ECLI:NL:TGZRSHE:2026:39 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg 's-Hertogenbosch H2025/8122
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRSHE:2026:39 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 18-02-2026 |
| Datum publicatie: | 18-02-2026 |
| Zaaknummer(s): | H2025/8122 |
| Onderwerp: | Onjuiste verklaring of rapport |
| Beslissingen: | Ongegrond, kennelijk ongegrond |
| Inhoudsindicatie: | Klacht tegen gz-psycholoog. Klager verblijft op longstay-afdeling. Klacht over het besluit tot plaatsing in afzondering kennelijk niet-ontvankelijk. Dit betreft niet een beoordeling van de gezondheidstoestand van klager dan wel een handelen dat zijn weerslag heeft op de individuele gezondheidszorg. Klacht over valse beschuldiging van vluchtgevaar en het ontbreken van gesprekken met een psycholoog of psychiater kennelijk ongegrond. Gegeven advies over vluchtgevaar navolgbaar en deugdelijk onderbouwd. Hoewel het college zich kan voorstellen dat klager nog steeds wenst in te zetten op curatieve behandeling, kan verweerster van het karakter van de gesprekken geen tuchtrechtelijk verwijt worden gemaakt gezien het hoofddoel van verblijf op de longstay-afdeling. |
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG TE ’s-HERTOGENBOSCH
Beslissing in raadkamer van 18 februari 2026 op de klacht van:
[A],
verblijvende in [B],
klager,
tegen
[C]
gz-psycholoog,
(destijds) werkzaam in [B],
verweerster,
gemachtigde mw. mr. P.H.N Keuning, werkzaam in Amsterdam.
1. Waar gaat de zaak over?
1.1 Klager verblijft sinds december 2021 in een kliniek op basis van een strafrechtelijke
maatregel van tbs met dwangverpleging. Klager klaagt erover dat hij door toedoen
van verweerster
zonder reden in afzondering is geplaatst, dat verweerster hem vals beschuldigt van
vermoedelijk
vluchtgevaar en dat er gedurende drieënhalf jaar geen inhoudelijke gesprekken door
een psycholoog
of psychiater met hem zijn gevoerd.
1.2 Het college komt tot het oordeel dat klager deels kennelijk niet-ontvankelijk
is in zijn
klacht en dat de klacht voor het overige kennelijk ongegrond is. ‘Kennelijk’ betekent
dat het niet
nodig is om nog vragen aan de partijen te stellen en dat duidelijk is dat de klacht
niet gegrond
kan worden verklaard. Hierna licht het college toe hoe het tot deze beslissing is
gekomen.
2. De procedure
2.1 De procedure blijkt uit:
- het klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 5 februari 2025;
- het verweerschrift met de bijlagen, ontvangen per mail op 1 mei 2025 en ontvangen
per post op 6 mei 2025;
- het proces-verbaal van het mondelinge vooronderzoek, gehouden op 30 september
2025;
- de brief van 3 oktober 2025 van de secretaris aan de gemachtigde van verweerster;
- de brief van 20 oktober 2025 met bijlagen, ontvangen van de gemachtigde van verweerster.
2.2 Het college heeft de klacht in raadkamer behandeld. Dit betekent dat het college
de zaak
beoordeeld heeft op basis van de stukken, zonder dat de partijen daarbij aanwezig
waren.
3. Wat is er gebeurd?
3.1 Klager is op basis van een strafrechtelijke maatregel van tbs met dwangverpleging
bij diverse
klinieken geplaatst. Sinds 24 mei 2022 is sprake van langdurige forensische psychiatrische
zorg.
Klager verblijft nu in een kliniek waar ook verweerster werkzaam is.
3.2 Per 16 augustus 2024 kreeg klager een maatregel afzondering opgelegd. Op de
kamer van klager
waren spullen aangetroffen die bij het behandelteam hebben geleid tot het sterke
vermoeden dat
klager bezig was met het plannen van een ontvluchting. De maatregel is een aantal
keer verlengd en
op 11 maart 2025 beëindigd. Klager heeft toen de maatregel afdelingsarrest gekregen.
Dit betekende
dat klager continu wordt begeleid buiten de afdeling en een op maat gemaakt programma
heeft.
4. De klacht en de reactie van verweerster
4.1 Volgens klager heeft verweerster onzorgvuldig gehandeld, omdat:
(a) hij sinds 16 augustus 2024 zonder reden in afzondering is geplaatst;
(b) verweerster hem vals beschuldigt van vermoedelijk vluchtgevaar;
(c) er geen inhoudelijke gesprekken door een psycholoog of psychiater met hem worden
gevoerd.
4.2 Verweerster heeft het college verzocht klager niet-ontvankelijk te verklaren
en de klacht dus niet inhoudelijk te behandelen. Voor het geval het college de klacht
wel
inhoudelijk beoordeeld, heeft verweerster het college verzocht de klacht ongegrond
te verklaren.
4.3 Het college gaat hieronder verder in op de standpunten van partijen.
5. De overwegingen van het college
Ontvankelijkheid
5.1 Het college komt tot het oordeel dat klager kennelijk niet-ontvankelijk is
in klachtonderdeel
a. Op grond van artikel 47 juncto artikel 1 van de Wet op de Beroepen in de individuele
Gezondheidszorg (Wet BIG) kan slechts worden geklaagd over handelingen op het gebied
van de
individuele gezondheidszorg die rechtstreeks betrekking hebben op een persoon en
ertoe strekken
diens gezondheid te bevorderen of te bewaken, dan wel te beoordelen. Het Centraal
Tuchtcollege voor
de Gezondheidszorg heeft in een aantal uitspraken de lijn uitgezet, dat wanneer
het niet gaat om de
beoordeling van de gezondheidstoestand van een patiënt, het handelen van de zorgverlener
niet onder
het tuchtrecht valt. Het besluit tot afzondering is een ordemaatregel, genomen in
het kader van de
orde en veiligheid van de penitentiaire inrichting. Het betreft ook een gevolg dat
is veroorzaakt door het handelen van klager, namelijk het overtreden van een aantal
in de inrichting geldende regels. Dit besluit betreft niet een beoordeling van de
gezondheidstoestand van klager dan wel een handelen dat zijn weerslag heeft op de
individuele gezondheidszorg. Over het besluit kan klager klagen bij de beklagcommissie.
Van die mogelijkheid heeft klager blijkens het dossier ook daadwerkelijk gebruik gemaakt.
Het college verklaart klager, gelet op het vorenstaande,
niet-ontvankelijk in klachtonderdeel a.
5.2 Het college zal klachtonderdelen b en c wél beoordelen. Verweerster heeft immers
zelf
opgemerkt dat zij verantwoordelijk is voor het vormgeven van de behandeling van
klager. Daarnaast
heeft verweerster aangegeven dat zij met klager diverse gesprekken heeft gevoerd
naar aanleiding
van de aangetroffen voorwerpen en dat zij verantwoordelijk is voor het inschatten
van de psychische
conditie van klager. Het laatste doet verweerster overigens tezamen met het multidisciplinaire
behandelteam. Gelet op deze feiten en omstandigheden is naar het oordeel van het
college sprake van
een behandelrelatie als bedoeld in artikel 47 lid 1 onder a van de Wet BIG.
De criteria voor de beoordeling
5.3 De vraag is of verweerster de zorg heeft verleend die van haar verwacht mocht
worden. De norm
daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende gz-psycholoog. Bij de beoordeling
wordt
rekening gehouden met de voor de zorgverlener geldende beroepsnormen en andere professionele
standaarden.
Klachtonderdeel b verweerster heeft klager vals beschuldigd van vermoedelijk vluchtgevaar
5.4 Het college oordeelt dat verweerster in deze niet tuchtrechtelijk verwijtbaar
heeft
gehandeld. Anders dan klager heeft gesteld, kan niet worden vastgesteld dat verweerster
een valse
beschuldiging van vermoedelijk vluchtgevaar heeft geuit. Vast staat dat verweerster
verantwoordelijk is voor het inschatten van de psychische conditie van klager en
het inschatten van
risico’s, zowel van recidive als van vluchtgevaar. Zij heeft deze inschatting gemaakt
op grond van
haar eigen waarnemingen, maar zij heeft daarbij ook de informatie van het betrokken
team
meegenomen, alsmede de zienswijze van de instelling waar klager eerder onder behandeling
was. Naar
het oordeel van het college is het als zeer zorgvuldig aan te merken dat verweerster
al deze
informatie heeft meegewogen bij het door haar gegeven advies. Het advies is naar
het oordeel van
het college ook navolgbaar en deugdelijk onderbouwd. Verweerster heeft de conclusie
ook conform de
regels aan klager medegedeeld.
Klachtonderdeel c er zijn geen inhoudelijke gesprekken gevoerd
5.5 Ook klachtonderdeel c is naar het oordeel van het college ongegrond reeds
omdat klager erkent
dat er wel gesprekken met hem zijn gevoerd. Het college begrijpt de stelling van
klager dat er met
hem geen gesprekken zijn gevoerd in het kader van een curatieve behandeling – een
behandeling
gericht op herstel – en dat klager graag had gezien dat dergelijke gesprekken zouden
worden
gevoerd. Vast staat echter dat klager verblijft op een zogenoemde longstay-afdeling.
Een verblijf binnen een dergelijke afdeling is geïndiceerd als er gedurende een flink
aantal jaren behandeling heeft plaatsgevonden, maar het recidiverisico onvoldoende
is afgenomen. De doelstelling en begeleiding van deze afdeling zien voornamelijk op
kwaliteit van leven en stabilisatie van het toestandsbeeld. Weliswaar blijft men
zoeken naar mogelijkheden tot (nieuwe) behandeling om resocialisatie mogelijk te maken
en plaatsing in een minder beveiligde omgeving, maar het hoofddoel is, zoals opgemerkt,
stabiliteit. Hoewel het college zich kan voorstellen dat klager nog steeds wenst in
te zetten op curatieve behandeling, kan verweerster van het feitelijk karakter van
de gesprekken, gezien de situatie van klager, geen
tuchtrechtelijk verwijt worden gemaakt gezien het hoofddoel.
Slotsom
5.6 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat klager in klachtonderdeel a niet-ontvankelijk
is en
dat de klachtonderdelen b en c kennelijk ongegrond zijn.
6. De beslissing
Het college:
- verklaart klager kennelijk niet-ontvankelijk in klachtonderdeel a;
- verklaart klachtonderdelen b en c kennelijk ongegrond.
Deze beslissing is gegeven op 18 februari 2026 door K.A.J.C.M. van den Berg Jeths-van
Meerwijk, voorzitter, Ch. Oele en M.J.E. Lemmens, leden-beroepsgenoten, bijgestaan
door G.J. Stoepker, secretaris.