ECLI:NL:TGZRSHE:2026:36 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg 's-Hertogenbosch H2025/8271

ECLI: ECLI:NL:TGZRSHE:2026:36
Datum uitspraak: 11-02-2026
Datum publicatie: 11-02-2026
Zaaknummer(s): H2025/8271
Onderwerp: Onjuiste verklaring of rapport
Beslissingen: Ongegrond/afwijzing
Inhoudsindicatie: Arts in opleiding tot verzekeringsarts (AIOS) heeft een verzekeringsgeneeskundig onderzoek uitgevoerd in het kader van de WIA  en daarvan een rapportage opgemaakt. Klaagster is het niet eens met het rapport en klaagt daarover niet alleen tegen de arts, maar ook tegen de verzekeringsgeneeskundige, die zij als medeondertekenaar van het rapport eindverantwoordelijk houdt. Met enkele kanttekeningen bij de beoordeling door de verzekeringsarts van het rapport in het kader van de begeleiding, acht het college de klacht tegen de verzekeringsarts ongegrond, omdat het rapport uiteindelijk de toets der kritiek kan doorstaan.


REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG TE ’S-HERTOGENBOSCH

Beslissing van 11 februari 2026 op de klacht van:

[A],
wonende in [B],
klaagster,
gemachtigde: mevrouw [C],

tegen:

[D],
verzekeringsarts,
werkzaam in [E],
verweerder, hierna ook: de verzekeringsarts,
gemachtigde: mr. drs. A.B. Schippers-Juergens, werkzaam in Amsterdam.

1. De zaak in het kort
1.1   De verzekeringsarts treedt op als mentor van een arts in opleiding tot verzekeringsarts 
(hierna: de arts). Hij begeleidt haar in dat kader bij het opstellen van verzekeringsgeneeskundige 
rapportages. De arts heeft op 21 november 2024, in aanwezigheid van haar praktijkopleider, bij 
klaagster een verzekeringsgeneeskundig onderzoek uitgevoerd in het kader van de WIA (Wet werk en 
inkomen naar arbeidsvermogen) en zij heeft van dat onderzoek een rapportage opgemaakt, gedateerd
24 december 2024. De arts was op dat moment zes maanden in opleiding. Voorafgaand aan haar 
opleiding heeft zij acht maanden dezelfde werkzaamheden verricht. De rapportage van de arts is mede 
ondertekend door de verzekeringsarts.

1.2   Klaagster is het niet eens met de inhoud van de rapportage en heeft daarover een klacht 
ingediend tegen de arts (H2025/8184). Zij is – kort gezegd - van mening dat de arts
(1) buiten haar bevoegdheid is getreden, (2) onjuiste en onvolledige informatie in het rapport 
heeft opgenomen, (3) niet professioneel en respectvol is opgetreden en (4) dat zij tegenstrijdige 
en niet onderbouwde adviezen heeft gegeven. De arts heeft verweer gevoerd tegen die klacht. 
Klaagster klaagt ook tegen de verzekeringsarts, waarbij zij hem als eindverantwoordelijke voor de 
rapportage aanspreekt op het handelen en nalaten dat zij de arts verwijt. De verzekeringsarts heeft 
verweer gevoerd tegen de klacht.

1.3   Het college komt tot het oordeel dat de verzekeringsarts niet tuchtrechtelijk verwijtbaar 
heeft gehandeld. Hierna licht het college dat toe.

2. De procedure
2.1  De procedure blijkt uit:
-  het klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 20 februari 2025;
-  het verweerschrift met de bijlagen, ontvangen op 22 april 2025;
-  de aanvullende stukken, ontvangen van klaagster op 5 mei 2025.

2.2   De partijen hebben de gelegenheid gekregen om onder leiding van een secretaris van het 
college met elkaar in gesprek te gaan (mondeling vooronderzoek). Daarvan hebben zij geen gebruik 
gemaakt.

2.3   De zaak is behandeld op de openbare zitting van 19 december 2025, gelijktijdig maar niet 
gevoegd met de zaak H2025/8184. De partijen zijn verschenen en zijn bijgestaan door hun 
gemachtigden. De partijen en hun gemachtigden hebben hun standpunten mondeling toegelicht. De 
gemachtigde van de verzekeringsarts heeft een pleitnotitie voorgelezen en zij heeft deze aan de 
andere partij en aan het college overhandigd.

3. De klacht en de reactie van de verzekeringsarts
3.1   Klaagster stelt dat de verzekeringsarts als superviserend arts van de arts 
eindverantwoordelijk is voor het handelen van de arts en dat hij daarom ook zelf tuchtrechtelijk 
kan worden aangesproken op het handelen en nalaten dat klaagster de arts verwijt.

3.2   De verzekeringsarts heeft het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren. Het college 
gaat hieronder voor zover nodig nader in op de standpunten van partijen.

4. De overwegingen van het college
De criteria voor de beoordeling
4.1   De vraag is of de verzekeringsarts, in zijn rol van mentor en als mede-ondertekenaar 
verantwoordelijk voor de rapportage van de arts, de zorg heeft betracht die van hem verwacht mocht 
worden. De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende verzekeringsarts. Bij de 
beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de zorgverlener geldende beroepsnormen en de stand 
van de wetenschap ten tijde van het handelen. Verder geldt het uitgangspunt dat zorgverleners 
alleen tuchtrechtelijk verantwoordelijk zijn voor hun eigen handelen. Daarbij geldt ten aanzien van 
het mede ondertekenen van de rapportage van de arts door de verzekeringsarts het volgende.

4.2   De registratie als verzekeringsarts staat in beginsel borg voor een zekere kwaliteit van de 
rapportage. Zolang die registratie niet heeft plaatsgevonden (doordat de arts in opleiding is) kan 
de kwaliteit van de rapportage aannemelijk worden gemaakt door de rapporten van de arts te laten 
“contrasigneren” door een geregistreerd verzekeringsarts. Met het zetten van zijn handtekening 
maakt de verzekeringsarts kenbaar dat de conclusies uit het medisch onderzoek tot stand zijn 
gekomen conform de daaraan te stellen kwaliteitseisen. Van de verzekeringsarts mag daarom worden 
verwacht dat hij zich ervan vergewist dat het onderzoek, de argumentatie en de conclusies van de arts ten aanzien van de belastbaarheid voor het verrichten van arbeid voldoende zijn om het mede ondertekenen van de rapportage te rechtvaardigen.

Beoordeling
4.3   Het college doet vandaag ook uitspraak in de zaak tegen de arts in de zaak H2025/8184. In die 
zaak is het college van oordeel dat de rapportage van de arts voldoet aan de criteria die gelden 
voor een verzekeringsgeneeskundige rapportage en dat de klacht (in alle onderdelen) - hoewel een 
enkele kanttekening bij de inhoud van de rapportage is geplaatst - ongegrond is. Voor de 
inhoudelijke overwegingen verwijst het college naar die uitspraak. Nu de rapportage aan de eisen 
voldoet, is de klacht tegen de verzekeringsarts in zoverre ook ongegrond.

4.4   Het college ziet, gelet op het voor het handelen van de verzekeringsarts geldende 
toetsingskader dat hiervoor is weergegeven, wel aanleiding om in te gaan op de beoordeling door de 
verzekeringsarts van het rapport in het kader van de begeleiding van de arts bij het opstellen van 
de rapportage en het mede ondertekenen daarvan. Het college is van oordeel dat de verzekeringsarts, 
gezien de als mede ondertekenend verzekeringsarts op hem rustende verplichting om zich ervan te 
vergewissen dat het onderzoek, de argumentatie én de conclusies van de arts voldoende zijn, de 
rapportage kritischer had behoren te beoordelen. Dit klemt te meer nu de arts pas zes maanden in 
opleiding was. Zo had het op zijn weg gelegen om de arts erop te wijzen dat het van belang is dat 
zij zo veel mogelijk neutrale bewoordingen gebruikt en dat een zorgvuldige woordkeuze eens te meer 
van belang is in het geval de rapportage notities bevat over (de rol van) derden. Ook had het op 
zijn weg gelegen om de arts erop te wijzen dat zij de brief van de GZ-psycholoog wel in haar 
rapportage heeft gebruikt en haar conclusie mede daarop baseert, maar vergeten is om een en ander 
in de rapportage als zodanig te vermelden. Ter zitting is gebleken dat de verzekeringsarts heeft 
gereflecteerd op zijn handelen en dat hij deze aandachtspunten (achteraf) ook heeft gezien en deze 
ook als verbeterpunten heeft opgevat. Nu de rapportage van de arts uiteindelijk de toets der 
kritiek kan doorstaan, rekent het college de verzekeringsarts zijn handelen niet als 
tuchtrechtelijk verwijtbaar aan.

4.5  De conclusie van het voorgaande is dat de klacht ongegrond is.

5. De beslissing
Het college:
-  verklaart de klacht ongegrond.

Deze beslissing is gegeven door N.H.J. Lafghani, voorzitter, Ch. Schollen-den Besten, lid-jurist, 
M.A.L. Piegza, J.M. Hoevers, E.G. van der Jagt, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door
N.A.M. Signorgo, secretaris, en in het openbaar uitgesproken door
K.A.J.C.M. van den Berg Jeths-van Meerwijk op 11 februari 2026.