ECLI:NL:TGZRSHE:2026:23 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg 's-Hertogenbosch H2025/8591
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRSHE:2026:23 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 04-02-2026 |
| Datum publicatie: | 04-02-2026 |
| Zaaknummer(s): | H2025/8591 |
| Onderwerp: | Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose |
| Beslissingen: | Ongegrond/afwijzing |
| Inhoudsindicatie: | Ongegronde klacht tegen een orthopedisch chirurg. Tijdens het uitvoeren van een totale knieprothese is door de orthopedisch chirurg een fausse route gemaakt (een zeldzame complicatie). Klaagster verwijt de orthopedisch chirurg dat hij tijdens de operatie een fout heeft gemaakt door op een verkeerde plek en te ver door het bot te boren. Daarnaast verwijt klaagster hem dat hij de operatie niet met een robotarm.College: . De orthopedisch chirurg heeft adequaat gereageerd, nadat hij ontdekte een fausse route te hebben gemaakt, door direct een collega te consulteren, een nieuwe route te maken en dezelfde dag nog aanvullend onderzoek uit te voeren. Het gebruik van een robotarm is niet voorgeschreven in de richtlijnen en het staat de orthopedisch chirurg vrij te kiezen voor traditioneel instrumentarium. |
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG TE ’S-HERTOGENBOSCH
Beslissing van 4 februari 2026 op de klacht van:
[A],
wonende in [B],
klaagster,
tegen
[C],
orthopedisch chirurg,
werkzaam in [D],
verweerder, hierna: de orthopedisch chirurg,
gemachtigde: mr. S.J. Muntinga, werkzaam in Utrecht.
1. Waar gaat de zaak over?
1.1 Bij het plaatsen van een totale knieprothese bij klaagster heeft de orthopedisch
chirurg een
fausse route gemaakt. Bij deze operatie gebruikte hij geen robotarm.
1.2 Klaagster verwijt de orthopedisch chirurg dat hij een fout heeft gemaakt door
tijdens de
knieprothese-operatie op een verkeerde plek en te ver door het bot te boren. Ook
verwijt zij de
orthopedisch chirurg dat hij de operatie met de hand heeft uitgevoerd en niet met
een robotarm.
1.3 Het college komt tot het oordeel dat de orthopedisch chirurg niet tuchtrechtelijk
verwijtbaar
heeft gehandeld. Hierna licht het college dat toe.
2. De procedure
2.1 De procedure blijkt uit:
- Het klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 10 juni 2025;
- Het verweerschrift met de bijlagen, ontvangen op 15 oktober 2025;
- De dvd met beeldmateriaal, ontvangen op 20 oktober 2025.
2.2 De partijen hebben de gelegenheid gekregen om onder leiding van een secretaris
van het
college met elkaar in gesprek te gaan (mondeling vooronderzoek). Daarvan hebben
zij geen gebruik
gemaakt.
2.3 De zaak is behandeld op de openbare zitting van 10 december 2025. De partijen
zijn
verschenen. De orthopedisch chirurg werd bijgestaan door zijn gemachtigde. De partijen
en de
gemachtigde van de orthopedisch chirurg hebben hun standpunten mondeling toegelicht.
3. Wat is er gebeurd?
3.1 Klaagster had gedurende geruime tijd in toenemende mate forse pijnklachten
aan haar
linkerknie. In december 2023 werd op verzoek van klaagster besloten een totale knieprothese
te
plaatsen.
3.2 Op 12 februari 2024 is klaagster geopereerd door de orthopedisch chirurg. Hij
heeft in het
linkerbeen een totale knieprothese geplaatst. Voorafgaand aan de operatie heeft
de orthopedisch
chirurg met klaagster gesproken over mogelijke teleurstellende resultaten, mogelijke
complicaties
en de duur van de nabehandeling.
3.3 Tijdens de operatie is in het binnenste van het dijbeen van klaagster geboord
om het
richtinstrument te kunnen plaatsen. Daarbij is een fausse route gemaakt. De orthopedisch
chirurg
heeft dit tijdens de operatie ontdekt en een collega gevraagd om mee te kijken.
Er werd besloten om
een nieuwe route te maken en dit is gelukt. Daarna is de knieprothese zonder verdere
technische
problemen geplaatst. In het operatieverslag is melding gemaakt van de fausse route
en klaagster is
hierover ook geïnformeerd.
3.4 Na de operatie is in verband met de fausse route op dezelfde dag aanvullend
onderzoek
verricht door middel van een röntgenfoto en een CT-scan. Daaruit bleek dat er geen
sprake was van
een fractuur of fissuur, maar wel van een botdefect. Op grond daarvan is besloten
tot een
voorzichtiger revalidatiebeleid.
3.5 Tijdens opvolgende controles liet onderzoek zien dat de knieprothese een goede
stand had en
dat er geen infectie was opgetreden. Klaagster had minder pijn dan voorafgaand aan
de operatie. In
mei 2024 verslechterde de functie van de knie. Deze werd op 5 juni 2024 op de operatiekamer
doorbewogen. Na ontslag uit het ziekenhuis van klaagster op 7 juni 2024 heeft de
orthopedisch
chirurg de zorg voor klaagster overgedragen aan een collega vanwege zijn vertrek
naar het
buitenland.
3.6 Klaagster heeft nu veel pijn aan haar knie en ervaart instabiliteit. De plaatsing
van de
totale knieprothese heeft voor haar geen oplossing voor haar voortdurende knieproblemen
gebracht.
4. De klacht en de reactie van de orthopedisch chirurg
4.1 Klaagster verwijt de orthopedisch chirurg dat hij een fout heeft gemaakt door
tijdens de
knieprothese-operatie op 12 februari 2024 aan de linkerknie op een verkeerde plek
en te ver door
het bot te hebben geboord. Ook verwijt zij hem dat hij met de hand en niet met een
robotarm werkte.
4.2 De orthopedisch chirurg heeft het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren.
5. De overwegingen van het college
Welke criteria gelden bij de beoordeling?
5.1 De vraag is of de orthopedisch chirurg de zorg heeft verleend die van hem
verwacht mocht
worden. De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende orthopedisch
chirurg. Bij
de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de orthopedisch chirurg geldende
beroepsnormen
en andere professionele standaarden.
De beoordeling
5.2 Het is duidelijk dat tussen klaagster en de orthopedisch chirurg geen discussie
bestaat over
het feit dat tijdens de operatie op 12 februari 2024 een fausse route is gemaakt.
Volgens klaagster
heeft de orthopedisch chirurg daarmee een fout gemaakt waarvan hem een tuchtrechtelijk
verwijt kan
worden gemaakt. De orthopedisch chirurg stelt zich op het standpunt dat er sprake
is van een
zeldzame complicatie, die ook bij zorgvuldige uitvoering van de operatie kan voorkomen.
Hij betwist
dat hem een tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt.
5.3 Het college is van oordeel dat het maken van een fausse route een zeldzame complicatie
is bij
het plaatsen van een totale knieprothese. Deze complicatie kan zich ook voordoen
wanneer de
plaatsing van de totale knieprothese op zorgvuldige wijze wordt uitgevoerd. Naar
het oordeel van
het college heeft de orthopedisch chirurg bij het plaatsen van de totale knieprothese
ook gehandeld
met de zorgvuldigheid die van hem mag worden verwacht. De orthopedisch chirurg heeft
door het maken
van de fausse route dan ook niet een tuchtrechtelijk verwijtbare fout gemaakt.
5.4 Op het moment van het ontdekken van de fausse route heeft de orthopedisch chirurg
adequaat
gehandeld door te overleggen met een collega en een nieuwe route te maken. Terecht
heeft hij
klaagster na de operatie over de fausse route geïnformeerd, een röntgenfoto en een
CT-scan laten
maken en een voorzichtig revalidatietraject met het gebruik van een brace geadviseerd.
5.5 Klaagster verwijt de orthopedisch chirurg ook dat hij de operatie met de hand
heeft
uitgevoerd in plaats van met een robotarm. De orthopedisch chirurg voert het verweer
dat hij de
robotarm niet gebruikt omdat de meerwaarde daarvan niet is bewezen.
5.6 In de richtlijn “Totale knieprothese” van de Nederlandse Orthopedische Vereniging
is niets
opgenomen over het gebruik van de robotarm. Dat betekent dat in deze richtlijn niet
is bepaald dat
het plaatsen van een totale knieprothese bij voorkeur wordt gedaan met behulp van
een robotarm. Aan
de orthopedisch chirurg die de operatie uitvoert wordt daarmee overgelaten aan welke
werkwijze hij
de voorkeur geeft. Het gebruik van de robotarm heeft ook nadelen. Een groot deel
van de
orthopedisch chirurgen kiest voor het plaatsen van de totale knieprothese met gebruik
van
traditioneel instrumentarium. Dit betekent dat de orthopedisch chirurg niet tuchtrechtelijk
verwijtbaar heeft gehandeld door geen gebruik te maken van de robotarm.
Slotsom
5.7 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat de klacht ongegrond is.
6. De beslissing
Het college:
verklaart de klacht ongegrond.
Deze beslissing is gegeven door T.N.E. Meyboom, voorzitter, H.J.C. Smink, lid-jurist,
H.W.J. Koot, H.M.J. van der Linden-van der Zwaag en M.H.M. Bender, leden-beroepsgenoten,
bijgestaan
door D. van Grootveld, secretaris, en in het openbaar uitgesproken door K.A.J.C.M.
van den Berg
Jeths-van Meerwijk op 4 februari 2026.