heeft de cliënt aan verweerster gemaild dat hij zich
afvroeg hoe het zo heeft kunnen lopen tussen hen, waarom verweerster zo met hem
is omgegaan en op
dat moment zo’n afstand van hem nam. Hij gaf aan dat hij niets over het gebeurde
zou zeggen zoals
hij haar had beloofd. Verweerster gaf in antwoord daarop onder meer aan dat het
nooit goed is
geweest dat er een vriendschappelijk contact heeft bestaan naast een therapeutisch
contact.
3.14 Op 25 maart 2024 hebben de cliënt en zijn echtgenote ook de ziekenhuispsychiater
op de hoogte
gebracht. Tijdens een al gepland beeldbel-contact tussen het behandelteam van het
ziekenhuis,
verweerster, de cliënt en zijn echtgenote, heeft verweerster bevestigd dat er sprake
is geweest van
seksuele handelingen tussen haar en de cliënt. Ook heeft verweerster het alcoholgebruik
tussen de
cliënt en haar besproken.
3.15 Op 2 april 2024 meldde verweerster het seksueel grensoverschrijdend gedrag bij
de inspectie
nadat haar door de zorginstelling de keuze was geboden om óf zelf een melding te
doen óf dat het
ziekenhuis deze melding zou doen. Op 29 april 2024 heeft ook de echtgenote van de
cliënt hiervan melding gedaan bij de inspectie. Op 7 mei 2024 heeft vervolgens de zorginstelling
waar de cliënt was opgenomen, een melding gedaan bij de inspectie van mogelijk seksueel
grensoverschrijdend gedrag jegens de cliënt.
3.16 Verweerster heeft tijdens de zitting toegelicht dat ze het graag voor iedereen
goed wil doen.
Verweerster gaf aan dat zij bij deze cliënt over de grens is gegaan door het persoonlijke
contact
aan te gaan naast de behandelgesprekken, omdat zij het idee kreeg dat het de cliënt
goed deed en
hij minder suïcidaal werd. Hij kreeg meer zin in het leven en ontwikkelde hoop.
Verweerster gaf aan
dat zij ten onrechte dacht hieraan goed te doen.
3.17 Verweerster heeft aangegeven dat zij tijdens de intervisiebijeenkomsten niet
heeft besproken
dat er een persoonlijke en seksuele relatie was ontstaan. Verweerster gaf tijdens
de zitting aan
dat zij dit uit schaamte niet heeft gedaan.
4. De klacht en de reactie van verweerster
4.1 De inspectie verwijt de gz-psycholoog dat zij de professionele grenzen die
zij in acht
behoort te nemen, heeft overschreden door:
a) een persoonlijke en seksuele relatie aan te gaan met een cliënt tijdens de
behandelrelatie;
b) alcohol met de cliënt te drinken en haar eigen alcoholgebruik met de cliënt
te bespreken;
c) een vriendschappelijke relatie aan te gaan met de echtgenote van de cliënt;
d) de cliënt €1.000,- te schenken;
e) informatie over andere cliënten te delen.
4.2 Verweerster heeft het college verzocht om bij de beoordeling van de klacht mee
te wegen dat
zij in januari 2025 heeft besloten haar psychotherapiepraktijk met ingang van 31
december 2025 te
beëindigen. Sinds januari 2025 heeft verweerster geen nieuwe cliënten meer aangenomen.
Zij heeft
daarnaast in haar verweerschrift aangegeven niet meer als supervisor of leertherapeut
op te treden.
4.3 Het college gaat hieronder, voor zover nodig, verder in op de standpunten van partijen.
5. De overwegingen van het college
Welk criterium geldt bij de beoordeling?
5.1 De vraag is of verweerster als gz-psycholoog de zorg heeft verleend die van
haar verwacht
mocht worden. De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende gz-psycholoog.
Bij de
beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de zorgverlener geldende beroepsnormen
en andere
professionele standaarden.
5.2 Verder geldt in het algemeen binnen een behandelrelatie dat de cliënt of patiënt
zich in een
afhankelijke positie bevindt ten opzichte van de zorgverlener. Daarom mag vanuit
het oogpunt van
goede zorg van een vriendschappelijke of intieme relatie tussen beiden geen sprake
zijn. Het is aan de zorgverlener om de grenzen van de behandelrelatie te bewaken.
Dat uitgangspunt is voor gz-psychologen uitgewerkt in de Beroepscode voor psychologen
2015 van het Nederlands Instituut van Psychologen (hierna: de beroepscode). Daarin
is onder meer opgenomen in artikel 52: “Psychologen vermengen geen professionele en
niet-professionele rollen die elkaar
zodanig kunnen beïnvloeden, dat zij niet meer in staat kunnen worden geacht een
professionele afstand tot de betrokkene(n) te bewaren of waardoor de belangen van
de betrokkene(n) worden geschaad.” De brochure ‘Het mag niet, het mag nooit, Voorkom
seksueel grensoverschrijdend gedrag in de zorg en jeugdhulp” van februari 2023 van
de inspectie, noemt het volgende: “(...) Hoewel een cliënt en zorgverlener zich als
mens gelijk kunnen voelen, is er door de afhankelijkheid van de cliënt altijd sprake
van een ongelijke verhouding. Daarom is seksueel (getint) gedrag nooit
toegestaan in de relatie tussen zorgverlener en cliënt. Zelfs als een cliënt ermee
instemt, het initiatief neemt of erop aandringt, verandert dit niet. Seksueel (getint)
gedrag kan de cliënt beschadigen en past daarom niet in een veilige zorgrelatie. Het
is altijd seksueel grensoverschrijdend gedrag (...)”
Klachtonderdeel a) het aangaan van een persoonlijke en seksuele relatie met een cliënt
tijdens de
behandelrelatie
5.3 Verweerster heeft jegens het college erkend dat er sprake was van
grensoverschrijdende handelingen (“intiemer fysiek contact”), een gezamenlijk diner
met de
echtgenoten, een financiële gift en het verschillende malen aanbieden van alcoholische
drank. Ze
erkende dat zij niet heeft gehandeld volgens de beroepscode voor psychotherapeuten
en psychologen,
waarvan ze ook op de hoogte was ten tijde van dit handelen. Verweerster heeft aangegeven
dat ze
niet wist dat ze ook zonder het noemen van namen geen informatie mocht delen over
cliënten met
andere cliënten, maar dat ze van de inspectie heeft begrepen dat dit nooit mag.
5.4 Het college stelt vast dat verweerster met een cliënt een persoonlijke relatie
is aangegaan
waarbij ook meermaals seksuele handelingen hebben plaatsgevonden over een periode
van een aantal
maanden tijdens de behandeling. De periode van het seksueel contact is niet exact
vast te stellen
omdat partijen daarover verschillende uitlatingen hebben gedaan. Ondanks dat verweerster
op de
hoogte was van de geldende beroepsnormen voor gz-psychologen heeft zij deze geschonden.
Zij heeft
haar eigen belang zwaarder laten wegen dan het belang van de cliënt bij een veilige
en integere
zorgrelatie. Dat betekent dat dit klachtonderdeel alleen daarom al gegrond is. Het
handelen van
verweerster is op geen enkele manier verenigbaar met de zorgplicht die zij als gz-psycholoog
dient
te betrachten. Door niet als goed hulpverlener volgens de normen te handelen, heeft
zij het
vertrouwen van de cliënt - waarbij de veilige en integere zorgrelatie voorop had
moeten staan - en
het vertrouwen van de samenleving in de beroepsgroep geschaad. De cliënt was daarnaast
een zeer
kwetsbaar persoon die bij verweerster in behandeling kwam vanwege psychische problematiek
als
gevolg van seksueel misbruik en ziekenhuisopnames in zijn jeugd. In een dergelijke
afhankelijke
positie moet de cliënt erop kunnen vertrouwen dat de gz-psycholoog die hem behandelt
dat op een
integere wijze doet. Dit klachtonderdeel is gegrond.
Klachtonderdeel b) alcohol drinken met de cliënt en haar eigen alcoholgebruik met
de cliënt
bespreken, klachtonderdeel c) een vriendschappelijke relatie aangaan met de echtgenote
van de
cliënt, klachtonderdeel d) het doen van een gift van €1.000,- aan de cliënt en klachtonderdeel
e)
informatie over andere cliënten delen met de cliënt
5.5 Aangezien deze vier klachtonderdelen nauw met elkaar samenhangen, zal het college
deze
gezamenlijk behandelen.
5.6 Verweerster heeft haar handelen aldus toegelicht dat de crisissituatie waarin
de cliënt
geraakte, ertoe bijdroeg dat het contact intensiveerde tussen verweerster en de
cliënt. Uit de
stukken blijkt dat ook het contact met de echtgenote intensiveerde en het contact
andere zaken
betrof dan alleen de gezondheid van de cliënt. Verweerster ging steeds meer rollen
vervullen door
naast het geven van psychotherapie, de cliënt ook te begeleiden, te ondersteunen
en met hem een
vriendschappelijke relatie aan te gaan. De grens tussen therapeutisch contact en
niet-therapeutisch
contact vervaagde meer en meer, wat ertoe leidde dat verweerster ook met betrekking
tot andere
aspecten rond de behandeling van de cliënt niet professioneel en in strijd met de
beroepsnormen
handelde. Verweerster heeft door zo te handelen een ontoelaatbare rolvermenging
laten ontstaan, de
grip op de situatie verloren en het belang van de cliënt geschaad.
5.7 Het college overweegt als volgt. De psychische problematiek van de cliënt was
complex met een
hoog suïciderisico. Een solopraktijk is vanwege onder andere het gebrek aan achtervang
en gebrek
aan intercollegiaal overleg niet goed hierop toegerust. Het college vindt het navolgbaar
dat
verweerster is gestart met de behandeling omdat het zo slecht ging met de cliënt
en hij op dat
moment geen andere therapeut kon vinden. Echter zodra verweerster merkte dat de
cliënt meer van
haar vergde dan zij uit hoofde van haar professionaliteit kon bieden, had zij maatregelen
moeten
treffen. Verweerster had de zorg dienen over te dragen of tenminste de begeleiding
en ondersteuning
van de cliënt bij andere zorgverleners dienen te beleggen, zodat zij zich op een
professionele
wijze had kunnen richten op de psychotherapeutisch behandeling.
5.8 Hoewel verweerster zelf aangeeft dat ze op 16 december 2023 tot inkeer was gekomen,
blijkt
dat niet uit de frequentie en inhoud van de WhatsApp-berichten. Verweerster heeft
aangedragen dat
zij zich zakelijker opstelde. Het college is echter niet gebleken dat dit er toe
leidde dat het
(seksueel) grensoverschrijdend gedrag stopte. Verweerster heeft de situatie maanden
laten
voortduren. Daarnaast heeft zij haar grensoverschrijdende gedrag niet besproken
bij
intervisiebijeenkomsten, terwijl zij zich realiseerde of had moeten realiseren dat
zij de
professionele grenzen overschreed en dit daarom had moeten bespreken. Volgens verweerster
is
tijdens één van de twee wekelijkse intervisies besproken dat de intensieve behandeling
vanaf half
oktober 2023 die zij de cliënt had aangeboden meer begrensd zou moeten worden. Verweerster
heeft
dit advies echter in ieder geval niet tijdig opgevolgd en heeft de intensieve behandeling
met de
reeds geruime tijd bestaande ontoelaatbare rolvermenging voortgezet tot 22 februari
2024, toen de
cliënt werd opgenomen in het ziekenhuis. Overigens stelt het college vast dat het
opvolgen van het advies vooral lijkt te zijn ingegeven door het feit dat de cliënt
werd opgenomen in het ziekenhuis. Naar het oordeel van het college heeft verweerster
niet haar professionele verantwoordelijkheid genomen.
5.9 Verweerster heeft de verschillende rollen vervuld zonder blijk te geven dat
zij de zorg voor
de cliënt anders had moeten inrichten of, gezien de zwaarte van de problematiek,
de zorg voor de
cliënt had moeten overdragen.
5.10 Het college oordeelt dat het drinken van alcohol met de cliënt en het over het
eigen
alcoholgebruik spreken met de cliënt in strijd is met de voor verweerster geldende
beroepsnormen.
Vermenging van professionele en niet-professionele rollen staat de professionele
distantie die de
zorgprofessional dient te bewaren in de weg. Dit geldt evenzeer voor de vriendschappelijke
relatie
die met de echtgenote van de cliënt was ontstaan. Verweerster is diep in het privéleven
van de
cliënt getreden. Dit geldt evenzeer als het gaat om het schenken van het geldbedrag.
Er was op dat
moment geen enkele sprake meer van professionele distantie.
5.11 De geheimhouding van verweerster is verstrekkend. Ook het delen van informatie
over andere
cliënten is daarmee in strijd met de beroepsnormen, ook wanneer verweerster geen
namen noemt.
Immers een cliënt moet er op kunnen vertrouwen dat al hetgeen hij in het kader van
de
behandelrelatie deelt met deze zorgverlener geheim blijft. Verweerster heeft op
zitting aangedragen
dat zij medicatie van andere cliënten heeft genoemd omdat zij de cliënt deze medicatie
gunde en
omdat zij de cliënt een behandeling door de psychiater gunde. Het college begrijpt
het als
verweerster een gelijkluidende casus met de cliënt bespreekt ten behoeve van de
behandeling van de
cliënt, mits dit nuttig is voor de behandeling van de cliënt en niet is te herleiden
tot een andere
cliënt. Echter uit de informatie die verweerster heeft gedeeld met de cliënt bleek
geen enkel
therapeutisch doel en de berichten waren zelfs vriendschappelijk van aard. Het college
oordeelt dat
het benoemen van informatie van andere cliënten in dit geval de cliënt in redelijkheid
het gevoel
kon geven dat verweerster ook informatie over hem met anderen zou delen. Dit past
niet bij
professioneel handelen. De klacht is daarom in alle onderdelen gegrond.
Slotsom
5.12 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat verweerster ernstig verwijtbaar heeft
gehandeld door
een persoonlijke en seksuele relatie met een kwetsbare cliënt aan te gaan en te
laten bestaan,
zodat alle onderdelen van de klacht gegrond zijn.
Maatregel
5.13 Volgens vaste jurisprudentie van de tuchtcolleges is in zaken waarin seksueel
grensoverschrijdend gedrag vaststaat, de maatregel van een (on)voorwaardelijke schorsing
het
uitgangspunt. Voor een antwoord op de vraag welke maatregel als passend moet worden
beschouwd,
weegt het college de volgende omstandigheden mee.
5.14 Verweerster heeft haar ernstig verwijtbaar handelen geruime tijd niet besproken
tijdens
intervisiebijeenkomsten. Tevens heeft zij geen maatregelen getroffen om het grensoverschrijdend
gedrag te stoppen en de zorg voor de zeer kwetsbare cliënt te borgen en over te
dragen.
Gebrek aan reflectievermogen en het in eerste instantie niet toetsbaar opstellen
5.15 Verweerster verklaarde aan de inspectie dat er op 16 december 2023 een omslagpunt
kwam nadat
er seks had plaatsgevonden. Verweerster lichtte toe dat zij zich realiseerde dat
het persoonlijke
en intiemere fysieke contact moest stoppen en dat zij dat op een voorzichtige manier
wilde doen.
5.16 Uit de WhatsApp-berichten is het college echter gebleken dat ook na 16 december
2023 nog
seksueel getinte berichten zijn uitgewisseld. Daarnaast heeft verweerster het college
niet
overtuigd dat zij pas op 16 december 2023 tot het inzicht kwam dat het handelen
diende te stoppen.
Zij heeft immers op enig moment met de cliënt afgesproken om WhatsApp-berichten
over het seksueel
contact te verwijderen. Het college ziet met de verwijdering hiervan geen ander
doel dan het
verborgen houden van het grensoverschrijdende gedrag van verweerster. Ook heeft
verweerster tot 25
maart 2024 volgehouden dat zij de behandeling van de cliënt na de ziekenhuisopname
weer zou kunnen
voortzetten. Het college rekent het verweerster aan dat zij stelt maatregelen te
hebben genomen na
16 december 2023, maar daarvan heeft zij geen blijk gegeven.
5.17 Bepaalde aspecten van het grensoverschrijdende gedrag heeft verweerster pas
erkend nadat ze
door de inspectie geconfronteerd was met de WhatsApp-berichten. De persoonlijke
en seksuele relatie
en het andere grensoverschrijdende gedrag is pas na lange tijd aan het licht gekomen.
Dat was nadat
de cliënt zijn zorgverleners in het ziekenhuis op de hoogte had gesteld en nadat
het ziekenhuis
verweerster in de gelegenheid had gesteld om zelf melding te doen. Het college rekent
het
verweerster ook aan dat zij zich aanvankelijk niet toetsbaar heeft opgesteld en
niet uit zichzelf
volledige openheid heeft gegeven over haar handelen tegenover de inspectie.
5.18 Hoewel verweerster op zitting heeft aangevoerd dat dit haar nimmer meer overkomt
en dat zij
ervan heeft geleerd, heeft het college daarover twijfels. Verweerster gaf in het
onderzoek van de
inspectie aan dat zij nooit willens en wetens over de grens van de cliënt is gegaan
en dat ze van
mening is dat hij zich altijd veilig heeft gevoeld. Ook heeft zij aangedragen dat
de cliënt was
begonnen. Zij toont hiermee naar het oordeel van het college onvoldoende inzicht
in de
afhankelijkheidsrelatie tussen de gz-psycholoog en de cliënt. Ook haar inzicht in
haar handelen
binnen de therapeutische relatie met de cliënt is sinds haar reflectie in het kader
van de melding
bij de inspectie nagenoeg ongewijzigd gebleven. Dit geldt ook voor het inzicht van
verweerster in
de vriendschappelijke relatie met de partner van de cliënt. Verweerster heeft inmiddels
na het
uitkomen van haar grensoverschrijdend handelen een jaar van intensieve psychotherapie
achter de
rug. Dit had naar het oordeel van het college moeten leiden tot nieuwe inzichten
naast het inzicht dat zij het voor een ieder graag goed wil doen.
5.19 Het college is van oordeel dat, alles in aanmerking genomen, aan verweerster
enkel de
zwaarste maatregel kan worden opgelegd, namelijk de maatregel van doorhaling. Ingevolge
artikel 48
lid 1, onder f, in samenhang met artikel 48, lid 2 Wet BIG kan het college bij het
opleggen van de
maatregel van doorhaling van de inschrijving in het register aan de beroepsbeoefenaar
beperkingen
opleggen met betrekking tot het beroepsmatig handelen op het gebied van de individuele
gezondheidszorg, indien gedragingen van de beroepsbeoefenaar een gevaar kunnen opleveren
voor de
veiligheid van personen. Het college stelt vast dat sprake is geweest van meermaals
ernstig
(seksueel) grensoverschrijdend gedrag bij een kwetsbare cliënt. Juist het gegeven
dat verweerster
meende een (seksuele) relatie aan te gaan met de cliënt om hem ervan te weerhouden
zich over te
geven aan suïcidale gedachten, baart het college zorgen. Immers verweerster heeft
daarmee haar
professionele distantie volledig uit het oog verloren. Het college kan vanwege het
gebrek aan
reflectie ook niet vaststellen dat verweerster niet nogmaals op eenzelfde manier
de professionele
distantie zal verliezen en daarmee het belang van een cliënt zal schaden. Dit betekent
dat het
college niet anders kan dan de maatregel van doorhaling opleggen. Omdat het college
zorgen heeft
dat verweerster in een andere hoedanigheid ook deze professionele distantie in de
zorg kan
verliezen, ziet het college redenen om aan verweerster beperkingen op te leggen
met betrekking tot
het beroepsmatig handelen in de gezondheidszorg. Daarbij is eveneens in aanmerking
genomen dat niet
is gebleken van voldoende zelfreflectie en van een lerend vermogen. Dit levert naar
het oordeel van
het college een risico op voor de veiligheid van (kwetsbare) patiënten, als de verweerster
in de
zorg werkzaam is in een andere functie dan gz-psycholoog. Het college zal op basis
van artikel 48
lid 2 Wet BIG de gz-psycholoog naast de doorhaling ook een algeheel beroepsverbod
opleggen.
5.20 Daarnaast zal bij wijze van voorlopige maatregel worden bepaald dat verweerster
wordt
geschorst in haar bevoegdheid om de aan de inschrijving verbonden bevoegdheden uit
te oefenen, een
en ander zoals bepaald in artikel 48 lid 9, in verbinding met artikel 48 lid 1 aanhef
en onder d
Wet BIG.
Publicatie
5.21 In het algemeen belang zal deze beslissing zonder vermelding van namen of
andere herleidbare
gegevens worden gepubliceerd. Dit algemeen belang is erin gelegen dat andere zorgverleners
mogelijk
iets kunnen leren van deze zaak.
6. De beslissing
Het college:
- verklaart de klacht gegrond;
- bepaalt dat de inschrijving van de verweerster in het BIG-register wordt doorgehaald,
dan wel ontzegt de verweerster, voor het geval
zij op het moment van onherroepelijk worden van deze beslissing niet is
ingeschreven in het BIG-register, het recht om weer in dit register te worden
ingeschreven;
- bepaalt dat de verweerster geen werkzaamheden mag verrichten in de zorg die
zien op de
behandeling en zorgverlening van cliënten. Zorgverlening betreft zorg in de
ruimste zin van het
woord;
- schorst bij wijze van voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 48 lid 9
wet BIG terstond
de bevoegdheid van de verweerster om de aan die inschrijving verbonden bevoegdheden
uit te oefenen;
- bepaalt dat deze beslissing, nadat die onherroepelijk is geworden, zonder vermelding
van namen
of andere herleidbare gegevens in de Nederlandse Staatscourant zal worden bekendgemaakt
en ter
publicatie zal worden aangeboden aan de tijdschriften Medisch Contact, Tijdschrift
voor
Psychotherapie en De psycholoog.
Deze beslissing is gegeven door I.M.E.A. van Eldonk, voorzitter, H.J.C. Smink, lid-jurist,
Ch.
Oele, M.J.E. Lemmens en E.H. Muste, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door
F.A.C. Bergervoet, secretaris, en in het openbaar uitgesproken door de vaste voorzitter,
K.A.J.C.M. van den Berg Jeths-van Meerwijk op 7 januari 2026.