ECLI:NL:TGZRSHE:2026:32 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg 's-Hertogenbosch H2025/8139

ECLI: ECLI:NL:TGZRSHE:2026:32
Datum uitspraak: 11-02-2026
Datum publicatie: 11-02-2026
Zaaknummer(s): H2025/8139
Onderwerp: Onjuiste verklaring of rapport
Beslissingen: Gegrond, berisping
Inhoudsindicatie: Klacht tegen bedrijfsarts over de 26-weken rapportage waarin deze onjuist vermeldt dat een (telefonisch) consult heeft plaatsgevonden en, zonder informatie over een operatie die heeft plaatsgevonden, rapporteert dat herstel binnen 26 weken niet mogelijk is. Het college overweegt dat de 26-weken-verklaring voor de werknemer een zwaarwegend document is, nu deze in een UWV-procedure over beëindiging van het dienstverband betekenis kan hebben. De bedrijfsarts heeft onzorgvuldig gehandeld door niet te vermelden dat het consult niet heeft plaatsgevonden en door niet naar de actuele situatie na de operatie te informeren, waarmee zijn advies onvoldoende inzichtelijk en toetsbaar is. Volgt de maatregel van berisping.


REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG TE ’S-HERTOGENBOSCH

Beslissing van 11 februari 2026 op de klacht van:

[A],
wonende in [B],
klager,

tegen

[C],
bedrijfsarts,
werkzaam in [D],
verweerder, hierna ook: de bedrijfsarts,
gemachtigde: mr. D. Schut-Wolfs, werkzaam in Amsterdam.

1. De zaak in het kort
1.1  Klager liep op 18 augustus 2022 handletsel op en meldde zich op 4 oktober 2022 ziek voor zijn 
werk. Verweerder, de bedrijfsarts, begeleidde klager tijdens zijn re-integratie. Klager onderging 
operaties aan zijn hand op 2 oktober 2023 en 17 september 2024.
Op 12 november 2024 rapporteerde verweerder in antwoord op vragen van de werkgever dat herstel van 
klager binnen 26 weken voor zowel eigen als aangepast werk niet mogelijk was.

1.2   Klager verwijt verweerder dat hij in het spreekuurverslag van 12 november 2024 ten onrechte 
heeft vermeld dat een (telefonisch) consult had plaatsgevonden. Ook verwijt klager verweerder dat 
hij zonder actuele medische informatie en zonder contact met klager tot een voorbarige conclusie is 
gekomen over het uitblijven van herstel binnen 26 weken. Het college verklaart de klacht gegrond en 
legt verweerder de maatregel van berisping op.

2. De procedure
2.1  De procedure blijkt uit:
-  het klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 10 februari 2025;
-  het verweerschrift met de bijlagen, ontvangen per e-mail op 7 mei 2025 en per post op 9 mei 2025;

2.2   De partijen hebben de gelegenheid gekregen om onder leiding van een secretaris van het 
college met elkaar in gesprek te gaan (mondeling vooronderzoek). Daarvan hebben zij geen gebruik gemaakt.

2.3   De zaak is behandeld op de openbare zitting van 17 december 2025. De partijen zijn 
verschenen. Verweerder werd bijgestaan door zijn gemachtigde. De partijen en de gemachtigde van 
verweerder hebben hun standpunten mondeling toegelicht.

3. De feiten
3.1  Klager heeft op 18 augustus 2022 een ongeval waarbij hij een handwortelbotje breekt. Klager 
meldt zich op 4 oktober 2022 ziek voor zijn werk. Hij is op 2 oktober 2023 aan zijn hand 
geopereerd. Verweerder begeleidt hem als bedrijfsarts tijdens de re-integratie.

3.2  Op 6 juni 2024 en 4 juli 2024 rapporteert verweerder aan de werkgever van klager dat sprake is 
van een eindtoestand van het herstel van klager en dat hij passend werk kan doen, rekening houdend 
met de beperkingen die staan vermeld in het op 8 februari 2024 opgestelde belastbaarheidsprofiel.

3.3   Op 15 augustus 2024 en 13 september 2024 rapporteert verweerder aan de werkgever van klager 
dat het belastbaarheidsprofiel van 8 februari 2024 geldt tot 17 september 2024, omdat klager op die datum een nieuwe operatie aan zijn hand krijgt en nog niet duidelijk is hoelang hij zijn hand dan niet zal kunnen gebruiken. In de rapportage van 13 september 2024 staat ook dat er geen vervolgconsult zal plaatsvinden wegens het bereiken van het einde van de wachttijd begin oktober.

3.4  Op 17 september 2024 wordt klager opnieuw aan zijn hand geopereerd.

3.5   Op 12 november 2024 rapporteert verweerder in het kader van de 26-weken verklaring. 
Verweerder rapporteer als volgt (alle citaten voor zover van belang en ongecorrigeerd weergegeven):
Op 12-11-2024 had uw werknemer een (telefonisch) consult met de bedrijfsarts. Hieronder volgt een 
terugkoppeling daarvan.
(…)
Eventuele toelichting:
Uw vragen en mijn antwoorden:
Vraag 1. – In hoeverre is herstel voor het verrichten van het eigen werk binnen 26 weken mogelijk:
Antwoord 1. Herstel voor het verrichten van het eigen werk binnen 26 weken is niet mogelijk.
Vraag 2. – In hoeverre zijn er mogelijkheden om het aangepaste werk binnen 26 weken te verrichten?
Antwoord 2. Er zijn geen mogelijkheden om het aangepaste werk binnen 26 weken te verrichten.
Vervolg:
Geen vervolgconsult
(…)

4. De klacht en de reactie van de bedrijfsarts
4.1  Klager verwijt verweerder:
1.   dat hij onjuistheden heeft vermeld in het spreekuurverslag van 12 november 2024, dat bovendien 
niet is gebaseerd op een daadwerkelijk contactmoment;
2.   dat hij een voorbarige conclusie heeft getrokken dat klager niet binnen 26 weken zou kunnen 
herstellen en dat hij geen actuele informatie daarbij in overweging heeft genomen.

4.2  Verweerder heeft het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren.

4.3  Het college gaat hieronder verder in op de standpunten van partijen.

5. De overwegingen van het college
De criteria voor de beoordeling
5.1  De vraag is of verweerder de zorg heeft verleend die van hem verwacht mocht worden. De norm 
daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende bedrijfsarts. Bij de beoordeling wordt 
rekening gehouden met de voor de zorgverlener geldende beroepsnormen en andere professionele 
standaarden.

5.2   In deze zaak gaat de klacht over de inhoud van de 26 weken-verklaring. Dit is een 
schriftelijke verklaring van de bedrijfsarts waarin staat wat de huidige werkmogelijkheden zijn, de 
prognose voor de komende 26 weken in de eigen functie en de prognose voor het eigen werk in 
aangepaste vorm. Het UWV gebruikt deze verklaring om te beoordelen of aan de ontslagvoorwaarde is 
voldaan, dat herstel/werkhervatting binnen 26 weken niet waarschijnlijk is.

Klachtonderdeel 1) onjuistheden in spreekuurverslag
5.3  Klager stelt dat in het spreekuurverslag van 12 november 2024 ten onrechte melding wordt 
gemaakt van een (telefonisch) consult, terwijl een dergelijk consult niet heeft plaats gevonden.

5.4  Verweerder erkent dat in de rapportage van 12 november 2024 ten onrechte is vermeld dat op die 
datum een (telefonisch) consult met klager heeft plaatsgevonden en hij begrijpt de verwarring die 
de betreffende zin kan oproepen. De vermelding is echter het gevolg van een standaardformat in de 
terugkoppelingsrapportage aan de werkgever.

5.5   Het college overweegt als volgt. Vast staat dat op 12 november 2024 geen (telefonisch) 
consult heeft plaatsgevonden. Desondanks vermeldt de rapportage aan de werkgever dat een (telefonisch) consult heeft plaats gevonden. Dat deze passage onderdeel is van een standaardformat, ontslaat verweerder niet van de verantwoordelijkheid om te zorgen voor een zorgvuldige verslaglegging. Een bedrijfsarts dient te zorgen voor juiste, duidelijke en niet-misleidende verslaglegging. Een registratie van een (telefonisch) consult dat feitelijk niet 
heeft plaats gevonden, kan bij de betrokkenen verwarring veroorzaken over de informatie waarop het 
advies is gebaseerd. Nu verweerder in de rapportage niet heeft verduidelijkt dat geen (telefonisch) 
consult heeft plaats gevonden, is het verslag op dit punt onzorgvuldig. Het klachtonderdeel is 
daarom gegrond.

Klachtonderdeel 2) voorbarige conclusie
5.6   Klager klaagt erover dat verweerder een voorbarige conclusie heeft getrokken door zonder 
actuele gegevens vast te stellen dat klager niet binnen 26 weken zou kunnen herstellen. Hij wijst 
erop dat na de operatie op 17 september 2024 geen contact meer heeft plaatsgevonden en ook dat de 
medisch adviseur van het UWV en de door klager ingeschakelde medisch adviseur een gunstiger oordeel 
gaven.

5.7   Verweerder stelt dat verschillende overwegingen een rol hebben gespeeld bij zijn prognose. De 
re-integratie van klager in passend werk verliep niet voorspoedig. Klager ging verder met 
therapieën en is uiteindelijk weer geopereerd. Na de operatie die heeft plaats gevonden op 17 
september 2024 zou klager zijn hand een tijd niet kunnen gebruiken en therapie is belastend. 
Verweerder heeft ruime ervaring met dit letsel en ziet dat patiënten de aangedane hand uiteindelijk 
alleen licht kunnen belasten. De operatie die klager eerder, namelijk op 2 oktober 2023 had 
ondergaan, leidde niet tot verbetering en in correspondentie voorafgaand aan de operatie in 
september 2024 was de inschatting van verweerder dat werknemer na de nieuwe interventie de rechter 
dominante hand tijdelijk, nog onduidelijk hoe lang, niet zou mogen/kunnen belasten. Verweerder 
stelt dat hij, gelet op het voorgaande, geen recente gegevens nodig had om de twee vragen van de 
werkgever te kunnen beantwoorden.

5.8   Het college stelt vast dat de 26-weken-verklaring voor de werknemer een zwaarwegend document 
is, nu deze in een UWV-procedure over beëindiging van het dienstverband betekenis kan hebben. Een 
ongunstig oordeel kan, gelet daarop, verstrekkende gevolgen hebben voor de rechtspositie van de 
werknemer, in het bijzonder voor werk en inkomen. Het college overweegt dat verweerder in zijn 
rapportages van 6 juni 2024 en 4 juli 2024 heeft vermeld dat naar zijn oordeel sprake was van een 
eindtoestand. In de latere rapportages van 15 augustus 2024 en 13 september 2024 heeft verweerder 
genoteerd dat de huidige beperkingen tot 17 september 2024 zouden gelden, omdat op die datum een 
(nieuwe) operatie aan de hand van klager was gepland. Vast staat dat verweerder na 17 september 
2024 geen contact meer met klager heeft gehad en evenmin (actuele) informatie heeft ingewonnen bij 
de behandelend specialist over de uitgevoerde ingreep en het verdere herstelbeloop. Bij de 
beantwoording van de door de werkgever gestelde 26-wekenvragen op 12 november 2024 heeft verweerder 
de situatie na de operatie niet betrokken. Daarmee berust het advies in wezen op algemene 
ervaringsgegevens en op informatie van vóór de operatie, zonder dat verweerder de actuele stand van zaken bij klager heeft geverifieerd.

5.9   Gelet op de aard van de ingreep had verweerder volgens het college wel de actuele situatie in 
kaart moeten brengen. Voor zover verweerder heeft bedoeld dat ook met de ingreep geen herstel was 
te verwachten, geldt het volgende. Er mag in beginsel van worden uitgegaan dat een behandelend 
specialist geen operatie zonder medische indicatie zal verrichten. In dit geval ging het om een 
ingreep die is bedoeld om de doorbloeding en functie van de hand te verbeteren. Juist vanwege het 
doel van de ingreep kon verweerder niet volstaan met de veronderstelling dat de belastbaarheid niet 
zou toenemen zonder na te gaan hoe de operatie en het herstel was verlopen. Dit sluit ook aan bij 
zijn eigen eerdere prognose in de correspondentie van 15 augustus 2024, waarin hij concludeerde dat 
de toegenomen beperkingen na de operatie tijdelijk zouden zijn en hij nog niet in kon schatten hoe 
lang klager zijn hand niet zou mogen/kunnen gebruiken. Hij had, al was het alleen al om zijn 
oordeel inzichtelijk en toetsbaar te maken, in ieder geval na 17 september 2024 contact moeten 
opnemen met klager om de uitkomst en het herstelverloop te bespreken en (zo nodig) nadere 
informatie bij de behandelend specialist moeten opvragen. Deze essentiële stap om te toetsen of 
niet alleen herstel maar ook verbetering van de belastbaarheid mogelijk was, heeft verweerder 
achterwege gelaten. Daarbij bevat de terugkoppeling aan de werkgever geen, dan wel onvoldoende 
inhoudelijke toelichting waaruit blijkt hoe verweerder tot de conclusie is gekomen dat herstel 
binnen 26 weken niet mogelijk is, wat tot verwarring bij werkgever en werknemer kan leiden en de 
onderlinge verstandhouding negatief kan beïnvloeden. Gelet op de aard en de (potentieel) 
verstrekkende gevolgen van een 26-wekenadvies had van verweerder mogen worden verwacht dat hij zijn 
prognose baseerde op actuele, verifieerbare informatie, zodat het advies inzichtelijk, duidelijk en 
toetsbaar zou zijn. Door dit na te laten heeft verweerder onzorgvuldig gehandeld. Dit 
klachtonderdeel is om die reden gegrond.

Slotsom
5.10  Uit de overwegingen hiervoor volgt dat beide onderdelen van de klacht gegrond zijn.

Maatregel
5.11  Nu de klacht gegrond is, dient het college te beoordelen of het opleggen van een maatregel 
passend en geboden is en, zo ja, welke maatregel. Het college neemt bij de bepaling van de 
maatregel in aanmerking dat het handelen van verweerder betrekking heeft op de beantwoording van de 
zogenoemde 26-wekenvragen in het kader van een (voorgenomen) beëindiging van het dienstverband 
wegens langdurige arbeidsongeschiktheid. Een dergelijk advies is voor de werknemer ingrijpend en 
kan in het verdere traject zeer verstrekkende gevolgen hebben. Juist daarom mocht van verweerder 
een hoge mate van zorgvuldigheid worden verwacht, zowel als het gaat om de totstandkoming van het 
oordeel als om de verslaglegging en de communicatie. Verweerder heeft zijn advies uitgebracht 
zonder de actuele situatie na de operatie te verifiëren en zonder zijn conclusies inzichtelijk en 
toetsbaar te onderbouwen. Daar komt bij dat in de terugkoppeling aan de werkgever ten onrechte is vermeld dat een (telefonisch) consult heeft plaatsgevonden. Daarmee wordt afbreuk gedaan aan de betrouwbaarheid en controleerbaarheid van de rapportage. Dit klemt temeer nu de Nederlandse Vereniging voor Arbeids- en Bedrijfsgeneeskunde (NVAB) in dit verband (uitdrukkelijk) adviseert om voor een dergelijke beoordeling een spreekuur te plannen. Daarbij weegt het college mee dat verweerder er tijdens de zitting geen blijk van heeft gegeven dat hij anders had moeten handelen. Alles afwegend is het college van oordeel dat de maatregel van berisping passend en geboden is.

Publicatie
5.12  In het algemeen belang zal deze beslissing worden gepubliceerd. Dit algemeen belang is erin 
gelegen dat andere bedrijfsartsen mogelijk iets kunnen leren van deze zaak. De publicatie zal 
plaatsvinden zonder vermelding van namen of andere tot personen of instanties herleidbare gegevens.

6. De beslissing
Het college:
-  verklaart de klacht gegrond;
-  legt verweerder de maatregel op van berisping;
-  bepaalt dat deze beslissing, nadat die onherroepelijk is geworden, zonder vermelding van namen 
   of andere herleidbare gegevens in de Nederlandse Staatscourant zal worden bekendgemaakt en ter 
   publicatie zal worden aangeboden aan het Tijdschrift voor Bedrijfs- en Verzekeringsgeneeskunde en 
   aan Medisch Contact.

Deze beslissing is gegeven door K.A.J.C.M. van den Berg Jeths-van Meerwijk, voorzitter,
L.A.B.M. Wijntjens, lid-jurist, R.P.J. Ansem, P.E. Rodenburg en E. Gorissen,
leden-beroepsgenoten, bijgestaan door T.G. Nijenkamp, secretaris, en in het openbaar uitgesproken 
op 11 februari 2026.