ECLI:NL:TGZRSHE:2026:29 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg 's-Hertogenbosch H2025/8360

ECLI: ECLI:NL:TGZRSHE:2026:29
Datum uitspraak: 11-02-2026
Datum publicatie: 11-02-2026
Zaaknummer(s): H2025/8360
Onderwerp: Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose
Beslissingen: Ongegrond, kennelijk ongegrond
Inhoudsindicatie: Ongegronde klacht tegen oogarts. Patiënt, klager, verwijt verweerster onbekwaam en onbevoegd een oog-laserbehandeling te hebben uitgevoerd. Volgens klager heeft verweerster zijn linkeroog blind gemaakt en klager in de val gelokt. Ook zou verweerster zich niet professioneel maar theatraal hebben gedragen. Verweerster heeft het college verzocht om klager (kennelijk) niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel de klacht (kennelijk) ongegrond af te wijzen. College: kennelijk ongegrond.


REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG TE ’s-HERTOGENBOSCH

Beslissing in raadkamer van 11 februari 2026 op de klacht van:

[A],
wonende in [B],
klager,

tegen:

[C],
oogarts,
werkzaam in [D],
verweerster,
gemachtigde: mr. drs. A. Dekker, werkzaam in Utrecht.

1. De zaak in het kort
1.1   Klager verwijt verweerster onbekwaam en onbevoegd een oog-laserbehandeling (hierna ook: 
(laser)behandeling) te hebben uitgevoerd aan het linkeroog van klager. Volgens klager heeft 
verweerster zijn linkeroog blind gemaakt en hem in de val gelokt. Ook zou verweerster zich niet 
professioneel maar theatraal hebben gedragen.

1.2   Verweerster heeft het college verzocht om klager niet-ontvankelijk te verklaren. Als de 
klacht wel inhoudelijk wordt beoordeeld, heeft verweerster verzocht om de klacht als kennelijk 
ongegrond af te wijzen.

1.3   Het college komt tot het oordeel dat de klacht kennelijk ongegrond is. ‘Kennelijk’ betekent 
dat het niet nodig is om nog vragen aan de partijen te stellen en dat duidelijk is dat de klacht 
niet gegrond kan worden verklaard. Hierna licht het college toe hoe het tot deze beslissing is 
gekomen.

2.  De procedure
2.1  Het dossier bevat de volgende stukken:
-   het klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 4 april 2025;
-   het verweerschrift met de bijlagen, ontvangen op 24 juni 2025;
-    de brief van klager met de bijlagen, ontvangen op 15 juli 2025;
-    de brief van klager met de bijlagen, ontvangen op 29 juli 2025;
-   de brief van 8 augustus 2025 van de secretaris aan klager;
-   de brief van klager, ontvangen op 13 augustus 2025;
-   het proces-verbaal van het mondeling vooronderzoek, gehouden op 2 september 2025;
-    de brief van klager met de bijlage, ontvangen op 19 september 2025;
-   de brief 7 oktober 2025, ontvangen van de gemachtigde van verweerster.

2.2  Klager heeft de klacht ingetrokken. Verweerster heeft daarna verzocht de klacht verder te 
behandelen.

2.3   Het college heeft de klacht in raadkamer behandeld. Dit betekent dat het college de zaak 
beoordeeld heeft op basis van de stukken, zonder dat de partijen daarbij aanwezig waren.

3. De feiten
3.1   Klager heeft een medische voorgeschiedenis wat betreft zijn linkeroog met een zeer slechte 
visus. Klager werd eerst door een collega van verweerster behandeld vanwege glaucoom, een verhoogde 
oogboldruk.

3.2   Bij de datum 13 augustus 2024 in het medisch dossier heeft de collega van verweerster het 
volgende genoteerd (alle citaten voor zover van belang en letterlijk weergegeven):
“Bezoekreden: oog controle (…) Visus OS [college: linkeroog] zonder correctie:
<1/300 (…)
Oogdruk OS mmHg 28 (…)
Conclusie (…)
beknopt ovg:
- monoculus obv fors glaucoom OS. Mei ’22 doorverwezn naar (…) [een oogkliniek] ivm druk van 42 OS 
en toename uitval gezichtsveld OD [college: rechteroog]. (…) druppelwijziging aangebracht. (…)
heden: (…)
-Druk OS fors hoger dan eerder
-nastaar YAG staat gepland met mogelijk geen/weinig visuele winst. Wilde het toch proberen en geeft 
beter zicht op achtersegment.
Beleid
her-verwijzing (…) [een oogkliniek].
de YAG nastaar OS kan doorgang vinden (…)”

3.3  Op 22 augustus 2024 heeft verweerster in het medisch dossier geschreven:
“YAG Nastaar OS Patiënt gaat akkoord met behandeling. Patiënt is op de hoogte van mogelijke 
complicaties. (…) Er waren geen complicaties tijdens de ingreep. (…) Bijzonderheden: Dikke nastaar, 
veel troebelingen, uitleg gegeven”

3.4   Op 12 september 2024 heeft klager aan de balie verzocht om een telefonische afspraak met 
verweerster. In de notitie van de baliemedewerkster hierover stond dat klager met verweerster een 
extra controle of een verwijzing voor een second opinion wilde bespreken. Dezelfde dag heeft 
verweerster in het medisch dossier genoteerd:
“(…) TC: Vanochtend gebeld: voicemail
Vanmiddag rond 17u nogmaals gebeld; voicemail; ingesproken dat hij wellicht even
kan bellen voor een nieuwe belafspraak dan bij (…) [collega verweerster] (…) inplannen ? (…)”

3.5   Op 19 september 2024 heeft klager aan een collega van verweerster gevraagd om de behandeling 
over te dragen aan een ander ziekenhuis. Klager was toen reeds doorverwezen naar een oogkliniek. 
Ondanks voorgaande is klager doorverwezen.

3.6  Klager is sinds oktober 2024 niet meer onder behandeling van verweerster en/of
haar collega’s.

3.7   Klager heeft ook een klacht over verweerster ingediend als het hoofd van de afdeling 
oogheelkunde met kenmerk H2025/8359, die bij een beslissing door de voorzitter is afgedaan.

4. De klacht en de reactie van de oogarts
4.1  Klager verwijt verweerster:
a)   dat verweerster onbekwaam een oog-laserbehandeling heeft uitgevoerd, ofwel een 
quasi-behandeling heeft uitgevoerd;
b)   dat verweerster klager in de val heeft gelokt door zijn linkeroog finaal blind te prikken;
c)   dat verweerster zich niet professioneel heeft gedragen maar uitgesproken theatraal en dat 
verweerster ‘gek’ overkwam;
d)   de cruciale vraag of de troebelingen die verweerster heeft gezien statisch in geval van een 
quasi-behandeling of dynamisch waren in geval van een onbevoegde behandeling.

4.2   De oogarts heeft het college verzocht de klager niet-ontvankelijk te verklaren en de klacht 
dus niet inhoudelijk te behandelen. Voor het geval het college de klacht wel inhoudelijk zou 
beoordelen, heeft de oogarts het college verzocht de klacht (kennelijk) ongegrond te verklaren.

4.3  Het college gaat hieronder verder, voor zover nodig, in op de standpunten van partijen.

5. De overwegingen van het college
De criteria voor de beoordeling

5.1   De vraag is verweerster de zorg heeft verleend die van haar verwacht mocht worden. De norm 
daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende oogarts. Bij de beoordeling wordt rekening 
gehouden met de voor de oogarts geldende beroepsnormen en andere professionele standaarden. Dat een 
zorgverlener beter anders had kunnen handelen is niet altijd genoeg voor een tuchtrechtelijk 
verwijt. Verder geldt het uitgangspunt dat zorgverleners alleen tuchtrechtelijk verantwoordelijk 
zijn voor hun eigen handelen.

5.2  Het college oordeelt dat de oogarts niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. 
Hieronder ligt het college dit oordeel toe.

Klachtonderdelen a) onbekwaam of quasi-behandeling en d) statische troebelingen (quasi-behandeling) 
of dynamische troebelingen (onbevoegde behandeling)
5.3   Klager verwijt verweerster dat zij een quasi-behandeling heeft verricht dan wel onbekwaam en 
onbevoegd een laserbehandeling bij hem heeft uitgevoerd. Klager heeft daarnaast gesteld dat 
verweerster klager in de val heeft gelokt door zijn linkeroog blind te prikken. Klager heeft niet 
toegelicht op welke datum deze behandeling is gegeven. Verweerster zou volgens klager onbekwaam 
en/of onbevoegd zijn omdat uit informeel onderzoek is gebleken dat zij niet bekend staat als 
laser-oogarts en dat er op haar naam geen nastaarbehandelingen behalve die bij klager zijn 
geregistreerd. Klager heeft de vraag gesteld of de troebeling in zijn oog statisch of dynamisch 
was. Wanneer de troebeling statisch was, ging het volgens klager om een quasi-behandeling. Als de 
troebeling dynamisch zou zijn dan zou het volgens klager om een onbevoegde behandeling gaan.

5.4   Verweerster heeft aangevoerd dat zij als BIG-geregistreerde oogarts bevoegd en bekwaam was om 
de oog-laserbehandeling op 22 augustus 2024 uit te voeren.

5.5   Het college stelt vast dat verweerster enkel op 22 augustus 2024 klager een laserbehandeling 
heeft gegeven en wel aan het linkeroog. Het college heeft op basis daarvan begrepen dat klager over 
deze behandeling klaagt. Het college overweegt dat verweerster als BIG-geregistreerde oogarts met 
zeer ruime ervaring bevoegd en bekwaam was om deze (niet uitzonderlijke) behandeling op 22 augustus 
2024 te verrichten. In zoverre zijn deze klachtonderdelen kennelijk ongegrond.

5.6   Het college is niet helder wat klager bedoelt met zijn stelling dat een statische troebeling 
in het oog een quasi-behandeling zou betreffen en dat een dynamische troebeling een onbevoegde 
behandeling zou zijn. Voor zover klager met het woord ‘quasi-behandeling’ heeft bedoeld dat de 
laserbehandeling geen positief effect heeft gehad op de visus van klager, overweegt het college het 
volgende. Klager kampte voorafgaand aan de behandeling van 22 augustus 2024 reeds met complexe 
oogproblematiek en met een zeer beperkte visus. Hoe betreurenswaardig de gevolgen van deze 
oogproblematiek ook voor klager zijn, hij is voorafgaand aan de operatie op 13 augustus 2024 
geïnformeerd dat het effect van de laserbehandeling minimaal of nihil zou kunnen zijn voor de visus 
van klager. Immers de collega van verweerster heeft toen genoteerd: “nastaar YAG (…) met mogelijk geen /weinig visuele winst. Wilde het toch proberen en geeft beter zicht op achter segment. (…)” Verweerster heeft 
aangevoerd dat de behandeling nuttig kan zijn om in de toekomst de binnenkant van het oog (achtersegment) te kunnen blijven beoordelen, wat gezien de oogproblematiek van klager van belang is. Na de verkregen toestemming van klager is klager behandeld op 22 augustus 2024. Het uitblijven van visuele verbetering maakt in dit geval niet dat verweerster onzorgvuldig heeft gehandeld. Op basis van voorgaande zijn deze klachtonderdelen voor het overige ook kennelijk ongegrond. Klachtonderdeel b) klager in de val gelokt door blindprikken linkeroog
5.7   Dit klachtonderdeel heeft klager niet onderbouwd en niet geconcretiseerd. Verweerster heeft 
verwezen naar de notities van haar collega van 13 augustus 2024. Daarin werd de reeds bestaande 
slechte visus van het linkeroog van klager als volgt genoteerd:“(…) Visus OS zonder correctie: 
<1/300 (…)” Daarnaast kan verweerster de klacht niet verenigen met haar inspanningen.

5.8   Het college is op geen enkele wijze gebleken dat verweerster klager in een val heeft willen 
lokken of heeft gelokt. Ook is het college niet gebleken dat verweerster het linkeroog van klager 
blind heeft gemaakt. Wanneer klager een dergelijk groot ernstig verwijt maakt, past het klager om 
dit verwijt te onderbouwen en te concretiseren. Mede op basis van hetgeen hiervoor is overwogen, is 
dit klachtonderdeel ook kennelijk ongegrond.

Klachtonderdeel c) theatraal handelen
5.9   Klager heeft geen concrete feiten of omstandigheden verstrekt waaruit het door klager 
gestelde gedrag bleek. Klager heeft ook niet genoemd onder welke omstandigheden, wanneer en/of op 
welke wijze verweerster zich niet professioneel of theatraal gedroeg. Verweerster heeft aangevoerd 
dat zij heeft gehandeld conform de KNMG-gedragscode.

5.10  Het college is uit de overgelegde stukken waaronder het medisch dossier, geen gedrag van 
verweerster gebleken dat voldoet aan het door klager gestelde gedrag van verweerster. Het college 
overweegt dat het enkele noemen dat ‘verweerster zich niet professioneel en theatraal gedroeg’ 
onvoldoende concreet is. Het lag op de weg van klager om de situatie en het verwijt concreet te 
beschrijven. Het college overweegt verder dat in gevallen waarin de lezingen van partijen over de 
feitelijke gang van zaken uiteenlopen en niet kan worden vastgesteld welke van beide lezingen het 
meest aannemelijk is, een verwijt dat is gebaseerd op de lezing van de klagende partij niet gegrond 
kan worden bevonden. Dat brengt mee dat niet kan worden vastgesteld of verweerster klachtwaardig 
heeft gehandeld. Dit oordeel berust niet op het uitgangspunt dat het woord van klager minder geloof 
verdient dan dat van verweerster. Dit oordeel berust op de omstandigheid dat voor het oordeel of 
een bepaalde verweten gedraging tuchtrechtelijk verwijtbaar is, eerst moet worden vastgesteld welke 
feiten daaraan ten grondslag gelegd kunnen worden. Deze feiten kan het college dus, ook als aan het woord van klager en van verweerster evenveel geloof wordt gehecht, hier niet vaststellen. Dit klachtonderdeel is kennelijk ongegrond.

Slotsom
5.11  Uit de overwegingen hiervoor volgt dat alle onderdelen van de klacht kennelijk ongegrond 
zijn.

6. De beslissing
Het college verklaart:
-  de klacht in al haar onderdelen kennelijk ongegrond.

Deze beslissing is gegeven op 11 februari 2026 door T. Dohmen, voorzitter,
E.J.G.M. van Oosterhout en B.F.Th. Hogewind, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door
F.A.C. Bergervoet, secretaris, en in het openbaar uitgesproken door de vaste voorzitter
K.A.J.C.M. van den Berg Jeths-van Meerwijk.