ECLI:NL:TGZRSHE:2026:28 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg 's-Hertogenbosch H2025/8413

ECLI: ECLI:NL:TGZRSHE:2026:28
Datum uitspraak: 11-02-2026
Datum publicatie: 11-02-2026
Zaaknummer(s): H2025/8413
Onderwerp: Grensoverschrijdend gedrag
Beslissingen: Ongegrond, kennelijk ongegrond
Inhoudsindicatie: Kennelijk ongegronde klacht tegen anesthesioloog. Anesthesiemedewerker verwijt de anesthesioloog – onder meer - emotionele mishandeling, machtsmisbruik en ongewenste aanrakingen. Privérelatie. Niet-ontvankelijkheidsverweer. Rechtstreeks belang dat kan worden geplaatst in het kader van de individuele gezondheidszorg. Opleidingstraject. Hiërarchische en/of functionele ongelijkwaardigheid. Door de aard en mate waarin privécontact plaatsvindt, kan de kwaliteit van de gezondheidszorg in gevaar komen. Klaagster is ontvankelijk. Klacht is kennelijk ongegrond. De verweten gedragingen kunnen niet worden vastgesteld.


REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG TE ’s-HERTOGENBOSCH

Beslissing in raadkamer van 11 februari 2026 op de klacht van:

[A],
wonende in [B],
klaagster,

tegen

[C],
anesthesioloog,
werkzaam in [D],
verweerder, hierna ook: de anesthesioloog,
gemachtigde mr. L. Greebe, werkzaam in Amsterdam.

1. Waar gaat de zaak over?
1.1   Klaagster was in opleiding tot anesthesiemedewerker in het ziekenhuis waar verweerder als 
anesthesioloog werkzaam is. Tussen klaagster en de anesthesioloog ontstond in 2022 een 
vriendschappelijke relatie, welke relatie zich ontwikkelde tot een verliefdheidsrelatie. Na een 
incident tussen de anesthesioloog en de partner van klaagster (hierna ook: de partner), is de 
relatie in maart 2024 geëindigd. Klaagster verwijt de anesthesioloog grensoverschrijdend gedrag, 
bestaande uit - onder meer - emotionele mishandeling, machtsmisbruik en ongewenste aanrakingen. De 
anesthesioloog stelt zich op het standpunt dat klaagster niet-ontvankelijk is omdat de klacht 
volgens hem niet gaat over zijn beroepsmatig handelen, maar om een privékwestie waarvoor het 
tuchtrecht niet bedoeld is. Voor het geval klaagster wel ontvankelijk is, betwist de anesthesioloog 
dat sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen.

1.2   Het college komt tot het oordeel dat klaagster ontvankelijk is in haar klacht, maar dat de 
klacht kennelijk ongegrond is. ‘Kennelijk’ betekent dat het niet nodig is om nog vragen aan de 
partijen te stellen en dat duidelijk is dat de klacht niet gegrond kan worden verklaard. Hierna 
licht het college toe hoe het tot deze beslissing is gekomen.

2. De procedure
2.1  De procedure blijkt uit:
-  het klaagschrift met de bijlage, ontvangen op 22 april 2025;
-  de brief van 9 mei 2025 van de secretaris aan klaagster;
-  de brief van 22 mei 2025 met bijlagen, ontvangen van klaagster op 26 mei 2025;
-  de brief van 27 mei 2025 met bijlagen, ontvangen van klaagster op 30 mei 2025;
-  de brief van 30 mei 2025, ontvangen van klaagster op 4 juni 2025;
-  het verweerschrift met de bijlagen, ontvangen op 17 juli 2025;
-  de repliek, ontvangen op 8 augustus 2025;
-  de dupliek, ontvangen op 15 augustus 2025;
-  het proces-verbaal van het mondelinge vooronderzoek, gehouden op 29 september 2025.

2.2   Het college heeft de klacht in raadkamer behandeld. Dit betekent dat het college de zaak 
beoordeeld heeft op basis van de stukken, zonder dat de partijen daarbij aanwezig waren.

3. Wat is er gebeurd?
3.1   In augustus 2020 startte klaagster met een opleiding tot anesthesiemedewerker in het 
ziekenhuis waar verweerder als anesthesioloog werkzaam is. Vanaf begin 2022 ontstond een 
vriendschappelijke relatie tussen hen. Het contact vond plaats op het werk en via WhatsApp. Uit de 
talloze WhatsApp-berichten blijkt dat sprake was van een wederzijdse aantrekkingskracht tussen 
beiden. Het WhatsApp-contact kreeg ook een flirtend karakter. Er vonden steeds meer contactmomenten 
op het werk plaats waarbij ook knuffels werden gegeven. Klaagster en de anesthesioloog hebben nooit 
seksueel/intiem contact gehad.

3.2   In 2023 vond een telefoongesprek plaats tussen klaagster, haar partner en de anesthesioloog 
waarin werd afgesproken dat het contact tussen klaagster en de anesthesioloog zou (moeten) stoppen. 
Klaagster en de anesthesioloog hebben zich niet aan deze afspraak gehouden. In datzelfde jaar 
rondde klaagster haar opleiding met succes af. Eind februari 2024 sprak klaagster met haar 
teammanager over het omzetten van de – tot dan toe - tijdelijke arbeidsovereenkomst in een 
overeenkomst voor onbepaalde tijd. Klaagster heeft in dat gesprek, noch tijdens eerdere gesprekken 
gedurende haar opleiding, met haar leidinggevende gesproken over de relatie met de anesthesioloog. 
Evenmin besprak zij de situatie met een vertrouwenspersoon.

3.3   In de ochtend van 4 maart 2024 vond op de polikliniek in het ziekenhuis een incident plaats 
tussen de partner van klaagster en de anesthesioloog. Tijdens het spreekuur, waarbij de 
anesthesioloog een telefonisch consult met een patiënt had, viel de partner van klaagster de 
spreekkamer binnen. Hij was door klaagster naar de polikliniek gebracht. Bij dit incident zijn 
klappen gevallen. De anesthesioloog heeft zich diezelfde ochtend bij de afdeling Spoedeisende hulp 
(SEH) van het ziekenhuis lichamelijk laten onderzoeken. Ook deed hij bij de politie aangifte van 
mishandeling door de partner.

3.4  Enkele dagen na het incident hebben klaagster en de anesthesioloog met elkaar gesproken over 
het incident.

3.5  Na dit incident gaf klaagster bij haar teammanager aan dat ze spanningen ervaarde in de werkverhouding tussen haar en de anesthesioloog en als gevolg daarvan haar werkzaamheden niet meer kon uitoefenen. Op advies van de bedrijfsarts is voor klaagster toen een time-outperiode van twee weken ingesteld. Daarna vonden tussen klaagster en de teammanager gesprekken plaats over het hervatten van de werkzaamheden na de time-out.

3.6   Klaagster vernam daarna van de afdelingsmanager dat de vakgroep anesthesie had besloten dat 
een verdere samenwerking met klaagster op de afdeling niet meer mogelijk was. Naar aanleiding van 
dit besluit heeft klaagster ontslag genomen.

4. De klacht en de reactie van de anesthesioloog
4.1  Klaagster verwijt de anesthesioloog:
a) emotionele mishandeling;
b) manipulatie;
c) machtsmisbruik;
d) pesten/laster;
e) ongewenste aanrakingen.

4.2   Als toelichting stelt klaagster dat de anesthesioloog haar persoonlijke grenzen en haar 
wensen om het flirterige privégedrag te stoppen, langdurig niet heeft gerespecteerd en 
overschreden. Klaagster had een relatie met haar partner, die ze niet kwijt wilde.

4.3   Volgens de anesthesioloog moet klaagster niet-ontvankelijk worden verklaard in de klacht. Hij 
stelt dat klaagster onvoldoende rechtstreeks belang bij haar klacht heeft. Bovendien kan haar 
belang niet worden geplaatst in het kader van de individuele gezondheidszorg. Er was uitsluitend 
sprake van een privérelatie. Deze relatie was wederzijds en vrijwillig en vond plaats buiten de 
context van de patiëntenzorg. Het gedrag dat klaagster de anesthesioloog verwijt, ziet niet op het 
beroepsmatig handelen in het kader van de zorgverlening in algemene zin. Het verweten gedrag heeft 
geen, dan wel onvoldoende weerslag op de individuele gezondheidszorg. Voor het geval het college de 
klacht wel inhoudelijk gaat beoordelen, heeft de anesthesioloog het college verzocht de klacht 
ongegrond te verklaren.

4.4  Het college gaat hieronder verder in op de standpunten van partijen.

5. De overwegingen van het college
Is klaagster ontvankelijk in de klacht?
5.1  Vast staat dat tussen partijen geen sprake is geweest van een behandelrelatie.
De zogenaamde eerste tuchtnorm – die gaat over goede zorgverlening - is daarom niet van toepassing 
in deze zaak.

5.2   De zogenaamde tweede tuchtnorm gaat over gedragingen die niet onder de eerste tuchtnorm 
vallen, maar in strijd zijn met wat een behoorlijk beroepsbeoefenaar betaamt. Een klacht daarover kan ook worden ingediend door een andere zorgverlener, als die daarbij een rechtstreeks belang heeft. Dat belang moet dan bovendien in het kader van de individuele gezondheidszorg kunnen worden geplaatst.

5.3   Het tuchtrecht is in het algemeen niet bedoeld voor de beoordeling van een privérelatie 
tussen zorgverleners onderling. Dat kan echter anders zijn als door die privéverhouding risico’s 
ontstaan voor de kwaliteit van de patiëntenzorg. Omdat klaagster stelt dat zij last heeft 
ondervonden van het gedrag dat zij de anesthesioloog verwijt en dit gedrag direct op haar 
betrekking had, heeft zij voldoende rechtstreeks belang bij haar klacht. De volgende vraag is of 
dit belang geplaatst kan worden in het kader van de individuele gezondheidszorg. Daarvoor is het 
volgende van belang. Klaagster en de
anesthesioloog waren op dezelfde afdeling werkzaam. Tijdens een samenwerking op de OK is sprake van 
functionele hiërarchie, want op de OK is de anesthesioloog immers eindverantwoordelijk. In die zin 
kan sprake zijn van een ongelijkwaardige positie tussen klaagster en de anesthesioloog. Een 
dergelijke ongelijkwaardigheid kan eraan bijdragen dat degene die zich in een afhankelijke positie 
bevindt, het privécontact in stand houdt en dit niet ondubbelzinnig afhoudt of verbreekt. Aan die 
terughoudendheid om grenzen te stellen ligt dan zorg of angst voor de gevolgen in het werk ten 
grondslag. Daarbij kan worden gedacht aan vrees voor een negatieve beoordeling in het kader van een 
opleiding of voor vervelend gedrag of andere represailles op de werkvloer. In zoverre kan 
privécontact niet los worden gezien van de werksituatie. Ook in het geval geen sprake is van een 
hiërarchische en/of functionele ongelijkwaardigheid tussen twee zorgverleners, kan door de aard en 
de mate waarin het privécontact plaatsvindt, de kwaliteit van de gezondheidszorg in gevaar komen. 
Een dergelijk contact kan immers leiden tot spanning op de werkvloer met afleiding van de 
werkzaamheden tot gevolg. In dit onderhavige geval is, juist gelet op de excessieve omvang van het 
privécontact dat in overwegende mate tijdens de werkuren en in het ziekenhuis plaatsvond, voldoende 
aannemelijk dat het gedrag dat klaagster de anesthesioloog verwijt, van invloed kan zijn geweest op 
de werksfeer en dat daarmee de kwaliteit van de patiëntenzorg in het gedrang kon komen.

5.4  Klaagster is dus ontvankelijk in haar klacht en het college zal de klacht inhoudelijk 
bespreken.

Welke criteria gelden bij de beoordeling?
5.5   De vraag die het college moet beantwoorden is of het gedrag van de anesthesioloog in strijd 
komt met wat een behoorlijk beroepsbeoefenaar betaamt. Om te kunnen beoordelen of de anesthesioloog 
met bepaalde gedragingen tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld, moet eerst voldoende komen 
vast te staan welke gedragingen hebben plaatsgevonden.

Klachtonderdelen a) emotionele mishandeling en b) manipulatie
5.6  Deze klachtonderdelen lenen zich voor gezamenlijke bespreking.
Als toelichting stelt klaagster dat haar persoonlijke grenzen langdurig niet gerespecteerd en 
overschreden werden. Klaagster wilde het contact steeds stoppen, maar de anesthesioloog legde dan 
een emotionele druk op haar. Hij nam de slachtofferrol aan en maakte emotioneel manipulerende 
opmerkingen waarbij hij met verwijten en beloften probeerde de schuld bij klaagster te leggen en 
daarmee probeerde het contact niet te verbreken. Het voelde voor klaagster als emotionele chantage.

5.7   De anesthesioloog betwist dat van emotionele mishandeling en van manipulatie sprake was. Er 
was volgens hem sprake van een vriendschappelijke relatie met contact over en weer, waarbij 
klaagster zelf veelvuldig contact met hem zocht. Klaagster heeft de anesthesioloog zelfs meerdere 
keren verzocht de app-conversatie te wissen, omdat haar partner niets mocht weten.

5.8   Het college stelt vast dat uit de overgelegde (zeer vele) WhatsApp-berichten tussen klaagster 
en de anesthesioloog niet kan worden afgeleid dat klaagster het contact (op welk moment dan ook) 
onplezierig vond. Sterker nog, het college stelt vast dat niet alleen de anesthesioloog, maar ook 
klaagster zelf regelmatig het initiatief nam tot contact en dat beiden gedurende de gehele periode 
hun gevoelens voor elkaar bleven uiten. Beide partijen waren daarin ook zeer vasthoudend. De 
conversatie op WhatsApp varieerde van oppervlakkig tot diepgaand en betrof velerlei onderwerpen, 
waaronder ook de persoonlijke sekslevens. De conversatie bevatte ook seksueel getinte teksten en 
berichten met suggestieve inhoud. Beide partijen hielden zich niet aan de in 2023 tussen hen en de 
partner van klaagster gemaakte afspraak om het contact te stoppen.

5.9   Klaagster geeft in de WhatsApp-conversatie ook meerdere keren aan dat zij het contact met de 
anesthesioloog niet kwijt wilde. Zo schrijft zij op 30 januari 2024 (alle citaten voor zover van 
belang en ongecorrigeerd weergegeven):
“Omdat ik wel steeds contact blijf zoeken en dichtbij kom.(…) Maar ja. Soulmates dat trekt gewoon. 
Ik kan er ook niets aan doen. En het is zo gezellig.(…) Het blijft gewoon heel lastig en 
ingewikkeld. Ik geef om je en wil je niet kwetsen. Elke keer vind ik het weer moeilijk te horen 
hoeveel moeite het je kost. Maar toch blijf ik toenadering zoeken omdat de aantrekking groot is. Ik 
moet steeds oppassen met wat ik zeg. Want ik realiseer me ook dat ik soms best flirty of 
persoonlijk reageer. En ik snap dat je uitdaging dan een beetje groter wordt. (…) Ik voel me gewoon 
elke dag schuldig naar mijn vriend en naar jou. Ik zit steeds in tweestrijd. Me gedragen en de 
drang blijven voelen om contact met je te hebben, of het heel gezellig hebben met jou en daarbij 
niet helemaal eerlijk zijn naar mijn vriend. En steeds het jou moeilijk maken met je gevoelens. (…) 
Het idee dat ik je ooit kwijt ben ik het leven doet heel veel verdriet. Maar ja dat ik houd van 
twee mannen kan ik niet om heen.”

De anesthesioloog schreef diezelfde dag:
“En ik vindt het natuurlijk ook heel erg lastig om ergens in te fietsen waar ik niet thuis hoor
te zijn (jullie relatie). Maar inmiddels wil ik me niet meer alleen maar netjes gedragen en toch weer aan het kortste eind trekken. Ik ga zeker niets forceren, noch manipuleren. Wat ik bedoel is (…) dat ik me niet meer ga verzetten tegen gevoelens en de flow…ik laat me nu eens lekker meeslepen en genieten van wat er nog (voor mij) overblijft. Wat moet gebeuren gaat toch gebeuren of niet juist. OMG wat is het toch sh…allemaal. En ik wil je ook niet in verlegenheid brengen. Ik wil dat je jezelf goed voelt, dat je gelukkig bent of wordt met wie dan ook. Nogmaals, dat kan ik niet 
voor jou invullen.”

Op 20 februari 2024 schrijft klaagster:
“Ja ik vind het ook fijn (…) Al ben ik wel heel graag dicht bij je (…) En sorry dat je soms 
misschien geen hoogte van mij krijgt. Dat ik zo dichtbij kom. Terwijl ik bij mijn keuze blijf. Dat 
is de aantrekking, het een voelen en het houden van. (…)
Die aantrekking van soulmates kan ik gewoon niet omheen. En ik wil en kan eigenlijk het gewoon niet 
tegenhouden. Alleen wil ik wel trouw blijven aan mijn vriend. Zo ver als dat kan. Wat ik al niet 
helemaal ben maarja (…) Mijn keuze blijft. Al is het wel zo dat in van jullie allebei houd.”

Het college leidt uit de gehele WhatsApp-conversatie af dat beide partijen worstelden met hun 
gevoelens voor elkaar en dat zij daarover beiden openlijk en kennelijk welbewust met elkaar van 
gedachten hebben gewisseld. Het college kan niet vaststellen dat sprake is (geweest) van emotionele 
mishandeling noch van manipulatie van de zijde van de anesthesioloog. Beide klachtonderdelen zijn 
daarom kennelijk ongegrond.

Klachtonderdeel c) machtsmisbruik
5.10  Klaagster stelt dat zij in haar leerlingentijd afhankelijk was van de beoordeling van de 
anesthesioloog. Daarom kon/durfde zij nergens tegenin te gaan, bang om haar opleiding niet te 
halen.

5.11  De anesthesioloog stelt zich op het standpunt dat er tussen hen geen sprake was van een 
hiërarchische gezagsverhouding. De anesthesioloog had geen invloed op de beoordelingen van 
klaagster en ook niet op haar dienstverband. Hij verwijst in dat kader
naar het interne opleidingsdocument ‘Leerplaatsprofiel Anesthesie’ (hierna ook: het 
Leerplaatsprofiel). Daarnaast stond het incident op 4 maart 2024 wat hem betreft niet in de weg aan 
het voortzetten van het dienstverband, aangezien klaagster een goede werknemer was.

5.12  Het college oordeelt als volgt. In het Leerplaatsprofiel wordt beschreven op welke wijze 
studenten in opleiding tot anesthesiemedewerker worden beoordeeld. Feedback en 
beoordelingsuitspraken worden gedaan door de groepsgenoten, werkbegeleiders uit de praktijk, de 
docentbegeleider van de opleiding en de kandidaat zelf. Daaruit volgt dat gedurende het 
opleidingstraject anesthesiologen in beginsel geen onderdeel uitmaken van deze beoordeling.
Tijdens een samenwerking tussen een anesthesioloog en een leerling-anesthesiemedewerker
op de OK kan dat anders zijn, omdat er dan sprake is van een functionele hiërarchie (zie ook alinea 
5.3). De vraag die moet worden beantwoord is of de anesthesioloog daadwerkelijk een rol speelde bij 
de beoordeling van klaagster tijdens haar opleidingstraject. Het college heeft deze rol niet kunnen 
vaststellen. In de WhatsApp-conversatie was dit onderwerp in het geheel niet aan de orde en ook in 
de overige processtukken is daar geen aanknopingspunt voor gevonden. Dat de anesthesioloog – 
binnen, maar ook buiten het kader van klaagsters opleiding – zijn positie zou hebben misbruikt door 
die positie in te zetten om het persoonlijke contact met klaagster te laten voortduren, kan het 
college daarom niet vaststellen. Ook dit klachtonderdeel is kennelijk ongegrond.

Klachtonderdeel d) pesten/laster
5.13  Als toelichting op dit klachtonderdeel stelt klaagster dat na het incident op verschillende 
plaatsen om haar heen roddels opdoken, met een inhoud die alleen de anesthesioloog kon weten. De 
roddels kwamen ook van mensen buiten het ziekenhuis. Ook stuurde de anesthesioloog na het incident 
nog statusberichten aan klaagster via Whatsapp.

5.14  Volgens de anesthesioloog is van pesterijen en/of laster van zijn zijde geen sprake. Hij 
wijst erop dat het op 4 maart 2024 om een incident ging waar meerdere personen getuige van zijn 
geweest. De impact van het incident was groot en heeft ertoe geleid dat verhalen een eigen leven 
gingen leiden. Ook een lokale radio- en televisiezender heeft berichten daarover uitgezonden. De 
anesthesioloog is hier niet verantwoordelijk voor. Statusberichten op WhatsApp hebben een algemeen 
karakter en zijn voor alle contacten zichtbaar. Als klaagster na het incident nog statusberichten 
van de anesthesioloog heeft gezien, heeft zij zelf er actief naar gezocht.

5.15  Het college stelt vast dat dit klachtonderdeel betrekking heeft op de periode na het incident 
van 4 maart 2024. Als een geweldsincident plaatsvindt tijdens het spreekuur op de poli van een 
ziekenhuis, waarbij getuigen aanwezig zijn, is te verwachten dat verhalen daarover worden 
verspreid. Klaagster verwijt de anesthesioloog daarvoor verantwoordelijk te zijn, hetgeen de 
anesthesioloog betwist. Naar het oordeel van het college is dit klachtonderdeel door klaagster 
onvoldoende onderbouwd. De enkele stelling dat de inhoud van de roddels alleen van de 
anesthesioloog afkomstig kunnen zijn, is daarvoor niet toereikend. Daarbij telt mee dat blijkens de 
overgelegde WhatsApp-conversatie al voor het incident sprake was van geruchten op de werkvloer van 
het ziekenhuis over de verstandhouding tussen klaagster en de anesthesioloog, geruchten waarvan zij 
derden als oorzaak zagen. Het versturen van statusberichten kan evenmin als onderbouwing gelden. 
Het college kan dan ook niet vaststellen dat van de zijde van de anesthesioloog sprake is geweest 
van pesten en/of laster. Dit klachtonderdeel is kennelijk ongegrond.

Klachtonderdeel e) ongewenste aanrakingen
5.16  Klaagster stelt dat er ongewenste aanrakingen hebben plaatsgevonden. Zij doelt met
name op een ‘langdurige knuffel’ waarbij zowel klaagster als de anesthesioloog hun handen
over elkaars rug en billen lieten gaan. Klaagster licht toe dat zij dit helemaal niet wilde en zich 
als verstijfd voelde. Ze is er desondanks in meegegaan omdat ze bang was voor de gevolgen.

5.17  De anesthesioloog stelt dat van ongewenste aanrakingen geen sprake is. Er is niets tegen de 
wil van klaagster gebeurd. Nergens uit blijkt dat klaagster verstijfd van angst was onder de 
aanrakingen of dat zij bang voor de gevolgen was.

5.18  Voor het college staat vast dat er fysieke aanrakingen over en weer hebben plaatsgevonden. 
Omdat klaagster met name klaagt over de ‘langdurige knuffel’, verwijst het college naar de 
WhatsApp-conversatie van 2 maart 2024 waarop partijen aan elkaar appen: [anesthesioloog] “Wat een 
knuffel (…)
[klaagster] “Ja dat was heel fijn. En eigenlijk geen knuffel meer (…) Ook het gevoel eigenlijk.
Kan ik lastig uitleggen. De diepe connectie (…) Je borst en buik voelen heerlijk en ik heb 
blijkbaar een zwak voor geschoren borsthaar”
[anesthesioloog] “Om het niet te vergeten: je borst(en) en buik voelen ook onbeschrijflijk heerlijk 
aan. Kan dit niet anders zeggen”
Gelet op deze beschrijving van de aanrakingen en de daarmee gepaard gaande gevoelens van beide 
partijen, kan het college niet concluderen dat dit verwijt van klaagster terecht is. Omdat het 
college niet kan vaststellen dat sprake is geweest van fysieke ongewenste aanrakingen jegens 
klaagster, is ook dit klachtonderdeel kennelijk ongegrond.

Slotsom
5.19  Uit het voorgaande volgt dat alle onderdelen van de klacht kennelijk ongegrond zijn.

6. De beslissing
Het college:
-  verklaart de klacht in al haar onderdelen kennelijk ongegrond.

Deze beslissing is gegeven op 11 februari 2026 door R.A. Steenbergen, voorzitter, L.M. Blok en P.E. 
Lee Kong, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door C.W.M. Hillenaar, secretaris,
en in het openbaar uitgesproken door de vaste voorzitter K.A.J.C.M. van den Berg Jeths-van 
Meerwijk.