ECLI:NL:TGZRSHE:2026:34 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg 's-Hertogenbosch H2025/8262

ECLI: ECLI:NL:TGZRSHE:2026:34
Datum uitspraak: 11-02-2026
Datum publicatie: 11-02-2026
Zaaknummer(s): H2025/8262
Onderwerp: Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose
Beslissingen: Ongegrond, kennelijk ongegrond
Inhoudsindicatie: Kennelijk ongegronde klacht tegen arts, die als medisch adviseur op verzoek van de verzekeraar van de wederpartij van klaagster een medisch advies heeft uitgebracht. Zowel inhoudelijk als voor wat betreft de wijze van totstandkoming voldoet het advies aan de daarvoor geldende eisen. Contact met klaagster was niet nodig, inzage- en blokkeringsrecht zijn niet van toepassing. 


REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG TE ‘S-HERTOGENBOSCH

Beslissing in raadkamer van 11 februari 2026 op de klacht van:

[A],
wonende in [B],
klaagster,
gemachtigde: mevrouw [C],

tegen

[D],
arts,
werkzaam in [E],
verweerder, hierna ook: de arts.

1. De zaak in het kort
1.1   Klaagster is, toen zij op 3 november 2015 in haar auto reed, aangereden door een andere 
automobilist, waarvoor de verzekeraar van de wederpartij (hierna: de verzekeraar) de 
aansprakelijkheid heeft erkend. De verzekeraar heeft op 3 januari 2023 aan een expertisebureau 
verzocht om een medisch advies uit te brengen. De arts heeft het medisch advies opgesteld en hij 
heeft het op 28 februari 2023 aan zijn opdrachtgever verstrekt. Klaagster heeft het medisch advies 
op 9 maart 2023 van de verzekeraar ontvangen. Klaagster is het niet eens met de wijze van 
totstandkoming en de inhoud van het advies en beklaagt zich daarover. De arts heeft verweer gevoerd 
tegen de klacht.

1.2   Het college komt tot het oordeel dat de klacht kennelijk ongegrond is. ‘Kennelijk’ betekent 
dat het niet nodig is om nog vragen aan de partijen te stellen en dat duidelijk is dat de klacht 
niet gegrond kan worden verklaard. Hierna licht het college toe hoe het tot deze beslissing is 
gekomen.

2. De procedure
2.1  De procedure blijkt uit:
-  het klaagschrift, ontvangen op 12 maart 2025;
-  het verweerschrift, ontvangen op 2 juni 2025;
-  het proces-verbaal van het mondeling vooronderzoek, gehouden op 9 juli 2025, waarbij klaagster 
   en haar gemachtigde zijn verschenen. De arts heeft niet deelgenomen aan het mondeling vooronderzoek.

2.2   Het college heeft de klacht in raadkamer behandeld. Dit betekent dat het college de zaak 
beoordeeld heeft op basis van de stukken, zonder dat de partijen daarbij aanwezig waren.

3. De klacht en de reactie van de arts
3.1  Klaagster verwijt de arts het volgende:
a) De arts heeft een beperkt en onvolledig onderzoek uitgevoerd doordat hij klaagster niet heeft 
    gezien, gehoord, onderzocht of op andere wijze contact heeft gehad over het op te maken medisch 
    advies. Daarnaast heeft hij geen bronnen geraadpleegd.
b) Er zijn in het door de arts opgestelde advies veel feitelijke onjuistheden, aannames en diagnoses vermeld
    die niet overeenkomen met de diagnoses en bevindingen van de behandelend artsen/specialisten van klaagster.
c) Er is zonder toestemming van klaagster gebruik gemaakt van (gegevens of stukken uit) het medisch dossier en 
    niet kloppende gegevens van het UWV.
d) Belangrijke medische informatie, die wel in haar medische stukken staat omschreven, is weggelaten uit het
    advies. Hierdoor is er een compleet vertekend beeld ontstaan van de fysieke en mentale gezondheid van klaagster.
e) De standpunten en conclusies zijn onvoldoende dan wel onvolledig onderbouwd. Zo heeft de arts in het advies (en
    ook op latere verzoeken hierom) geen enkele uitleg gegeven hoe hij tot conclusies en diagnoses is gekomen en
    waarom is afgeweken van de conclusies en diagnoses van de behandelend artsen en specialisten.
f) Er is geen mogelijkheid geboden tot het gebruik van het blokkeringsrecht of rectificatie van het opgestelde advies.

3.2   De arts heeft het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren. Het college gaat 
hieronder voor zover nodig nader in op de standpunten van partijen.

4. De overwegingen van het college
De criteria voor de beoordeling
4.1   Bij de beoordeling stelt het college het volgende voorop. Volgens vaste rechtspraak van het 
Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg moet een rapport van een medisch adviseur aan de 
volgende eisen voldoen:
1.   Het rapport vermeldt de feiten, omstandigheden en bevindingen waarop het berust;
2.   Het rapport geeft blijk van een geschikte methode van onderzoek om de voorgelegde vraagstelling te
     beantwoorden;
3.   In het rapport wordt op inzichtelijke en consistente wijze uiteengezet op welke gronden de conclusies van
     het rapport steunen;
4.   Het rapport vermeldt de bronnen waarop het berust, daaronder begrepen de gebruikte literatuur en de
     geconsulteerde personen;
5.   De rapportage beperkt zich tot het deskundigheidsgebied van de rapporteur.

4.2   Het college toetst daarbij inhoudelijk of het onderzoek door de medisch adviseur voldoende 
vakkundig en zorgvuldig is uitgevoerd. Met betrekking tot de conclusie van de rapportage beoordeelt 
het college of de medisch adviseur in redelijkheid tot zijn conclusie heeft kunnen komen.

4.3   Bij de beoordeling van de klacht is verder van belang dat een medisch advies in juridische 
zin moet worden onderscheiden van een medische expertise (of keuring), waarbij in de regel een 
fysieke en/of psychische beoordeling van een persoon op een specifiek moment plaatsvindt en waarbij 
ook de medewerking van die persoon nodig is.

4.4.  Het medisch advies is een (in principe intern) advies aan één van de partijen, die betrokken 
zijn bij de afwikkeling van de schade na het ongeval. Degene over wie het advies gaat, heeft in 
principe geen recht op inzage in dat advies. Dit komt doordat geen sprake is van een geneeskundige 
behandelingsovereenkomst tussen, in dit geval, klaagster en de arts. Ook is in dit geval geen 
sprake van een medische keuring, zoals bedoeld in artikel 7:446 lid 4 van het Burgerlijk Wetboek 
(hierna: BW). De gezondheidstoestand van klaagster is weliswaar onderwerp van het advies ten 
aanzien van de vraag of er letsel is dat in een causaal verband staat met het ongeval, maar de gang 
van zaken betreft een ‘papieren exercitie’ buiten betrokkenheid van klaagster en is niet op één 
lijn te stellen met een medische keuring. De wettelijke bepalingen die recht geven op inzage en 
blokkade zijn in dit geval daarom niet van toepassing (zie onder meer HR 1 december 2023, 
ECLI:NL:HR:2023:1670 en de conclusie bij die beschikking). In de praktijk worden adviezen van 
medisch adviseurs van de betrokken partijen overigens vaak wel uitgewisseld en kunnen de betrokken 
partijen (via hun medisch adviseurs) ook commentaar geven op elkaars medische adviezen.

4.5   Een medisch advies wordt uitgebracht op verzoek van een partij die een beoordeling wenst van 
de schade als gevolg van bijvoorbeeld een ongeval. Dat kan zowel de advocaat (of andere 
belangenbehartiger) van het slachtoffer zijn als de verzekeraar van de wederpartij. In dit geval is 
opdracht gegeven door de verzekeraar. Aan de arts is de vraag voorgelegd om aan de hand van de door 
de verzekeraar aan de arts overhandigde documentatie een beoordeling te geven of, en zo ja welke, 
fysieke en/of psychische klachten van klaagster een (rechtstreeks) gevolg zijn van het ongeval en 
dus in medisch causaal verband staan tot dat ongeval. Daarvoor moet de arts onder meer een 
vergelijking maken tussen de situatie vóór het ongeval en de situatie ná het ongeval. Om dit te 
kunnen beoordelen is de voorgeschiedenis, anders dan klaagster betoogt, wel degelijk van belang, 
maar ook hoe het beloop van de klachten in de periode na het ongeval is geweest. Van toepassing 
zijn de Beroepscode voor Medisch Adviseurs van de GAV (Geneeskundig Adviseurs Verzekeringszaken) en 
de Medische Paragraaf van de GBL (Gedragscode Behandeling Letselschade).

4.6  Het college beoordeelt de klacht met inachtneming van het voorgaande.

Klachtonderdeel a) geen contact met klaagster en geen bronnen geraadpleegd
4.7   Voor het uitbrengen van een medisch advies is het meestal niet nodig dat de betrokkene door 
de medisch adviseur wordt gezien. Normaal gesproken wordt een advies opgesteld aan de hand van een 
beoordeling van de (medische en eventueel aanvullende) stukken. Het is ter beoordeling aan de 
medisch adviseur hoe hij zijn onderzoek inricht om de vraag van zijn opdrachtgever te beantwoorden. 
In dit geval kan, gelet op de aan de arts voorgelegde opdracht, niet worden gezegd dat hij 
klaagster had moeten zien of horen, dan wel op andere wijze contact met haar had moeten leggen. 
Voor het opstellen van een medisch advies zoals hier aan de orde, was dat niet nodig. Dat de 
medisch adviseur klaagster niet heeft gezien of gesproken, is daarom niet tuchtrechtelijk 
verwijtbaar.

4.8   De arts heeft in het medisch advies vermeld welke documentatie hij van zijn opdrachtgever 
heeft ontvangen en in zijn rapport heeft gebruikt. Dat zijn de bronnen, waarop hij de rapportage 
heeft gebaseerd. Daarom kan niet worden volgehouden dat de arts geen bronnen heeft gebruikt. Ook op 
dit punt is geen sprake van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen. Klachtonderdeel a) is op grond 
van het voorgaande kennelijk ongegrond.

Klachtonderdeel b) feitelijke onjuistheden, aannames en onjuiste diagnoses
4.9  Het college gaat hierna in op de door klaagster gestelde onjuistheden in de rapportage van de 
arts.

4.10  Bij de ontvangen medische informatie noemt de arts een patiëntendossier met verslaglegging 
van ‘de fysiotherapeuten’ vanaf november 2015 tot en met februari 2017. Het is klaagster 
onduidelijk om welke fysiotherapeuten het gaat. Daarop heeft de arts bij verweerschrift geantwoord 
dat de informatie is ontleend aan het patiëntendossier van een fysiotherapiepraktijk in klaagsters 
woonplaats, waarin meerdere fysiotherapeuten werkzaam waren, die op verschillende data hebben 
gerapporteerd. In dat dossier staan geen namen van de behandelaars genoteerd. Het college ziet in 
het overzicht van de dossierinformatie bij het rapport dat van meerdere fysiotherapeuten op 
verschillende tijdstippen informatie is ontvangen, onder meer een ongedateerd document met een 
patiëntendossier, wat het door de arts bedoelde dossier moet zijn. De bronvermelding door de arts 
voldoet daarmee aan de daaraan te stellen eisen. Hij kan en hoeft geen concretere informatie ter 
zake de bronnen geven dan hij zelf uit het aan hem verstrekte dossier kan destilleren.

4.11  De arts heeft ook benoemd dat hij de tekst in het advies heeft ontleend aan de aantekeningen 
in het patiëntendossier. Het college heeft geconstateerd dat de arts in zijn beschrijving van de 
ontvangen medische informatie steeds een samenvatting heeft gegeven van de teksten in het 
betreffende document en dat hij deze teksten niet letterlijk heeft overgenomen. Op basis van de 
documenten die zich in het klachtdossier bevinden, is het college van oordeel dat de arts de 
betreffende informatie telkens correct en proportioneel heeft weergegeven. Dat klaagster de 
letterlijke tekst die de arts heeft gebruikt niet in de verslagen van de fysiotherapeuten (en 
andere zorgverleners) heeft kunnen terugvinden, betekent daarom niet dat de samenvattingen van de arts
onjuist zijn.

4.12  Volgens klaagster heeft de arts ten onrechte genoteerd dat de verdenking op een carpaal 
tunnel syndroom (CTS) met een echo is bevestigd. In de brief van de neuroloog aan de huisarts van 
21 november 2017 staat echter: “aanvullend echo toont wel een medianuscompressie” en in de 
conclusie: “CTS bdz wv polsspalk”. De notitie van de arts is dus niet onjuist.

4.13  Voor hetgeen de arts ter zake de ergotherapie heeft genoteerd, geldt dat dit blijkens het 
dossier is gebaseerd op de van de behandelaar afkomstige informatie. Als het zo is dat die 
informatie onjuist is, dan kan dat de arts niet worden verweten. Hij heeft het betreffende verslag 
immers niet zelf opgemaakt.

4.14  Correct is de stelling van klaagster dat de zin “Het lijkt mij een aanrijding met een laag 
mechanische impact” een aanname van de arts is. Die aanname is navolgbaar gezien de informatie die 
de arts tot zijn beschikking had. De arts heeft daarbij bovendien ook vermeld dat hij geen concrete 
informatie heeft over de toedracht van het ongeval en vraagt daarover nadere informatie op. In die 
zin is zijn beoordeling voorlopig. Het college merkt daarnaast op dat de concrete mechanische 
impact van een aanrijding geen voorspellende waarde heeft voor het optreden, de duur en de ernst 
van daarna optredende klachten (paragraaf 2.1 van de Richtlijn Diagnostiek en Behandeling van 
mensen met Whiplash Associated Disorder I/II van de Nederlandse Vereniging voor Neurologie) en dus 
bij de beoordeling van de klachten niet van doorslaggevend belang is. Van veel groter belang is hoe 
de (pijn)klachten direct na het ongeval waren en hoe zich het beeld van die klachten heeft 
ontwikkeld in de periode daarna. Daar heeft de arts zich dan ook – bij afwezigheid van een rapport 
over de impact – in het bijzonder op gebaseerd. Dat had hij overigens ook moeten doen als er wel 
een rapport over de impact was geweest. Daarbij behoren alle factoren, ook niet 
ongeval-gerelateerde factoren, te worden meegewogen. Aldus komt een medisch adviseur tot een 
beschouwing, namelijk een beschrijving van wat hij in het dossier heeft gezien en wat hij daarvan 
vindt. De arts heeft zorgvuldig en juist gehandeld door te benoemen welke informatie hij niet had, 
deze informatie op te vragen en zijn bevindingen (voorlopig) te baseren op de informatie die hij 
wel had.

4.15  Klaagster stelt dat zij de door de oogarts voorstelde oogdruppels wel heeft gebruikt, maar 
dat het geen verbetering gaf. De arts heeft niet zonder voorbehoud genoteerd dat de oogdruppels 
niet zijn gebruikt, maar heeft vermeld dat deze ‘voor zover hij kon nagaan’ niet zijn gebruikt. De 
arts heeft dus ook op dit punt geen onjuiste conclusie getrokken. Uit de door klaagster overgelegde 
stukken blijkt overigens niet dat zij oogdruppels gebruikt heeft.

4.16  De conclusie van de arts over het resultaat van de behandeling van de pijnklachten, te weten 
dat deze behandelingen geen goed resultaat hadden, is ook niet onjuist. Die conclusie vindt 
namelijk steun in alle stukken die zich in het dossier bevinden. De arts beschrijft dat “ook 
mentale beleving van de klachten een belangrijke factor was”. Klaagster meent dat dit onjuist is, omdat de psycholoog ook geschreven heeft dat zij geen emotionele klachten ervaart en een andere zorgverlener geen ingang zag voor multidisciplinaire behandeling, omdat de psychologische hulpvraag ontbrak. De arts heeft in reactie hierop bij verweerschrift betoogd dat het niet ervaren van emotionele klachten enerzijds en het op alle levensgebieden worden gehinderd door de pijn anderzijds niet met elkaar in tegenspraak is. Het college onderschrijft dat. Daarnaast 
constateert het college dat de zin waar klaagster bezwaar tegen maakt, in de samenvattende 
conclusie is opgenomen en vooraf is gegaan door een alinea waarin de arts heeft weergegeven dat een 
behandeling op de pijnpoli weinig nut leek te hebben vanwege de bestaande psychologische 
problematiek en dat bij klaagster een somatisch symptoomstoornis is vastgesteld, waarvoor therapie 
is ingezet. Die samenvatting is gebaseerd op de stukken die zich in het dossier bevinden. Ook hier 
geldt dat hetgeen de arts schrijft, steun vindt in het dossier.

4.17  Klaagster stelt dat bij haar nooit hyperventilatie en paroxysmale positie duizeligheid (BPPD) 
is vastgesteld en verwijst daarvoor naar het huisartsenjournaal. In dat journaal is echter op 30 
november 2017 een bericht van de KNO-arts opgenomen inclusief de conclusie: “BPPD van het 
posterieure semicirculaire kanaal, (…) Nijmeegse vragenlijst suggestief voor hyperventilatie”. De 
notitie van de arts is dus ook op dit punt correct.

4.18  Verder geldt dat hetgeen de arts meldt over de verbetering die is opgetreden, is gebaseerd op 
de brief van de verzekeringsarts die klaagster in juli 2017 heeft gezien en waarin dit is vermeld. 
Daarnaast heeft de arts dit gebaseerd op de informatie van de verschillende behandelaars (“de 
behandelende sector”) die zich in het dossier bevindt, waaruit inderdaad volgt dat op sommige 
vlakken in de loop der tijd verbetering is opgetreden.

4.19  Ten slotte overweegt het college dat de conclusie van de arts dat in medische zin sprake is 
van een eindsituatie, zeer wel verdedigbaar is. Zoals de arts ook in zijn verweerschrift opmerkt, 
zegt hij daarmee niet dat de klachten van klaagster verdwenen zijn.

4.20  De conclusie van al het voorgaande is dat de weergave in het rapport van de onderliggende 
stukken uit het medisch dossier niet onjuist is. Het betreft verder een weergave van relevante 
informatie die de arts op een navolgbare manier gerangschikt en beoordeeld heeft. Klachtonderdeel 
b) is daarom kennelijk ongegrond.

Klachtonderdeel c) gebruik medisch dossier en gegevens UWV
4.21  Tijdens het mondeling vooronderzoek heeft klaagster desgevraagd gezegd dat het bij dit 
klachtonderdeel alleen gaat om de door de arts gebruikte documentatie van het UWV. Daarom gaat het 
college bij de beoordeling van dit klachtonderdeel alleen hierop in. Uit het dossier blijkt dat de 
arts zelf geen informatie over klaagster heeft opgevraagd bij derden, zoals het UWV, maar dat hij 
zich heeft gebaseerd op de documentatie die aan hem door de verzekeraar is overhandigd. Daarbij 
bevond zich de in het rapport opgesomde informatie uit 2016 en 2017 van het UWV. Uit het door de 
arts overgelegde (concept) expertiserapport van 25 november 2016 blijkt dat bij de gelegenheid van die expertise is besproken dat de advocaat van klaagster de medische informatie van het UWV zou opvragen en aan de verzekeraar verstrekken. Dat klaagster haar advocaat in 2021 gevraagd heeft om geen gegevens van het UWV met de verzekeraar te delen, kan uiteraard geen betrekking hebben op gegevens die voordien al aan de verzekeraar waren 
verstrekt. De arts mocht er bovendien van uitgaan dat de stukken die hem door de verzekeraar zijn 
verstrekt, met toestemming van klaagster aan de verzekeraar waren overhandigd. Hij mocht zijn 
advies (mede) op deze stukken baseren. Ook dit klachtonderdeel is kennelijk ongegrond.

Klachtonderdeel d) belangrijke informatie weggelaten
4.22  De arts heeft een overzicht gemaakt van de gegevens die hem voor zijn beoordeling zijn 
overhandigd. Hij heeft in de rapportage een korte samenvatting gegeven van de gegevens die hij voor 
zijn advies heeft gebruikt. De arts was niet verplicht om alle aan hem verstrekte informatie 
(volledig en letterlijk) te vermelden. Het is voldoende om te vermelden welke informatie relevant 
is en nodig is om de daarop gebaseerde conclusies over de gezondheidsschade en het al dan niet 
bestaan van causaal verband met het ongeval te kunnen volgen en begrijpen. Naar het oordeel van het 
college heeft de arts alle relevante symptomen, diagnoses, behandelingen en het beloop op zakelijke 
wijze beschreven. Daarbij geldt dat een samenvatting voldoende is. De arts is niet verplicht om 
álle bevindingen van behandelaars als de oogarts en de neuropsycholoog letterlijk over te nemen. 
Het college heeft in het dossier geen aanknopingspunt gevonden om te veronderstellen dat de arts 
relevante informatie heeft weggelaten. Klaagster heeft ook niet gespecificeerd welke relevante 
informatie zou zijn weggelaten. Ook kan niet worden geconcludeerd dat door toedoen van de arts een 
compleet vertekend beeld is ontstaan van de fysieke en mentale gezondheid van klaagster. In de aard 
van het medisch advies ligt besloten dat de arts op basis van alle informatie, in onderlinge 
samenhang bezien, rapporteert over de vraag of er wel of geen oorzakelijk verband bestaat tussen de 
klachten en het ongeval. Daarbij geldt dat de arts geen mening heeft gegeven over de toedracht van 
het ongeval. Hij schrijft weliswaar dat de impact van de aanrijding laag lijkt, maar hij vraagt ook 
nadere informatie daarover op. Klachtonderdeel d) is eveneens kennelijk ongegrond.

Klachtonderdeel e) conclusies onvoldoende en onvolledig onderbouwd
4.23  Het advies bevat een uitgebreide beschouwing waarin de relevante aspecten van de zaak worden 
benoemd, zowel ongeval gerelateerd als niet ongeval gerelateerd, met verwijzing naar de medische 
documentatie. Daarbij heeft de arts ook vermeld welke onduidelijkheden resteerden en op die punten 
nadere informatie gevraagd. Het college is van oordeel dat de arts zijn bevindingen en conclusies 
consistent heeft weergegeven en dat deze te volgen zijn. Het college verwijst daarvoor ook naar 
hetgeen bij de voorgaande klachtonderdelen is overwogen, in het bijzonder bij klachtonderdeel b). 
De conclusies zijn voldoende en deugdelijk onderbouwd en gebaseerd op de feiten die uit de medische 
documentatie blijken. Dit geldt óók voor de conclusie van de arts over de psychische problematiek 
van klaagster. Ook daarvoor geldt dat deze steun vindt in de stukken waarop de arts zijn conclusie heeft gebaseerd. Klaagster is het met deze conclusies niet eens, maar dat betekent niet dat de conclusies niet juist zijn. Ook klachtonderdeel e) is kennelijk ongegrond.

Klachtonderdeel f) geen mogelijkheid tot rectificatie of blokkeren rapportage
4.24  Het college verwijst naar hetgeen hiervoor (in 4.4) is overwogen. Het medisch advies is geen 
medische keuring (of expertise), waarbij de mogelijkheid om een rapport te rectificeren of zelfs te 
blokkeren, wél bestaat. De bepalingen in de wet over het recht op inzage en het blokkaderecht zijn 
zoals onder 4.4. al is overwogen, niet van toepassing op het medisch advies zoals in deze zaak aan 
de orde. De betrokkene, die het met het advies niet eens is, heeft de mogelijkheid om een eigen 
medisch adviseur in te schakelen. Die eigen medisch adviseur kan hetzij een eigen advies 
uitbrengen, hetzij met de medisch adviseur van de verzekeraar in overleg of discussie treden, 
hetzij beide. Een recht op inzage, rectificatie of blokkering heeft de betrokkene echter niet. Dit 
klachtonderdeel is eveneens kennelijk ongegrond.

Slotsom
4.25  Uit de overwegingen hiervoor volgt dat alle onderdelen van de klacht
kennelijk ongegrond zijn. Het rapport van de arts voldoet in alle opzichten aan de eisen die 
daarvoor gelden.

5. De beslissing
Het college:
-  verklaart de klacht in al haar onderdelen kennelijk ongegrond.

Deze beslissing is gegeven door N.H.J. Lafghani, voorzitter, M.A.L. Piegza en J.M. Hoevers, 
leden-beroepsgenoten, bijgestaan door N.A.M. Sinjorgo, secretaris, en in het openbaar uitgesproken 
door K.A.J.C.M. van den Berg Jeths-van Meerwijk op 11 februari 2026.