ECLI:NL:TGZRSHE:2026:25 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg 's-Hertogenbosch H2025/8672
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRSHE:2026:25 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 04-02-2026 |
| Datum publicatie: | 04-02-2026 |
| Zaaknummer(s): | H2025/8672 |
| Onderwerp: | Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose |
| Beslissingen: | Ongegrond/afwijzing |
| Inhoudsindicatie: | Kennelijk ongegronde klacht tegen een arts in opleiding tot orthopedisch chirurg (hierna: AIOS). Niet gebleken dat verweerder zich niet kenbaar heeft gemaakt als AIOS, een verzoek om behandeling door de supervisor heeft genegeerd of zonder overleg een onjuiste behandeling heeft uitgevoerd. Evenmin is gebleken dat sprake was van het ontbreken van informed consent, onjuistheden in het medisch dossier of een onjuiste weergave van de feiten door verweerder. Alle klachtonderdelen zijn kennelijk ongegrond.Bovenkant formulier |
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG TE ’S-HERTOGENBOSCH
Beslissing in raadkamer van 4 februari 2026 op de klacht van:
[A],
wonende in [B],
klager,
tegen
[C],
arts,
destijds werkzaam in [D],
verweerder,
gemachtigde: mr. S.J. Muntinga, werkzaam in Utrecht.
1. Waar gaat de zaak over?
1.1 Verweerder is arts in opleiding tot orthopedisch chirurg. Klager is bij hem
op het
proctologisch spreekuur geweest. Verweerder heeft tijdens het proctologisch spreekuur
vastgesteld
dat bij klager sprake was van een graad 1 hemorroïd (aambei) en klager daarvoor
tijdens het
spreekuur behandeld met rubberbandligatie (een behandeling waarbij elastiekjes worden
geplaatst om
een aambei waardoor deze verschrompelt).
1.2 Klager verwijt verweerder dat hij zich bij het proctologisch spreekuur niet
direct kenbaar
heeft gemaakt als arts in opleiding tot orthopedisch chirurg en als een ander dan
waarmee de
afspraak is gemaakt. Ook verwijt hij verweerder dat hij het expliciete verzoek van
klager om de
supervisor van verweerder als arts/uitvoerend behandelaar te laten optreden heeft
genegeerd, dat
hij niet heeft zorggedragen voor informed consent en dat hij zonder consultatie
van de supervisor
een onjuiste behandeling heeft uitgevoerd. Tot slot verwijt klager verweerder dat
hij onjuistheden
in het medisch dossier heeft genoteerd en een onjuiste weergave van zaken heeft
gegeven in zijn
reactie op de klacht die klager bij het ziekenhuis had ingediend. Verweerder meent
dat hij niet
tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.
1.3 Het college komt tot het oordeel dat de klacht kennelijk ongegrond is. “Kennelijk”
betekent
dat het niet nodig is om nog vragen aan de partijen te stellen en dat duidelijk
is dat de klacht
niet gegrond kan worden verklaard. Hierna licht het college toe hoe het tot deze
beslissing is
gekomen.
2. De procedure
2.1 De procedure blijkt uit:
- het klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 30 juni 2025;
- het verweerschrift met de bijlagen, ontvangen op 4 september 2025.
2.2 De partijen hebben de gelegenheid gekregen om onder leiding van een secretaris
van het
college in gesprek te gaan (mondeling vooronderzoek). Daarvan hebben zij geen gebruik
gemaakt.
2.3 Het college heeft de klacht in raadkamer behandeld. Dit betekent dat het college
de zaak
beoordeeld heeft op basis van de stukken, zonder dat de partijen daarbij aanwezig
waren.
3. Wat is er gebeurd?
3.1 Op 10 december 2024 is klager door een dermatoloog verwezen naar het proctologisch
spreekuur.
Als reden voor de aanvraag van dit spreekuur heeft de dermatoloog genoteerd (alle
citaten voor
zover van belang en letterlijk weergegeven):
“Bekend met perianale fissuren en dermatitis, nu klachten vrij met lokale therapie.
Persisterende
jeuk in de anus, in verleden hemorrhoiden gehad. Ovv pt graag uw onderzoek intra-anaal
ivm ect
hemorroiden.”
3.2 Op 29 januari 2025 is klager bij verweerder op het proctologisch spreekuur geweest.
Verweerder bevond zich toen in zijn tiende maand van de opleiding tot orthopedisch
chirurg.
Daarvoor heeft verweerder twee jaar als arts niet in opleiding tot specialist (ANIOS)
gewerkt op de
afdeling algemene chirurgie.
3.3 Verweerder heeft na onderzoek bij klager vastgesteld dat bij hem sprake was
van een graad 1
aambei. Deze heeft hij vervolgens behandeld met rubberbandligatie. Over het contact
op 29 januari
2025 heeft verweerder in het medisch dossier genoteerd:
“Reden van komst: fissura ani
Bekend met m Crohn
Fissuur ani lokale behandeling Klachten intra anaal; hemorroïden?
Anamnese:
Al jaren last van een randvenen die opspeelt en weer weg zak Geen pijn, wel irritant
Geen bloedverlies Ontlasting soepel
Afgelopen jaar moeilijk jaar geweest; inmiddels weer iets beter
Lichamelijk onderzoek:
Inspectie: minimale skintag op links (oud peri-anaal abces), verder geen afwijkingen,
geen fissura
ani
RT: geen zwellingen palpabel
Proctoscoop: graad 1 hemorroid op links lateraal, geen fistels zichtbaar
Conclusie: recidiverende randvenen/uitwendige hemorroid dd fistelling met abces (echter
niet
zichtbaar)
Beleid:
Bevindingen met patiënt besproken, uitleg RBL 3x
Controle over 8 weken op proctologie poli voor evalueren klachten en eventueel nieuwe
RBL
Patiënt belt zelf indien de zwelling progressief toeneemt, dan diezelfde week afspraak
op de
proctologie inplannen
Informed consent
Proctoscopie en rubber band ligatie Aard van de ingreep uitgelegd
Besproken zijn, ongemak, heftige pijn (te lage bandjes), duizeligheid en of vasovagale
collaps,
recidief/geen effect, bloedverlies. Er werd een folder meegegeven”.
3.4 De supervisor van verweerder is niet bij het proctologisch spreekuur aanwezig geweest.
4. De klacht en de reactie van verweerder
4.1 Klager verwijt verweerder dat hij:
a) zich niet direct als arts in opleiding tot orthopedisch chirurg kenbaar heeft
gemaakt, laat
staan als “een ander dan waarmee de afspraak is gemaakt”;
b) het expliciete verzoek van klager heeft genegeerd om de supervisor van verweerder
als
arts/uitvoerend behandelaar te laten optreden door naast “even kijken”, direct zelf
een behandeling
uit te voeren;
c) niet heeft zorggedragen voor informed consent door zonder diagnose, zonder overleg,
zonder
informatie aan klager en zonder toestemming van klager een ingreep bij klager te
verrichten, na de
aankondiging van verweerder: “even kijken”;
d) zonder consultatie van de supervisor een onjuiste behandeling heeft uitgevoerd
met onnodige
fysieke klachten en littekenweefsel tot gevolg;
e) onjuistheden in het medisch dossier heeft genoteerd. Er is geen sprake van “bevindingen
besproken” en niet van “informed consent”;
f) een onjuiste weergave van zaken heeft gegeven door te stellen dat er vooraf
voldoende
informatie was gegeven en voldoende ruimte was voor weigering tijdens de behandeling.
Dit is onjuist en dit is tegen de gemaakte afspraak in dat de supervisor van verweerder
als
behandelaar zou optreden.
4.2 Verweerder heeft het college verzocht de klacht kennelijk ongegrond te verklaren.
Hij is van
mening dat hij bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een
redelijk bekwame
beroepsuitoefening.
4.3 Het college gaat hieronder verder in op de standpunten van partijen.
5. De overwegingen van het college
Welke criteria gelden bij de beoordeling?
5.1 De vraag is of verweerder de zorg heeft verleend die van hem verwacht mocht
worden. De norm
daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende arts. Bij de beoordeling
wordt rekening
gehouden met de voor verweerder geldende beroepsnormen en andere professionele standaarden.
Klachtonderdeel a) zich niet direct kenbaar maken als arts in opleiding tot orthopedisch
chirurg en
als een ander dan waarmee de afspraak is gemaakt
5.2 Klager voert aan dat hij in de behandelkamer werd verwelkomd door twee assistentes
en een
arts, zijnde verweerder. Volgens hem heeft verweerder zijn naam pas gegeven toen
klager daarnaar
vroeg en heeft verweerder zich dus niet uit eigen beweging aan hem voorgesteld.
5.3 Verweerder betwist dat hij zich bij klager niet direct kenbaar heeft gemaakt
als arts in
opleiding. Hij voert aan dat hij zich altijd direct bij aanvang van een consult
voorstelt met zijn
achternaam en functie. Verder vertelt hij patiënten dat hij zijn supervisor op verzoek
of als dat
nodig blijkt te zijn bij het onderzoek kan betrekken. Verweerder stelt dit ook tegen
klager te
hebben gezegd.
5.4 Het college overweegt als volgt. Om te kunnen oordelen dat verweerder tuchtrechtelijk
verwijtbaar heeft gehandeld, moet kunnen worden vastgesteld dat het verwijt dat
klager verweerder
maakt juist is. In dit geval, waarbij sprake is van het woord van klager tegen dat
van verweerder,
kan het college dit niet vaststellen. Aan het woord van de één kan immers niet meer
waarde worden
gehecht dan aan het woord van de ander. Omdat niet vaststaat dat verweerder zich
niet direct met
zijn achternaam heeft voorgesteld en zich niet direct als arts in opleiding tot
orthopedisch
chirurg kenbaar heeft gemaakt, kan het college ook niet vaststellen dat verweerder
in dit opzicht
klachtwaardig heeft gehandeld. Klachtonderdeel a) mist hiermee feitelijke grondslag
en is dus
kennelijk ongegrond.
Klachtonderdeel b) het expliciete verzoek van klager negeren om de supervisor van
verweerder als
arts/uitvoerend behandelaar te laten optreden.
5.5 Klager stelt dat hij expliciet aan verweerder heeft aangegeven door de supervisor
te willen
worden gezien en behandeld, waarop verweerder volgens klager heeft gezegd dat de
supervisor “zo zou
komen”. Vervolgens heeft verweerder volgens klager de intake gedaan en voorgesteld
om “even te
kijken”. Klager heeft daarmee ingestemd, waarna verweerder eerst uitwendig onderzoek
heeft gedaan,
vervolgens inwendig onderzoek met een proctoscoop en daarna direct een behandeling
heeft
uitgevoerd.
5.6 Verweerder betwist dat klager heeft gezegd dat hij wilde dat de supervisor zou
meekijken dan
wel de behandeling zou uitvoeren. Hij stelt dat hij dit verzoek direct had ingewilligd
als daarom
was gevraagd. De supervisor zat in de kamer naast de onderzoekskamer en was direct
beschikbaar.
Verweerder voert aan dat hij er geen enkel belang bij heeft om het verzoek van een
patiënt om de
supervisor mee te laten kijken of de behandeling te laten uitvoeren, te negeren
dan wel daaraan
geen gehoor te geven.
5.7 Ook ten aanzien van klachtonderdeel b) geldt dat sprake is van het woord van
klager tegen dat
van verweerder waardoor het college niet kan vaststellen dat verweerder op dit punt
klachtwaardig
heeft gehandeld. Klachtonderdeel b) is daarmee eveneens kennelijk ongegrond.
Klachtonderdelen c) en e) het niet zorgdragen voor informed consent en het noteren
van onjuistheden
in het medisch dossier
5.8 Vanwege de onderlinge samenhang van de klachtonderdelen c) en e) zal het college
deze
gezamenlijk bespreken.
5.9 Klager voert aan dat verweerder tijdens het “even kijken” met de proctoscoop
direct een
behandeling heeft uitgevoerd. Over deze behandeling heeft hij geen informatie gekregen
en daarvoor
heeft hij ook geen toestemming gegeven. Volgens klager staat er dan ook ten onrechte
in het medisch
dossier dat er sprake was van informed consent. Ook staat daar volgens klager ten
onrechte in dat
de bevindingen van het onderzoek zijn besproken.
5.10 Verweerder voert aan dat hij na het afnemen van de anamnese aan klager heeft
uitgelegd
waarvan volgens hem vermoedelijk sprake was en welke onderzoeken er zouden gaan
plaatsvinden en op
welke wijze. Verder geeft hij aan te hebben uitgelegd welke behandeling zou plaatsvinden
als hij
een aambei zou aantreffen, welke effecten de behandeling kon hebben en dat er in
de toekomst
opnieuw sprake zou kunnen zijn van een aambei. Volgens verweerder had klager geen
vragen en maakte
hij geen bezwaar. Toen hij een inwendige aambei aantrof, heeft hij, zoals met klager
was besproken,
deze aambei behandeld met rubberbandligatie. Verweerder betwist dat er onjuistheden
in het medisch
dossier van klager zijn genoteerd.
5.11 Het college overweegt als volgt. Uit de aantekeningen in het medisch dossier
blijkt dat
verweerder een anamnese heeft afgenomen en lichamelijk onderzoek heeft verricht alvorens
over te gaan tot een behandeling. Dat verweerder een behandeling zou hebben uitgevoerd zonder
een diagnose gesteld te hebben, acht het college dan ook niet aannemelijk. Verweerder
stelt dat hij klager heeft uitgelegd welke behandeling zou plaatsvinden als hij een
aambei zou aantreffen. Naar het oordeel van het college is dit een gebruikelijke wijze
om de patiënt te
informeren over de eventuele behandeling van een aambei met rubberbandligatie. Dat
verweerder direct tijdens het proctologisch spreekuur de aambei heeft behandeld met
rubberbandligatie, is ook een gebruikelijke werkwijze. Daarmee wordt immers voorkomen
dat tweemaal een voor de patiënt belastende proctoscopie moet worden uitgevoerd.
Het uitgangspunt is dat het college uitgaat van de juistheid van de notities in
het medisch dossier. Klager heeft geen feiten of omstandigheden naar voren gebracht
op basis waarvan kan worden geconcludeerd dat verweerder ten onrechte in het dossier
heeft genoteerd dat sprake is van informed consent voor wat betreft de proctoscopie
en rubberbandligatie. Aanknopingspunten voor de stelling dat verweerder klager niet
of onvoldoende heeft geïnformeerd
over het onderzoek en de behandeling, waardoor er geen sprake zou zijn van informed
consent, heeft
het college in de stukken ook niet kunnen vinden.
Klachtonderdeel c) is daarom kennelijk ongegrond. Klachtonderdeel e) is daarmee
ook kennelijk
ongegrond.
Klachtonderdeel d) het zonder consultatie van de supervisor uitvoeren van een onjuiste
behandeling
5.12 Volgens klager heeft verweerder een zinloze behandeling uitgevoerd, aangezien
hij heeft
behandeld op een plek waar klager helemaal geen klachten had. Klager stelt dat hij
verweerder
tijdens de intake heeft verteld dat de klachten zich “nog geen vingerkootje diep”
voordeden. Nadat
hij verweerder tijdens het inwendig onderzoek heeft verteld dat hij veel te diep
zat, was het
inwendig onderzoek al klaar en heeft verweerder klager medegedeeld dat hij drie
elastiekjes had
aangelegd om een graad 1 of 2 aambei.
5.13 Verweerder betwist dat hij een onjuiste behandeling heeft uitgevoerd. Hij meent
volgens de
richtlijn Proctologie van de Federatie Medisch Specialisten te hebben gehandeld
door een inwendige
graad 1 aambei te behandelen met rubberbandligatie. Verweerder voert aan dat hij
bevoegd en bekwaam
was om bij klager zelfstandig het onderzoek te doen en de behandeling uit te voeren.
Volgens
verweerder was er geen aanleiding om de supervisor te consulteren.
5.14 Ten aanzien van het verwijt dat verweerder zonder consultatie van de supervisor
een
behandeling heeft uitgevoerd, overweegt het college als volgt. Verweerder was bevoegd
en op basis
van zijn ervaring bekwaam om zelfstandig, zonder consultatie van de supervisor de
behandeling uit
te voeren. Hij bevond zich ten tijde van de behandeling in de tiende maand van zijn
opleiding tot
orthopedisch chirurg. Tijdens de opleiding en ook daarvoor als ANIOS werkzaam op
de afdeling
algemene chirurgie heeft verweerder het proctologisch spreekuur gevoerd. Enkele
weken voorafgaand
aan het spreekuur met klager was hij door zijn opleider in het kader van de praktijkbeoordeling
geautoriseerd om het proctologisch spreekuur zelfstandig te doen. Uit het dossier
van klager blijkt niet van bijzonderheden of complicaties die voor verweerder aanleiding
hadden moeten zijn om zijn supervisor te consulteren. In zoverre is klachtonderdeel
d)
dan ook kennelijk ongegrond.
5.15 Ten aanzien van het verwijt dat verweerder een onjuiste behandeling heeft uitgevoerd,
oordeelt het college dat hiervan geen sprake is. Verweerder heeft bij klager een
aambei
aangetroffen en deze behandeld met rubberbandligatie. Het is gebruikelijk dat aambeien
dieper
liggen dan waar de patiënt de klachten voelt en rubberbandligatie is een juiste
behandeling voor de
aanwezigheid van aambeien. Het college ziet verder geen aanwijzingen voor de stelling
van klager
dat verweerder een onjuiste behandeling heeft uitgevoerd. Ook in zoverre is klachtonderdeel
d)
kennelijk ongegrond.
Klachtonderdeel f) het geven van een onjuiste weergave van zaken
5.16 Klager meent dat verweerder door te stellen dat er vooraf voldoende informatie
was gegeven en
dat er voldoende ruimte was voor weigering tijdens de behandeling een onjuiste weergave
van zaken
heeft gegeven in zijn reactie op de klacht die klager bij het ziekenhuis had ingediend.
Volgens
klager was een en ander tegen de gemaakte afspraak in dat de supervisor van verweerder
als
behandelaar zou optreden.
5.17 In reactie op dit klachtonderdeel herhaalt verweerder dat hij zich direct aan
klager met naam
en functie heeft voorgesteld, dat hij heeft uitgelegd dat zijn supervisor indien
nodig kon worden
geraadpleegd en dat klager niet heeft gevraagd of de supervisor kon meekijken dan
wel kon worden
geraadpleegd. Verder herhaalt hij dat hij klager over het onderzoek en over de behandeling
op het
moment dat hij een aambei zou aantreffen, vooraf heeft geïnformeerd en dat klager
geen vragen had
en geen bezwaar heeft gemaakt.
5.18 Volgens klager heeft verweerder een onjuiste weergave van zaken gegeven. Verweerder
betwist
dit. Het college kan, omdat partijen een andere lezing hebben van hoe het proctologisch
spreekuur
is verlopen, niet vaststellen dat verweerder een onjuiste weergave van zaken heeft
gegeven.
Verweerder kan ook niet worden verweten dat in de uitnodiging voor het proctologisch
spreekuur de
naam van de supervisor stond vermeld en niet zijn naam, aangezien het de werkwijze
binnen het
ziekenhuis was dat een proctologisch spreekuur niet op naam van een arts in opleiding
werd gezet.
Verweerder had daar geen invloed op. Klachtonderdeel f) is ook kennelijk ongegrond.
Slotsom
5.19 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat alle onderdelen van de klacht kennelijk
ongegrond
zijn.
6. De beslissing
Het college:
- verklaart de klacht in al haar onderdelen kennelijk ongegrond.
Deze beslissing is gegeven door T.N.E. Meyboom, voorzitter, H.M.J. van der Linden-
van der Zwaag en M.H.M. Bender, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door D. van Grootveld,
secretaris,
en in het openbaar uitgesproken door K.A.J.C.M. van den Berg Jeths-
van Meerwijk op 4 februari 2026.