ECLI:NL:TGZRSHE:2026:38 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg 's-Hertogenbosch H2025/9064 en H2025/9367
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRSHE:2026:38 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 18-02-2026 |
| Datum publicatie: | 18-02-2026 |
| Zaaknummer(s): | H2025/9064 en H2025/9367 |
| Onderwerp: | Overige klachten |
| Beslissingen: | Niet-ontvankelijk |
| Inhoudsindicatie: | Voorzittersbeslissing kennelijk niet-ontvankelijk. Klacht tegen GZ-psycholoog. Klager verblijft in Penitentiaire Inrichting en klaagt over de invulling van zijn verlofregeling en over de tijdsduur van zijn verjaardagsfeest. Geen betrekking op de individuele gezondheidszorg. Geen rol van GZ-psycholoog. |
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG TE ’S-HERTOGENBOSCH
Voorzittersbeslissing van 18 februari 2026 op de klacht van:
[A],
verblijvende te [B],
klager,
tegen:
[C],
GZ-psycholoog,
werkzaam in [B],
verweerster, hierna ook: de GZ-psycholoog.
1. De klacht
1.1 Klager verblijft sinds februari 2019 in een Forensisch Psychiatrisch Centrum
(hierna: FPC of
instelling), waar de GZ-psycholoog werkzaam is. Klager verblijft daar op basis van
de maatregel
terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege (tbs met bevel
tot verpleging).
Klager heeft een zogeheten LFPZ-status (Langdurige Forensische Psychiatrische Zorg)
hetgeen inhoudt
dat binnen het verblijf van LFPZ een omgeving en behandeling wordt geboden die is
gericht op een zo
groot mogelijke kwaliteit van leven binnen de noodzakelijke begeleiding en beperkingen.
De klacht
van klager betreft zijn verlofregeling en de tijdsduur van zijn verjaardagsfeest.
De voorzitter is
van oordeel dat klager niet-ontvankelijk is, omdat beide klachtonderdelen geen betrekking
hebben op
de individuele gezondheidszorg. Deze beslissing wordt hieronder toegelicht.
2. De procedure
De procedure H2025/9064 blijkt uit:
1. de brief van 1 juli 2025 van de secretaris aan klager, waarop klager de klacht
heeft geformuleerd;
2. de brief van 1 juli 2025 van de secretaris aan klager, waarop klager de klacht
heeft geformuleerd en bijlagen
heeft toegevoegd;
3. de brief van de secretaris aan klager van 17 oktober 2025;
4. de brief van klager, ontvangen op 2 december 2025;
5. het verweerschrift, ontvangen op 14 januari 2026.
De procedure H2025/9367 blijkt uit:
1. het klaagschrift, ontvangen op 2 en 26 mei 2025;
2. de brief van 5 juni 2025 van de secretaris aan klager;
3. de brief van klager, ontvangen op 13 juni 2025;
4. de brief van klager, ontvangen op 19 juni 2025;
5. de brief van 30 juni 2025 van de secretaris aan klager;
6. de beslissing van de voorzitter van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg
te
’s-Hertogenbosch van 13 augustus 2025;
7. de beslissing van het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg van 22 oktober
2025;
8. het verweerschrift, ontvangen op 14 januari 2026.
3. De klacht en de reactie van de GZ-psycholoog
3.1 Klager verwijt de GZ-psycholoog in H2025/9064:
a) dat klager met twee begeleiders op verlof moet gaan in plaats van met één begeleider.
Klager verwijt de GZ-psycholoog in H2025/9367:
a) dat klager met twee begeleiders op verlof moet gaan in plaats van met één begeleider;
b) dat klager niet vijf uur, maar drie uur zijn verjaardag mocht vieren in een
gemeenschappelijke ruimte.
3.2 De GZ-psycholoog stelt zich op het standpunt dat zij niet tuchtrechtelijk verwijtbaar
heeft
gehandeld.
4. Overwegingen
4.1 Omdat de klacht over klagers verlof in beide dossiers identiek is, heeft de
voorzitter de
klachtzaken ambtshalve gevoegd en volgt er één beslissing met twee dossiernummers.
Klachtonderdeel a) Verlof met twee begeleiders (H2025/9064 en H2025/9367)
4.2 Klager is het er niet mee eens dat hij met twee begeleiders op verlof moet
in plaats van met
één begeleider.
4.3 De GZ-psycholoog heeft toegelicht op welke wijze een verlofregeling tot stand
komt. Binnen
het bieden van kwaliteit van leven aan de verpleegden binnen de LFPZ, is er de mogelijkheid
om
begeleid verlof te praktiseren als daarvoor een verlofmachtiging is afgegeven. De
instelling kan
een verlofmachtiging aanvragen bij de Minister van Justitie en Veiligheid. Deze
Minister kan (na
advies van het Adviescollege Verloftoetsing TBS) aan het hoofd van de instelling
toestemming
verlenen en een verlofmachtiging afgeven om begeleid verlof te praktiseren. Aan
deze
verlofmachtiging worden voorwaarden verbonden. Er bestaat dus geen recht op verlof
en het verlof
wordt mede vormgegeven door de gestelde voorwaarden. In het geval van klager heeft
de Minister op 7
maart 2025 een machtiging verleend, waarin de voorwaarde is opgenomen dat eerst
vijf maal een
verlof met twee begeleiders moet plaatsvinden, voordat er een verlof met één begeleider
kan
plaatsvinden.
4.4 De voorzitter oordeelt als volgt. In artikel 65 lid 1 sub a Wet BIG is bepaald
dat een klacht
aanhangig kan worden gemaakt door een rechtstreeks belanghebbende. Om als rechtstreeks belanghebbende
te kunnen worden aangemerkt, dient sprake te zijn van een concreet eigen belang dat kan
worden geplaatst in het kader van de individuele gezondheidszorg. Dit vloeit voort
uit de aard en de strekking van de Wet BIG, die beoogt de kwaliteit van de individuele
gezondheidszorg te bewaken. Volgens artikel 1 Wet BIG wordt in deze wet onder individuele
gezondheidszorg verstaan de zorg die rechtstreeks betrekking heeft op een persoon
en ertoe strekt diens gezondheid te bevorderen of te bewaken, het onderzoeken en het
geven van raad daaronder begrepen, waaronder
geneeskunst.
4.5 Klager klaagt over de invulling van de verlofregeling. Deze invulling is geen
beslissing van
de GZ-psycholoog maar betreft de door de Minister gestelde voorwaarde(n) waaronder
de
verlofmachtiging is verleend. Het doel van de verlofmachtiging en bijbehorende voorwaarden
is het
bieden van kwaliteit van leven aan klager en is derhalve geen beslissing die zijn
medische
behandeling – zorg als bedoeld in de individuele gezondheidszorg – betreft. De voorzitter
stelt
vast dat bij deze klacht weliswaar sprake is van een concreet eigen belang van klager,
maar dat
geen sprake is van een belang dat kan worden geplaatst in het kader van de individuele
gezondheidszorg. Nog daargelaten dat in dit geval geen sprake is van een belang
dat gericht is op
de individuele gezondheidszorg van klager, stelt de voorzitter vast dat uit de stukken
is gebleken
dat de GZ-psycholoog bij de verlofmachtiging geen rol heeft gespeeld. Nu volgens
artikel 47 Wet BIG
alleen het eigen handelen van een zorgverlener kan worden beoordeeld en daarvan
in dit geval geen
sprake is, kan ook om die reden klager niet worden ontvangen in zijn klacht.
Daarom is de voorzitter van oordeel dat klager kennelijk niet-ontvankelijk is in
de klacht. Dat
betekent dat dit klachtonderdeel niet inhoudelijk zal worden beoordeeld.
Klachtonderdeel b) tijdsduur van het verjaardagsfeest (H2025/9367)
4.6 Klager stelt dat hij zijn verjaardagsfeest niet heeft kunnen vieren op de
wijze die hij zelf
graag had gewild. Klager heeft een aanvraag gedaan voor het reserveren van een ruimte
gedurende
vijf uur, maar kreeg slechts toestemming voor drie uur.
4.7 De GZ-psycholoog heeft toegelicht dat klager zijn verjaardag in een gemeenschappelijke
ruimte
wilde vieren met vier/vijf medebewoners en een externe bezoeker. In het kader van
de orde en
veiligheid binnen de kliniek dient een dergelijke samenkomst begeleid te worden
door minimaal één
medewerker van de instelling. Het was niet mogelijk om een gezamenlijke ruimte zo
lang vrij te
maken en daarbij een personeelslid volledig vrij te houden van andere taken om dit
feestje te
begeleiden. De gemeenschappelijke ruimte kon voor drie uur worden vrijgehouden voor
klager en er is
een personeelslid voor drie uur vrijgehouden om dit te begeleiden. Dit is geen besluit
van
verweerster, maar van de zorgmanager van de afdeling, omdat dit gebeurt in het kader
van orde en
veiligheid binnen de instelling.
4.8 De voorzitter is van oordeel dat klager ook in dit klachtonderdeel kennelijk
niet-ontvankelijk is en verwijst naar hetgeen overwogen is in alinea 4.4. Evident
is dat de
beslissing die in het kader van een verjaardagsfeest is genomen, geen handelen betreft
als bedoeld
in artikel 47 lid 1 Wet BIG. Ook staat vast dat de GZ-psycholoog geen rol heeft
gespeeld bij het
besluit.
Slotsom
4.9 De klachten van klager hebben geen betrekking op een handelen of nalaten op
het gebied van de
individuele gezondheidszorg als bedoeld in artikel 47 lid 1 Wet BIG.
5. De beslissing
Klager is kennelijk niet-ontvankelijk.
Aldus gedaan op 18 februari 2026 door K.A.J.C.M. van den Berg Jeths-van Meerwijk,
voorzitter, in
tegenwoordigheid van de secretaris. De secretaris is buiten staat de beslissing
mede te
ondertekenen.