ECLI:NL:TGZRSHE:2026:3 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg 's-Hertogenbosch H2024/7742

ECLI: ECLI:NL:TGZRSHE:2026:3
Datum uitspraak: 07-01-2026
Datum publicatie: 07-01-2026
Zaaknummer(s): H2024/7742
Onderwerp: Overige klachten
Beslissingen: Ongegrond, kennelijk ongegrond
Inhoudsindicatie: Kennelijk ongegronde klacht tegen huisarts. De huisarts wordt verweten dat zij ondanks het verzoek van klagers, geen obductie heeft laten verrichten op het lichaam van de vader van klagers. Geen indicatie voor obductie. Natuurlijk overlijden. Geen aanwijzingen voor erfelijke aandoeningen. Huisarts heeft klagers serieus genomen en haar besluit in meerdere gesprekken toegelicht. Huisarts heeft ook andere inspanningen verricht met betrekking tot het verzoek van klagers. Zorgvuldige handelwijze.


REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG TE ’s-HERTOGENBOSCH

Beslissing in raadkamer van 7 januari 2026 op de klacht van:

[A],
wonende in [B],
klager 1)

en

[C],
wonende in [D],
klager 2)

en

[E]
wonende in [F], klaagster 3)

tegen:

[G],
huisarts,
werkzaam in [B],
verweerster, hierna ook: huisarts
gemachtigde mr. H.B.M. Vrieling, werkzaam in Utrecht.


1. De zaak in het kort
1.1 De vader van klagers 1) en 2) was patiënt in de praktijk van de huisarts. Klaagster
3) is de moeder van klagers 1) en 2). Nadat de vader was overleden, hebben klagers de huisarts
verzocht obductie op het lichaam van de vader te laten verrichten. Klagers verwijten de huisarts
dat zij ten onrechte heeft geweigerd aan dit verzoek te voldoen.

1.2 Het college komt tot het oordeel dat klaagster 3) kennelijk niet-ontvankelijk is in haar
klacht en dat de klacht voor het overige kennelijk ongegrond is. ‘Kennelijk’ betekent dat het niet
nodig is om nog vragen aan de partijen te stellen en dat duidelijk is dat de klacht niet gegrond
kan worden verklaard. Hierna licht het college toe hoe het tot deze beslissing is gekomen.

2. De procedure
2.1 De procedure blijkt uit:
- het klaagschrift, ontvangen op 22 oktober 2024;
- het verweerschrift, ontvangen op 16 december 2024;
- aanvullende informatie, per e-mail ontvangen van klager 1) op 16 maart 2025;
- het proces-verbaal van het mondelinge vooronderzoek, gehouden op 24 maart 2025;
- de reactie van de gemachtigde van verweerster op het proces-verbaal van het mondeling vooronderzoek,
ontvangen op 24 april 2025;
- machtigingsformulieren, ontvangen van klager 1) op 25 april 2025;
- de reactie van de gemachtigde van verweerster op de machtigingsformulieren, ontvangen op 14 mei 2025.

2.2 Het college heeft de klacht in raadkamer behandeld. Dit betekent dat het college de zaak
beoordeeld heeft op basis van de stukken, zonder dat de partijen daarbij aanwezig waren.

3. Wat is er gebeurd?
3.1 De vader is op […] op 69-jarige leeftijd overleden in huis aangetroffen. In de dagen na het
overlijden heeft er tussen de huisarts en klagers 1) en 2) (en de echtgenote van één van hen)
meerdere malen telefonisch contact plaatsgevonden in verband met het verzoek tot het verrichten van
obductie op het lichaam van de vader. Als reden voor het verzoek om obductie gaven klagers aan dat
zij een beeld wilden krijgen van de algehele gezondheid van de vader en dat zij wilden onderzoeken
of sprake was van een erfelijke aandoening bij de vader. De huisarts gaf in deze gesprekken aan dat
er geen aanwijzingen waren voor erfelijke aandoeningen en dat zij geen indicatie zag voor een
obductie.

3.2 Er vond ook een telefoongesprek plaats met de vaste waarnemer van de huisarts (hierna: de
waarnemer). Naar aanleiding van dat gesprek belde de waarnemer met de Artseninfolijn van de KNMG
voor advies. Dat advies luidde dat het aan de huisarts is om de indicatie voor een obductie te
stellen. Op […] koppelde de huisarts dit advies telefonisch aan klagers terug. De huisarts liet
weten dat zij er niet aan twijfelde dat er sprake was van een natuurlijk overlijden van de vader en
dat er geen indicatie voor een obductie was. Klager 2) eiste echter een obductie. De familie wilde
weten waaraan de vader was overleden, omdat er niemand aanwezig was toen hij overleed. Diezelfde
dag belde ook de advocaat van klagers met de huisarts. In dat gesprek herhaalde de huisarts haar
standpunt. Daarna belde de huisarts zelf met de jurist van de KNMG voor advies. Op
[…] belde klager 1). Tijdens dat gesprek bood klager 1) zijn excuses aan voor de felle toon waarop
zijn broer (klager 2) de dag ervoor tegen de huisarts had gesproken. De huisarts gaf ook klager 1)
uitleg over haar standpunt met betrekking tot de gevraagde obductie.

4. De klacht en de reactie van de huisarts
4.1 Klagers verwijten de huisarts dat zij, ondanks het verzoek van klagers 1) en 2), geen obductie heeft laten doen op het lichaam van de vader.

4.2 De huisarts heeft het college verzocht klaagster 3) niet-ontvankelijk te verklaren en de
klacht van klagers 1) en 2) kennelijk ongegrond te verklaren.

4.3 Het college gaat hieronder verder in op de standpunten van partijen.

5. De overwegingen van het college
Ontvankelijkheid
5.1 Klagers 1) en 2) stellen dat zij het verzoek om obductie mede namens klaagster 3) hebben
gedaan. De huisarts heeft allereerst het verweer gevoerd dat klaagster 3) niet-ontvankelijk is in
de klacht, omdat klaagster nooit met de huisarts gesproken heeft en zij ook geen verzoek om
obductie aan de huisarts heeft gedaan. Daarnaast stelt de huisarts dat klagers 1) en 2) nooit ter
sprake hebben gebracht dat het verzoek mede namens klaagster was gedaan. De huisarts stelt tot slot
dat klaagster niet kan worden aangemerkt als rechtstreeks belanghebbende, omdat zij, anders dan
klagers 1) en 2), geen concreet eigen belang heeft dat kan worden geplaatst in het kader van de
individuele gezondheidszorg.

5.2 Het college overweegt als volgt. De klacht van klagers betreft niet de behandeling van de
huisarts aan de vader, maar het handelen van de huisarts ten opzichte van henzelf. Klagers kunnen
slechts klagen als het handelen van de huisarts in strijd is met de zorg die zij behoort te
betrachten ten opzichte van klagers als naaste betrekking. Er moet bij klagers dan wel sprake zijn
van een concreet eigen belang dat kan worden geplaatst in het kader van de individuele
gezondheidszorg. Klagers 1) en 2) hebben gesteld dat hun belang daarin is gelegen dat zij willen
onderzoeken of er sprake was van een erfelijke aandoening bij de vader en dat de obductie bedoeld
was om te weten te komen waaraan de vader was overleden. Klagers hebben in dat verband gesteld dat
door het weigeren van de obductie, de huisarts hen de kans heeft ontnomen tijdig te kunnen handelen
bij eventuele medische problematiek die henzelf betreft. Klager 1) heeft in dit verband eraan
toegevoegd dat hij zelf bètablokkers slikt en erfelijke hartaandoeningen wil uitsluiten.

5.3 Gelet op het door klagers 1) en 2) gestelde belang met betrekking tot de erfelijkheid, is het
college van oordeel dat zij kunnen worden aangemerkt als rechtstreeks belanghebbende in de zin van
artikel 65 lid 1 onder a Wet BIG. Dit geldt ook voor het belang om ‘te weten te komen waaraan de
vader is overleden’. Bij het mondeling vooronderzoek hebben klagers toegelicht dat zij wisten dat
het niet goed ging met de vader, dat hij zorg-mijdend was en zich niet liet onderzoeken. Vader is
dood aangetroffen op de vloer en klagers weten niet wat de precieze oorzaak van zijn overlijden
was, maar zij denken zelf aan hartfalen en willen weten of dit erfelijk is.
Klaagster 3) kan echter niet als rechtstreeks belanghebbende worden aangemerkt; zij heeft immers
geen genetische verwantschap met de vader en door haar is ook geen ander belang gesteld. Daar komt
bij dat vaststaat dat klaagster geen enkel contact met de huisarts heeft gehad met betrekking tot het verzoek tot obductie. Van klaagster betrokkenheid bij dit onderwerp is niet gebleken, anders dan dat zij de moeder is van klagers 1) en 2). Het college komt dan ook tot het oordeel dat klaagster kennelijk niet-ontvankelijk is in de klacht. Dat betekent dat uitsluitend de klacht van klagers 1) en 2) inhoudelijk zal worden beoordeeld.

De criteria voor de beoordeling
5.4 De vraag is of de huisarts aan klagers de zorg heeft verleend die van haar verwacht mocht
worden. De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende huisarts. Bij de
beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de huisarts geldende beroepsnormen en andere
professionele standaarden.

De klacht
5.5 Klagers stellen dat de huisarts ten onrechte heeft geweigerd om obductie te laten doen.

5.6 De huisarts stelt dat zij het verzoek van klagers serieus heeft genomen. Zij heeft klagers en
de echtgenote meerdere keren telefonisch te woord gestaan. De huisarts zag echter geen indicatie
voor een obductie omdat sprake was van een natuurlijk overlijden van de vader. Er bestonden ook
geen aanwijzingen voor erfelijke aandoeningen. De huisarts had geen twijfel waaraan de vader was
overleden. Een obductie op medische gronden kon daarom niet worden verricht. Van de door klager 1)
gestelde hartklachten was zij ten tijde van het obductieverzoek niet op de hoogte. De huisarts
heeft klagers erop gewezen dat als zij meenden dat er sprake was van een niet-natuurlijk overlijden
van de vader, zij een (gerechtelijke) obductie bij de justitiële autoriteiten konden aanvragen.
Zekerheidshalve heeft de huisarts nog informatie ingewonnen van een jurist van de KNMG en overleg
gepleegd met haar vaste waarnemer. Ook achteraf bezien meent de huisarts dat zij zorgvuldig heeft
gehandeld door het verzoek om obductie te weigeren.

5.7 Het college oordeelt dat de huisarts niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.
Vooropgesteld wordt dat een medische obductie wordt aangevraagd door een arts. De arts vraagt een
obductie alleen aan als daartoe een medische aanleiding (indicatie) bestaat. Het college gaat ervan
uit dat de huisarts beschikte over het volledige medisch dossier van de vader. Het is immers
gebruikelijk dat een medisch dossier aan een opvolgend huisarts wordt overgedragen. Het overlijden
van de vader kwam voor de huisarts niet onverwacht. Omdat er geen aanwijzingen waren voor een
niet-natuurlijk overlijden van de vader (een niet-natuurlijk overlijden is een overlijden door een
ongeval, misdrijf of medische fout) en de huisarts ook geen aanwijzingen had voor erfelijke
aandoeningen, was er voor de huisarts geen reden een indicatie te stellen voor een medische
obductie. Klagers hebben ook niet aan de huisarts kenbaar gemaakt dat er bij klager 1) sprake was
van actuele hartklachten en dat zij zich zorgen maakten over erfelijke aandoeningen. De huisarts
heeft dit dan ook niet bij haar beslissing kunnen betrekken.
De huisarts heeft het verzoek van klagers serieus genomen. De huisarts heeft haar besluit in meerdere gesprekken met klagers toegelicht. Zij heeft overleg gepleegd met haar waarnemer; zowel de huisarts als de waarnemer hebben naar aanleiding van het verzoek van klagers advies gevraagd aan een jurist van de KNMG. Ook heeft de huisarts klagers een alternatief aangereikt door ze te verwijzen naar justitiële autoriteiten. Klagers hebben hiervan echter geen gebruik gemaakt.
Nu er geen medische redenen waren voor een obductie en gelet op de inspanningen die de huisarts met
betrekking tot het verzoek van klagers heeft verricht, is het college van oordeel dat de huisarts
op een zorgvuldige wijze heeft gehandeld.

Slotsom
5.8 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat de klacht kennelijk ongegrond is.

6. De beslissing
Het college:
- verklaart klaagster 3) kennelijk niet-ontvankelijk in haar klacht;
- verklaart de klacht ten aanzien van klagers 1) en 2) kennelijk ongegrond.

Deze beslissing is gegeven op 7 januari 2026 door F.C. Alink-Steinberg, voorzitter,
B.C.A.M. van Casteren-van Gils en B.L.J. Versteijen, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door
C.W.M. Hillenaar, secretaris en in het openbaar uitgesproken door de vaste voorzitter
K.A.J.C.M. van den Berg Jeths-van Meerwijk.