ECLI:NL:TGZRSHE:2026:33 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg 's-Hertogenbosch H2024/7712

ECLI: ECLI:NL:TGZRSHE:2026:33
Datum uitspraak: 11-02-2026
Datum publicatie: 11-02-2026
Zaaknummer(s): H2024/7712
Onderwerp: Onzorgvuldige dossiervorming
Beslissingen: Gegrond, waarschuwing
Inhoudsindicatie: Klager dient een tuchtklacht in tegen een arts in opleiding tot bedrijfsarts die hem begeleidde tijdens zijn ziekte en re-integratie. Hij klaagt over het verlenen van onvoldoende zorg, het geven van onjuiste en tegenstrijdige adviezen, het negeren van het advies van de psycholoog en het niet te vermelden dat zij bedrijfsarts in opleiding is. Klacht gedeeltelijk gegrond. Er is sprake van onvoldoende duidelijke dossiervoering voor wat betreft urenopbouw en reisbeperkingen Verweerster is onvoldoende transparant over het feit dat zij arts in opleiding is en onder supervisie werkte, en haar dossiervoering en adviezen over re-integratie en reisbeperkingen zijn onvoldoende duidelijk. Waarschuwing.


REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG TE ’S-HERTOGENBOSCH

Beslissing van 11 februari 2026 op de klacht van:

[A],
wonende in [B],
klager,

tegen

[C],
arts in opleiding tot bedrijfsarts, verder: (bedrijfs)arts (i.o.),
(destijds) werkzaam in [D],
verweerster,
gemachtigde: mr. M.F. Mooibroek, werkzaam in .....


1. De zaak in het kort
1.1   Klager is sinds juli 2023 ziek. Zijn werkgever is aangesloten bij een arbodienst. Verweerster 
is werkzaam bij deze arbodienst. Verweerster heeft enige tijd de verzuimbegeleiding van klager 
verzorgd tijdens zijn arbeidsongeschiktheid en adviezen gegeven aan zowel klager als zijn 
werkgever. Klager is van mening dat verweerster deze begeleiding onvoldoende heeft uitgevoerd en 
daarmee heeft gehandeld in strijd met hetgeen van een behoorlijk (bedrijfs)arts (i.o.) mag worden 
verwacht. Daarnaast heeft verweerster zich voorgedaan als bedrijfsarts terwijl zij nog in opleiding 
was. Volgens klager heeft verweerster gehandeld in strijd met de toepasselijke regelingen. 
Verweerster is van mening dat zij volgens de geldende standaarden heeft gewerkt en dat haar niets 
kan worden verweten.

1.2  Het college komt tot het oordeel dat de klacht gedeeltelijk gegrond is. Hierna licht het 
college dat toe.

2. De procedure
2.1  De procedure blijkt uit:
-  het klaagschrift met bijlagen, ontvangen op 9 oktober 2024;
-  het verweerschrift met bijlagen, ontvangen per e-mail op 9 januari 2025 en per post op 13 januari 2025.

2.2   De partijen hebben de gelegenheid gekregen om onder leiding van een secretaris van het 
college met elkaar in gesprek te gaan (mondeling vooronderzoek). Daarvan hebben zij

2.3   De zaak is behandeld op de openbare zitting van 17 december 2025. De partijen zijn 
verschenen. Verweerster werd bijgestaan door haar gemachtigde. De partijen en de gemachtigde van 
verweerster hebben hun standpunten mondeling toegelicht. De gemachtigde van verweerster heeft een 
pleitnotitie voorgelezen en aan het college en de andere partij overhandigd.

3. De feiten
3.1   Klager is bekend met een voorgeschiedenis van chronische nek- en rugklachten, waarvoor hij 
onder behandeling is geweest bij een neuroloog en een orthopedisch chirurg. Een oorzaak voor deze 
chronische klachten is niet gevonden.

3.2   Klager was sinds 1 maart 2023 werkzaam bij zijn werkgever en volgde een opleiding voor de 
functie van controlemedewerker. Dit is een opleiding van één jaar. Voor deze opleiding diende 
klager een aantal keren per week naar .... af te reizen vanaf zijn woonplaats
[B]. Ook was de opleiding deels in .....

3.3   Klager heeft zich op 17 juli 2023 ziekgemeld bij zijn werkgever. Van 26 juli 2023 tot en met 
11 maart 2024 heeft verweerster, die als arts in opleiding tot bedrijfsarts werkte, hem begeleid 
onder supervisie van een bedrijfsarts. In die periode hebben vier consulten plaatsgevonden.

3.4   Verweerster sprak klager voor de eerste keer op 26 juli 2023. In het medisch dossier van 
klager is, (alle citaten voor zover van belang en ongecorrigeerd weergegeven), het volgende 
opgenomen:
“(…)
Uw werknemer is niet / verminderd in staat om zich alleen onder vreemden/in drukke omgevingen te 
begeven, ook in het verplaatsen/reizen spelden deze beperkingen een rol. (…)
Re-integratie advies
Uw werknemer verzuimt met medisch objectiveerbare aandoening waarbij ik adviseer om de komende week 
de focus op herstel te leggen. Daarna adviseer ik om, voor zijn vakantie, in gesprek te gaan over 
de werkgerelateerde factoren om tot structurele oplossingen te komen. In mijn optiek zal deze ten 
goede komen van de belastbaarheid. Uw werknemer kan dan een start maken met re-integratie. Uw 
werknemer kan starten met 3x2 uur per week en bij goede voortgang verder opbouwen.”

3.5   Op 13 september 2023 kwam klager opnieuw naar het spreekuur van verweerster. In het medisch 
dossier is het volgende opgenomen:
“(…)
Uw werknemer is niet / verminderd in staat om zich alleen onder vreemden/in drukke omgevingen te 
begeven, ook in het verplaatsen/reizen spelden deze beperkingen een rol.
(…)
Er is geen sprake van fysieke beperkingen die voortvloeien uit ziekte of aandoening.
(…)
Uw werknemer verzuimt met een medisch objectiveerbare aandoening deels door een werkgerelateerde 
situatie. Ik adviseer om in gesprek te gaan over de werkgerelateerde situatie om tot structurele 
oplossingen te komen. (…)
Daarnaast adviseer is om een start te maken met de re-integratie. Uw werknemer kan bijvoorbeeld 2 
dagen zijn opleiding op locatie volgen en naar eigen inschatting de zelfstudiedagen uitbreiden. 
Maak hier concrete afspraken over. Er dient tussentijds contact onderhouden te worden tussen de 
werkgever en werknemer, o.a. voor evaluatie.
(…)
Verder verwijs ik uw werknemer door naar een specialistische behandelaar om zijn herstel verder te 
bevorderen.
Gaarne over 6 weken vervolgafspraak bij de bedrijfsarts inplannen.”

3.6   Op 9 november 2023 volgende een nieuw contactmoment met verweerster. Klager was op eigen 
initiatief naar de fysiotherapeut gegaan via de “Directe Toegang Fysiotherapie”. Voorts is in het 
medisch dossier, voor zover thans van belang, het volgende opgenomen: “(…)
Uw werknemer is niet / verminderd in staat om zich alleen onder vreemden/in drukke omgevingen te 
begeven, ook in het verplaatsen/reizen spelden deze beperkingen een rol. (…)
Er is geen sprake van fysieke beperkingen die voortvloeien uit ziekte of aandoening
(…)
Re-integratie advies
Uw werknemer verzuimt met een medisch objectiveerbare aandoening, deels door een werkgerelateerde 
situatie. Ik adviseer om in gesprek te gaan over de werkgerelateerde situatie om tot structurele 
oplossingen te komen. (…)
Daarnaast adviseer ik om een start te maken met de re-integratie. Uw werknemer kan bijvoorbeeld 2 
dagen zijn opleiding op locatie volgen en naar eigen inschatting de zelfstudiedagen uitbreiden. 
Maak hier concrete afspraken over. Er dient tussentijds contact onderhouden te worden tussen de 
werkgever en werknemer, o.a. voor evaluatie.
Bij goede voortgang adviseer ik om de opleiding volledig op te pakken.
Verder is uw werknemer doorverwezen naar een specialistisch behandelaar om zijn herstel verder te 
bevorderen.
Tenslotte, medewerker heeft een second opinion aangevraagd. Gaarne over 8 weken vervolgafspraak bij 
de bedrijfsarts inplannen.”

3.7   Klager heeft op 23 november 2023 een intake gehad bij een psycholoog. In de brief van de 
psycholoog aan verweerster werd, voor zover van belang, het volgende opgemerkt: “(…)
De diagnostiek toont dat op het werk veel stressoren worden ervaren. Overbelasting en 
werkplekgebondenheid spelen een rol. Ook ervaart (klager) gebrek aan sociale ondersteuning vanuit zijn leidinggevende en collega’s. Het werk wordt ook gezien als onvoldoende zinvol met als gevolg het piekeren. (…)”.
Er werd vervolgens gestart met een behandeling door de psycholoog.

3.8   Op 27 november 2023 heeft klager verweerster daadwerkelijk geïnformeerd dat de huisarts hem 
had geadviseerd om paracetamol en naproxen te gebruiken en naar een fysiotherapeut en psycholoog te 
gaan.

3.9  De fysiotherapeut maakte een evaluatierapport op dat werd gedateerd op
28 november 2023. In dit rapport werd – kort gezegd – geconcludeerd dat de nek- en rugklachten het 
gevolg waren van psychosociale factoren. Voorts werd, voor zover van belang, opgemerkt:
“(…)
Vanuit fysiotherapeutische behandeling is er geadviseerd om samen met meneer te gaan zoeken naar 
manieren om hem wel naar zijn werk te krijgen. Thuis blijven wordt gezien als negatieve 
prognostische factor dus als dat beinvloedt kan worden zou dat goed zijn voor zijn herstel. (…)”.

3.10  Op 21 december 2023 heeft verweerster telefonisch overleg gehad met de psycholoog. Deze 
adviseerde om klager tijd te geven voor herstel. Verweerster heeft dit in het dossier genoteerd.

3.11  Op 10 januari 2024 is een second opinion uitgevoerd. In het rapport is, voor zover van 
belang, het volgende opgenomen:
“(…)
Enerzijds is weliswaar sprake van beperkingen op verschillende vlakken (…) tegelijkertijd zijn
er in principe op medische gronden (theoretisch) mogelijkheden voor re-integratie.
Wel schrijft de psycholoog in november nog dat het belangrijk is om “Betrokkene tijd (te) geven om 
te herstellen (…) alvorens er weer sprake is van re-integratie of voortzetting van de werkzaamheden 
en leertrajecten”. Tegelijkertijd voldoet betrokkene zijn situatie niet aan het ‘Geen Duurzaam 
Benutbare Mogelijkheden’- criterium, dus met inachtneming van de
richtlijn Psychische problemen (…) zouden re-integratiemogelijkheden geduid kunnen worden.
Echter, mijns inziens is sprake van een dusdanig verstoorde arbeidsrelatie, dat deze niet alleen 
het herstel van klachten en beperkingen op korte termijn in de weg staat, maar tegelijkertijd op 
middellange en langere termijn ook klachten en beperkingen (verder / opnieuw) kan doen toenemen als 
hier geen oplossing voor gevonden wordt. (…).
Conform de genoemde richtlijn lijkt mij hiervoor de inzet van een onafhankelijke (bv Mfn-) mediator 
aangewezen.
(…)”.

3.12  Op 18 januari 2024 vond een volgend consult plaats bij verweerster. Naar aanleiding daarvan 
werd geadviseerd om een mediator in te schakelen. In de rapportage werden geen beperkingen meer opgenomen met betrekking tot reizen.

3.13  Verweerster is daarna zelf uitgevallen wegens ziekte zodat de begeleiding van klager werd 
overgenomen door een collega van verweerster.

3.14  Klager stuurde verweerster op 5 maart 2024 een e-mail met 7 vragen ter beantwoording door 
verweerster. Op 12 maart 2024 stuurde klager een rappel waarbij tevens werd verzocht om aan te 
geven per wanneer verweerster niet meer werkzaam was bij de betreffende arbodienst.

4. De klacht en de reactie van verweerster
4.1  Klager maakt verweerster de volgende verwijten:
1)   zij heeft niet heeft gehandeld volgens de KNMG-Gedragscode 1 en 9 voor artsen en zij heeft de 
      zorg en informatieplicht voor artsen op grond van de WGBO geschonden; 
2)   zij heeft bij haar werkzaamheden niet de zorg van een goed hulpverlener in acht genomen en 
      daarbij niet gehandeld in overeenstemming met de op haar rustende verantwoordelijkheid, 
      voortvloeiende uit de voor hulpverleners geldende professionele standaard (art. 7:453 BW);
3)   zij heeft klager ten onrechte niet doorverwezen naar de gecontracteerde fysio van het werk, en 
      daarmee de chronische nek-, rug- en knieklachten niet serieus genomen. Hiermee heeft zij tevens           
      KNMG-Gedragscode 2 geschonden;
4)   zij heeft als bedrijfsarts opgetreden terwijl zij dit specialisme niet heeft en daarbij werkte zij onder
      supervisie van een andere (bedrijfs)arts, wat nooit aan klager kenbaar gemaakt is;
5)   de psycholoog heeft aan verweerster aangegeven/gerapporteerd dat klager een burn-out heeft/in 
      een burn-out zit. Er is ook nog een (telefonisch) overleg geweest tussen de psycholoog en verweerster.
      Het rapport en advies van de psycholoog heeft verweerster echter (willens en wetens) totaal genegeerd;
 6)   zij heeft onjuiste en op onprofessionele wijze diagnose(s)/behandeling(en) en rapportages/adviezen (op)gesteld.

4.2  Verweerster heeft het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren.

4.3  Het college gaat hieronder verder in op de standpunten van partijen.

5. De overwegingen van het college
Welke criteria gelden bij de beoordeling?
5.1   De vraag is of verweerster de zorg heeft verleend die van haar verwacht mocht worden. De norm 
daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende (bedrijfs)arts (i.o). Bij de beoordeling 
wordt rekening gehouden met de voor de zorgverlener geldende beroepsnormen en andere professionele 
standaarden. Dat een zorgverlener beter anders had kunnen handelen is niet altijd genoeg voor een 
tuchtrechtelijk verwijt. Verder geldt het uitgangspunt dat zorgverleners alleen tuchtrechtelijk verantwoordelijk zijn voor hun eigen handelen.

Klachtonderdeel 1) niet geluisterd en niet geïnformeerd
5.2   Volgens klager heeft verweerster niet gehandeld volgens de KNMG-Gedragscode 1 en 9 voor 
artsen en de zorg en informatieplicht voor artsen geschonden op grond van de WGBO. Verweerster 
heeft de gezondheid en het welzijn van klager niet vooropgesteld, niet naar zijn klachten 
geluisterd, hem niet geïnformeerd over zijn behandeling en herhaaldelijk geweigerd antwoord te 
geven op zijn vragen. Met betrekking tot het laatste verwijt, heeft klager verwezen naar het niet 
beantwoorden van zijn e-mails van 5 maart 2024 en 12 maart 2024.

5.3   Verweerster voert aan dat zij de Gedragscode niet heeft geschonden. Zij heeft steeds 
geluisterd naar de klachten en naar hetgeen voor klager mogelijk was in het kader van zijn werk. 
Dat is ook haar opdracht. Daarbij is zij steeds zorgvuldig te werk gegaan. Verweerster is op enig 
moment zelf ziek geworden, waardoor zij de mails van klager niet heeft gezien. Klager werd toen 
door een andere arts begeleid. Overigens komen de adviezen van verweerster overeen met die van de 
andere door klager geraadpleegde hulpverleners.

5.4   Voor zover klager erover klaagt dat verweerster zijn gezondheid niet heeft vooropgesteld, 
niet naar zijn klachten heeft geluisterd en hem niet heeft geïnformeerd over zijn behandeling, 
stelt het college vast dat deze klacht in algemene zin is verwoord en dat klager deze stelling niet 
nader heeft toegelicht met feiten. Dit leidt ertoe dat het college dit klachtonderdeel niet kan 
beoordelen zodat dit klachtonderdeel daarom ongegrond is. Het college heeft niettemin aanleiding 
gezien ambtshalve het medisch dossier van klager te beoordelen, maar kan niet vaststellen dat 
verweerster de klachten van klager onvoldoende heeft uitgevraagd of hem (in algemene zin) niet 
serieus heeft genomen. Voor wat betreft het niet informeren over de behandeling geldt overigens dat 
het niet de taak is van verweerster om klager te behandelen, maar om – kort gezegd – te beoordelen 
of sprake is van benutbare mogelijkheden op het werk. Daarover heeft zij ook daadwerkelijk advies 
uitgebracht.

5.5   Voor wat betreft het niet beantwoorden van vragen, heeft klager dit klachtonderdeel nader 
onderbouwd met een verwijzing naar zijn e-mails van 5 maart 2024 en 12 maart 2024. Vast staat dat 
verweerster op dat moment zelf was uitgevallen wegens ziekte en dat de begeleiding inmiddels was 
overgenomen door een collega van verweerster. Aan verweerster kan dan ook niet worden verweten dat 
zij deze vragen niet (meer) heeft beantwoord. Dit was immers niet meer aan haar. Klachtonderdeel 1) 
is op grond van het voorgaande ongegrond.

Klachtonderdeel 2) geen goede zorg verleend
5.6   Volgens klager heeft verweerster bij haar werkzaamheden niet de zorg van een goed 
hulpverlener in acht genomen en heeft zij niet gehandeld in overeenstemming met de op haar rustende 
verantwoordelijkheid, voortvloeiende uit de voor hulpverleners geldende professionele standaard 
(artikel 7:453 BW). Klager heeft verweerster uitgelegd dat hij niet naar ..../.... kon reizen vanwege nek-rug- en knieklachten, misselijkheid en duizeligheid. Verweerster antwoordde dat hij ook naar het consult in …. was gereisd. Klager is een keer naar .... gegaan en daardoor zijn de klachten verergerd, waardoor hij zich weer volledig ziek moest melden.

5.7   Verweerster stelt dat zij begrijpelijke en verdedigbare adviezen heeft gegeven. Omdat sprake 
was van een arbeidsconflict, heeft verweerster de NVAB-richtlijn ‘Conflicten in de werksituatie’ 
gevolgd. Ze heeft in het opbouwschema voor het te werken aantal uren rekening gehouden met de 
beperkingen van klager. Klager heeft niet kenbaar gemaakt dat zijn nek- en rugklachten het 
opbouwschema verstoorden. Klager heeft niet verteld dat hij ook naar .... moest reizen. Klager is 
steeds akkoord gegaan met de gegeven adviezen. Uit de
stukken volgt niet dat er een arbeids- of reisbeperking was als gevolg van de nek- en rugklachten. 
De neuroloog, orthopeed, fysiotherapeut en second opinion-arts hebben dit ook niet vastgesteld. De 
supervisor van verweerster heeft de verslagen van verweerster steeds beoordeeld en het beleid 
geaccordeerd.

5.8   Het college is van oordeel dat dit klachtonderdeel ongegrond is. Daartoe wordt het volgende 
overwogen en wordt uitgegaan van de volgende feiten en omstandigheden.
In het medisch dossier van klager is aanvankelijk opgenomen dat er sprake was van reisbeperkingen. 
Verweerster heeft tijdens de zitting nader toegelicht dat sprake was van beperkingen voor het werk 
omdat er sprake was van een arbeidsconflict. Omdat er geen sprake was van een conflict met 
betrekking tot de te volgen opleiding heeft verweerster gemeend dat zij klager kon adviseren om 
door te gaan met de opleiding. Verweerster heeft ter zitting ook opgemerkt dat de fysieke 
beperkingen die klager in zijn klaagschrift heeft genoemd, niet zijn genoemd tijdens de consulten. 
Uit het medisch dossier blijkt evenmin dat klager zodanige fysieke beperkingen heeft benoemd, dat 
daaruit zou moeten worden geconcludeerd dat hij niet kon reizen. Klager heeft tijdens de zitting 
opgemerkt dat reizen naar .... nog wel mogelijk was. Verweerster heeft ook in haar advies 
uitdrukkelijk opgemerkt dat werkgever en werknemer in overleg dienden te treden hoe het volgen van de opleiding kon worden vormgegeven, waarmee beoogd is de reisbeperking te beperken tot het reizen naar eigen werk. Dit 
advies is navolgbaar. Hoewel opgemerkt moet worden dat verweerster dit advies meer handen en voeten 
had kunnen geven – zie ook hetgeen bij de klachtonderdelen 5) en 6) wordt overwogen – kan in het 
algemeen niet worden vastgesteld dat zij ten onrechte geen rekening heeft gehouden met een 
reisbeperking bij haar advies tot het volgen van de opleiding. Daarbij komt dat onbestreden is dat 
klager heeft ingestemd met de door verweerster gegeven adviezen. Indien met de werkgever geen 
afspraken konden worden gemaakt over de wijze waarop het reizen naar de opleiding kon worden 
vormgegeven, mocht van klager worden verwacht dat hij verweerster daarop attent zou maken.

Klachtonderdeel 3) weigering om naar gecontracteerde fysio van het werk te verwijzen
5.9   Klager stelt dat verweerster hem ten onrechte niet heeft doorverwezen naar de gecontracteerde 
fysiotherapeut van het werk, en daarmee de chronische nek-, rug- en knieklachten niet serieus heeft genomen. Hiermee heeft de arts tevens KNMG-Gedragscode 2 geschonden.
Tijdens het 3e consult heeft klager immers gevraagd om verwijzing vanwege chronische 
nek-rug-knieklachten. Dat heeft verweerster geweigerd.

5.10  Verweerster heeft opgemerkt dat klager haar niet om een verwijzing naar de 
bedrijfsfysiotherapeut heeft gevraagd. Bovendien is daarvoor geen verwijzing nodig. Het behoort 
niet tot de primaire taken van verweerster als (bedrijfs)arts (i.o.) om een werknemer door te 
verwijzen in de reguliere zorg (zie ECLI:NL:TGZRAMS:2022:93, overweging 4.7). Klager was bovendien 
al onder behandeling van een fysiotherapeut.

5.11  Het college is van oordeel dat ook dit klachtonderdeel ongegrond is. Volgens vaste 
rechtspraak behoort het niet tot de primaire taken van de (bedrijfs)arts (i.o.) om een werknemer 
door te verwijzen in de reguliere zorg. Weliswaar kan een (bedrijfs)arts (i.o.) in specifieke 
gevallen een verwijstaak hebben als het bijvoorbeeld gaat om arbeidsrelevante of werkgerelateerde 
aandoeningen, maar dat was in dit geval niet aan de orde. Overigens staat vast dat klager zelf de 
fysiotherapeut heeft kunnen contacteren en daar ook onder behandeling is gekomen.

Klachtonderdeel 4) zich als bedrijfsarts voorgedaan en niet gezegd dat ze onder supervisie werkt
5.12  Klager verwijt verweerster dat zij als bedrijfsarts is opgetreden terwijl zij dit specialisme 
niet heeft. Zij werkt onder supervisie van een andere (bedrijfs)arts, wat nooit aan hem kenbaar is 
gemaakt. Zij heeft ten onrechte als bedrijfsarts gecommuniceerd en in die hoedanigheid stukken 
opgemaakt, zoals de vermelding van haar naam als bedrijfsarts onder de probleemanalyse.

5.13  Verweerster voert hiertegen het volgende aan. Zij heeft klager verteld dat zij als arbo-arts 
(dat wil zeggen in dienst van de arbodienst) en onder supervisie van een
bedrijfsarts werkte. Ze heeft zich niet voorgedaan als bedrijfsarts en haar berichten ook niet als 
zodanig ondertekend.

5.14  Het college stelt vast dat in het medisch dossier van klager niet is opgenomen de mededeling 
dat verweerster onder supervisie werkte. Dat betekent dat het college ook niet kan vaststellen dat 
verweerster daadwerkelijk deze mededeling heeft gedaan, nu klager dit betwist. In de richtlijn 
‘Standpunt delegatie van taken door de bedrijfsarts en supervisie’ is onder meer vastgelegd dat de 
bedrijfsarts en de gesuperviseerde arts de werknemer dienen te informeren over de supervisie, op 
een zodanige wijze dat de functie en de specifieke taak van de gesuperviseerde duidelijk is voor de 
werknemer en hij weet wie de verantwoordelijke bedrijfsarts is. Verder is bepaald dat de 
gesuperviseerde en de bedrijfsarts laten weten hoe en wanneer de werknemer de verantwoordelijke 
bedrijfsarts kan bereiken. Nu uit het medisch dossier niet blijkt van het geven van deze informatie 
aan klager en het college vast stelt dat verweerster op momenten ook onduidelijkheid heeft laten 
bestaan over de supervisie door niet uitdrukkelijk in de stukken te vermelden dat zij arts – en niet bedrijfsarts – 
was, terwijl gebleken is dat het toevoegen van de functie “arts” wel tot de mogelijkheden behoorde 
in het digitale systeem, is dit klachtonderdeel gegrond.

Klachtonderdeel 5) burn-out diagnose van psycholoog genegeerd en klachtonderdeel 6) (wijzigingen 
van) adviezen niet gemotiveerd
5.15  Het college zal de klachtonderdelen 5) en 6) gezamenlijk behandelen, gelet op hun onderlinge 
samenhang.

5.16  Klager heeft ter onderbouwing van deze klachtonderdelen aangevoerd dat de psycholoog aan 
verweerster heeft aangegeven/gerapporteerd dat klager een burn-out heeft/in een burn-out zit. Er is 
ook nog een (telefonisch) overleg geweest tussen de psycholoog en verweerster, waarvan verweerster 
aantekening in het dossier heeft gemaakt. Desondanks heeft de arts het rapport en advies (willens 
en wetens) totaal genegeerd. Verweerster heeft ook op onjuiste en op onprofessionele wijze 
diagnose(n)/behandeling(en) én rapportages/adviezen (op)gesteld. Na het eerste consult was het 
advies 3 x 2 uur re-integreren en na het tweede consult 16 uur, terwijl de medische situatie van 
klager onveranderd was. Tevens stelde ze dat er een reisbeperking gold, maar klager moest toch 2 
dagen per week naar ..../..... Deze reisbeperking is later weggehaald. De adviezen zijn
partijdig/niet logisch/tegenstrijdig en daardoor medisch onverantwoord. Verweerster heeft een 
onjuiste diagnose gesteld en de aanhoudende chronische klachten van klager genegeerd. De collega 
bedrijfsarts heeft wel de juiste diagnose en advies gegeven.

5.17  Verweerster voert aan dat zij de informatie van de psycholoog wel heeft meegewogen. De 
bevindingen van de psycholoog staan in haar verslag. Zij heeft voorts aangevoerd dat zij 
begrijpelijke en verdedigbare adviezen heeft gegeven. Daarbij heeft zij verwezen naar de 
NVAB-richtlijn ‘Conflicten in de werksituatie’. Ze heeft in het opbouwschema rekening gehouden met 
de beperkingen van klager. Klager heeft bepaalde klachten niet aan verweerster kenbaar gemaakt.

5.18  Het college oordeelt als volgt. Voor zover dit klachtonderdeel ziet op de onbegrijpelijke 
beoordeling van verweerster dat klager wel naar zijn opleiding kon reizen terwijl deze in .... en 
.... moest worden gevolgd, stelt het college vast dat dit onderdeel
reeds is beoordeeld onder klachtonderdeel 2), waarnaar wordt verwezen. Voor het overige stelt het 
college vast dat klachtonderdelen 5) en 6) er – kort gezegd – op neerkomen dat verweerster een 
onvoldoende duidelijke dossiervoering heeft gevoerd voor wat betreft urenopbouw en reisbeperkingen 
in het algemeen. Het college is van oordeel dat deze klachtonderdelen gegrond zijn. Daarvoor is het 
volgende redengevend. Ook voor het college blijft op grond van hetgeen in het medisch dossier is 
opgenomen, onduidelijk op welke wijze verweerster overleg heeft gevoerd met de psycholoog en de 
fysiotherapeut. Ook blijft onduidelijk op welke wijze zij de door hen ontvangen informatie heeft 
gewogen om tot haar beoordeling te kunnen komen als het gaat om het advies met betrekking tot de 
reisbeperking en de urenopbouw. Dat was in het onderhavige geval zeker van belang nu het advies van verweerster op deze voor klager essentiële onderdelen afweek van hetgeen de psycholoog en de fysiotherapeut adviseerden. Weliswaar heeft de fysiotherapeut wel opgemerkt dat thuisblijven een negatief effect zou kunnen hebben op het herstel van klager, maar daarmee is nog niet duidelijk waarom het advies voor de urenopbouw uiteindelijk neerkwam op 16 uur werken per week terwijl de 3 x 2 uur nog niet goed was ingezet. Ook heeft verweerster nagelaten inzichtelijk te maken waarom de reisbeperking aanvankelijk wel werd opgelegd terwijl deze beperking in het verslag van het consult 
van 18 januari 2024 op geen enkele wijze meer terugkomt zonder dat zij op enigerlei wijze heeft benoemd waarom de reisbeperking was komen te vervallen. Daarmee is in het licht van de rapportage de door verweerster weergegeven conclusie en het daarbij behorende advies onbegrijpelijk. Van verweerster mocht en mag worden verwacht dat zij inzichtelijk maakt wat er van zowel werkgever als van werknemer wordt verwacht in het licht van de re-integratie en benutbare mogelijkheden. Dat heeft zij niet gedaan.

Slotsom
5.19  Uit de overwegingen hiervoor volgt dat klachtonderdelen 4), 5) en 6) gegrond zijn en de 
andere klachtonderdelen ongegrond.

Maatregel
5.20  Nu de klacht deels gegrond is, moet het college bepalen welke maatregel passend is. Het 
college neemt daarbij het volgende in aanmerking. Het is van evident belang dat een arts in 
opleiding tot bedrijfsarts transparant is over haar positie en het feit dat zij onder supervisie 
werkt. Dat betekent ook dat het de verantwoordelijkheid is van de bedrijfsarts in opleiding tot 
specialist bedrijfsartsgeneeskunde om van dergelijke mededelingen aantekening te maken in het 
medisch dossier van de zieke werknemer. Ook in verdere correspondentie vereist dit een 
zorgvuldigheid om, waar mogelijk, aantekening te maken van de juiste hoedanigheid. Verweerster 
heeft dat niet gedaan. Voorts heeft verweerster nagelaten om duidelijk en transparant te zijn in 
haar adviezen, zowel richting werkgever als richting werknemer, waar het betrof de afspraken 
omtrent reizen naar de opleiding en het starten van mediation. Juist in geval er ook sprake is van 
een (mogelijk) arbeidsconflict, mag van een bedrijfsarts (ook als deze nog in opleiding is) worden 
verwacht dat zij heldere en navolgbare adviezen geeft. Dat heeft verweerster in dit geval 
nagelaten. In beginsel zou daarmee een berisping op zijn plaats zijn. Anderzijds weegt het college 
ook mee dat de arts nog onder supervisie van de bedrijfsarts werkte en gaat het college ervan uit 
dat de opleider de rapportages en adviezen mede heeft beoordeeld en verweerster in beginsel op deze 
beoordeling mocht vertrouwen. Hoewel dat niet afdoet aan de eigen verantwoordelijkheid van 
verweerster, weegt het naar het oordeel van het college wel mee in de uiteindelijk op te leggen 
maatregel. Daarbij heeft het college ook de indruk dat verweerster zich bewust is geworden van de 
verbeterpunten en dat zij daar ook aan wil werken. Dit alles maakt dat het college de maatregel van 
waarschuwing passend vindt.

Publicatie
5.21  In het algemeen belang zal deze beslissing worden gepubliceerd. Dit algemeen belang is erin 
gelegen dat andere bedrijfsartsen (in opleiding) mogelijk iets kunnen leren van deze zaak. De 
publicatie zal plaatsvinden zonder vermelding van namen of andere tot personen of instanties 
herleidbare gegevens.

6  De beslissing
Het college:
-  verklaart de klachtonderdelen 4), 5) en 6) gegrond;
-  legt verweerster de maatregel op van waarschuwing;
-  verklaart de klacht voor het overige ongegrond;
-  bepaalt dat deze beslissing, nadat die onherroepelijk is geworden, zonder vermelding van namen 
   of andere herleidbare gegevens in de Nederlandse Staatscourant zal worden bekendgemaakt en ter 
   publicatie zal worden aangeboden aan het Tijdschrift voor Bedrijfs- en Verzekeringsgeneeskunde en 
   Medisch Contact.

Deze beslissing is gegeven door K.A.J.C.M. van den Berg Jeths-van Meerwijk, voorzitter en
R.P.J. Ansem en P.E. Rodenburg, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door T.G. Nijenkamp, secretaris, 
en in het openbaar uitgesproken door K.A.J.C.M. van den Berg Jeths-
van Meerwijk op 11 februari 2026.