ECLI:NL:TGZRSHE:2026:2 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg 's-Hertogenbosch H2025/8440

ECLI: ECLI:NL:TGZRSHE:2026:2
Datum uitspraak: 07-01-2026
Datum publicatie: 07-01-2026
Zaaknummer(s): H2025/8440
Onderwerp: Onjuiste verklaring of rapport
Beslissingen: Ongegrond, kennelijk ongegrond
Inhoudsindicatie: Ongegronde klacht tegen psychotherapeut. Klaagster verwijt verweerster, dat verweerster een andere versie heeft geschreven van het levensverhaal van klaagster en dat verweerster klaagster in deze weergave verwijten heeft gemaakt. Ook heeft verweerster volgens klaagster niet gereageerd op de e-mailberichten van klaagster en klaagster als een klein kind behandeld. College: de onhandige en pijnlijke weergave in de werkhypothese is niet tuchtrechtelijk verwijtbaar. Collega van verweerster en verweerster hebben gereageerd op de e-mailberichten van klaagster. Verschillende lezingen over communicatie.


REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG TE ’s-HERTOGENBOSCH

Beslissing in raadkamer van 7 januari 2026 op de klacht van:

[A],
wonende in [B],
klaagster,

tegen:

[C],
psychotherapeut,
destijds werkzaam in [D],
verweerster,
gemachtigde: mr. D. Schut-Wolfs, werkzaam in Amsterdam.


1. De zaak in het kort
1.1   Klaagster verwijt verweerster, dat verweerster een andere versie heeft geschreven van het 
levensverhaal van klaagster. Volgens klaagster heeft verweerster klaagster in deze weergave 
verwijten gemaakt. Ook heeft verweerster niet gereageerd op de e-mailberichten van 20 en 29 oktober 
2024 van klaagster aldus klaagster. Tot slot meent klaagster dat verweerster klaagster als een 
klein kind heeft behandeld.

1.2   Het college komt tot het oordeel dat de klacht kennelijk ongegrond is. ‘Kennelijk’ betekent 
dat het niet nodig is om nog vragen aan de partijen te stellen en dat duidelijk is dat de klacht 
niet gegrond kan worden verklaard. Hierna licht het college toe hoe het tot deze beslissing is 
gekomen.

2. De procedure
2.1  Het dossier bevat de volgende stukken:
-   het klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 23 december 2024;
-   het verweerschrift met de bijlagen, ontvangen op 14 maart 2025.

2.2   De partijen hebben de gelegenheid gekregen om onder leiding van een secretaris van het 
college in gesprek te gaan (mondeling vooronderzoek). Daarvan hebben zij geen gebruik gemaakt.

2.3   Het college heeft de klacht in raadkamer behandeld. Dit betekent dat het college de zaak 
heeft beoordeeld op basis van de stukken, zonder dat de partijen daarbij aanwezig waren.

3. De feiten
3.1   Op 29 mei 2022 heeft de Reclassering Nederland klaagster als volgt aangemeld bij Forensisch 
Psychiatrische Polikliniek GGZ waar verweerster werkzaam is (alle citaten voor zover van belang en 
letterlijk weergegeven):
“(…) Conform afspraken verwachten wij een klinische indicatiestelling (…) en (…) een reactie 
betreffende de acceptatie van betrokkenen bij uw zorginstelling. (…) Forensische zorgtitel (…) 
Voorwaardelijke veroordeling (…)
Toelichting delict: Betrokkene (…) wordt verdacht van fraude hetgeen zij bekent.
Ambulante zorgvraag Diagnostiek, Behandeling (…)”

3.2   Op 9 juni 2022 heeft klaagster bij verweerster een intakegesprek. Verweerster heeft hierover 
het volgende genoteerd in het dossier van klaagster:
“(…) Werkhypothese:
Nog jonge vrouw die zegt van huis uit gewend te zijn geweest aan kunnen krijgen wat je wilt hebben. 
Dit geldt onder meer op materieel gebied. Kunnen krijgen wat je wilt lijkt belangrijker dan vragen 
betreffende moraliteit. Dat de inkomsten van vader onder meer afkomstig waren van criminele 
activiteiten schijnt ze voor kennisgeving aan te nemen; niet iets waar ze zich druk over maakt.. Ze 
lijkt verantwoordelijkheid moeilijk te kunnen ervaren. Impulsieve beslissingen staan meer op de 
voorgrond dan verstandige keuzes. Cliënte besloot tot twee snel opeenvolgende zwangerschappen, kort 
nadat haar oudste kindje was overleden. Een doel: twee kinderen hebben lijkt belangrijker dan het 
verwerken van het verdriet over het verlies van het oudste kindje. Het kindje, een meisje, is 
gestorven als baby van enkele weken oud, toen het bij haar op de bank lag, cliënte was in slaap 
gevallen. Het komt hierbij bevreemdend over dat zij betreffende dit incident met name de rol van de 
politie hekelt; zonder dat er ergens zelfverwijt klinkt. Haar rol bij dit ongeluk laat ze 
onderbelicht. (…) Alsof ze in deze enorme pijn het zelfverwijt niet kan dragen en een beetje buiten 
de realiteit komt te staan. Ook beklaagt ze zich over de extra zorg die één van de kinderen nodig 
heeft; Haar toon komt richting dit jongetje wat verwijtend over; wat zorgelijk is. 
Verantwoordelijkheid nemen kost kennelijk wel moeite. (…)
Uitgebreide beschrijvende diagnose:
(…) De intaker denkt aan anti sociale trekken. Cliënte meldt te leiden aan ADHD; Deze diagnose 
verdient opnieuw geëvalueerd op worden. (…)”
Voorgaand citaat, de werkhypothese samen met de uitgebreide beschrijvende diagnose worden hierna 
ook weergegeven als: (de) werkhypothese.

3.3   Klaagster krijgt na 9 juni 2022 een verlengde intake van een collega van verweerster en 
klaagster wordt daarna behandeld door collega’s van verweerster.

3.4   Op 20 oktober 2024, ongeveer twee en een half jaar na de intake, hebben klaagster en 
verweerster voor het eerst contact na de intake. Klaagster heeft verweerster het volgende gemaild:
“(…) Aanstaande week wil ik een gesprek omtrent de onwaarheden die u in mijn intake-verslag heeft 
geschreven voordat ik ook tegen u een procedure bij het Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg start. 
Door de door u geschreven werkhypothese (…) loopt er al een procedure tegen de regiebehandelaar 
(…). Ik ben onverantwoordelijk, onverstandig, leef buiten de realiteit, een slechte moeder wat 
zorgelijke situatie creëert voor mijn kinderen. En als klap op de vuurpijl suggereert u dat ik mijn 
dochtertje heb vermoord?! Vervolgens zou haar overlijden mij niet interesseren omdat ik het 
belangrijker vond om twee (…) nieuwe kinderen te krijgen? Spoort u wel helemaal om mij zo (…) vals 
te beschuldigen? (…)”

3.5   Op 22 oktober 2024 heeft een collega van verweerster aan klaagster geantwoord: “(…) Met 
betrekking tot uw verzoek voor een gesprek met (…) [verweerster] om de werkhypothese (…) te 
bespreken plannen wij dit graag in op (…) 29 oktober (…) Graag horen wij van u of u ingaat op dit 
voorste tot gesprek (…)”

3.6  Op 29 oktober 2024 heeft klaagster aan collega’s van verweerster en aan verweerster gemaild:
“(…) Nogmaals voor alle duidelijkheid; ik heb geen behoefte aan een gesprek met
(…) [verweerster], ik wil alleen een verklaring. (…)
Ik wil (…) [verweerster] onder 4 ogen spreken. Omdat ik de mail zojuist pas heb kunnen lezen, is 
vandaag niet meer haalbaar voor mij. Kan er een nieuwe afspraak ingepland worden? (…)”

3.7  Op 4 november 2024 heeft klaagster aan verweerster gemaild:
“(…) Op 20 (…) en op 29 oktober heb ik u gemaild om een afspraak in te plannen. Voor de (…) laatste 
keer, verzoek ik u wederom dit te doen. (…)”

3.8   Op 4 november 2024, dezelfde dag, heeft verweerster aan klaagster geantwoord: “(…) In reactie 
op uw verzoek, gedaan op 20 oktober, heeft (…) [naam collega verweerster] u uitgenodigd voor een 
gesprek dat zou kunnen plaatsvinden op 29 oktober 2024 (…). Voor de afspraak stuurt u, op 29 
oktober, een mail waaruit we opmaken dat u van de afspraak afziet. Hierbij nodig ik u opnieuw uit. 
Ik zou u kunnen spreken volgende week (…) 12 november’ 24 (…)”

3.9  Dezelfde dag heeft klaagster aan verweerster gemaild:
“(…) In mijn vorige mail gaf ik aan dat die afspraak niet meer haalbaar was voor mij en vraag ik 
heel duidelijk of er een nieuwe afspraak ingepland kan worden. Heel vreemd dat daaruit opgemaakt 
wordt dat ik van die afspraak af zie. (…)”

3.10  Op 5 november 2024 heeft verweerster aan klaagster geantwoord:
“(…) Dank voor het accepteren van de uitnodiging aanstaande dinsdag (…) [college: 12 november 
2024]. Ik begrijp uit de correspondentie dat u met mij in gesprek wilt over de door mij opgestelde 
rapportage. (…) In uw mails lees ik dat de door mij geschreven woorden bij u een andere betekenis hebben gekregen en niet goed zijn overgekomen. Dat vind ik naar en vervelend voor u. Het is voor mij reden om graag met u in gesprek te gaan; ook om aan u uit te kunnen leggen wat ik heb geschreven en hoe het is bedoeld. Mocht er van uit u de wens 
zijn dat ik een bepaalde formulering aanpas, dan kunnen we daar over spreken. (…)”

3.11  Op 12 november 2024 heeft het gesprek met klaagster, verweerster en een collega van 
verweerster plaatsgevonden.

4. De klacht en de reactie van verweerster
4.1  Klaagster verwijt verweerster, dat verweerster:
a)   achter de rug van klaagster om een compleet andere versie heeft geschreven van het 
levensverhaal van klaagster en dat verweerster klaagster van alles heeft verweten;
b)   niet heeft gereageerd op de e-mailberichten van 20 en 29 oktober 2024 van klaagster;
c)   klaagster in het gesprek van 12 november 2024 heeft behandeld als een klein kind.

4.2  Verweerster heeft het college verzocht de klacht af te wijzen.

4.3  Het college gaat hieronder, voor zover nodig, verder in op de standpunten van partijen.

5. De overwegingen van het college
De criteria voor de beoordeling
5.1   De vraag is of de verweerster de zorg heeft verleend die van haar verwacht mocht worden. De 
norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende psychotherapeut. Bij de beoordeling 
wordt rekening gehouden met de voor de psychotherapeut geldende beroepsnormen en andere 
professionele standaarden. Dat een zorgverlener beter anders had kunnen handelen is niet altijd 
genoeg voor een tuchtrechtelijk verwijt. Verder geldt het uitgangspunt dat zorgverleners alleen 
tuchtrechtelijk verantwoordelijk zijn voor hun eigen handelen.

5.2  Het college oordeelt dat de psychotherapeut niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld 
en licht dat hieronder toe.

Klachtonderdeel a) Ander verhaal waarin verweerster klaagster verwijten maakt
5.3   Klaagster verwijt verweerster een ander levensverhaal te hebben opgeschreven dan dat 
klaagster tijdens het intakegesprek met haar heeft gedeeld.

5.4   Verweerster heeft aangevoerd dat zij in de werkhypothese de volgende woorden heeft gebruikt: 
‘lijkt, schijnt, het komt over, alsof, kennelijk, de intaker denkt aan’. Verweerster heeft deze 
woorden opgeschreven om aan te geven dat dit de (voorlopige) indruk van verweerster betreft. Verweerster heeft aangegeven tijdens de intake een inschatting te hebben gemaakt van hoe gewetensvol klaagster is. Ook heeft verweerster ingeschat of klaagster kampt met de gevolgen van een posttraumatische stressstoornis. Daarnaast heeft verweerster beoordeeld in welke mate klaagster in staat was om verstandige keuzes te maken. Ten aanzien van het volgende citaat uit de werkhypothese van verweerster: “twee kinderen hebben lijkt belangrijker dan het 
verwerken van het verdriet over het verlies van het oudste kindje” heeft verweerster toegelicht dat zij bedoelde te 
omschrijven dat zij zorgen had over de mogelijke overbelasting van klaagster. Verweerster heeft 
verklaard dat zij zich kan voorstellen dat klaagster zich veroordeeld heeft gevoeld en voelt door 
dit citaat. Tot slot heeft verweerster aangevoerd dat zij klaagster geen verwijten heeft gemaakt of 
maakt.

5.5   Het college overweegt dat uit de door verweerster geformuleerde werkhypothese voor de 
opvolgende zorgverleners voldoende duidelijk blijkt wat verweerster heeft bedoeld en welke 
inschattingen verweerster heeft gemaakt. Het college overweegt ook dat van verweerster mag worden 
verwacht dat zij nuances aanbrengt in de werkhypothese en notities. Het college meent dat er in de 
werkhypothese nuances aangebracht hadden kunnen worden zonder afbreuk te doen aan de helderheid. 
Het college acht het invoelbaar dat klaagster zich door deze werkhypothese veroordeeld voelde en 
voelt. Echter gaat het er in het tuchtrecht niet om of verweerster beter had kunnen handelen maar 
of verweerster beter had moeten handelen. De intakefase met klaagster was nog niet afgerond. Immers 
deze was verlengd en diende nog (door een collega) te worden uitgewerkt. Het college oordeelt 
daarom dat er weliswaar sprake is geweest van een onhandige en pijnlijke weergave in de 
werkhypothese, maar dat dit niet maakt dat sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen door 
verweerster. Klachtonderdeel a) is kennelijk ongegrond.

Klachtonderdeel b) Verweerster heeft niet gereageerd op de beide e-mailberichten
5.6   Het college stelt vast dat een collega van verweerster op 22 oktober 2024 heeft gereageerd op 
de e-mail van 20 oktober 2024 van klaagster. Die collega heeft in die e-mail het volgende aan 
klaagster gevraagd“(…) Met betrekking tot uw verzoek voor een gesprek met (…) [verweerster] om de 
werkhypothese (…) te bespreken plannen wij dit graag in. Het college overweegt dat uit de tekst 
voldoende blijkt dat hiermee mede is gereageerd namens verweerster en dat er daardoor geen 
verantwoordelijkheid meer lag bij verweerster om ook te reageren op de e-mail van klaagster. Dit 
klachtonderdeel is in zoverre kennelijk ongegrond.

5.7   Voor zover klaagster ook heeft bedoeld te klagen over dat verweerster klaagster onjuist heeft 
begrepen na de e-mail van 29 oktober 2024 van klaagster, overweegt het college het volgende. In 
deze e-mail schrijft klaagster eerst geen behoefte aan een gesprek met verweerster te hebben en in 
dezelfde e-mail verzoekt klaagster om een nieuwe afspraak met verweerster te plannen. Klaagster 
geeft hiermee tegenstrijdige signalen af. Het had wellicht beter geweest om bij klaagster hierover 
navraag te doen. Dat iets beter had gekund, maakt nog niet dat er sprake is van een tuchtrechtelijk 
verwijt. Verweerster heeft bij e-mail van 4 november 2024 gereageerd op de e-mailberichten van 29 oktober 2024 en van 4 november 2024. Daarmee heeft verweerster feitelijk op de e-mailberichten van klaagster gereageerd. Voor het 
overige is dit klachtonderdeel ook kennelijk ongegrond.

Klachtonderdeel c) Gesprek van 12 november 2024
5.8   In het klaagschrift heeft klaagster gesteld dat zij op 12 november 2024 door verweerster als 
een klein kind werd behandeld. Verweerster heeft aangevoerd zich hierin niet te herkennen en dat 
zij in dat gesprek heeft uitgelegd wat zij heeft bedoeld met de werkhypothese. Verweerster heeft 
daarnaast aangevoerd in dit gesprek aandacht te hebben gegeven in de door haar gebruikte woorden; 
‘lijkt, schijnt, het komt over, alsof, kennelijk en denkt aan’.

5.9   Voor zover klaagster heeft bedoeld te klagen over hoe zij te woord werd gestaan door 
verweerster overweegt het college het volgende. Het college constateert dat partijen een 
verschillende herinnering aan de communicatie tijdens het gesprek hebben overgehouden. Niet kan 
worden vastgesteld wat er precies is gezegd, hoe dat is gezegd en hoe de sfeer van het gesprek was. 
In dit geval kan niet worden vastgesteld welke van beide lezingen het meest aannemelijk is en kan 
het verwijt dat is gebaseerd op de lezing van de klagende partij niet gegrond worden bevonden. Dit 
oordeel berust niet op het uitgangspunt dat het woord van de klaagster minder geloof verdient dan 
dat van de verweerster, maar op de omstandigheid dat voor het oordeel of een bepaalde verweten 
gedraging tuchtrechtelijk verwijtbaar is, eerst moet worden vastgesteld welke feiten daaraan ten 
grondslag gelegd kunnen worden. Deze feiten kan het college dus, ook als aan het woord van 
klaagster en van verweerster evenveel geloof wordt gehecht, hier niet vaststellen. Om die reden kan 
dit klachtonderdeel niet slagen. Ook dit klachtonderdeel is kennelijk ongegrond.

Slotsom
5.10  Uit de overwegingen hiervoor volgt dat alle onderdelen van de klacht kennelijk ongegrond 
zijn.

6. De beslissing
Het college:
-  verklaart de klacht in al haar onderdelen kennelijk ongegrond.


Deze beslissing is gegeven op 7 januari 2026 door I.M.E.A. van Eldonk, voorzitter,
Ch. Oele en M.J.E. Lemmens, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door F.A.C. Bergervoet, secretaris en 
in het openbaar uitgesproken door de vaste voorzitter,
K.A.J.C.M. van den Berg Jeths-van Meerwijk.