ECLI:NL:TGZRSHE:2026:42 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg 's-Hertogenbosch H2025/8296
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRSHE:2026:42 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 04-03-2026 |
| Datum publicatie: | 04-03-2026 |
| Zaaknummer(s): | H2025/8296 |
| Onderwerp: | Schending beroepsgeheim |
| Beslissingen: | Ongegrond, kennelijk ongegrond |
| Inhoudsindicatie: | Klager verwijt de gz-psycholoog dat hij zonder diens toestemming heeft meegewerkt aan het verstrekken van de door verweerder opgestelde rapportage over klager in een tuchtprocedure. Tevens klaagt klager erover dat verweerder privacygevoelige medische gegevens onbeveiligd heeft verzonden. Niet is komen vast te staan dat de gz-psycholoog toestemming heeft gegeven voor het delen van het rapport of daarvan op de hoogte was. Bij de onbeveiligde verzending van medische gegevens was hij niet betrokken. Klacht kennelijk ongegrond. |
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG TE ’s-HERTOGENBOSCH
Beslissing in raadkamer van 4 maart 2026 op de klacht van:
[A],
wonende in [B],
klager,
tegen
[C],
gz-psycholoog,
destijds werkzaam in [D],
verweerder,
gemachtigde: mr. V.C.A.A.V. Daniëls, werkzaam in Utrecht.
1. De zaak in het kort
1.1 Klager is ten behoeve van een Pro Justitiaonderzoek in 2014 en 2015 opgenomen
geweest in een
psychiatrisch observatieonderzoekscentrum. Verweerder heeft in dat kader een rapport
over hem
opgesteld. Volgens klager heeft verweerder zonder zijn toestemming en medeweten,
toestemming
gegeven aan de directeur van dit onderzoekscentrum om de betreffende rapportage
te verstrekken in
een in 2018 dienende klachtprocedure bij het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg
(RTG)
te Zwolle. Daarnaast zou verweerder in 2025 privacygevoelige medische gegevens betreffende
klager
onbeveiligd aan klager hebben verzonden.
1.2 Het college komt tot het oordeel dat de klacht kennelijk ongegrond is. ‘Kennelijk’
betekent
dat het niet nodig is om nog vragen aan de partijen te stellen en dat duidelijk
is dat de klacht
niet gegrond kan worden verklaard. Hierna licht het college toe hoe het tot deze
beslissing is
gekomen.
2. De procedure
2.1 De procedure blijkt uit:
- het klaagschrift met bijlagen, ontvangen op 21 maart 2025;
- het verweerschrift, ontvangen per e-mail op 12 juni 2025 en per post op 13 juni
2025;
- de repliek, ontvangen op 1 juli 2025;
- de dupliek, ontvangen op 14 augustus 2025;
- het aanvullend klaagschrift, ontvangen op 16 augustus 2025;
- de reactie op het aanvullend klaagschrift, ontvangen op 1 oktober 2025.
2.2 De partijen hebben de gelegenheid gekregen om onder leiding van een secretaris
van het
college in gesprek te gaan (mondeling vooronderzoek). Daarvan hebben zij geen gebruik
gemaakt.
2.3 Het college heeft de klacht in raadkamer behandeld. Dit betekent dat het college
de zaak
beoordeeld heeft op basis van de stukken, zonder dat de partijen daarbij aanwezig
waren.
3. Wat is er gebeurd?
3.1 Klager is in 2014 en 2015 opgenomen geweest in een psychiatrisch observatie-onderzoekscentrum
ten behoeve van een Pro Justitiaonderzoek. Verweerder heeft in dat kader een Pro
Justitiarapport
opgesteld.
3.2 In een tuchtzaak bij het Regionaal Tuchtcollege (RTG) te Zwolle in 2018 heeft
de directeur
van dit onderzoekscentrum onder meer bovengenoemd rapport als processtuk overgelegd.
3.3 Klager heeft verweerder in 2025 verzocht om afschrift van testscores, vervat
in zijn medisch
dossier. Klager ontving deze gegevens niet beveiligd maar per gewone post.
4. De klacht en de reactie van verweerder
4.1 Klager verwijt verweerder het volgende:
1) schending beroepsgeheim;
2) medeplegen schending beroepsgeheim;
3) onvoldoende waarborg vertrouwelijkheid en veiligheid medisch dossier;
4) onzorgvuldige verzending privacygevoelige (medische) gegevens.
4.2 Verweerder heeft het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren.
4.3 Het college gaat hieronder verder in op de standpunten van partijen.
5. De overwegingen van het college
De criteria voor de beoordeling
5.1 De vraag is of verweerder de zorg heeft verleend die van hem verwacht mocht
worden. De norm
daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende gz-psycholoog. Bij de beoordeling
wordt
rekening gehouden met de voor de zorgverlener geldende beroepsnormen en andere professionele
standaarden. Zorgverleners zijn alleen tuchtrechtelijk verantwoordelijk voor hun
eigen handelen.
5.2 Het college oordeelt dat verweerder niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld
en licht
dat hierna toe.
Klachtonderdelen 1 tot en met 3, (medeplegen) schending beroepsgeheim en onvoldoende
waarborg
vertrouwelijkheid en veiligheid medisch dossier
5.3 Het college zal deze drie klachtonderdelen, gelet op hun onderlinge samenhang,
gezamenlijk
beoordelen.
5.4 Volgens klager heeft verweerder toestemming gegeven aan de directeur van het
onderzoekscentrum, waar klager voor onderzoek was opgenomen, om zeer privacygevoelige
gegevens
(rapportage over hem) als processtuk in te dienen in een klachtzaak van klager tegen
betreffende
directeur bij het RTG te Zwolle. Verweerder is althans niet opgetreden tegen die
verstrekking. De
directeur kon betreffende gegevens volgens klager niet zonder toestemming van verweerder
verstrekken. Verstrekking van de stukken gebeurde niet buiten de rapporteurs om.
De directeur mocht
het medisch dossier niet inzien.
5.5 Verweerder ontkent toestemming te hebben gegeven voor de verstrekking en kon
hier, naar hij
stelt, ook niet tegen optreden omdat hij geen weet had van de verstrekking.
5.6 Het college overweegt als volgt. Voor het delen van privacygevoelige medische
informatie is
toestemming nodig is van degene die het betreft, in dit geval klager. Onder deze
informatie is ook
begrepen de door verweerder opgemaakte Pro Justitiarapportage. Klager heeft niet
ingestemd met het
delen van deze informatie. Klager heeft gesteld dat de directeur van het onderzoekscentrum
geen
gegevens uit het dossier betreffende klager kan verstrekken zonder toestemming van
verweerder. Dat
is echter niet, althans niet zonder meer, juist. Het onderzoekscentrum heeft immers
fysiek toegang
tot het dossier en heeft dus feitelijk de mogelijkheid daaruit, ook zonder toestemming
van
verweerder, gegevens te verstrekken. Dat verweerder hiervoor toestemming heeft gegeven,
kan het
college niet vaststellen. Verweerder betwist dat
namelijk en uit de door klager bij zijn klaagschrift gevoegde stukken kan dit ook
niet worden
afgeleid. Dat licht het college hierna toe.
5.7 In de door klager overgelegde brief van de directeur van het onderzoekscentrum
van 25 januari
2018 aan klager staat:
Zowel [naam verweerder] als [naam andere rapporteur] zijn vooraf geïnformeerd over
de verstrekking
van de conceptversies en van de aantekeningen. Zij hebben – om dezelfde reden als
genoemd in mijn
brief d.d. 5 januari j.l. - ingestemd met de verstrekking van de voornoemde stukken
aan u.
Hieruit blijkt niets anders dan dat verweerder heeft ingestemd met verstrekking
van de stukken aan
klager zelf. Hieruit blijkt niet dat verweerder heeft ingestemd met verstrekking
van de stukken in
de tuchtprocedure.
5.8 Uit het door klager overgelegde proces-verbaal van een zitting van de Afdeling
bestuursrechtspraak van de Raad van State in 2019, dat is opgemaakt in het kader
van een geding van
klager tegen de minister voor Rechtsbescherming, kan evenmin worden afgeleid dat
verweerder heeft ingestemd met de verstrekking van de stukken ten behoeve van een tuchtprocedure.
Daarin staat: “De voorzitter vraag de minister of de betrokken psychiater(s) toestemming
heeft (hebben) gegeven
voor het verstrekken van de rapportages? De minister antwoordt dat met hen contact
is geweest. Dit
is toen niet het geval geweest met [naam verweerder], dat is pas later gebeurd.
Verder licht de
minister toe dat de directeur de stukken zonder raadpleging van een rechtshulpverlener
aan het
tuchtcollege heeft overgelegd.
Op de vraag van de voorzitter of het hier gaat om persoonlijke gegevens en meer
specifiek over het
opleggen van [woord weggelakt], zeggen klager en de minister dat dit het geval is.
Desgevraagd
verklaart de minister dat het gaat om concepten van verslagen van rapporteurs die
hebben
bijgedragen aan Pro Justitia rapportages.”
Afgezien van het feit dat het in bovenstaande gaat om een verklaring van de minister
en niet van
verweerder noch van de directeur van het onderzoekscentrum, staat in de verklaring
weliswaar dat er
contact is geweest met de rapporteurs (waaronder verweerder) over de verstrekking
van de
rapportages maar niet dat verweerder ook toestemming voor de verstrekking heeft
gegeven. Verweerder
betwist ook uitdrukkelijk dat hij die toestemming heeft gegeven en deze verklaring
van de minister
levert geen bewijs op van het tegendeel.
5.9 Klager heeft (ook) niet op andere wijze (voldoende) aannemelijk gemaakt dat
verweerder
toestemming heeft gegeven gevoelige gegevens betreffende klager te verstrekken ten
behoeve van de
tuchtprocedure. Het college kan dus niet vaststellen dat verweerder zijn beroepsgeheim
heeft
geschonden noch dat hij schuldig is aan het medeplegen van schending van zijn beroepsgeheim.
Verweerder heeft verder onbetwist gesteld dat hij niet op de hoogte was van de verstrekking
van
deze gegevens zodat hij daartegen ook niet kon optreden.
5.10 Deze klachtonderdelen zijn daarom ongegrond.
Klachtonderdeel 4) onzorgvuldige verzending privacygevoelige medische gegevens.
5.11 Klager stelt dat hij verweerder in 2025 heeft gevraagd om afschrift van de
ruwe testscores
uit zijn medisch dossier en dat verweerder die gegevens onbeveiligd heeft verzonden
dan wel onder
zijn verantwoordelijkheid onbeveiligd heeft laten verzenden.
5.12 Verweerder erkent dat er gegevens onbeveiligd zijn verzonden maar stelt dat
hem ter zake geen
persoonlijk verwijt treft. Dit heeft hij immers niet zelf gedaan. Het onderzoekscentrum
heeft deze
fout gemaakt.
5.13 Het college overweegt als volgt. Het onderzoekscentrum heeft, zoals hiervoor
overwogen,
toegang tot (de gegevensdrager van) het dossier betreffende klager. Het verzoek
om afschrift van
een deel van het dossier is door het onderzoekscentrum behandeld. Het onderzoekscentrum
heeft deze
gegevens onbeveiligd per post verstrekt. Verweerder heeft onbetwist gesteld dat
hij hierbij niet betrokken was. Omdat verweerder niet betrokken was bij de (wijze
van) verzending van deze stukken treft hem geen verwijt.
5.14 Dit klachtonderdeel is ongegrond.
Slotsom
5.15 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat alle onderdelen van de klacht kennelijk
ongegrond
zijn.
6. De beslissing
Het college:
- verklaart de klacht in al haar onderdelen kennelijk ongegrond.
Deze beslissing is gegeven op 4 maart 2026 door J. Iding, voorzitter, T. Koetsier
en
E.H. Muste, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door T.G. Nijenkamp, secretaris en
uitgesproken door
de vaste voorzitter K.A.J.C.M. van den Berg Jeths-van Meerwijk.