ECLI:NL:TGZRSHE:2026:22 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg 's-Hertogenbosch H2024/7560

ECLI: ECLI:NL:TGZRSHE:2026:22
Datum uitspraak: 04-02-2026
Datum publicatie: 04-02-2026
Zaaknummer(s): H2024/7560
Onderwerp:
  • Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose
  • Onvoldoende informatie
Beslissingen: Ongegrond/afwijzing
Inhoudsindicatie: Ongegronde klacht tegen een orthopedisch chirurg. Klaagster is door verweerder behandeld in verband met knieklachten en een ontwrichting van de linkerknieschijf.Klaagster verwijt verweerder dat hij haar onvoldoende heeft geïnformeerd over de voorgenomen operatie, de operatie niet lege artis heeft verricht en niet heeft gezorgd voor een zorgvuldige overdracht. Het college oordeelt dat de orthopedisch chirurg niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.


REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG TE ’S-HERTOGENBOSCH

Beslissing van 4 februari 2026 op de klacht van:

[A],
wonende in [B],
klaagster,
gemachtigde: mr. T.D.D. Loeffen, werkzaam in Sittard,

tegen

[C],
destijds orthopedisch chirurg,
destijds werkzaam in [B],
verweerder.

1. De zaak in het kort
1.1   Klaagster heeft zich in 2014 in verband met knieklachten tot verweerder gewend. Aanvankelijk 
werd een conservatieve behandeling ingezet. In oktober 2014 werd zij in verband met een 
ontwrichting van de linkerknieschijf en een bloeding in het kniegewricht op de wachtlijst geplaatst 
voor een operatie die in januari 2015 plaatsvond. Aanvankelijk herstelde klaagster goed, maar zij 
ontwikkelde later opnieuw klachten en pijn, die tot heden voortduren. Klaagster verwijt verweerder 
dat hij haar onvoldoende heeft geïnformeerd over de voorgenomen operatie, de operatie niet lege 
artis heeft verricht en in verband met zijn pensionering niet heeft gezorgd voor een zorgvuldige 
overdracht.

1.2   Het college komt tot het oordeel dat verweerder niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft 
gehandeld. Hierna licht het college dat toe.

2. De procedure
2.1  De procedure blijkt uit:
-  het klaagschrift met bijlagen, ontvangen op 29 augustus 2024;
-  het verweerschrift met bijlagen, ontvangen op 12 december 2024;
-  de stukken, ontvangen van de gemachtigde van klaagster op 27 november 2025.

2.2   De partijen hebben de gelegenheid gekregen om onder leiding van een secretaris van het 
college in gesprek te gaan (mondeling vooronderzoek). Daarvan hebben zij geen gebruik gemaakt.

2.3   De zaak is behandeld op de openbare zitting van 10 december 2025. De partijen zijn 
verschenen. Klaagster werd bijgestaan door haar gemachtigde. De partijen en de gemachtigde van 
klaagster hebben hun standpunten mondeling toegelicht.

3. Wat is er gebeurd?
3.1   Op 29 juli 2014 werd klaagster voor het eerst door verweerder gezien vanwege klachten aan de 
linkerknie (pseudoslotverschijnselen), die waren ontstaan tijdens een wandeling. In een ander 
ziekenhuis was klaagster in verband met deze klachten al eerder gezien en was een expectatief 
beleid voorgesteld. Verweerder onderzocht klaagster en liet
röntgenfoto’s maken, die geen afwijkingen vertoonden. Uit de anamnese bleek dat klaagster sinds 
2011 bekend was met klachten aan de linkerknie. Verweerder stelde als diagnose patellofemorale 
arthralgie en schreef een kniebandage voor. Hij noteerde in het dossier dat zo nodig een 
poliklinische controle moest plaatsvinden.

3.2   Op 7 oktober 2014 zag verweerder klaagster opnieuw vanwege een week daarvoor ontstane 
ontwrichting van de linkerknieschijf met een bloeding in het kniegewricht. Verweerder constateerde 
dat de knieschijf makkelijk te luxeren was en dat sprake was van atrofie aan het bovenbeen. 
Röntgenologisch was volgens verweerder een min of meer onveranderd beeld te zien ten opzichte van 
29 juli 2014. In de brief aan de huisarts van 7 oktober 2014 vermeldt verweerder dat klaagster op 
de opnamelijst werd geplaatst voor een MPFL reconstructie links. In het medisch dossier is 
genoteerd dat klaagster akkoord ging met de voorgestelde ingreep.

3.3   Op 1 december 2014 werd klaagster opnieuw gezien vanwege heftige pijnklachten aan de linker 
knie en het gevoel dat de knieschijf was ontwricht. Ze kreeg pijnstilling voorgeschreven en een 
zwaardere kniebandage in afwachting van de operatie.

3.4   Op 7 januari 2015 heeft verweerder bij klaagster onder algehele anesthesie een MPFL repair 
verricht, zoals uit onderstaande citaat uit het operatieverslag blijkt (alle citaten voor zover van 
belang en letterlijk weergegeven):
“Verrichting(en) Herstel collateraal bandletsel links links
(…)
Verslag
Rugligging, bloedleegte, AB profylaxe##Anteromediale incisie en vrijleggen med patellarand. Hier is 
een oude avulsie aanwezig welke een mooie cuff geeft aan de med patellarand.
Teugelen met pds schlinge en onder de VMO naar 3cm mediaal en iets proximaal inhechten. De VMO cuff 
kan nu over de patella heen gebracht worden , tot over het midden van de patella. Aviveren van de 
patella voorzijde met de grote bolfrees van de Anspach. 2 boorgaten met 4,5 mm boor mediaan op de 
patella. Doorvoeren van een 2e pds schlinge en dan revend de VMO over de patella heen fixeren door 
de boorgaten. Het uigerekte MPFL ligt un op het geaviveerde bot en kan hier goed vastgroeien. 
Knopen van de hechtingen en dan nog wat stevig bursa weefsel sluiten. De patella kan nu in het geheel niet gelateraliseerd worden. In het fl-ext traject een goede sporing en geen overmatige spanning. Sluiten huid met nylon.

Nabehandeling
6wk koker in extensie C 2wk voor gipscontrole en evt hv”.

3.5   Verweerder meende dat de MPFL repair zodanig stevig was, dat hij heeft afgezien van 
additionele hamstring augmentatie (een meer uitgebreide techniek waarbij eigen peesweefsel wordt 
gebruikt ter versterking) en tuberositas medialisatie (een operatietechniek waarbij de 
aanhechtingsplaats van de kniepees op het scheenbeen wordt verplaatst).

3.6   Op 17 februari 2015 (zes weken na de operatie) werd bij klaagster het gips verwijderd en werd 
zij gezien door twee collega-artsen van verweerder. Zij noteerden in het dossier:
“O/Wond fraai, hydrops+, nog iets hematoom, LCL/MCL stabiel, volledige extensie, goede sporing van 
de patella.”

3.7   Kort hierna viel verweerder als gevolg van ziekte uit. Na zijn ziekteverlof heeft hij nog een 
paar maanden gewerkt. In die periode heeft hij klaagster niet gezien. Vervolgens is verweerder per 
1 januari 2016 met pensioen gegaan. De behandeling van klaagster in het ziekenhuis is door andere 
orthopedisch chirurgen overgenomen.

3.8   Uit het medisch dossier komt naar voren dat klaagster in augustus 2015 en januari 2016 werd 
gezien in een academisch ziekenhuis. Aldaar werd aangegeven dat er geen operatieve mogelijkheden 
werden gezien en klaagster werd doorverwezen naar de afdeling revalidatie van het ziekenhuis in 
haar woonplaats. In juni 2016 blijkt uit het medisch dossier dat klaagster tevreden was over de 
toestand van haar knie.

3.9   In maart 2017 is in het medisch dossier genoteerd dat klaagster erg ontevreden is en gezien 
was in een ziekenhuis in ....., alwaar vervolgens in juni 2017 een Fulkerson
osteotomie (een ingreep waarbij de aanhechting van de knieschijfpees beter gepositioneerd wordt om 
een nieuwe ontwrichting te voorkomen) van de linkerknieschijfpees met een MPFL reconstructie werd 
verricht. Hierna volgde in 2020 een second opinion in een orthopedische kliniek in Nederland, waar 
een expectatief beleid werd voorgesteld, met name omdat geen operatieve mogelijkheden werden 
gezien. Uiteindelijk bleek bij klaagster sprake te zijn van hyperlaxiteit in combinatie met een 
chronisch pijnsyndroom. Tot op heden heeft klaagster last van pijnklachten aan haar linkerknie.

4. De klacht en de reactie van verweerder
4.1  Klaagster verwijt verweerder dat:
a. zij onvoldoende is geïnformeerd over de aard en het doel van de voorgenomen operatieve ingreep 
    en over de te verwachten gevolgen en risico’s voor haar gezondheid bij de ingreep. Er is om die 
    reden geen sprake van informed consent;
b. de gestelde MPFL-reconstructie niet lege artis is verricht;
c.  er geen, althans onvoldoende, zorg is gedragen voor een zorgvuldige overdracht van klaagster 
    gelet op de pensionering van verweerder.

4.2  De orthopedisch chirurg heeft verweer gevoerd.

4.3  Het college gaat hieronder verder in op de standpunten van partijen.

5. De overwegingen van het college
5.1   Verweerder is geen orthopedisch chirurg meer. In artikel 47 lid 4 van de Wet op de beroepen 
in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG) is bepaald dat ook in geval van uitschrijving uit het 
BIG-register de betrokken zorgverlener aan tuchtrechtspraak onderworpen blijft voor handelen of 
nalaten gedurende de tijd dat de zorgverlener in het BIG-register ingeschreven stond. Aangezien 
verweerder in de periode waar de klacht op ziet, ingeschreven stond in het BIG-register, kan het 
college de klacht beoordelen.

Welke criteria gelden bij de beoordeling?
5.2   De vraag is of verweerder de zorg heeft verleend die van hem verwacht mocht worden. De norm 
daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende orthopedisch chirurg. Bij de beoordeling 
wordt rekening gehouden met de voor verweerder geldende beroepsnormen en andere professionele 
standaarden ten tijde van het betwiste handelen.

Klachtonderdeel a) klaagster is onvoldoende geïnformeerd over de aard en het doel van de 
voorgenomen operatieve ingreep en over de te verwachten gevolgen en risico’s voor de gezondheid van 
klaagster bij de ingreep. Er is om die reden geen sprake van informed consent
5.3   Klaagster geeft in haar klaagschrift aan dat zij in het geheel niet is geïnformeerd over de 
mogelijke gevolgen en/of complicaties van de ingreep. Zij heeft ter zitting toegelicht dat er een 
gesprek is geweest met verweerder waarin gesproken werd over het plaatsen van een plaat met pinnen 
en dat verweerder dit voorafgaand aan de operatie opnieuw heeft besproken. Klaagster gaf op de 
zitting aan dat zij dit ook wilde. Zij wilde van haar knieproblemen af. Klaagster kan zich niet 
meer herinneren of er meer is verteld. Als klaagster geweten had dat er geen plaat met pinnen zou 
worden geplaatst, dan had ze de ingreep niet laten doen en was ze naar iemand anders gegaan.

5.4   Verweerder gaf op de zitting aan dat het voeren van adequaat verweer na ruim negen jaar niet 
gemakkelijk is, maar dat hij zich niet kan voorstellen dat hij met klaagster heeft gesproken over 
platen en pinnen. Hij gaf aan dat bij een dergelijke knieoperatie nooit platen en schroeven worden 
gebruikt. Klaagster kwam op 7 oktober 2014 op de polikliniek orthopedie met een knieschijf die kort daarvoor uit de kom was gegaan. Op de zitting heeft verweerder toegelicht dat hij vanwege de losse kniebanden met waarschijnlijk patella subluxaties in het verleden, de matige x-benen van klaagster, naast het verse trauma (op röntgenbeeld was een 
benige afscheuring zichtbaar), een operatie aangewezen achtte boven een conservatief beleid. Hij gaat ervan uit dat dit destijds ook aan klaagster uitgelegd is.
Verweerder heeft haar vervolgens op de wachtlijst geplaatst voor MPFL reconstructie aan de 
linkerknie.

5.5   Het college merkt op dat in het medisch dossier is genoteerd dat klaagster akkoord was met de 
voorgestelde ingreep. Er is geen notitie welke informatie is gegeven. Op grond van hetgeen 
klaagster ter zitting vertelde en de toelichting van verweerder, leidt het college af dat er in 
ieder geval informatie over de voorgenomen ingreep is gegeven.
Het college overweegt dat het beter was geweest wanneer met klaagster de alternatieven besproken 
waren met uitleg waarom in dit geval voor de MPFL repair werd gekozen. Het college acht het feit 
dat verweerder hiervan heeft afgezien echter onder de gegeven omstandigheden te billijken. Wat er 
precies is uitgelegd aan klaagster is niet meer te achterhalen. Dat brengt mee dat niet kan worden 
vastgesteld of verweerder verwijtbaar is tekortgeschoten in het geven van informatie. Het college 
neemt hierbij in haar overweging mee dat het betwiste handelen ruim negen jaar geleden heeft 
plaatsgevonden, de weliswaar summiere aantekening in het medisch dossier, alsmede wat partijen 
hierover tijdens de zitting hebben meegedeeld. Het college komt dan tot het oordeel dat dit 
klachtonderdeel ongegrond is.

Klachtonderdeel b) de gestelde MPFL-reconstructie is niet lege artis verricht
5.6   Volgens klaagster is de verkeerde operatie verricht en had een MPFL reconstructie met 
autograft moeten plaatsvinden, zoals in 2017 in het buitenland bij klaagster is verricht. Er staat 
in het medisch dossier volgens klaagster dat er een MPFL reconstructie zou worden verricht door 
verweerder.

5.7   Volgens verweerder was het gebruikelijk om bij een eenmalige knieschijfluxatie gips aan te 
leggen, maar verweerder zag op grond van de omstandigheden van klaagster een indicatie voor 
operatie, waarbij hij voor de minst ingrijpende procedure heeft gekozen. Verweerder heeft in het 
verweerschrift toegelicht dat de verrichte hechting van het mediale retinaculum en de VMO (spier) 
advancement intraoperatief een goede patellasporing en stabiliteit gaven. De constructie was 
dusdanig stevig dat hij heeft afgezien van additionele hamstring augmentatie of tuberositas 
medialisatie. Hoewel klaagster al langer knieklachten had, was volgens verweerder op het moment dat 
zij op de wachtlijst werd gezet voor de ingreep, niet te voorzien dat sprake was van een chronisch 
pijnsyndroom in combinatie met hyperlaxiteit.

5.8   Het college merkt op dat zowel in de schriftelijke stukken van verweerder, als in het medisch 
dossier de term MPFL reconstructie en MPFL repair door elkaar worden gebruikt, waardoor het niet op voorhand duidelijk is welke operatie is verricht. Volgens verweerder is er geen wezenlijk verschil tussen een repair en een reconstructie en deze ingrepen kunnen volgens hem met of zonder autograft worden verricht. Uit het operatieverslag leidt het college af dat een MPFL repair is verricht; “herstel van collateraal bindweefsel links”.

5.9   Uit de notities in het medisch dossier na 7 januari 2015 leidt het college af dat het directe 
postoperatieve beloop ongestoord was, maar dat de situatie vanaf 13 april 2015 verslechterde na 
anamnestisch onder meer een trauma. Naar het oordeel van het college heeft verweerder vanwege de 
medische voorgeschiedenis en de slappe kniebanden bij klaagster, een weloverwogen keuze gemaakt 
voor een MPFL repair in plaats van een conservatief beleid. Een MPFL repair zonder autograft als 
minst ingrijpende verrichting is naar het oordeel van het college een verdedigbare keuze geweest. 
Dit klachtonderdeel is ongegrond.

5.10  Klaagster verwijt verweerder verder dat hij naast de verkeerde operatiekeuze ook de operatie 
niet lege artis zou hebben uitgevoerd. Daarvan is het college niet gebleken. Het door verweerder 
aangeleverde operatieverslag toont dat de ingreep lege artis is uitgevoerd. Ook in zoverre is dit 
klachtonderdeel ongegrond.

Klachtonderdeel c) er is geen, althans onvoldoende, zorg gedragen voor een zorgvuldige overdracht 
van klaagster gelet op de pensionering van verweerder
5.11  Verweerder bevestigt dat een overdracht van de behandeling niet heeft plaatsgevonden. Niet 
omdat hij met pensioen ging, maar omdat hij door ziekte vrijwel direct was uitgevallen nadat hij 
klaagster had geopereerd. Zijn collega heeft de behandeling vervolgens overgenomen.

5.12  Naar het oordeel van het college was met het uitvallen van verweerder als gevolg van ziekte 
sprake van overmacht. In een dergelijk geval kan van verweerder niet verwacht worden dat hij 
tijdens zijn ziekte voor overdracht van zijn patiënten aan een andere arts zorgdraagt. Om dit soort 
onverwachte situaties op te vangen, dient in het medisch dossier adequate informatie te worden 
vastgelegd om de continuïteit van zorg te waarborgen. Verweerder heeft zijn bevindingen tijdens de 
consulten in het medisch dossier genoteerd. Het operatieverslag maakt duidelijk welke ingreep is 
verricht, wat er tijdens de operatie is aangetroffen en op welke wijze verweerder de operatie heeft 
verricht. Er was door verweerder nabehandeling afgesproken en dat is op 17 februari 2015 door 
collega-artsen van verweerder opgepakt. Toen verweerder vervolgens met pensioen ging, was de 
behandeling al enige tijd overgenomen door collega-artsen. Het is het college niet gebleken dat het 
ontbreken van een overdracht aan de opvolger van verweerder voor klaagster nadelig is geweest. Dit 
klachtonderdeel is ook ongegrond.

Slotsom
5.13  Uit de overwegingen hiervoor volgt dat alle onderdelen van de klacht ongegrond zijn.

Kostenveroordeling
5.14  Klaagster heeft verzocht verweerder te veroordelen in de kosten die zij heeft gemaakt in deze 
procedure. Een kostenveroordeling op grond van artikel 69 lid 5 Wet BIG is mogelijk als het college 
de klacht (gedeeltelijk) gegrond verklaart en aan de zorgverlener een maatregel oplegt. Nu het 
college heeft geoordeeld dat de klacht in al zijn onderdelen ongegrond is, zal het college het 
verzoek tot kostenveroordeling afwijzen.

6. De beslissing
Het college:
-  verklaart de klacht ongegrond;
-  wijst het verzoek tot kostenveroordeling af.

Deze beslissing is gegeven door T.N.E. Meyboom, voorzitter, H.J.C. Smink, lid-jurist,
H.M.J. van der Linden-van der Zwaag, H.W.J. Koot en M.H.M. Bender, leden-beroepsgenoten, bijgestaan 
door D. van Grootveld, secretaris, en in het openbaar uitgesproken door K.A.J.C.M. van den Berg 
Jeths-van Meerwijk op 4 februari 2026.