ECLI:NL:TGZRSHE:2026:31 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg 's-Hertogenbosch H2024/7756
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRSHE:2026:31 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 11-02-2026 |
| Datum publicatie: | 11-02-2026 |
| Zaaknummer(s): | H2024/7756 |
| Onderwerp: |
|
| Beslissingen: | Ongegrond, kennelijk ongegrond |
| Inhoudsindicatie: | Klager dient via zijn partner een klacht in tegen een arts werkzaam onder supervisie van een bedrijfsarts over diens homofobe bejegening en handelwijze tijdens het ziekteverzuim. Klacht ongegrond. Uit niets blijkt van een homofobe bejegening en door de taalbarrière kon verweerder klager niet volledig beoordelen. |
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG TE ’s-HERTOGENBOSCH
Beslissing in raadkamer van 11 februari 2026 op de klacht van:
[A],
wonende in [B],
klager,
gemachtigde: [C],
wonende in [B],
tegen
[D],
arts, onder supervisie van een bedrijfsarts,
destijds werkzaam in [E] en [F],
verweerder.
1. De zaak in het kort
1.1 Klager had zich ziekgemeld voor zijn werk. Verweerder begeleidde klager tijdens
zijn
ziekteproces. Er heeft een beeldbelgesprek plaatsgevonden en later een fysiek gesprek.
Klager
beheerst de Nederlandse taal niet. Verweerder kon daarom geen volledige beoordeling
van de
arbeidsmogelijkheden van klager geven. De partner van klager klaagt namens hem over
de bejegening
en handelwijze van verweerder.
1.2 Het college komt tot het oordeel dat de klacht kennelijk ongegrond is. ‘Kennelijk’
betekent
dat het niet nodig is om nog vragen aan de partijen te stellen en dat duidelijk
is dat de klacht
niet gegrond kan worden verklaard. Hierna licht het college toe hoe het tot deze
beslissing is
gekomen.
2. De procedure
2.1 De procedure blijkt uit:
- het klaagschrift met bijlagen, ontvangen op 29 oktober 2024;
- het verweerschrift, ontvangen op 3 maart 2025;
- het medisch dossier, ontvangen van verweerder op 7 april 2025;
- het proces-verbaal van het mondeling vooronderzoek, gehouden op 20 augustus 2025;
- het aanvullend proces-verbaal van het mondeling vooronderzoek, gehouden op 20
augustus 2025.
2.2 Het college heeft de klacht in raadkamer behandeld. Dit betekent dat het college
de zaak
beoordeeld heeft op basis van de stukken, zonder dat de partijen daarbij aanwezig waren.
3. De feiten
3.1 Klager heeft zich op 30 mei 2024 ziekgemeld bij zijn werkgever vanwege mogelijke
buikgriep
en/of voedselvergiftiging. Diezelfde avond is hij in een restaurant gezien door
een collega. Hierna
is de situatie tussen klager en zijn werkgever geëscaleerd.
3.2 Op 18 juni 2024 vond een eerste gesprek plaats tussen een bedrijfsarts en de
partner van
klager, die in deze zaak optreedt als de gemachtigde van klager. Deze bedrijfsarts
concludeerde dat
sprake was van werkgerelateerde problematiek en adviseerde klager en werkgever in
gesprek te gaan.
Er werd een interventieperiode/time-out van maximaal twee weken geadviseerd.
3.3 Op 26 augustus 2024 hebben klager en zijn partner een beeldbelafspraak met verweerder.
Verweerder werkt onder supervisie van een bedrijfsarts. Klager beheerst de Nederlandse
taal (nog)
niet. Duidelijk wordt (wel) dat er gesprekken lopen tussen werkgever en klager,
dat klager
bijkomende klachten heeft ontwikkeld en dat (de gemachtigde van) klager een deskundigenonderzoek
via het UWV heeft gevraagd dat die dag daarna zou plaatsvinden, maar waarover (de
gemachtigde van)
klager verder niets wilde meedelen. Verweerder concludeert dat hij door de taalbarrière
een
onvoldoende adequate beoordeling uit heeft kunnen voeren. Hij rapporteert hierover
op 29 augustus
2024 aan de werkgever als volgt (letterlijk weergegeven):
Ik sprak werknemer op het digitale spreekuur van 26-8-2024 in aanwezigheid van vriend.
Door
taalbarriere heb ik onvoldoende adequate beoordeling kunnen uitvoeren. Ik adviseer
op korte termijn
een nieuw consult in te plannen met werknemer alleen en tevens met inzet van een
tolker om goede
beoordeling te kunnen doen.
3.4 Op 7 oktober 2024 vindt een fysieke afspraak plaats. De arbodienst had in een
e-mailbericht toegezegd dat daarbij een tolk Bahasa Indonesia aanwezig zou zijn.
Deze was niet
aanwezig. Verweerder heeft klager en zijn partner desondanks wel gesproken maar
stelt (opnieuw)
vast dat een volledige beoordeling niet mogelijk is. Verweerder stelt werknemer
voor om medische
informatie op te vragen en laat een machtiging daarvoor aan werknemer sturen en
adviseert de
werkgever om op korte termijn een nieuwe afspraak met een tolk in te plannen.
4. De klacht en de reactie van verweerder
4.1 Klager verwijt verweerder dat:
1. hij zich homofoob opstelt;
2. hij bedrijfsarts is en geen jurist maar zich wel als jurist opstelde. Hij bleef
maar vragen over
30 mei 2024. Er werd nauwelijks gesproken over zijn gezondheid;
3. hij klager totaal niet serieus nam. Hij informeerde slechts naar zijn gezondheid
en voorvallen
op 30 mei 2024. Ook op 7 oktober 2024 werd nauwelijks over de gezondheid van
klager gesproken;
4. de bedrijfsarts te allen tijde in staat moet zijn om een patiënt te beoordelen.
Dat heeft hij
niet gedaan. Na 30 minuten spreektijd beriep hij zich op een taalbarrière. Dat
werkt niet, Zeker
niet wanneer die taalbarrière de tweede keer ineens geen probleem blijkt te
zijn.
4.2 Verweerder heeft het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren.
4.3 Het college gaat hieronder verder in op de standpunten van partijen.
5. De overwegingen van het college
De criteria voor de beoordeling
5.1 De vraag is of verweerder de zorg heeft verleend die van hem verwacht mocht
worden. De norm
daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende bedrijfsarts of arts werkzaam
onder
supervisie van een bedrijfsarts. Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met
de voor de
bedrijfsarts en artsen werkzaam onder supervisie van een bedrijfsarts geldende beroepsnormen
en
andere professionele standaarden.
5.2 Het college oordeelt dat verweerder niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld
en licht
dat hierna toe.
Klachtonderdeel 1) verweerder stelt zich homofoob op
5.3 Klager stelt dat verweerder een behoorlijk homofobe indruk heeft gemaakt tijdens
het eerste
telefoonconsult. Klager stelt dat het gebruik van het woord ‘vriend’ in het dossier
duidt op
homofoob gedrag. Hij beklaagt zich er eveneens over dat verweerder heeft geadviseerd
een consult
met klager alleen, dus zonder de partner van klager, in te plannen.
5.4 Verweerder betwist deze stellingen. Het gebruik van het woord vriend acht hij
in Nederland
zeer gebruikelijk om de partner mee aan te duiden als men niet getrouwd is, zowel
bij homoseksuele
als heteroseksuele stellen.
5.5 Het college overweegt als volgt. Het college is van oordeel dat het gebruik
van het woord
vriend gebruikelijk is voor een mannelijke partner en niet duidt op een homofobe
opstelling. Klager
heeft zijn stelling dat sprake is van homofoob gedrag (ook verder) niet met steekhoudende
argumenten onderbouwd. Hij heeft desgevraagd, omdat hij heeft gesteld daarover te
beschikken, geen
geluidsopnames met transcriptie van het eerste telefoonconsult overgelegd. Evenmin
heeft hij
gebruik gemaakt van de uitnodiging voor een mondeling vooronderzoek, waarop hij
dit klachtonderdeel
nader had kunnen toelichten.
5.6 Klager klaagt er ook over dat verweerder alleen met hem wilde praten. Dat verweerder
erop aandrong alleen met klager te praten, dat wil zeggen buiten aanwezigheid van
zijn partner, acht het college navolgbaar en ook aanvaardbaar en wel om de volgende
reden. Blijkens de door verweerder op 7 oktober 2024 gemaakte notitie was de partner
van klager continu aan het woord en ervoer verweerder de partner daarbij als eisend,
dominerend en sturend. Omdat verweerder het verhaal van klager graag uit eerste hand
wilde horen, om zijn situatie zo goed mogelijk te kunnen
beoordelen, was een gesprek met alleen klager gewenst. Dit klemt temeer nu sprake
was van een
ontstaan arbeidsconflict. Dit klachtonderdeel is dan ook ongegrond.
klachtonderdeel 2) klager stelde zich als jurist op 3) nam klager niet serieus en
4) beoordeelde klager niet
5.7 Gelet op de onderlinge samenhang zal het college deze drie klachten tegelijk
beoordelen.
Klager stelt dat verweerder tijdens de consulten maar bleef vragen naar de gebeurtenissen
op 30 mei
2024 en niet of nauwelijks over diens gezondheid sprak. Klager stelt voorts dat
een bedrijfsarts te
allen tijde in staat moet zijn om een patiënt te beoordelen maar dat de bedrijfsarts
dat niet heeft
gedaan. In het eerste consult beriep verweerder zich na 30 minuten spreektijd op
een taalbarrière
maar die taalbarrière bleek tijdens het tweede consult ineens geen probleem te zijn.
5.8 Verweerder betwist dat hij klager niet serieus heeft genomen en zijn gezondheidsklachten
niet
heeft besproken. Uit het dossier blijkt volgens hem ook voldoende dat hij de klachten
heeft
besproken. Verweerder voert tevens aan dat de afwezigheid van de tolk hem niet valt
aan te rekenen
en dat hij ondanks de taalbarrière toch heeft geprobeerd een gesprek te voeren.
Ook tussen klager
en zijn partner constateerde hij een taalbarrière. Zij spraken met elkaar in het
Engels maar dat
lukte ook niet volledig. Omdat verweerder het verhaal van klager zelf wilde horen,
vond hij het
wenselijk alsnog een tolk in te schakelen. Dat hij heeft aangegeven dat hij om die
reden toch geen
goed oordeel heeft kunnen geven, acht hij zorgvuldig.
5.9 Naar het oordeel van het college heeft verweerder zorgvuldig gehandeld. Uit
niets blijkt dat
hij klager niet serieus heeft genomen. Verweerder wist van het arbeidsconflict dat
was ontstaan
nadat klager na zijn ziekmelding gezien was in een
restaurant. Verweerder heeft geprobeerd klager tijdens het belgesprek zoveel mogelijk
uit te vragen
over zijn gezondheidsklachten en arbeidssituatie, maar dat lukte onvoldoende omdat
klager de
Nederlandse taal niet machtig was. Verweerder constateerde dat ook de partners,
die in het Engels
met elkaar communiceerden, elkaar onvoldoende begrepen omdat klager ook de Engelse
taal onvoldoende
machtig was. De partner kon dus niet voldoende voor klager tolken. Verweerders conclusie
dat daarom
een tolk nodig was alvorens hij een oordeel kon geven, is dan ook terecht.
Dat er tijdens het daaropvolgende fysieke gesprek geen tolk aanwezig was, is verweerder
niet
persoonlijk te verwijten. Verweerder heeft wel gevraagd om bijstand van een tolk
en die is hem ook
toegezegd maar deze bleek niet geregeld te zijn voor het tweede consult. Tijdens dit
fysieke gesprek heeft hij desondanks veel informatie over de klachten van klager gekregen
maar onvoldoende informatie over de situatie bij diens werkgever. Dat hij vasthield
aan zijn standpunt dat er alsnog een nieuwe afspraak in aanwezigheid van een tolk
moest worden gemaakt en hij tevens medische informatie wilde opvragen bij de praktijkondersteuner
van de huisarts, alvorens hij een volledige beoordeling kon geven, acht het college
terecht en zorgvuldig. Verweerder heeft met
bovenstaande conform de geldende richtlijnen gehandeld en hem treft daarom geen
verwijt.
Deze klachtonderdelen zijn daarom kennelijk ongegrond.
Slotsom
5.10 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat alle onderdelen van de klacht kennelijk
ongegrond
zijn.
6. De beslissing
Het college:
- verklaart de klacht in al haar onderdelen kennelijk ongegrond.
Deze beslissing is gegeven op 11 februari 2026 door K.A.J.C.M. van den Berg Jeths-
van Meerwijk, voorzitter, R.P.J. Ansem en E. Gorissen, leden-beroepsgenoten, bijgestaan
door T.G.
Nijenkamp, secretaris.