ECLI:NL:TGZRSHE:2026:30 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg 's-Hertogenbosch H2025/8283
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRSHE:2026:30 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 11-02-2026 |
| Datum publicatie: | 11-02-2026 |
| Zaaknummer(s): | H2025/8283 |
| Onderwerp: | Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose |
| Beslissingen: | Ongegrond, kennelijk ongegrond |
| Inhoudsindicatie: | Ongegronde klacht tegen oogarts. Patiënt, klager, verwijt verweerder dat hij opzettelijk een valse en angstaanjagende diagnose glaucoom heeft gesteld. Later besprak verweerder deze diagnose niet meer met klager en vormde deze diagnose een aanzet voor de uitvoering van een plan om klager blind te laten worden zodat een curator het vermogen van klager kon plunderen, aldus klager. Verweerder heeft volgens klager ook een diagnose gemist en geen contact opgenomen met een oogarts in een oogkliniek. Verweerder heeft het college verzocht om de klacht (kennelijk) ongegrond te verklaren. College: kennelijk ongegrond. |
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG TE ’s-HERTOGENBOSCH
Beslissing in raadkamer van 11 februari 2026 op de klacht van:
[A],
wonende in [B],
klager,
tegen:
[C],
oogarts,
werkzaam in [D],
verweerder,
gemachtigde: mr. drs. A. Dekker, werkzaam in Utrecht.
1. De zaak in het kort
1.1 Klager verwijt verweerder dat hij opzettelijk een valse en angstaanjagende
diagnose glaucoom
heeft gesteld voor een wazig plekje linksboven het scherpziende centrum van het
rechteroog. Later
besprak verweerder deze diagnose niet meer met klager en vormde deze diagnose een
aanzet voor de
uitvoering van een plan om klager blind te laten worden zodat een curator het vermogen
van klager
kon plunderen, aldus klager. Verweerder heeft daarnaast volgens klager een diagnose
gemist. Tot
slot heeft verweerder geen contact opgenomen met een oogarts in een oogkliniek.
1.2 Verweerder heeft het college verzocht om de klacht (kennelijk) ongegrond te verklaren.
1.3 Het college komt tot het oordeel dat de klacht kennelijk ongegrond is. ‘Kennelijk’
betekent
dat het niet nodig is om nog vragen aan de partijen te stellen en dat duidelijk
is dat de klacht
niet gegrond kan worden verklaard. Het college legt in de overwegingen uit hoe het
tot dit oordeel
is gekomen.
2. De procedure
2.1 Het dossier bevat de volgende stukken:
- het klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 20 maart 2025;
- het verweerschrift met de bijlagen, ontvangen per e-mail op 5 juni 2025 en
per post op 10 juni 2025;
- de brief van klager met de bijlagen, ontvangen op 24 juni 2025;
- de stukken van klager, ontvangen op 26 juni 2025;
- de stukken van klager, ontvangen op 8 juli 2025;
- de brief van klager ontvangen op 23 september 2025;
- de brief van 7 oktober 2025, ontvangen van de gemachtigde van verweerder.
2.2 De partijen hebben de gelegenheid gekregen om onder leiding van een secretaris
van het
college in gesprek te gaan (mondeling vooronderzoek). Daarvan hebben zij geen gebruik
gemaakt.
2.3 Klager heeft zijn klacht ingetrokken. Verweerder heeft daarna verzocht de klacht
verder te
behandelen.
2.4 Het college heeft de klacht in raadkamer behandeld. Dit betekent dat het college
de zaak
beoordeeld heeft op basis van de stukken, zonder dat de partijen daarbij aanwezig
waren.
3. De feiten
3.1 In 2008 is bij klager een verdenking op glaucoom geconstateerd waarvoor klager
oogdruppels
kreeg voorgeschreven die de oogdruk verlaagden.
3.2 Sinds 2010 is klager onder behandeling van verweerder die het oogheelkundig
beleid van zijn
voorganger heeft voortgezet. Verweerder onderzocht klager vervolgens jaarlijks bij
een
glaucoomcontrole om de schade als gevolg van glaucoom te beperken. Verweerder heeft
klager ook
geadviseerd om druppels te gebruiken die de spanning van de oogbol verlagen, de
afsterving van de
zenuwen vertragen en daarmee de schade van glaucoom beperken. Verweerder zag klager
één tot twee
keer per jaar en constateerde dat de oogklachten van klager geleidelijk aan toenamen.
3.3 In de jaren 2010 en 2016 waren de afwijkingen van het gezichtsveldonderzoek
stabiel. Bij de
netvliesscan in 2016 bleek naast glaucoom een macula pucker in het linkeroog die
daarna werd
gemonitord.
3.4 In januari 2017 is klager verwezen naar een universitair centrum voor het beoordelen
en
eventueel opereren van de macula pucker in het linkeroog. Omdat klager in het universitair
centrum
aangaf weinig klachten in het dagelijks leven te ervaren, werd klager niet geopereerd
en werd hij
in mei 2017 terugverwezen naar verweerder. Bij verergering van de klachten kon klager
opnieuw
worden verwezen naar het universitair centrum.
3.5 In november 2018 bleek er een toename van glaucoomschade. De oogdruk was op
dat moment laag.
Klager gaf aan zijn druppels te gebruiken. Verweerder heeft met klager besproken
om meer druppels
te gaan gebruiken of om hem door te verwijzen. Klager gaf aan dit nog niet te willen
ondanks dat
het mogelijk tot een verdere verslechtering van de ogen zou kunnen leiden. Verweerder
noteerde in het medisch dossier over het consult van 9 november 2018 (alle citaten
voor zover van belang en letterlijk weergegeven):“(…) 7-11 voor glaucoomonderzoeken
geweest, komt vandaag voor uitslag. Is bij (…) [oogarts in universitair centrum] geweest
(…)
Conclusie
Mogelijk glaucoom progressie (…) Besproken evt. meer druppels of doorverwijzing.
Wil dat nog niet
ondanks dat dat mogelijk verdere verslechtering met zich meebrengt.
- toename pucker op OCT Os, meer last van binoculaire visus. Beeld golft. --> Is
nogmaals ingestuurd naar (..)
[universitair centrum] controle ivm pucker aldaar volgt.
Beleid
revisie 6 maanden + gvo”
3.6 In november 2019 is klager in het universitair centrum geopereerd aan een macula
pucker in
het linkeroog. In januari 2020 zijn de controles in het universitair centrum beëindigd.
3.7 Op 18 februari 2020 gaf klager telefonisch aan de assistente van verweerder
aan dat klager
alleen halfjaarlijkse controles met eventueel glaucoomonderzoeken wilde ondergaan.
De andere
onderzoeken die klager waren geadviseerd, wilde klager niet ondergaan.
3.8 In 2020 heeft klager zich op eigen initiatief elders laten opereren aan staar
in zijn
linkeroog. Klager heeft verweerder na deze operatie hierover geïnformeerd. Verweerder
weet niet of
er voor deze ingreep een indicatie bestond. Verweerder heeft deze indicatie niet
gesteld.
3.9 Op 5 maart 2021 bleek de uitslag van het glaucoomonderzoek slechter dan bij
de meting in
2019. De visus was stabiel. Klager had geen last meer van tranen in de ogen waarvoor
hij eerder was
behandeld.
3.10 Op 13 mei 2022 gaf klager aan verweerder aan dat hij was gestopt met de druppels
in zijn
linkeroog. Klager vroeg naar het nut van deze druppels. Verweerder heeft klager
uitgelegd dat het
voor zijn rechteroog nodig was om de glaucoomschade te beperken en voor het linkeroog
om de
pijnklachten te beperken. Verweerder verwees klager dezelfde dag naar een oogkliniek
vanwege
progressie van glaucoomschade en noteerde over dit consult:
(…) Anamnese
Controle na glaucoom onderzoeken.
Is sinds 1 week gestopt met ganfort druppelen in het linker oog. Visus onveranderd,
OS [college:
linkeroog] blijft slecht. Bril niet mee. R/ganfort minims 1 dd ODS [college: linker-
en rechteroog]
(…) Conclusie
monoculus obv fors glaucoom OS. (…)
OD [college: rechteroog] verslechterd tov eerder en drukken verhoogd. Is gestopt
met ganfort
[college: druppels] OS omdat dhr zich afvraagt wat het nut is.
Voor OD: voor verdere glaucoomschade proberen te voorkomen (is beste oog) voor OS:
niet zozeer
visueel, mogelijk ontstaan van pijnklachten bij hoge druk Heden forse verslechtering
GVO in beste
oog bij monoculus (OS eindstadium glaucoom) en hogere drukken dan eerder onder ganfort.
advies: doorverwijzing (met herstarten ganfort OS) naar (…) [oogkliniek] voor 2e
mening korte termijn glaucoomgroep besproken. (…)”
3.11 In augustus 2022 is klager door de oogkliniek terugverwezen naar verweerder.
De oogkliniek
berichtte verweerder de druppels voor klager te hebben aangepast en geen aanleiding
te zien voor
een chirurgische ingreep.
3.12 Op 12 juni 2023 was de visus van klager stabiel. Klager gaf aan dat er een vlekje
in zijn
rechteroog boven in het beeld was dat niet mee bewoog. Televisie kijken ging goed
volgens klager.
Verweerder maakte de volgende notitie:
“(…) heden: stabiel glaucoom OD (onderhelft gezichtsveld stabiel niet goed) bij
monoculus (obv
eindstadium glaucoom OD) (…)”
3.13 Op 13 augustus 2024 heeft verweerder klager net als in 2022 verwezen naar de
oogkliniek met
het verzoek om klager op korte termijn op te roepen voor het glaucoomspreekuur.
Verweerder heeft
over dit consult genoteerd:
“(…) Anamnese
Controle na8 weken
A/vind dat het stabiel blijft. Zicht is niet verandert (…)
Visus OD zonder correctie: 0,7 = na subjectieve refractie 0,8= Visus OS zonder correctie:
<1/300
Oogdruk OD mmHg 15 Oogdruk OS mmHg 28 (….)
Conclusie
beknopte ovg:
- monoculus obv fors glaucoom OS. Mei ’22 doorverwezn naar (…) [oogkliniek] ivm
druk van 42 OS en
toename uitval gezichtsveld OD. (…) druppelwijziging aangebracht. (…)
heden:
-GVO OD (bij monoculus) lijkt bij GVO vandaag en juni verslechterd tov eerder bij
ongeveer gelijke
druk (laatste 10 metingen OD: 15,14,14,18.12,10,15,17,10,10)
-Druk OS fors hoger dan eerder
-nastaar YAG staat gepland met mogelijk geen/weinig visuele winst. Wilde het toch
proberen en geeft
beter zicht op achtersegment.
Beleid
Her-verwijzing (…) [oogkliniek].
de YAG nastaar OS kan doorgang vinden (…)”
3.14 Op 22 augustus 2024 is klager door een collega van verweerder behandeld zoals
was besproken
in het consult van 13 augustus 2024.
3.15 Op 30 september 2024 heeft verweerder klager verwezen naar een ander ziekenhuis
voor overname
van de behandeling. Sindsdien is klager niet meer onder behandeling van verweerder.
4. De klacht en de reactie van verweerder
4.1 Klager verwijt verweerder dat:
a) verweerder opzettelijk een valse en angstaanjagende diagnose glaucoom heeft
gesteld;
b) verweerder een diagnose heeft gemist en klager vraagt zich af waarom;
c) verweerder later niet meer het (glaucoom) plekje met klager heeft besproken,
niet is ingegaan
op een vraag van klager en klager geen uitsluitsel heeft gegeven;
d) verweerder geen contact heeft opgenomen met een oogarts in de oogkliniek;
e) de ‘foutdiagnose’ van verweerder de aanzet is geweest voor de uitvoering van
een plan om
klager blind te maken, een curator aan te stellen en het bezit van klager
te plunderen.
4.2 Verweerder heeft het college verzocht de klacht kennelijk ongegrond te verklaren.
4.3 Het college gaat hieronder verder voor zover nodig in op de standpunten van partijen.
5. De overwegingen van het college
De criteria voor de beoordeling
5.1 De vraag is of verweerder de zorg heeft verleend die van hem verwacht mocht
worden. De norm
daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende oogarts. Bij de beoordeling
wordt rekening
gehouden met de voor de oogarts geldende beroepsnormen en andere professionele standaarden.
Dat een
zorgverlener beter anders had kunnen handelen is niet altijd genoeg voor een tuchtrechtelijk
verwijt. Verder geldt het uitgangspunt dat zorgverleners alleen tuchtrechtelijk
verantwoordelijk
zijn voor hun eigen handelen.
5.2 Het college realiseert zich dat de ernstig beperkte visus van klager, klager
zwaar valt. Het
college moet echter op een zakelijke manier beoordelen of verweerder heeft gehandeld
zoals van hem
verwacht mocht worden. Het college oordeelt dat verweerder niet tuchtrechtelijk
verwijtbaar heeft
gehandeld en licht dat hieronder toe.
Klachtonderdelen a) valse en angstaanjagende diagnose glaucoom, c) niet meer bespreken
van glaucoom
en niet ingaan op een vraag van klager en e) de ‘foutdiagnose’ de aanzet voor de
uitvoering van een
plan om klager blind te maken
5.3 Vanwege de samenhang lenen deze klachtonderdelen zich voor een gezamenlijke
beoordeling.
Klager verwijt samengevat dat verweerder a) opzettelijk een valse en angstaanjagende
diagnose
glaucoom heeft gesteld. c) Deze diagnose heeft verweerder later niet meer met klager
besproken en
een vraag van klager heeft verweerder niet beantwoord, aldus klager. e) De diagnose
was volgens
klager de aanzet voor de uitvoering van een plan. Verweerder heeft aangevoerd dat
hij zich niet
herkent in de verwijten van klager.
Klachtonderdeel a) Valse en angstaanjagende diagnose glaucoom
5.4 Het college neemt in aanmerking dat klager sinds 2008 onder oogheelkundige
behandeling is.
Sinds 2010 heeft verweerder het toen reeds ingezette oogheelkundige beleid met verdenking
op
glaucoom voortgezet met medicatie die de oogdruk verlaagt. Klager had sindsdien
jaarlijks
glaucoomcontroles voor beide ogen en er werden meerdere glaucoomonderzoeken verricht
waarin de
diagnose glaucoom werd bevestigd. Verweerder heeft klager meermaals verwezen naar
andere
behandelcentra, onder andere de reeds genoemde oogkliniek en het universitair centrum.
Het college
is niet gebleken dat de diagnose glaucoom onjuist zou zijn, laat staan opzettelijk
vals. In zoverre
is dit klachtonderdeel kennelijk ongegrond.
5.5 Klager beschrijft de communicatie tijdens een consult en verwijst in dat kader
naar de
uitnodiging voor het consult van 12 juni 2023. Klager beschrijft de communicatie
tussen hem en
verweerder als volgt:
“[verweerder] (…) zat (…) op zijn computer, draaide zich naar mij toe, wees penetrant
met de
wijsvinger naar mij en zei op strenge toon: “Dat plekje, dat is glaucoom!” Hij draaide
zich van mij
af en ging weer op zijn computer. (…)”
Voor zover klager hiermee heeft bedoeld te klagen over de communicatie van verweerder
over de
diagnose tijdens dit consult, overweegt het college het volgende. In het geval waarin
de lezingen
van partijen over de feitelijke gang van zaken uiteenlopen en niet kan worden vastgesteld
welke van
beide lezingen het meest aannemelijk is, kan een verwijt dat is gebaseerd op de
lezing van de
klagende partij niet gegrond worden bevonden. Dat brengt mee dat niet kan worden
vastgesteld of
verweerder klachtwaardig heeft gehandeld. Dit oordeel berust niet op het uitgangspunt
dat het woord
van de klager minder geloof verdient dan dat van de verweerder, maar op de omstandigheid
dat voor
het oordeel of een bepaalde verweten gedraging tuchtrechtelijk verwijtbaar is, eerst
moet worden
vastgesteld welke feiten daaraan ten grondslag gelegd kunnen worden. Deze feiten
kan het college
dus, ook als aan het woord van klager en van verweerder evenveel geloof wordt gehecht,
hier niet
vaststellen. Dit klachtonderdeel is voor het overige ook kennelijk ongegrond.
Klachtonderdeel c) Niet meer bespreken van glaucoom
5.6 Klager heeft niet aangegeven vanaf wanneer de diagnose glaucoom niet meer met hem
zou zijn besproken. Ook heeft klager niet toegelicht wat volgens hem de aanleiding
was om deze diagnose nogmaals met hem te bespreken of welke aspect verweerder nog
met klager had moeten bespreken. Uit het medisch dossier blijkt genoegzaam dat de
uitslagen van de glaucoomonderzoeken en de ontwikkelingen met klager zijn besproken.
In de aantekeningen van de poliklinische consulten en in de brieven van verweerder
en zijn collega’s aan andere (oog)artsen is meermaals de diagnose glaucoom of de daarbij
behorende verschijnselen genoemd. Dat was ook het geval bij het laatste poliklinische
bezoek van klager bij verweerder op 13 augustus 2024. Op basis van voorgaande, het
medisch dossier en de stukken is het college niet gebleken dat de diagnose glaucoom
door verweerder niet, niet meer of onvoldoende met
klager zou zijn besproken. In zoverre is dit klachtonderdeel kennelijk ongegrond.
5.7 Klager stelt dat verweerder een vraag van klager niet heeft beantwoord. Klager
heeft niet
geconcretiseerd welke vraag hij wanneer zou hebben gesteld. Ook heeft klager niet
aangegeven
waarover hij uitsluitsel had willen hebben. Het college is uit het medisch dossier
en de stukken
niet gebleken dat klager een vraag had gesteld waarop verweerder nog had moeten
reageren. Dit
klachtonderdeel is voor het overige ook kennelijk ongegrond.
Klachtonderdeel e) Uitvoering van plan om klager blind te maken
5.8 Klager heeft gesteld dat verweerder hem quasi-zorg heeft geleverd, dat deze
zorg oplichting
en plundering zou betreffen en dat dit onderdeel was van een geraffineerd verdienmodel
waarbij
meerdere personen, waaronder een collega van verweerder, zouden zijn betrokken.
Klager heeft ook
dit verwijt niet geconcretiseerd en niet onderbouwd. Verweerder heeft aangegeven
niet bekend te
zijn met het door klager gestelde plan en de volgens klager daarbij betrokken personen,
behalve de
collega van verweerder.
5.9 Het college oordeelt dat het klager past om een dergelijk groot en ernstig verwijt
te
onderbouwen en te concretiseren. Het college is de door klager gestelde verwijten
geenszins
gebleken, niet op basis van het medisch dossier en niet op basis van de stukken.
Zoals hiervoor
reeds overwogen, is dit klachtonderdeel voor het overige ook kennelijk ongegrond.
Klachtonderdeel b) diagnose gemist
5.10 Klager verwijt verweerder dat hij een diagnose zou hebben gemist maar klager
heeft niet
aangegeven welke diagnose dat zou betreffen. Verweerder heeft aangegeven geen diagnose
te hebben
gemist.
5.11 Het college is niet duidelijk welke diagnose verweerder volgens klager zou hebben
gemist. Op
basis van het overgelegde medisch dossier en de stukken is het college niet gebleken
dat verweerder
een diagnose zou hebben gemist. Het college komt daarom niet toe aan de beantwoording
van de vraag
van klager waarom verweerder een diagnose zou hebben gemist. Dit klachtonderdeel
is ook kennelijk
ongegrond.
Klachtonderdeel d) geen contact met oogarts in de oogkliniek
5.12 Klager stelt in zijn klaagschrift de vraag waarom verweerder geen contact
met een specifieke
oogarts in de oogkliniek heeft gezocht. Verweerder heeft toegelicht dat hij klager
heeft verwezen
naar de oogkliniek die klager noemde en dat klager na beoordeling in die oogkliniek
was
terugverwezen naar verweerder. Het terugverwijzen en het vervolgbeleid was voor
verweerder
voldoende duidelijk waardoor verweerder geen reden zag om contact op te nemen met
de oogarts in de
oogkliniek.
5.13 Het college begrijpt de vraag van klager als het verwijt aan verweerder dat
die geen contact
heeft opgenomen met deze oogarts in de oogkliniek. Op basis van het medisch dossier
en de stukken
is het college geen aanleiding gebleken voor meer contact tussen verweerder en de
oogarts in de
oogkliniek. Dit klachtonderdeel is ook kennelijk ongegrond.
Slotsom
5.14 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat alle onderdelen van de klacht kennelijk
ongegrond
zijn.
6. De beslissing
Het college:
- verklaart de klacht in al haar onderdelen kennelijk ongegrond.
Deze beslissing is gegeven op 11 februari 2026 door T. Dohmen, voorzitter,
E.J.G.M. van Oosterhout en B.F.Th. Hogewind, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door
F.A.C. Bergervoet, secretaris, en in het openbaar uitgesproken door de vaste voorzitter
K.A.J.C.M. van den Berg Jeths-van Meerwijk.