ECLI:NL:TGZRSHE:2026:28 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg 's-Hertogenbosch H2025/8413
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRSHE:2026:28 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 11-02-2026 |
| Datum publicatie: | 11-02-2026 |
| Zaaknummer(s): | H2025/8413 |
| Onderwerp: | Grensoverschrijdend gedrag |
| Beslissingen: | Ongegrond, kennelijk ongegrond |
| Inhoudsindicatie: | Kennelijk ongegronde klacht tegen anesthesioloog. Anesthesiemedewerker verwijt de anesthesioloog – onder meer - emotionele mishandeling, machtsmisbruik en ongewenste aanrakingen. Privérelatie. Niet-ontvankelijkheidsverweer. Rechtstreeks belang dat kan worden geplaatst in het kader van de individuele gezondheidszorg. Opleidingstraject. Hiërarchische en/of functionele ongelijkwaardigheid. Door de aard en mate waarin privécontact plaatsvindt, kan de kwaliteit van de gezondheidszorg in gevaar komen. Klaagster is ontvankelijk. Klacht is kennelijk ongegrond. De verweten gedragingen kunnen niet worden vastgesteld. |
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG TE ’s-HERTOGENBOSCH
Beslissing in raadkamer van 11 februari 2026 op de klacht van:
[A],
wonende in [B],
klaagster,
tegen
[C],
anesthesioloog,
werkzaam in [D],
verweerder, hierna ook: de anesthesioloog,
gemachtigde mr. L. Greebe, werkzaam in Amsterdam.
1. Waar gaat de zaak over?
1.1 Klaagster was in opleiding tot anesthesiemedewerker in het ziekenhuis waar
verweerder als
anesthesioloog werkzaam is. Tussen klaagster en de anesthesioloog ontstond in 2022
een
vriendschappelijke relatie, welke relatie zich ontwikkelde tot een verliefdheidsrelatie.
Na een
incident tussen de anesthesioloog en de partner van klaagster (hierna ook: de partner),
is de
relatie in maart 2024 geëindigd. Klaagster verwijt de anesthesioloog grensoverschrijdend
gedrag,
bestaande uit - onder meer - emotionele mishandeling, machtsmisbruik en ongewenste
aanrakingen. De
anesthesioloog stelt zich op het standpunt dat klaagster niet-ontvankelijk is omdat
de klacht
volgens hem niet gaat over zijn beroepsmatig handelen, maar om een privékwestie
waarvoor het
tuchtrecht niet bedoeld is. Voor het geval klaagster wel ontvankelijk is, betwist
de anesthesioloog
dat sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen.
1.2 Het college komt tot het oordeel dat klaagster ontvankelijk is in haar klacht,
maar dat de
klacht kennelijk ongegrond is. ‘Kennelijk’ betekent dat het niet nodig is om nog
vragen aan de
partijen te stellen en dat duidelijk is dat de klacht niet gegrond kan worden verklaard.
Hierna
licht het college toe hoe het tot deze beslissing is gekomen.
2. De procedure
2.1 De procedure blijkt uit:
- het klaagschrift met de bijlage, ontvangen op 22 april 2025;
- de brief van 9 mei 2025 van de secretaris aan klaagster;
- de brief van 22 mei 2025 met bijlagen, ontvangen van klaagster op 26 mei 2025;
- de brief van 27 mei 2025 met bijlagen, ontvangen van klaagster op 30 mei 2025;
- de brief van 30 mei 2025, ontvangen van klaagster op 4 juni 2025;
- het verweerschrift met de bijlagen, ontvangen op 17 juli 2025;
- de repliek, ontvangen op 8 augustus 2025;
- de dupliek, ontvangen op 15 augustus 2025;
- het proces-verbaal van het mondelinge vooronderzoek, gehouden op 29 september
2025.
2.2 Het college heeft de klacht in raadkamer behandeld. Dit betekent dat het college
de zaak
beoordeeld heeft op basis van de stukken, zonder dat de partijen daarbij aanwezig
waren.
3. Wat is er gebeurd?
3.1 In augustus 2020 startte klaagster met een opleiding tot anesthesiemedewerker
in het
ziekenhuis waar verweerder als anesthesioloog werkzaam is. Vanaf begin 2022 ontstond
een
vriendschappelijke relatie tussen hen. Het contact vond plaats op het werk en via
WhatsApp. Uit de
talloze WhatsApp-berichten blijkt dat sprake was van een wederzijdse aantrekkingskracht
tussen
beiden. Het WhatsApp-contact kreeg ook een flirtend karakter. Er vonden steeds meer
contactmomenten
op het werk plaats waarbij ook knuffels werden gegeven. Klaagster en de anesthesioloog
hebben nooit
seksueel/intiem contact gehad.
3.2 In 2023 vond een telefoongesprek plaats tussen klaagster, haar partner en de
anesthesioloog
waarin werd afgesproken dat het contact tussen klaagster en de anesthesioloog zou
(moeten) stoppen.
Klaagster en de anesthesioloog hebben zich niet aan deze afspraak gehouden. In datzelfde
jaar
rondde klaagster haar opleiding met succes af. Eind februari 2024 sprak klaagster
met haar
teammanager over het omzetten van de – tot dan toe - tijdelijke arbeidsovereenkomst
in een
overeenkomst voor onbepaalde tijd. Klaagster heeft in dat gesprek, noch tijdens
eerdere gesprekken
gedurende haar opleiding, met haar leidinggevende gesproken over de relatie met
de anesthesioloog.
Evenmin besprak zij de situatie met een vertrouwenspersoon.
3.3 In de ochtend van 4 maart 2024 vond op de polikliniek in het ziekenhuis een
incident plaats
tussen de partner van klaagster en de anesthesioloog. Tijdens het spreekuur, waarbij
de
anesthesioloog een telefonisch consult met een patiënt had, viel de partner van
klaagster de
spreekkamer binnen. Hij was door klaagster naar de polikliniek gebracht. Bij dit
incident zijn
klappen gevallen. De anesthesioloog heeft zich diezelfde ochtend bij de afdeling
Spoedeisende hulp
(SEH) van het ziekenhuis lichamelijk laten onderzoeken. Ook deed hij bij de politie
aangifte van
mishandeling door de partner.
3.4 Enkele dagen na het incident hebben klaagster en de anesthesioloog met elkaar
gesproken over
het incident.
3.5 Na dit incident gaf klaagster bij haar teammanager aan dat ze spanningen ervaarde in de werkverhouding tussen haar en de anesthesioloog en als gevolg daarvan haar werkzaamheden niet meer kon uitoefenen. Op advies van de bedrijfsarts is voor klaagster toen een time-outperiode van twee weken ingesteld. Daarna vonden tussen klaagster en de teammanager gesprekken plaats over het hervatten van de werkzaamheden na de time-out.
3.6 Klaagster vernam daarna van de afdelingsmanager dat de vakgroep anesthesie had
besloten dat
een verdere samenwerking met klaagster op de afdeling niet meer mogelijk was. Naar
aanleiding van
dit besluit heeft klaagster ontslag genomen.
4. De klacht en de reactie van de anesthesioloog
4.1 Klaagster verwijt de anesthesioloog:
a) emotionele mishandeling;
b) manipulatie;
c) machtsmisbruik;
d) pesten/laster;
e) ongewenste aanrakingen.
4.2 Als toelichting stelt klaagster dat de anesthesioloog haar persoonlijke grenzen
en haar
wensen om het flirterige privégedrag te stoppen, langdurig niet heeft gerespecteerd
en
overschreden. Klaagster had een relatie met haar partner, die ze niet kwijt wilde.
4.3 Volgens de anesthesioloog moet klaagster niet-ontvankelijk worden verklaard
in de klacht. Hij
stelt dat klaagster onvoldoende rechtstreeks belang bij haar klacht heeft. Bovendien
kan haar
belang niet worden geplaatst in het kader van de individuele gezondheidszorg. Er
was uitsluitend
sprake van een privérelatie. Deze relatie was wederzijds en vrijwillig en vond plaats
buiten de
context van de patiëntenzorg. Het gedrag dat klaagster de anesthesioloog verwijt,
ziet niet op het
beroepsmatig handelen in het kader van de zorgverlening in algemene zin. Het verweten
gedrag heeft
geen, dan wel onvoldoende weerslag op de individuele gezondheidszorg. Voor het geval
het college de
klacht wel inhoudelijk gaat beoordelen, heeft de anesthesioloog het college verzocht
de klacht
ongegrond te verklaren.
4.4 Het college gaat hieronder verder in op de standpunten van partijen.
5. De overwegingen van het college
Is klaagster ontvankelijk in de klacht?
5.1 Vast staat dat tussen partijen geen sprake is geweest van een behandelrelatie.
De zogenaamde eerste tuchtnorm – die gaat over goede zorgverlening - is daarom niet
van toepassing
in deze zaak.
5.2 De zogenaamde tweede tuchtnorm gaat over gedragingen die niet onder de eerste
tuchtnorm
vallen, maar in strijd zijn met wat een behoorlijk beroepsbeoefenaar betaamt. Een klacht
daarover kan ook worden ingediend door een andere zorgverlener, als die daarbij een rechtstreeks
belang heeft. Dat belang moet dan bovendien in het kader van de individuele gezondheidszorg
kunnen worden geplaatst.
5.3 Het tuchtrecht is in het algemeen niet bedoeld voor de beoordeling van een privérelatie
tussen zorgverleners onderling. Dat kan echter anders zijn als door die privéverhouding
risico’s
ontstaan voor de kwaliteit van de patiëntenzorg. Omdat klaagster stelt dat zij last
heeft
ondervonden van het gedrag dat zij de anesthesioloog verwijt en dit gedrag direct
op haar
betrekking had, heeft zij voldoende rechtstreeks belang bij haar klacht. De volgende
vraag is of
dit belang geplaatst kan worden in het kader van de individuele gezondheidszorg.
Daarvoor is het
volgende van belang. Klaagster en de
anesthesioloog waren op dezelfde afdeling werkzaam. Tijdens een samenwerking op
de OK is sprake van
functionele hiërarchie, want op de OK is de anesthesioloog immers eindverantwoordelijk.
In die zin
kan sprake zijn van een ongelijkwaardige positie tussen klaagster en de anesthesioloog.
Een
dergelijke ongelijkwaardigheid kan eraan bijdragen dat degene die zich in een afhankelijke
positie
bevindt, het privécontact in stand houdt en dit niet ondubbelzinnig afhoudt of verbreekt.
Aan die
terughoudendheid om grenzen te stellen ligt dan zorg of angst voor de gevolgen in
het werk ten
grondslag. Daarbij kan worden gedacht aan vrees voor een negatieve beoordeling in
het kader van een
opleiding of voor vervelend gedrag of andere represailles op de werkvloer. In zoverre
kan
privécontact niet los worden gezien van de werksituatie. Ook in het geval geen sprake
is van een
hiërarchische en/of functionele ongelijkwaardigheid tussen twee zorgverleners, kan
door de aard en
de mate waarin het privécontact plaatsvindt, de kwaliteit van de gezondheidszorg
in gevaar komen.
Een dergelijk contact kan immers leiden tot spanning op de werkvloer met afleiding
van de
werkzaamheden tot gevolg. In dit onderhavige geval is, juist gelet op de excessieve
omvang van het
privécontact dat in overwegende mate tijdens de werkuren en in het ziekenhuis plaatsvond,
voldoende
aannemelijk dat het gedrag dat klaagster de anesthesioloog verwijt, van invloed
kan zijn geweest op
de werksfeer en dat daarmee de kwaliteit van de patiëntenzorg in het gedrang kon
komen.
5.4 Klaagster is dus ontvankelijk in haar klacht en het college zal de klacht inhoudelijk
bespreken.
Welke criteria gelden bij de beoordeling?
5.5 De vraag die het college moet beantwoorden is of het gedrag van de anesthesioloog
in strijd
komt met wat een behoorlijk beroepsbeoefenaar betaamt. Om te kunnen beoordelen of
de anesthesioloog
met bepaalde gedragingen tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld, moet eerst
voldoende komen
vast te staan welke gedragingen hebben plaatsgevonden.
Klachtonderdelen a) emotionele mishandeling en b) manipulatie
5.6 Deze klachtonderdelen lenen zich voor gezamenlijke bespreking.
Als toelichting stelt klaagster dat haar persoonlijke grenzen langdurig niet gerespecteerd
en
overschreden werden. Klaagster wilde het contact steeds stoppen, maar de anesthesioloog
legde dan
een emotionele druk op haar. Hij nam de slachtofferrol aan en maakte emotioneel
manipulerende
opmerkingen waarbij hij met verwijten en beloften probeerde de schuld bij klaagster
te leggen en
daarmee probeerde het contact niet te verbreken. Het voelde voor klaagster als emotionele
chantage.
5.7 De anesthesioloog betwist dat van emotionele mishandeling en van manipulatie
sprake was. Er
was volgens hem sprake van een vriendschappelijke relatie met contact over en weer,
waarbij
klaagster zelf veelvuldig contact met hem zocht. Klaagster heeft de anesthesioloog
zelfs meerdere
keren verzocht de app-conversatie te wissen, omdat haar partner niets mocht weten.
5.8 Het college stelt vast dat uit de overgelegde (zeer vele) WhatsApp-berichten
tussen klaagster
en de anesthesioloog niet kan worden afgeleid dat klaagster het contact (op welk
moment dan ook)
onplezierig vond. Sterker nog, het college stelt vast dat niet alleen de anesthesioloog,
maar ook
klaagster zelf regelmatig het initiatief nam tot contact en dat beiden gedurende
de gehele periode
hun gevoelens voor elkaar bleven uiten. Beide partijen waren daarin ook zeer vasthoudend.
De
conversatie op WhatsApp varieerde van oppervlakkig tot diepgaand en betrof velerlei
onderwerpen,
waaronder ook de persoonlijke sekslevens. De conversatie bevatte ook seksueel getinte
teksten en
berichten met suggestieve inhoud. Beide partijen hielden zich niet aan de in 2023
tussen hen en de
partner van klaagster gemaakte afspraak om het contact te stoppen.
5.9 Klaagster geeft in de WhatsApp-conversatie ook meerdere keren aan dat zij het
contact met de
anesthesioloog niet kwijt wilde. Zo schrijft zij op 30 januari 2024 (alle citaten
voor zover van
belang en ongecorrigeerd weergegeven):
“Omdat ik wel steeds contact blijf zoeken en dichtbij kom.(…) Maar ja. Soulmates
dat trekt gewoon.
Ik kan er ook niets aan doen. En het is zo gezellig.(…) Het blijft gewoon heel lastig
en
ingewikkeld. Ik geef om je en wil je niet kwetsen. Elke keer vind ik het weer moeilijk
te horen
hoeveel moeite het je kost. Maar toch blijf ik toenadering zoeken omdat de aantrekking
groot is. Ik
moet steeds oppassen met wat ik zeg. Want ik realiseer me ook dat ik soms best flirty
of
persoonlijk reageer. En ik snap dat je uitdaging dan een beetje groter wordt. (…)
Ik voel me gewoon
elke dag schuldig naar mijn vriend en naar jou. Ik zit steeds in tweestrijd. Me
gedragen en de
drang blijven voelen om contact met je te hebben, of het heel gezellig hebben met
jou en daarbij
niet helemaal eerlijk zijn naar mijn vriend. En steeds het jou moeilijk maken met
je gevoelens. (…)
Het idee dat ik je ooit kwijt ben ik het leven doet heel veel verdriet. Maar ja
dat ik houd van
twee mannen kan ik niet om heen.”
De anesthesioloog schreef diezelfde dag:
“En ik vindt het natuurlijk ook heel erg lastig om ergens in te fietsen waar ik
niet thuis hoor
te zijn (jullie relatie). Maar inmiddels wil ik me niet meer alleen maar netjes
gedragen en toch weer aan het kortste eind trekken. Ik ga zeker niets forceren, noch
manipuleren. Wat ik bedoel is (…) dat ik me niet meer ga verzetten tegen gevoelens
en de flow…ik laat me nu eens lekker meeslepen en genieten van wat er nog (voor mij)
overblijft. Wat moet gebeuren gaat toch gebeuren of niet juist. OMG wat is het toch
sh…allemaal. En ik wil je ook niet in verlegenheid brengen. Ik wil dat je jezelf goed
voelt, dat je gelukkig bent of wordt met wie dan ook. Nogmaals, dat kan ik niet
voor jou invullen.”
Op 20 februari 2024 schrijft klaagster:
“Ja ik vind het ook fijn (…) Al ben ik wel heel graag dicht bij je (…) En sorry
dat je soms
misschien geen hoogte van mij krijgt. Dat ik zo dichtbij kom. Terwijl ik bij mijn
keuze blijf. Dat
is de aantrekking, het een voelen en het houden van. (…)
Die aantrekking van soulmates kan ik gewoon niet omheen. En ik wil en kan eigenlijk
het gewoon niet
tegenhouden. Alleen wil ik wel trouw blijven aan mijn vriend. Zo ver als dat kan.
Wat ik al niet
helemaal ben maarja (…) Mijn keuze blijft. Al is het wel zo dat in van jullie allebei
houd.”
Het college leidt uit de gehele WhatsApp-conversatie af dat beide partijen worstelden
met hun
gevoelens voor elkaar en dat zij daarover beiden openlijk en kennelijk welbewust
met elkaar van
gedachten hebben gewisseld. Het college kan niet vaststellen dat sprake is (geweest)
van emotionele
mishandeling noch van manipulatie van de zijde van de anesthesioloog. Beide klachtonderdelen
zijn
daarom kennelijk ongegrond.
Klachtonderdeel c) machtsmisbruik
5.10 Klaagster stelt dat zij in haar leerlingentijd afhankelijk was van de beoordeling
van de
anesthesioloog. Daarom kon/durfde zij nergens tegenin te gaan, bang om haar opleiding
niet te
halen.
5.11 De anesthesioloog stelt zich op het standpunt dat er tussen hen geen sprake
was van een
hiërarchische gezagsverhouding. De anesthesioloog had geen invloed op de beoordelingen
van
klaagster en ook niet op haar dienstverband. Hij verwijst in dat kader
naar het interne opleidingsdocument ‘Leerplaatsprofiel Anesthesie’ (hierna ook:
het
Leerplaatsprofiel). Daarnaast stond het incident op 4 maart 2024 wat hem betreft
niet in de weg aan
het voortzetten van het dienstverband, aangezien klaagster een goede werknemer was.
5.12 Het college oordeelt als volgt. In het Leerplaatsprofiel wordt beschreven op
welke wijze
studenten in opleiding tot anesthesiemedewerker worden beoordeeld. Feedback en
beoordelingsuitspraken worden gedaan door de groepsgenoten, werkbegeleiders uit
de praktijk, de
docentbegeleider van de opleiding en de kandidaat zelf. Daaruit volgt dat gedurende
het
opleidingstraject anesthesiologen in beginsel geen onderdeel uitmaken van deze beoordeling.
Tijdens een samenwerking tussen een anesthesioloog en een leerling-anesthesiemedewerker
op de OK kan dat anders zijn, omdat er dan sprake is van een functionele hiërarchie
(zie ook alinea
5.3). De vraag die moet worden beantwoord is of de anesthesioloog daadwerkelijk
een rol speelde bij
de beoordeling van klaagster tijdens haar opleidingstraject. Het college heeft deze
rol niet kunnen
vaststellen. In de WhatsApp-conversatie was dit onderwerp in het geheel niet aan
de orde en ook in
de overige processtukken is daar geen aanknopingspunt voor gevonden. Dat de anesthesioloog
–
binnen, maar ook buiten het kader van klaagsters opleiding – zijn positie zou hebben
misbruikt door
die positie in te zetten om het persoonlijke contact met klaagster te laten voortduren,
kan het
college daarom niet vaststellen. Ook dit klachtonderdeel is kennelijk ongegrond.
Klachtonderdeel d) pesten/laster
5.13 Als toelichting op dit klachtonderdeel stelt klaagster dat na het incident
op verschillende
plaatsen om haar heen roddels opdoken, met een inhoud die alleen de anesthesioloog
kon weten. De
roddels kwamen ook van mensen buiten het ziekenhuis. Ook stuurde de anesthesioloog
na het incident
nog statusberichten aan klaagster via Whatsapp.
5.14 Volgens de anesthesioloog is van pesterijen en/of laster van zijn zijde geen
sprake. Hij
wijst erop dat het op 4 maart 2024 om een incident ging waar meerdere personen getuige
van zijn
geweest. De impact van het incident was groot en heeft ertoe geleid dat verhalen
een eigen leven
gingen leiden. Ook een lokale radio- en televisiezender heeft berichten daarover
uitgezonden. De
anesthesioloog is hier niet verantwoordelijk voor. Statusberichten op WhatsApp hebben
een algemeen
karakter en zijn voor alle contacten zichtbaar. Als klaagster na het incident nog
statusberichten
van de anesthesioloog heeft gezien, heeft zij zelf er actief naar gezocht.
5.15 Het college stelt vast dat dit klachtonderdeel betrekking heeft op de periode
na het incident
van 4 maart 2024. Als een geweldsincident plaatsvindt tijdens het spreekuur op de
poli van een
ziekenhuis, waarbij getuigen aanwezig zijn, is te verwachten dat verhalen daarover
worden
verspreid. Klaagster verwijt de anesthesioloog daarvoor verantwoordelijk te zijn,
hetgeen de
anesthesioloog betwist. Naar het oordeel van het college is dit klachtonderdeel
door klaagster
onvoldoende onderbouwd. De enkele stelling dat de inhoud van de roddels alleen van
de
anesthesioloog afkomstig kunnen zijn, is daarvoor niet toereikend. Daarbij telt
mee dat blijkens de
overgelegde WhatsApp-conversatie al voor het incident sprake was van geruchten op
de werkvloer van
het ziekenhuis over de verstandhouding tussen klaagster en de anesthesioloog, geruchten
waarvan zij
derden als oorzaak zagen. Het versturen van statusberichten kan evenmin als onderbouwing
gelden.
Het college kan dan ook niet vaststellen dat van de zijde van de anesthesioloog
sprake is geweest
van pesten en/of laster. Dit klachtonderdeel is kennelijk ongegrond.
Klachtonderdeel e) ongewenste aanrakingen
5.16 Klaagster stelt dat er ongewenste aanrakingen hebben plaatsgevonden. Zij doelt
met
name op een ‘langdurige knuffel’ waarbij zowel klaagster als de anesthesioloog hun
handen
over elkaars rug en billen lieten gaan. Klaagster licht toe dat zij dit helemaal
niet wilde en zich
als verstijfd voelde. Ze is er desondanks in meegegaan omdat ze bang was voor de
gevolgen.
5.17 De anesthesioloog stelt dat van ongewenste aanrakingen geen sprake is. Er is
niets tegen de
wil van klaagster gebeurd. Nergens uit blijkt dat klaagster verstijfd van angst
was onder de
aanrakingen of dat zij bang voor de gevolgen was.
5.18 Voor het college staat vast dat er fysieke aanrakingen over en weer hebben plaatsgevonden.
Omdat klaagster met name klaagt over de ‘langdurige knuffel’, verwijst het college
naar de
WhatsApp-conversatie van 2 maart 2024 waarop partijen aan elkaar appen: [anesthesioloog]
“Wat een
knuffel (…)
[klaagster] “Ja dat was heel fijn. En eigenlijk geen knuffel meer (…) Ook het gevoel
eigenlijk.
Kan ik lastig uitleggen. De diepe connectie (…) Je borst en buik voelen heerlijk
en ik heb
blijkbaar een zwak voor geschoren borsthaar”
[anesthesioloog] “Om het niet te vergeten: je borst(en) en buik voelen ook onbeschrijflijk
heerlijk
aan. Kan dit niet anders zeggen”
Gelet op deze beschrijving van de aanrakingen en de daarmee gepaard gaande gevoelens
van beide
partijen, kan het college niet concluderen dat dit verwijt van klaagster terecht
is. Omdat het
college niet kan vaststellen dat sprake is geweest van fysieke ongewenste aanrakingen
jegens
klaagster, is ook dit klachtonderdeel kennelijk ongegrond.
Slotsom
5.19 Uit het voorgaande volgt dat alle onderdelen van de klacht kennelijk ongegrond
zijn.
6. De beslissing
Het college:
- verklaart de klacht in al haar onderdelen kennelijk ongegrond.
Deze beslissing is gegeven op 11 februari 2026 door R.A. Steenbergen, voorzitter,
L.M. Blok en P.E.
Lee Kong, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door C.W.M. Hillenaar, secretaris,
en in het openbaar uitgesproken door de vaste voorzitter K.A.J.C.M. van den Berg
Jeths-van
Meerwijk.