ECLI:NL:TGZRSHE:2026:19 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg 's-Hertogenbosch H2024/7510
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRSHE:2026:19 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 28-01-2026 |
| Datum publicatie: | 28-01-2026 |
| Zaaknummer(s): | H2024/7510 |
| Onderwerp: | Onjuiste verklaring of rapport |
| Beslissingen: | Gegrond, geen maatregel |
| Inhoudsindicatie: | Deels gegronde klacht tegen gz-psycholoog. Klaagster is onvoldoende geïnformeerd over inhoud Individueel Behandelplan (IBP). Geen sprake van gezamenlijke besluitvorming. College heeft niet kunnen vaststellen dat de gz-psycholoog de handtekening van klaagster op het toestemmingsformulier zou hebben vervalst. Geen maatregel. |
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG TE ’S-HERTOGENBOSCH
Beslissing van 28 januari 2026 op de klacht van:
[A],
wonende in [B],
klaagster,
tegen
[C],
gz-psycholoog,
(destijds) werkzaam in [B],
verweerster, hierna ook: de gz-psycholoog,
gemachtigde: mr. D. Schut-Wolfs, werkzaam in Amsterdam.
1. De zaak in het kort
1.1 Klaagster heeft na aanmelding door de Reclassering een behandeltraject gevolgd
bij een
GGZ-instelling. Verweerster is enige tijd de regiebehandelaar geweest van klaagster.
Klaagster
verwijt verweerster dat zij zonder haar medeweten een individueel behandelplan heeft
opgesteld en
dat verweerster dit plan heeft ondertekend zonder dat klaagster daarvoor toestemming
heeft gegeven.
Daarnaast verwijt klaagster verweerster dat verweerster de handtekening van klaagster
heeft
vervalst. Verweerster erkent dat de bespreking van het behandelplan beter had gekund,
maar zij
betwist dat zij tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Verweerster betwist
ook dat zij de
handtekening van klaagster heeft vervalst. Verweerster vindt daarom dat de klacht
ongegrond moet
worden verklaard.
1.2 Het college is van oordeel dat de klacht gedeeltelijk gegrond is. Hierna licht
het college dat
toe.
2. De procedure
2.1 De procedure blijkt uit:
- het klaagschrift, ontvangen op 8 augustus 2024;
- 1 USB-stick ontvangen van klaagster op 8 augustus 2024 en 6 USB-sticks ontvangen
van klaagster
op 23 oktober 2024;
- de brief van 11 september 2024 van de secretaris aan klaagster;
- de transcripties, ontvangen van klaagster op 23 oktober 2024;
- het gespreksverslag, ontvangen van klaagster op 23 december 2024;
- het verweerschrift, ontvangen op 13 januari 2025.
2.2 De partijen hebben de gelegenheid gekregen om onder leiding van een secretaris
van het
college met elkaar in gesprek te gaan (mondeling vooronderzoek). Daarvan hebben
zij geen gebruik
gemaakt.
2.3 De zaak is behandeld op de openbare zitting van 3 december 2025. Klaagster is
niet
verschenen. Zij heeft het college bericht dat zij niet aanwezig kon zijn bij de
mondelinge
behandeling. Verweerster is verschenen. Zij werd bijgestaan door haar gemachtigde.
Verweerster
heeft haar standpunt mondeling toegelicht en spreekaantekeningen voorgelezen en
aan het college
overhandigd. De gemachtigde van verweerster heeft een pleitnotitie voorgelezen en
zij heeft deze
eveneens aan het college overhandigd. De spreekaantekeningen en de pleitnotitie
zijn op 5 december
2025 door het secretariaat van het tuchtcollege per post naar klaagster gestuurd.
3. De feiten
3.1 Klaagster is op 29 mei 2022 door Reclassering Nederland aangemeld voor forensische
zorg bij
de GGZ-instelling (hierna: de instelling) waar de gz-psycholoog werkzaam was als
klinisch
psycholoog.
3.2 Op 9 juni 2022 heeft klaagster een intakegesprek gehad met een collega van de gz-psycholoog.
3.3 Op 28 juni 2022 heeft de vervolgintake plaatsgevonden met een andere collega
van de
gz-psycholoog. De gz-psycholoog is na deze twee gesprekken, als regiebehandelaar,
betrokken geraakt
bij de behandeling van klaagster. De eerste kennismakingsafspraak heeft plaatsgevonden
op 12 juli
2022. De gz-psycholoog heeft in het dossier van klaagster (citaten voor zover relevant
en
letterlijk weergegeven) genoteerd:
“(…) Clte gezien samen met coll [naam andere collega]. Clte heeft haar dochtertje
(7mnd) mee, waar
we in het gesprek bij stilstaan. Verder gesproken over haar moederschap en de invloed/
gevolgen die
dat heeft op keuzes in haar leven. Betrokkenheid VT: twee meldingen door het ziekenhuis.
Eerste
melding ging over de zorg voor dochtertje toen zij in het ziekenhuis verbleef; tweede
melding
recent nav agressie door partner (verbale agressie richting de artsen en kabels
van dochter
getrokken; onttrokken aan zorg). VT gaat monitoringsfase in gedurende 9 mnd. Partner
is een
aandachtspunt; volgens clte niet steunend, gebruikt drugs om zijn gevoelens te dempen
(heeft
volgens clte dood kindje en vroeggeboorte dochter nog niet verwerkt) en raakt snel
zijn geduld
kwijt. Aangegeven dat we hem graag willen spreken. volgens clte geen prater en kan
snel ontvlammen
waardoor ze bang is dat dit negatieve gevolgen voor haar heeft. Voor risicotaxatie:
veel komt neer
op de schouders van clte (komt daardoor niet aan haar toekomstplannen/ eigen leven
toe), weinig
emoties mbt heftige periode in haar leven (wordt dit geblokkeerd/ in overleefstand
en niet
toegekomen aan verwerking of moeite contactmaken met emoties?), kosten opvang kinderen
(?).
motivatie: oppakken studie rechten (HBO). Aangegeven dat we graag in contact willen
met VT (eerst
bij recl checken wat zij heeft afgesproken) om te horen hoe zij naar de situatie
kijken,
veiligheidsvoorwaarden te horen en evt motiveren partner voor betrokkenheid behandeling.
Volgende gesprek: - Terugkomen op eigen doelen – Afspraken; mogelijkheden zonder dochtertje
(dinsdagochtend vroeg; of zijn er mogelijkheden op andere dagen?)(…).”
3.4 Na dit gesprek is het behandeltraject van klaagster gestart. Klaagster heeft
een aantal
afspraken geannuleerd en klaagster is niet altijd verschenen bij de afspraken.
3.5 Op 7 september 2022 is de behandelingsovereenkomst, een 3-partijenovereenkomst
tussen
klaagster, de reclassering en de ggz-instelling, ondertekend. De gz-psycholoog heeft
als
behandelaar de overeenkomst ondertekend.
3.6 Op 30 november 2022 heeft de gz-psycholoog genoteerd:
“Afgelopen periode besproken. op dit moment geen contact met ex, Clte heeft op dit
moment veel aan
haar hoofd en lukt bijna niet te overzien. Geeft veel stress. Ook herinneringen
aan de dood van
haar eerste kindje; bezig met rechtszaak om erkenning dat zij niet goed os behandeld
soor het NFI
(onzorgvuldig), aankomende verjaardag en sterfdatum. Om studieschuld te voorkomen
is een verklaring
nodig vanuit GGZ over diagnose. Aangegeven dat ik dit niet zomaar kan doen; eerst
PO nodig. Clte
stuurt informatie over wat er tot nu toe aan diagnoses bekend is. Wil netwerkberaad
niet
voorbespreken; heeft zelf wel een idee en wil vooral af van alle bemoeienis.”
3.7 Op 14 december 2022 heeft de gz-psycholoog de risico-taxatie teruggekoppeld aan
klaagster.
Verder heeft de gz-psycholoog genoteerd:
“Gesproken over reden voor opvragen dossier; welke stukken nodig. Wil dit doen vanwege
wantrouwen
dat is gegroeid na opvragen stukken VT. Risicotaxatie teruggekoppel; cl herkent
zich hierin.”
3.8 Op 29 december 2022 heeft de gz-psycholoog een Individueel Behandelplan Kortdurende
zorg
(IBP) opgesteld voor klaagster. Op 13 februari 2023 heeft de gz-psycholoog dit behandelplan
digitaal op definitief gezet en heeft zij het geaccordeerd.
Onder Diagnose & zorgvraagtypering heeft de gz-psycholoog opgenomen:
“Zorgepisode of aanmelding
09-06-2022 Zorgepisode “FZ Zorgcasus”- Aandachtsdeficiëntie-/hyperactiviteitsstoornis:
gecombineerd
beeld
Werkhypothese
Informatie vanuit de intake:
Nog jonge vrouw die zegt van huis uit gewend te zijn geweest aan kunnen krijgen
wat je wilt hebben.
Dit geldt onder meer op materieel gebied. Kunnen krijgen wat je wilt lijkt belangrijker
dan vragen
betreffende moraliteit. Een. Dat de inkomsten van vader onder meer afkomstig waren
van criminele
activiteiten, schijnt ze voor kennisgeving aan te nemen; niet iets waar ze zich
druk over maakt.. Ze lijkt verantwoordelijkheid moeilijk te kunnen ervaren. Impulsieve
beslissingen staan meer op de voorgrond dan verstandige keuzes. Cliënte besloot tot
twee snel opeenvolgende zwangerschappen, kort nadat haar oudste kindje was overleden.
Een doel.: twee kinderen hebben lijkt belangrijker dan het verwerken van het verdriet
over het verlies van het
oudste kindje. Het kindje, een meisje, is gestorven als baby van enkele weken oud,
toen het bij haar op de bank lag, cliënte was in slaap gevallen. Het komt hierbij
bevreemdend over dat zij betreffende dit incident met name de rol van de politie hekelt;
zonder dat er ergens zelfverwijt klinkt. Haar rol bij dit ongeluk laat ze onderbelicht.
Daarentegen presenteert ze het verhaal alsof zij het slachtoffer van de politie is.
Alsof ze in deze enorme pijn het zelfverwijt niet kan dragen en een beetje buiten
de realiteit komt te staan. Ook beklaagt ze zich over de extra zorg die één
van de kinderen nodig heeft; Haar toon komt richting dit jongetje, wat verwijtend
over; wat zorgelijk is.
Verantwoordelijkheid nemen kost kennelijk wel moeite.
Diagnostische formulering
(…)
Uitgebreide beschrijvende diagnose.
Informatie vanuit de intake
Nog jonge vrouw die zegt van huis uit gewend te zijn geweest aan kunnen krijgen
wat je wilt hebben.
Dit geldt onder meer op materieel gebied. Kunnen krijgen wat je wilt lijkt belangrijker
dan vragen
betreffende moraliteit. Een. Dat de inkomsten van vader onder meer afkomstig waren
van criminele
activiteiten, schijnt ze voor kennisgeving aan te nemen; niet iets waar ze zich
druk over maakt..
Ze lijkt verantwoordelijkheid moeilijk te kunnen ervaren. Impulsieve beslissingen
staan meer op de
voorgrond dan verstandige keuzes. Cliënte besloot tot twee snel opeenvolgende zwangerschappen,
kort
nadat haar oudste kindje was overleden. Een doel.: twee kinderen hebben lijkt belangrijker
dan het
verwerken van het verdriet over het verlies van het oudste kindje. Het kindje, een
meisje, is
gestorven als baby van enkele weken oud, toen het bij haar op de bank lag, cliënte
was in slaap
gevallen. Het komt hierbij bevreemdend over dat zij betreffende dit incident met
name de rol van de
politie hekelt; zonder dat er ergens zelfverwijt klinkt. Haar rol bij dit ongeluk
laat ze
onderbelicht. Daarentegen presenteert ze het verhaal alsof zij het slachtoffer van
de politie is.
Alsof ze in deze enorme pijn het zelfverwijt niet kan dragen en een beetje buiten
de realiteit komt
te staan. Ook beklaagt ze zich over de extra zorg die één van de kinderen nodig
heeft; Haar toon
komt richting dit jongetje, wat verwijtend over; wat zorgelijk is.
Verantwoordelijkheid nemen kost kennelijk wel moeite.
De intaker denkt aan antisociale trekken. Cliënte meldt te lijden aan ADHD; Deze
diagnose verdient
opnieuw geëvalueerd te worden. in de verdere gesprekken is een strijdvaardige vrouw
te zien. Strijd
lijkt een manier om niet te hoeven voelen. Het wordt duidelijk dat clte niet is
toegekomen aan de
verwerking en rouw van het verlies van haar kindje. Ze blijft strijden voor erkenning
van de
misstanden ook al gaat dit ten koste van haar. Hetgeen gebeurd is raakt haar nog
steeds enorm, maar
komt er ook niet aan toe vanwege de omstandigheden. De relatie met haar ex is beëindigd,
maar blijft tot problemen leiden door wat zij beschrijft als stalkinggedrag.
(…)
Risicotaxatie Conclusie en beleid Conclusie:
Er zijn geen signalen voor risico op suïcide.
En Er zijn signalen van huiselijk geweld en/of kindermishandeling.
En zijn risico’s m.b.t de zorg voor minderjarige kinderen in de leefsituatie van
de cliënt. Er is
sprake van een bijkomend risico. Cliente is veroordeeld voor fraude.
Er is sprake van een recidiverisico: Niet bekend.
Er is sprake van problematisch alcohol- en/of drugsgebruik.
Cliënt heeft verhoogd risico om slachtoffer te worden van het gedrag van anderen.
Beleid:
Veilig Thuis, Safegroup, CJG en politie zijn betrokken.
In de behandeling is aandacht voor recidiverisico middels gesprekken en risicotaxatie
(FARE).
(…).”
3.9 Op 29 maart 2023 heeft het laatste gesprek plaatsgevonden tussen klaagster en
de
gz-psycholoog. De gz-psycholoog is sinds 1 april 2023 niet meer werkzaam bij de
instelling.
3.10 Op 9 mei 2023 heeft de gz-psycholoog klaagster gebeld naar aanleiding van een
verzoek dat
klaagster aan de instelling had gericht om contact te hebben met de gz-psycholoog.
Klaagster heeft
een opname gemaakt van dit telefoongesprek. In grote lijnen is het volgende besproken:
Klaagster zegt dat zij niet op de hoogte was van het feit dat er een IBP was opgesteld,
dat zij dit
plan niet had gezien en niet wist dat het bestond. De gz-psycholoog heeft in reactie
daarop gezegd
dat zij het plan niet op papier, maar wel mondeling hebben doorgenomen.
Klaagster heeft tegen de gz-psycholoog gezegd dat zij niet begrijpt hoe er op 13
februari 2023 een
akkoord vanuit haar is gekomen, waarop de gz-psycholoog antwoordt dat ze het IBP
toen met klaagster
heeft besproken en op akkoord heeft gezet. De gz-psycholoog zegt ook dat de informatie
uit de
intake is overgenomen vanuit het systeem. Klaagster zegt dat er geen intakeverslag
of diagnose
vanuit de intake met haar is gedeeld en dat ze het niet eens is met hoe het een
en ander er staat.
Klaagster voelt zich zwart gemaakt, met name vanwege de bewoordingen over haar kinderen.
De
gz-psycholoog zegt dat de intake en werkhypothese door haar zijn overgenomen en
dat zij ervan uit
is gegaan dat deze door haar voorganger met klaagster zijn besproken. Zelf heeft
zij de diagnose en
behandeldoelen opgesteld. De gz-psycholoog vraagt klaagster wat haar kan helpen,
waarop klaagster
antwoordt dat het haar zou helpen als het plan (het gehele IBP) vernietigd zou worden.
3.11 Dezelfde dag laat de gz-psycholoog klaagster per e-mail weten dat het IBP op
klaagsters
verzoek gedeeltelijk of geheel kan worden vernietigd. Ook bericht zij klaagster
dat indien zij zal
kiezen voor een gerechtelijke procedure tegen haar of de instelling, hiertegen bezwaar
zal worden
gemaakt omdat dit onderdeel uit klaagsters dossier dan nodig zal zijn.
4. De klacht en de reactie van de gz-psycholoog
4.1 De gz-psycholoog wordt verweten dat zij;
1. een individueel behandelplan heeft opgesteld en ondertekend zonder klaagsters
medeweten en
toestemming;
2. klaagsters handtekening heeft vervalst op het toestemmingsformulier aan de huisarts
en de vorige
psycholoog van klaagster.
4.2 De gz-psycholoog heeft het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren.
4.3 Het college gaat hieronder verder in op de standpunten van partijen.
5. De overwegingen van het college
Welke criteria gelden bij de beoordeling?
5.1 De vraag is of de gz-psycholoog de zorg heeft verleend die van haar verwacht
mocht worden. De
norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende gz-psycholoog. Bij
de beoordeling
wordt rekening gehouden met de voor de zorgverlener geldende beroepsnormen en andere
professionele
standaarden. In dit geval heeft het college gekeken naar de Wet op de Geneeskundige
Behandelingsovereenkomst (WGBO), de GGZ standaard diagnostiek gepubliceerd op 16
juni 2022 en de
Beroepscode voor psychologen uit 2015. Verweerster heeft klaagster immers in haar
hoedanigheid van
gz-psycholoog behandeld. Dat een zorgverlener beter anders had kunnen handelen is
niet altijd
genoeg voor het maken van een tuchtrechtelijk verwijt.
Klachtonderdeel 1) individueel behandelplan opgesteld en ondertekend zonder klaagsters
medeweten en
toestemming
5.2 Bij de beoordeling stelt het college het volgende voorop. Het uitgangspunt
is dat een patiënt
toestemming geeft voor het uitvoeren van een medische behandeling. In artikel 7:448
van het
Burgerlijk Wetboek is bepaald dat de hulpverlener voordat hij toestemming vraagt
voor het uitvoeren
van een behandeling, de patiënt eerst moet informeren over de voorgestelde behandeling.
Onder
andere moet duidelijk zijn wat de aard en het doel zijn van de behandeling, wat
de diagnose en de
prognose zijn voor de patiënt, welke risico’s eventueel aanwezig zijn en welke alternatieven
eventueel mogelijk zijn. Daardoor kan de patiënt een weloverwogen besluit nemen
over het al dan
niet ondergaan van de behandeling. De informatieplicht van de hulpverlener en het
vereiste dat de
patiënt toestemming geeft voor de behandeling, vormen samen het informed consent.
Het behandelplan
is de uitkomst van gezamenlijke besluitvorming tussen de patiënt en de hulpverlener
over de
behandeldoelen en de in te zetten behandeling. Het is de feitelijke uitwerking van
de behandelingsovereenkomst. Het behandelplan moet dan ook in samenspraak met de patiënt
zijn gemaakt en de patiënt moet hierin hebben toegestemd.
5.3 In dit geval staat vast dat de in het behandelplan opgenomen risicotaxatie en
de
behandeldoelen door verweerster met klaagster zijn besproken. Klaagster erkent dat
ook tijdens het
gesprek dat zij op 9 mei 2023 met verweerster heeft gevoerd. De klacht ziet echter
op de informatie
die in het behandelplan onder de kopjes “Werkhypothese” en “Uitgebreide beschrijvende
diagnose” is
opgenomen. Volgens klaagster is deze informatie niet met haar besproken en heeft
zij hiervoor geen
toestemming gegeven. Verweerster heeft dit niet bestreden. Zij heeft verklaard dat
zij de
betreffende informatie uit de verslaglegging van de intakegesprekken die haar collega’s
met
klaagster hebben gevoerd, heeft overgenomen. Ook heeft zij verklaard dat zij ervan
uitging dat die
informatie door haar voorgangers tijdens de intakegesprekken met klaagster was besproken.
Het
college concludeert daarom dat het IBP, wat betreft de onder “Werkhypothese” en
“Beschrijvende
diagnose “ vermelde informatie, niet volledig en niet voldoende met klaagster is
besproken. Het is
niet zo dat de tekst van het IBP letterlijk aan klaagster had moeten worden voorgehouden,
maar voor
klaagster moest wel ten aanzien van alle onderdelen duidelijk zijn wat erin staat,
zodat zij
volledig geïnformeerd kon besluiten om wel of niet akkoord te gaan met het behandelplan.
Alleen dan
is sprake van de gezamenlijke besluitvorming die bij de totstandkoming van het behandelplan
het
uitgangspunt moet zijn. Daarbij geldt dat verweerster, die verantwoordelijk was
voor het opstellen
van het behandelplan, niet ervan uit kon gaan dat de notities van de intakegesprekken
door haar
collega’s met klaagster
afdoende waren besproken. Verweerster had zelf moeten nagaan of de inhoud van het
IBP voor
klaagster duidelijk was en of klaagster hiermee akkoord was. Aangezien dit niet
is gebeurd, kan het
college niets anders concluderen dan dat verweerster het IBP ten onrechte op definitief
heeft gezet
en daarvoor klaagsters akkoord heeft gegeven. Dit klachtonderdeel is daarom gegrond.
Klachtonderdeel 2) handtekening klaagster vervalst op het toestemmingsformulier aan
de huisarts en
de vorige psycholoog van klaagster
5.4 Met dit klachtonderdeel verwijt klaagster verweerster dat verweerster de handtekening
van
klaagster heeft vervalst door deze op de formulieren te plaatsen, waarmee toestemming
wordt
verleend door klaagster om informatie op te vragen en om gegevens over te dragen.
Verweerster
betwist dat zij dit heeft gedaan.
5.5 Het college stelt vast dat op de betreffende toestemmingsformulieren een handtekening
met de
naam van klaagster staat. Het college kan niet vaststellen dat verweerster deze
handtekeningen op
de formulieren heeft geplaatst. Klaagster heeft deze stelling in het licht van de
betwisting
daarvan door verweerster onvoldoende onderbouwd. Daarbij geldt dat verweerster onder
verwijzing
naar de zich in het dossier bevindende kopie van het paspoort van klaagster, waarop
haar
handtekening is geplaatst, betoogt dat de handtekeningen op de toestemmingsformulieren
identiek
zijn aan die op het paspoort.
Hoewel het college geen handschriftdeskundige is, stelt het wel vast dat die handtekeningen
op het
eerste oog identiek lijken te zijn. Het had op de weg van klaagster gelegen om haar
stelling dat de
handtekeningen op de toestemmingsformulieren niet van haar afkomstig zijn nader
te onderbouwen. Dit
heeft zij niet gedaan. Dit klachtonderdeel is daarom ongegrond.
Slotsom
5.6 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat het eerste klachtonderdeel gegrond is
en dat het tweede
klachtonderdeel ongegrond is.
Maatregel
5.7 Aangezien het eerste klachtonderdeel gegrond is, ziet het college zich geplaatst
voor de
vraag of en zo ja welke maatregel dient te worden opgelegd. In beginsel geldt dat
de aard en ernst
van het tuchtrechtelijk verwijt dat verweerster kan worden gemaakt, het opleggen
van een
waarschuwing rechtvaardigt. In dit geval ziet het college echter aanleiding om gebruik
te maken van
de in artikel 69 lid 4 van de Wet op de Beroepen in de Individuele Gezondheidszorg
opgenomen
mogelijkheid om te volstaan met gegrondverklaring van de klacht, zonder het opleggen
van een
maatregel. Hiervoor is redengevend dat uit het dossier blijkt dat de totstandkoming
en uitvoering
van het behandeltraject moeizaam is verlopen door factoren die niet aan verweerster
te verwijten
zijn. Dit heeft ook zijn weerslag gehad op de (wijze van) totstandkoming van het
behandelplan. Daar
komt bij dat verweerster tijdens het telefoongesprek op 9 mei 2023 met zo veel woorden
heeft erkend
dat zij het behandelplan wat de werkdiagnose en de beschrijvende diagnose betreft
onvoldoende heeft
besproken. Verder heeft verweerster tijdens dit gesprek geprobeerd naar een oplossing
te zoeken.
Ten slotte weegt het college mee dat verweerster tijdens de mondelinge behandeling
heeft verklaard
dat zij op haar handelen heeft gereflecteerd en dat zij haar werkwijze inmiddels
heeft aangepast.
Verweerster heeft in dit verband verklaard dat zij alle onderdelen van de behandelplannen
nu
deugdelijk bespreekt door patiënten letterlijk voor te houden wat zij heeft genoteerd.
Bovendien
heeft zij haar praktijk zo ingericht dat haar patiënten digitaal volledige toegang
hebben tot hun
dossier, zodat zij de behandelplannen en alle overige informatie kunnen meelezen.
Het college
concludeert dat verweerster inziet dat zij anders had moeten handelen en dat zij
zodanige
maatregelen heeft getroffen, dat het risico op herhaling wordt voorkomen. Bij deze
stand van zaken
ziet het college in dit geval aanleiding te volstaan met gegrondverklaring van klachtonderdeel
1
zonder een maatregel op te leggen.
6. De beslissing
Het college:
- verklaart klachtonderdeel 1 gegrond;
- bepaalt dat geen maatregel wordt opgelegd;
- verklaart de klacht voor het overige ongegrond.
Deze beslissing is gegeven door R.T. Hermans, voorzitter, N.H.J. Lafghani, lid-jurist,
Ch. Oele,
M.J.E. Lemmens en E.H. Muste, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door M.
Karatepe, secretaris, en in het openbaar uitgesproken door K.A.J.C.M. van den Berg
Jeths-van
Meerwijk op 28 januari 2026.